Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1985

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
BK-14-01418
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13193, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:58
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende verlies uit onderneming in aanmerking mag nemen en of hij recht heeft op persoonsgebonden aftrek als bedoeld in artikel 6.1, lid 2, aanhef en onderdeel c juncto artikel 6.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2010, hierna: Wet IB 2001).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1632
FutD 2015-1784
FutD 2015-1785
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/01418

Uitspraak van 30 juni 2015

in het geding tussen:

ir. [X], wonende te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2014, nummer SGR 14/3137, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.608. Bij gelijktijdig genomen beschikking is een bedrag van € 318 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is € 45 griffierecht geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.348, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 80,60 en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 45 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake daarvan is € 122 griffierecht geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.4.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 mei 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende woont in [Z] en was in 2010 voltijds werkzaam in loondienst bij het [Y]. Daarnaast exploiteerde belanghebbende een bessenplantopstand op een perceel grond van 0,8 hectare in [A] op [B] (Zeeland). Belanghebbende verrichtte de werkzaamheden met betrekking tot de bessenplantopstand gedurende ADV-dagen en in gedeelten van vakanties. De lopende werkzaamheden werden verricht door een loonwerker. Voor de pluk maakte belanghebbende gebruik van scholieren, die bij hem in loondienst werkzaam waren. De productie werd afgezet op de veiling. In 2011 is de bessenplantopstand gerooid wegens tegenvallende klimatologische omstandigheden, aantasting van de bessenplantopstand door vogelvraat en toenemende concurrentie op de fruitmarkt.

3.2.

In de jaren 1999 tot en met 2011 heeft belanghebbende met de activiteiten de volgende resultaten behaald:

Jaar

Opbrengst

Kosten

waarvan personeel en uitbesteed werk

Resultaat

1999

ƒ 14.208

ƒ 10.408

ƒ 4.155

ƒ 3.800

2000

ƒ 14.042

ƒ 11.337

ƒ 3.819

ƒ 2.705

2001

?

?

?

?

2002

€ 3.733 negatief

2003

€ 1.258 negatief

2004

€ 0

2005

€ 3.086 negatief

2006

€ 664

€ 4.676

€ 833

€ 4.012 negatief

2007

€ 1.482

€ 4.707

€ 1.113

€ 3.225 negatief

2008

€ 1.605

€ 5.745

€ 1.231

€ 4.140 negatief

2009

€ 1.702

€ 6.724

€ 1.503

€ 5.022 negatief

2010

€ 760

€ 3.921

€ 936

€ 3.161 negatief

2011

€ 303

€ 4.228

€ 1.288

€ 3.925 negatief

3.3.

Ter zake van de exploitatie van de bessenplantopstand heeft belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV voor 2010 een verlies uit onderneming in aanmerking genomen van € 3.352. Daarnaast heeft belanghebbende in de aangifte een bedrag van € 5.680 als uitgaven voor levensonderhoud van kinderen in aanmerking genomen, te weten € 1.420 (= 4 x € 355) in verband met uitgaven voor zijn zoon en € 4.260 in verband met uitgaven voor zijn dochter.

3.4.

Belanghebbendes zoon, geboren [in] 1983, is autistisch. Hij woont in een woongroep. Elke twee à drie weken verblijft hij een weekend bij belanghebbende en ook in de vakanties verblijft hij regelmatig bij belanghebbende. Hij genoot in 2010 een Wajong-uitkering van € 14.895, waarvan ongeveer een derde deel ter vrije beschikking stond. Daarnaast had hij in 2010 een spaartegoed van € 36.899.

3.5.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur het door belanghebbende aangegeven verlies uit onderneming geheel gecorrigeerd. Ook heeft de Inspecteur de door belanghebbende opgevoerde uitgaven voor levensonderhoud van kinderen niet in aftrek toegestaan.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.1.

In geschil is of belanghebbende verlies uit onderneming in aanmerking mag nemen en of hij recht heeft op persoonsgebonden aftrek als bedoeld in artikel 6.1, lid 2, aanhef en onderdeel c juncto artikel 6.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2010, hierna: Wet IB 2001).

4.1.2.

Ter zake van het verlies uit onderneming is meer specifiek in geschil of de werkzaamheden met betrekking tot de bessenplantopstand een bron van inkomen vormen. Zo dit het geval is, is niet in geschil dat deze een onderneming vormen.

