Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1991

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
200.162.879
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding nakoming omgangsregeling. Dwangsom terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.162.879/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/464423/ KG ZA 14-1118

arrest van de familiekamer van 30 juni 2015

inzake

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.J. van Lingen te Alkmaar,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H.S. Franken te Zoetermeer.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 9 januari 2015 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2014 tussen partijen gewezen.

Voor het verloop van de zaak in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft gesteld.

De vrouw heeft in haar exploot de grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.

De man heeft op 3 maart 2015 gediend voor memorie van antwoord.

De man heeft zijn processtukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het geschil

Algemeen

1.Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de voorzieningenrechter zijn vastgelegd.

2. Door de vrouw wordt gevorderd: dat het het gerechtshof behage het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 19 december 2014 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

de vorderingen van de man, eiser in eerste instantie, af te wijzen;

II. de man, gedaagde in eerste instantie, te veroordelen, al dan niet met voorlopige

wijziging van de regeling, om de kinderen uiterlijk om 18.00 uur bij het Centraal Station [plaatsnaam] af te zetten op de momenten dat de vrouw de kinderen aldaar op grond van de regeling d.d. 30 oktober 2013 dient op te halen;

een en ander met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

Nakoming omgangsregeling

3. De man heeft in kort geding nakoming gevraagd van de tussen partijen vastgestelde omgangsregeling. De man is van mening dat de vrouw geen dan wel onregelmatig uitvoering geeft aan de omgangsregeling.

Grondslag

4. Het hof stelt voorop, dat het kind recht heeft op omgang met zijn beide ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.

5. Op de rechter rust een zware inspanningsverplichting om het wederzijdse recht op omgang tussen de ouder en kind daadwerkelijk tot stand te laten komen. Omgang is een verplichting van ieder van de ouders richting hun kinderen. De sleutel voor de oplossing van de problematiek rond omgangsrecht ligt in beginsel bij de ouders zelf. Om partijen te dwingen om hun afspraken na te komen met betrekking tot de omgang kan en moet de rechter soms een dwangsom opleggen.

Grieven van de vrouw

6. Gezien de onderlinge samenhang van de grieven bespreekt het hof de grieven van de vrouw gemeenschappelijk.

7. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de grieven de vrouw.

8. Uit het procesdossier volgt dat de communicatie tussen de beide ouders met betrekking tot de kinderen niet soepel verloopt. Gezien de aard van de onderhavige procedure kan een diepgaand onderzoek met betrekking tot de omgangsproblematiek niet aan de orde komen. Daarvoor dienen partijen zich te wenden tot de bodemrechter. De voorzieningenrechter geeft slechts een ordemaatregel.

9. Uit het proces-verbaal van de zitting van 12 december 2014 volgt dat de problematiek door de voorzieningenrechter uitvoerig is behandeld.

10. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw geen nieuwe feiten gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden dan hetgeen de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 19 december 2014 heeft bepaald.

11. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de kinderen in alle rust moeten worden gehaald en gebracht. Dat de moeder de kinderen vier keer per jaar bij de vader bij zijn woonhuis moet ophalen acht het hof vooralsnog niet bezwaarlijk voor de vrouw en kan dan ook in alle redelijkheid van haar worden verlangd. Het hof gaat niet nader in op de vraag of, en zo ja, wanneer de vrouw wel of niet de omgangsregeling is nagekomen. Het hof is van oordeel dat de omgangsregeling niet soepel loopt en dat de vrouw ook haar aandeel daarin heeft. Ook van de vrouw kan enige souplesse worden verlangd in het kader van de uitvoering van de omgangsregeling.

12. Dat de voorzieningenrechter beide partijen aan het werk heeft gezet om de details van de omgangsregeling met betrekking tot het jaar 2015 in te vullen acht het hof in het belang van beide partijen en in het belang van de kinderen. Van de rechter wordt nu eenmaal een actieve houding gevraagd bij het tot stand komen en naleven van een omgangsregeling. Als de vrouw zelf in haar toelichting stelt dat zij niet te beroerd is om met de man in overleg te treden over jaarlijkse lijstjes dan begrijpt het hof niet dat de vrouw nog een grief formuleert tegen het oordeel van de voorzieningenrechter. De vrouw toont hiermee zelf aan dat haar gedrag niet altijd even consequent is met betrekking tot de omgangsregeling.

13. De vrouw is het er niet mee eens dat de voorzieningenrechter een dwangsom heeft opgelegd. Gezien de houding van de vrouw in de gehele omgangsproblematiek is het hof met de voorzieningenrechter van oordeel dat op goede gronden een dwangsom is opgelegd.

Proceskosten

14. Gezien de aard van het geschil acht het hof het redelijk en billijk dat de proceskosten in appel worden gecompenseerd en wel in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2014 tussen partijen gewezen;

compenseert de proceskosten en wel in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Van Kempen, en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.