Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1998

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
200.196.948
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of een schuld aan een derde een huwelijkse schuld is dan wel sprake is geweest van schuldvernieuwing na het einde van het huwelijk. Hof oordeelt dat dit laatste het geval is en de vrouw mitsdien geen schuldenaar is noch (mede) aansprakelijk is voor deze schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Zaaknummer : 200.126.948

Rol-/zaaknummer rechtbank : HA ZA 12-850 / C/09/423309

arrest van de familiekamer d.d. 23 juni 2015

inzake

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen te Den Haag,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.W.R. Hoogstraten te Den Haag.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 25 april 2013 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2013 tussen partijen gewezen.

Voor het verloop van de zaak in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft gesteld.

Bij memorie van grieven heeft appellante 4 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven gemotiveerd weersproken.

Ter rolzitting van 7 april 2015 hebben partijen nog een pleitnota genomen.

Partijen hebben hun stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het geschil

Algemeen

1.Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank zijn vastgelegd.

2. Door appellante wordt gevorderd: dat het uw gerechtshof moge behagen om bij arrest uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de rechtbank zoals dat tussen partijen is gewezen op 27 februari 2013 te vernietigen om alsnog de vordering van geïntimeerde in al [naam ex] onderdelen af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

Schuldvernieuwing

3. In de derde grief stelt appellante uitsluitend dat er sprake is van schuldvernieuwing. Bij de invoering van het nieuwe burgerlijk wetboek is de objectieve schuldvernieuwing als zodanig uit het wetboek verdwenen. Het hof vat de grief aldus op dat appellante stelt dat de verbintenis uit de geldlening van 16 december 2008 is vervangen door die van 20 november 2009 en toen was er geen sprake meer van een gemeenschap van goederen tussen [naam ex] en [naam ex] ex [naam ex].

4. Geïntimeerde heeft zijn vordering echter gegrond op de leenovereenkomsten van 16 december 2008 en van 20 november 2009. De huwelijksgemeenschap tussen appellante en haar ex-echtgenoot [naam ex], die beide leenovereenkomsten heeft gesloten – de laatste met schriftelijk accoord van appellante – is ontbonden op 14 mei 2009 door het maken van huwelijkse voorwaarden. Volgens appellante is de schuld van 16 december 2008 gedurende het bestaan van de huwelijksgemeenschap vervallen.

5. Door geïntimeerde wordt ontkend dat er sprake is van schuldvernieuwing. Zo is uit niets gebleken dat met het afsluiten van de lening in november 2009 de eerdere leningsovereenkomst is komen te vervallen. Partijen hebben immers geen schuldvernieuwing beoogd. Dit blijkt volgens geïntimeerde ook nergens uit.

6. Het hof overweegt als volgt. Uit de inleidende dagvaarding in eerste aanleg volgt dat geïntimeerde (zie punt 28) zijn vordering mede baseert op de overeenkomst van geldlening van 20 november 2009.

7. In punt 14 van de inleidende dagvaarding stelt geïntimeerde: “Nadat [de man] niet werd terugbetaald uit de opbrengst van de woning, hebben partijen naderhand een geldleningsovereenkomst gesloten. Partijen sloten in eerste instantie weliswaar geen schriftelijke geldleenovereenkomst voor deze lening, doch bij brief van 16 december 2008 heeft [naam ex] (en daarmee [de vrouw]) bevestigd een bedrag van € 42.329,33 aan [de man] verschuldigd te zijn.”.

8. Dat geïntimeerde uit hoofde van de overeenkomst van geldlening van 20 november 2009 vordert, volgt eveneens uit punt 16 en 17 van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg. In punt 17 is gesteld: “Partijen zijn in laatstgenoemde overeenkomst een looptijd van 24 maanden overeengekomen. De rentevergoeding bedraagt 10% per jaar, te voldoen op de 30e van iedere maand.”.

9. In de leenovereenkomst van 20 november 2009 zijn onder meer de navolgende bepalingen opgenomen:

  • -

    deze overeenkomst betreft een persoonlijke lening ter grootte van € 60.875,00 van [de man] aan [naam ex];

  • -

    [naam ex] zal zich inspannen om de hoofdsom zoveel en snel mogelijk gedurende de looptijd van de lening af te lossen;

  • -

    als onderpand voor deze lening wordt gegeven het pand aan de [adres], dat eigendom is van [de vrouw].

10. Op basis van vorenstaande feiten is het hof van oordeel dat de schuld van [naam ex] aan geïntimeerde in december 2008 (welke schuld viel in de wettelijke gemeenschap van goederen) is vervangen per 20 november 2009. Ter ondersteuning van haar stelling dat geïntimeerde zijn vordering heeft gestoeld op een overeenkomst gesloten na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap door alleen [naam ex] beroept zij zich op de overeenkomst van 2009. Voor zover de vrouw deze laatste overeenkomst voor akkoord zou hebben ondertekend hetgeen zij betwist is zij daardoor nog geen schuldenaar geworden. Door voormelde schuldvernieuwing naar huidig recht is de schuld van 20 november 2009 in de plaats gesteld van die van december 2008 van welke verbintenis afstand is gedaan. Met betrekking tot de schuld van 20 november 2009 is appellante geen schuldenaar noch is zij (mede) aansprakelijk voor deze schuld aangezien deze schuld is ontstaan nadat partijen staande huwelijk huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn aangegaan. Wel is zij verplicht op basis van deze overeenkomst onderpand te verstrekken.

11. Grief drie treft doel. De overige grieven behoeven geen verdere bespreking aangezien deze niet relevant zijn voor het onderhavige oordeel. Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en de inleidende vordering van geïntimeerde dient alsnog te worden afgewezen.

Proceskosten

12. Ondanks dat geïntimeerde in het ongelijk wordt gesteld is het hof van oordeel dat er geen grond is voor een veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten. De overige stellingen van appellante, zoals verwoord in de overige grieven, komen het hof niet geloofwaardig voor. Ieder der partijen dient derhalve, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, zijn eigen proceskosten te dragen.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2013 tussen partijen gewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af hetgeen geïntimeerde in eerste aanleg heeft gevorderd;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Stollenwerck en Warnaar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.