4.1.3.

Met betrekking tot de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen is in hoger beroep nog slechts in geschil of belanghebbende voor het jaar 2010 recht heeft op persoonsgebonden aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud voor de zoon tot een bedrag van € 1.420. Niet langer is in geschil dat belanghebbende recht heeft op een dergelijke aftrek voor de dochter tot een bedrag van € 4.260.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de in 4.1.1. vermelde vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.576

(= € 54.348 – 3.352 (verlies) – 1.420 (PGA)).

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen:

"Bron van inkomen

10. Volgens vaste rechtspraak is voor een bron van inkomen niet alleen vereist dat een voordeel wordt beoogd, maar ook dat dit voordeel, objectief beoordeeld, kan worden verwacht. In dat verband kunnen feiten en omstandigheden van andere jaren licht werpen voor het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelverwachting (zie HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, ECLI:NL:HR:2011:BP5707). Niet in geschil is dat [belanghebbende] met de activiteiten heeft deelgenomen aan het economisch verkeer.

11. [ Belanghebbende] heeft de bessenplantopstand in 2011 gerooid. De rechtbank stelt vast dat over de periode 2002 tot en met 2011 met de activiteiten nimmer voordeel is behaald (zie onder 2). Gegeven de negatieve resultaten in samenhang met hetgeen [belanghebbende] overigens heeft gesteld, is niet aannemelijk geworden dat redelijkerwijs een voordeel viel te verwachten. Uit niets valt af te leiden dat in enig jaar een voordeel kon worden verwacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een bron van inkomen. Dit betekent dat [de Inspecteur] het aangegeven verlies terecht heeft gecorrigeerd.

12. [ Belanghebbende] stelt in dit verband nog dat de activiteiten ook in positieve zin hebben bijgedragen aan zijn werk voor het [Y] zodat er samenhang was met zijn inkomsten uit dienstbetrekking. Wat daar ook van zij, die omstandigheid doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het oordeel onder 11 nu de activiteiten als zodanig voor [belanghebbende] geen positieve resultaten genereerden.

Aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud

13. Ingevolge het bepaalde in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, in verbinding met het derde lid, van de Wet IB 2001 is voor het in aanmerking nemen van uitgaven van levensonderhoud voor kinderen onder meer vereist dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven. Volgens vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van die uitgaven het inkomen en het vermogen van de kinderen in aanmerking te worden genomen (zie gerechtshof Amsterdam, 25 november 2010, nr. 09/00244, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9129).

14. Nu de zoon een Wajong-uitkering heeft genoten van € 14.895, waarvan ongeveer een derde deel ter vrije beschikking stond en hij daarnaast in 2010 beschikte over een spaartegoed van € 36.899, acht de rechtbank aannemelijk dat de zoon in staat was zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] zich redelijkerwijs niet gedrongen kon voelen de uitgaven te doen. Ook in zoverre is het gelijk aan [de Inspecteur].

15. Dat in de toelichting bij de aangifte niet specifiek cijfermatig is uitgewerkt dat onder de gegeven omstandigheden geen recht op aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud bestaat, maakt nog niet dat in dit geval wel recht op die aftrek bestaat. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit praktisch oogpunt moet worden volstaan met een eenvoudige, korte omschrijving op het aangiftebiljet en in de toelichting. In dit geval is de rechtbank ook niet gebleken van een bindende toezegging door [de Inspecteur] waarop eiser[belanghebbende] zich zou kunnen beroepen.

16. Nu [de Inspecteur] zich heeft neergelegd bij het standpunt van [belanghebbende] dat hij recht heeft op persoonsgebonden aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud voor de dochter tot een bedrag van € 4.260, dient het belastbare inkomen uit werk en woning met dit bedrag te worden verminderd en te worden vastgesteld op € 54.348. Het beroep is daarom gegrond.

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep dan ook ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

Bron van inkomen

7.1.

Een resultaat kan slechts als (negatief) inkomen in aanmerking worden genomen indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie worden in beginsel de volgende (cumulatieve) voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: 1. deelname aan het economische verkeer, 2. het subjectieve oogmerk om voordeel te behalen, en 3. de objectieve verwachting dat het voordeel redelijkerwijs (in de toekomst) kan worden behaald.

