Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1994

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
200.153.849/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding omgangsregeling. Straat- en contactverbod. Beperking in duur van het verbod tot het moment dat de vrouw zelf weer contact met de man heeft gezocht en de man een weekend bij de vrouw heeft verbleven. Omgangsregeling dient in aanhangig zijnde bodemzaak te worden beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.153.849/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/452803/KG ZA 14-542

arrest d.d. 14 juli 2015

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.H.W.J. Hendriks te Vlaardingen,

tegen

[de vrouw]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P. Hoogenraad te Maassluis.

Het geding

De man is bij exploot van 1 augustus 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2014, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

De man heeft in de memorie van grieven vijf grieven aangevoerd en heeft daarbij zes producties overgelegd.

De vrouw heeft een memorie van antwoord ingediend.

Vervolgens heeft de man een akte genomen en heeft de vrouw daarop volgend een antwoord-akte genomen.

De man heeft zijn procesdossier overgelegd en pleidooi gevraagd. De pleidooizitting is bepaald op 4 juni 2015 om 14.00 uur.

Ter zitting van 4 juni 2015 zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de advocaat van de vrouw.

Ieder van partijen heeft zijn standpunt bepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Partijen hebben er mee ingestemd dat het hof arrest zal wijzen op basis van het door de man ter gelegenheid van het aanvragen van het pleidooi overgelegde procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, in conventie en in reconventie, de man verboden zich na de betekening van het vonnis en vervolgens gedurende zes maanden te bevinden binnen een straal van 50 meter rond de woning van de vrouw en heeft de voorzieningenrechter de man verboden om in die zelfde periode op enigerlei wijze contact op te nemen met de vrouw. Aan deze verboden is een dwangsom verbonden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde, waaronder de vordering van de man, een voorlopige zorgregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarige [naam kind], geboren [geboortedatum] te [plaatsnaam], is afgewezen.

2. De man vordert dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, en opnieuw rechtdoende dat de vorderingen van de vrouw in conventie alsnog zullen worden afgewezen en de vorderingen in reconventie van de man alsnog zullen worden toegewezen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van beide instanties, alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3. De vrouw concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de man in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening, alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Straat en contactverbod

4. De vrouw heeft ten eerste aangevoerd dat de man geen belang meer heeft bij zijn vorderingen ten aanzien van het straat- en contactverbod, omdat de periode waarin dit verbod gold, inmiddels is verstreken.

5. De man stelt dat in andere tussen partijen spelende procedures telkens wordt aangevoerd dat de man een straat- en contactverbod is opgelegd. Aan de man zijn dwangsommen aangezegd omdat hij het contactverbod zou hebben overtreden. De man heeft aldus een belang bij een beoordeling in hoger beroep.

6. Het hof overweegt dat, reeds in de omstandigheid dat de man mogelijk dwangsommen heeft verbeurd in verband met de hem opgelegde verboden, de man belang heeft bij zijn vorderingen ter zake in hoger beroep.

7. Het hof overweegt verder als volgt. De voorzieningenrechter heeft naar het oordeel van het hof het contactverbod terecht opgelegd. Vast staat dat de man vele berichten aan de vrouw heeft verstuurd, welke telkens kwetsender en dreigender van toon werden. De man heeft aldus onrechtmatig gehandeld jegens de vrouw. Het hof is van oordeel dat de vrouw terecht heeft gevorderd dat het door de man contact zoeken met haar zou stoppen. De voorzieningenrechter heeft verder terecht een dwangsom verbonden aan de overtreding van dit verbod. Vast staat dat de advocaat van de vrouw de man bij brief van 23 oktober 2013 heeft verzocht en gesommeerd om geen contact met de vrouw op te nemen. Desondanks heeft de man nadien meerdere malen de vrouw met berichten benaderd. Het opleggen van een dwangsom was dan ook een geëigend middel.

8. Ten aanzien van de duur van het contactverbod overweegt het hof verder het volgende. Vast staat dat de vrouw uit eigen beweging op of rond 12 september 2014 contact heeft gezocht met de man. Dit heeft er in geresulteerd dat de man een weekend bij de vrouw, haar kinderen en het kind van partijen heeft doorgebracht en hij bij de vrouw heeft overnacht. Het hof passeert de stelling van de vrouw dat zij de man heeft toegelaten omdat zij zich bedreigd voelde. Dit verklaart niet waarom het de vrouw was die contact heeft gezocht met de man en niet andersom en ook niet dat de man een weekend bij de vrouw heeft verbleven, naar onweersproken is komen vast te staan. De vrouw heeft er aldus blijk van gegeven, op een voortzetting van de duur van het contactverbod niet langer prijs te stellen.

Het hof is daarom van oordeel dat het contactverbod in duur dient te worden beperkt tot 12 september 2014.

9. Met betrekking tot het straatverbod is het hof van oordeel dat dit ten onrechte is opgelegd. Niet is komen vast te staan dat de man de vrouw heeft lastiggevallen, door zich in haar nabijheid te begeven zonder dat daarvoor enige noodzaak aanwezig was. De man heeft verder aangeboden om gedurende een periode van vier maanden om te rijden, zodat hij niet in de nabijheid van de woning van de vrouw zou komen. Het hof meent daarom dat een straatverbod, dat een uiterste middel is en een inperking inhoudt van de bewegingsvrijheid, in dit geval niet behoefde te worden opgelegd. Het hof zal dan ook het bestreden vonnis vernietigen voor zover daarbij aan de man een straatverbod is opgelegd.

Omgangsregeling

10. Het hof overweegt dat inmiddels een bodemprocedure aanhangig is gemaakt waarin het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling aan de orde is. Het hof is van oordeel dat een kort gedingprocedure zich niet leent voor de beoordeling van de in dit verband opgeworpen geschilpunten, te weten allereerst de vraag of er sprake is van family life tussen de man en de minderjarige. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de man niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat voorshands geen nauwe persoonlijke betrekking aanwezig werd geacht. De voorzieningenrechter heeft in het dictum evenwel de vorderingen van de man afgewezen. Het hof is van oordeel dat de vordering van de man in de aanhangige bodemprocedure dient te worden beoordeeld. Het bewijsaanbod van de man dient te worden gepasseerd, reeds omdat een kort gedingprocedure zich niet leent voor bewijslevering. Verder zal de bodemrechter beter in staat zijn, zo een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige aanwezig wordt geoordeeld, te beoordelen of zich een ontzeggingsgrond voordoet die aan een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige in de weg staat. Het hof zal daarom het bestreden vonnis op dit onderdeel, zij het op andere gronden, bekrachtigen.

Slotsom en proceskosten

11. De slotsom is dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen ten aanzien van het straat- en contactverbod en het bestreden vonnis zal bekrachtigen ten aanzien van de vordering van de man tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling. De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd. Het hof is van oordeel dat voor een proceskostenveroordeling geen grond bestaat en zal de vorderingen daartoe van partijen over en weer afwijzen.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij een straat- en contactverbod voor de duur van zes maanden zijn opgelegd aan de man en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van de vrouw met betrekking tot het gevorderde straatverbod alsnog af;

bepaalt dat het opgelegde contactverbod in duur wordt beperkt tot 12 september 2014 en na 12 september 2014 niet langer van kracht is;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de kosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, J.A. van Kempen en C.M. Warnaar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Bij ontstentenis van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de oudste raadsheer