7.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden met betrekking tot de bessenplantopstand in het economische verkeer zijn verricht en dat belanghebbende daarmee voordeel beoogde te behalen.

7.3.

De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, ECLI:NL:HR: 2011:BP5707 en HR 15 juni 2012, nr. 11/003392, ECLI:NL:HR:2012:BW8348).

7.4.

Vaststaat dat de werkzaamheden met betrekking tot de bessenplantopstand in de periode van 2002 tot en met 2011 jaarlijks steeds tot negatieve resultaten hebben geleid. Nu sprake is van een jarenlang negatief resultaat brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een voordeelsverwachting. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de toekomst met deze werkzaamheden redelijkerwijs een positieve opbrengst is te verwachten. In de jaren 1999 en 2000 zijn met deze werkzaamheden weliswaar positieve resultaten behaald, maar deze waren niet dermate hoog dat, zelfs als wordt uitgegaan van een lange levenscyclus van de bessenplant, objectief kan worden verwacht dat hiervan in de toekomst voordeel redelijkerwijs te verwachten is. Daarbij komt dat de werkzaamheden in de jaren na 2002 jaarlijks steeds tot negatieve resultaten hebben geleid. Gelet op dit een en ander is naar het oordeel van het Hof in het onderhavige jaar geen sprake van een objectieve voordeelsverwachting. De omstandigheid dat, zoals belanghebbende stelt, belanghebbendes werkzaamheden met betrekking tot de bessenplantopstand ook van belang zijn voor zijn werkzaamheden in loondienst, maakt dit niet anders. De werkzaamheden met betrekking tot de bessenplantopstand vormen derhalve geen bron van inkomen. Het negatieve resultaat uit deze werkzaamheden kan mitsdien niet in aanmerking worden genomen.

Uitgaven voor levensonderhoud zoon

7.5.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, in verbinding met het derde lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2010) zijn als persoonsgebonden aftrekposten aan te merken de op belanghebbende drukkende uitgaven voor levensonderhoud van kinderen voor zover belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven.

7.6.

Op grond van artikel 6.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2010) worden als uitgaven voor levensonderhoud van kinderen aangemerkt uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.

7.7.

Ingevolge artikel 1.5 van de Wet IB 2001 juncto artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2010, hierna: UR IB 2001) wordt een kind in belangrijke mate door de ouder onderhouden, indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van het kind ten minste € 408 per kwartaal beloopt. In dat geval worden ingevolge artikel 36, eerste lid, onder d, van de UR IB 2001 de uitgaven voor levensonderhoud van dit kind in aanmerking genomen tot een bedrag van € 335 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is.

7.8.

Bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van uitgaven die zijn zoon in staat stellen een bestaan te voeren overeenkomstig zijn plaats in de samenleving dienen eigen inkomsten en eigen vermogen van de zoon in aanmerking te worden genomen.

7.9.

Gelet op de omstandigheid dat belanghebbendes zoon in het onderhavige jaar een Wajong-uitkering genoot van € 14.895, waarvan hem ongeveer een derde deel ter vrije beschikking stond en hij daarnaast beschikte over een spaartegoed van € 36.899 is het Hof met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende zich redelijkerwijs niet gedrongen heeft kunnen voelen de uitgaven ten behoeve van zijn zoon te doen. Het vermogen van belanghebbendes zoon lag in 2010 dermate ruim boven de bij de Wet werk en bijstand gehanteerde norm om te beoordelen in hoeverre de aanwezigheid van vermogen aan het toekennen van een uitkering in de weg staat (voor 2010: € 5.480), dat belanghebbende zich redelijkerwijs niet gedrongen heeft kunnen voelen aantasting van het vermogen van zijn zoon te voorkomen. Bijzondere omstandigheden die de eis van vermogensaantasting onredelijk maken zijn gesteld noch gebleken. De omstandigheid dat het vermogen van belanghebbendes zoon geheel afkomstig is van schenkingen van zijn ouders en grootouders kan niet als bijzondere omstandigheid in voormelde zin worden aangemerkt. De Inspecteur heeft derhalve terecht geen aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van belanghebbendes zoon toegestaan.

Slotsom

7.10.

Gelet op het hiervoor overwogene is hoger beroep ongegrond. Beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 30 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.