Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1977

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
200.152.256-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leverantie van drinkwater. Betaling. Lekkage in de drinkwaterinstallatie. Uitleg algemene voorwaarden ten aanzien van het begrip binnenleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.152.256/01

Rolnummer rechtbank : 1254340\CV EXPL 13-683

arrest van 30 juni 2015

inzake

[appellant],

wonende te Benthuizen, gemeente [gemeente],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M. de Bluts te Zoetermeer,

tegen

Dunea N.V., voorheen genaamd N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland,

gevestigd te Zoetermeer,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Dunea,

advocaat: mr. W.J. Bosma te Den Haag.

Het verdere verloop van het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 26 augustus 2014 waarbij een comparitie van partijen is gelast, en naar de daarin vermelde stukken.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 21 november 2014 en is voortgezet op 3 april 2015. Hiervan is telkens proces-verbaal opgemaakt. De daarin vermelde stukken maken deel uit van het procesdossier.

Ten slotte is de zaak naar de rol verwezen voor arrest.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de inhoud van de appeldagvaarding.

2. Het hof gaat, voor zover in hoger beroep nog van belang, uit van de navolgende vaststaande feiten.

2.1.

Dunea is exploitante van een drinkwatervoorziening.

2.2.

[appellant] en Dunea hebben op 4 mei 2010 een overeenkomst gesloten met betrekking tot de levering van drinkwater ten behoeve van het verbruikersperceel [adres], gemeente [gemeente] (hierna: ‘de overeenkomst’). In de contractuele verhouding tot Dunea is [appellant] de enige verbruiker (althans ten tijde van het hierna te noemen lek).

2.3.

Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Dunea van toepassing (hetgeen in hoger beroep als onbestreden vast is komen te staan, nu geen grief is gericht tegen het desbetreffende oordeel van de kantonrechter in rov. 2.3 van het vonnis van 6 februari 2014).

De algemene voorwaarden van Dunea luiden, voor zover in rechte van belang, als volgt:

‘Artikel 1 Begripsomschrijving en toepasselijkheid

1. In deze algemene voorwaarden wordt verstaan onder:

bedrijf:

NV Duinwaterbedrijf Zuid-Holland, gevestigd te Voorburg (thans genaamd Dunea, hof).

(…)

verbruiker:

degene die drinkwater van het bedrijf (het hof leest: Dunea) betrekt en/of de beschikking over een aansluiting heeft;

perceel:

elke roerende of onroerende zaak, gedeelte of samenstel daarvan, ten behoeve waarvan een aansluiting tot stand is gekomen of zal komen, dan wel levering van drinkwater geschiedt, één en ander ter beoordeling van het bedrijf;

drinkwaterinstallatie:

de in een perceel aanwezige binnenleiding en de daarmee verbonden

toestellen, indien de binnenleiding hetzij onmiddellijk met het leidingnet van het bedrijf is verbonden, hetzij middellijk met het leidingnet van het bedrijf is verbonden en het water bestemd of mede bestemd is tot drinkwater;

hoofdleiding:

de leiding van het bedrijf waarop aansluitingen tot stand kunnen worden gebracht;

aansluiting:

de leiding van het bedrijf die de drinkwaterinstallatie met de hoofdleiding verbindt, met inbegrip van de meetinrichting en alle andere door of vanwege het bedrijf in of aan die leiding aangebrachte apparatuur, zoals de keerkleppen, dienstkranen, begrenzers;

meetinrichting:

de apparatuur van het bedrijf bestemd voor het vaststellen van de omvang van de levering, van de voor de afrekening door het bedrijf nodig geachte gegevens en voor de controle van het verbruik;

levering:

de levering respectievelijk de terbeschikkingstelling van drinkwater.

2. (…)’

Artikel 5 de drinkwaterinstallatie

1. De drinkwaterinstallatie moet voldoen aan het bepaalde in of krachtens de aansluitvoorwaarden van het bedrijf.

2. (…)

3. De verbruiker of, bij het ontbreken daarvan de aanvrager, draagt er zorg voor dat de drinkwaterinstallatie goed wordt onderhouden. (…)

(…)

Artikel 22 geschillen

(…)

5. De Geschillencommissie doet uitspraak onder de voorwaarden zoals deze zijn vastgesteld in het Reglement Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven. De beslissingen van de geschillencommissie geschieden bij wege van bindend advies. Voor de behandeling van een geschil is een vergoeding verschuldigd.

(…)”

2.4.

Ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst op 4 mei 2010 waren de Waterleidingwet en het Waterleidingbesluit nog van toepassing (deze zijn per 1 juli 2011 vervallen en vervangen door de Drinkwaterwet respectievelijk het Drinkwaterbesluit).

2.5.

Op grond van de overeenkomst is [appellant] aan Dunea voorschotten verschuldigd voor zijn verwachte jaarlijkse waterverbruik, welke voorschotten per kwartaal dienen te worden betaald. Deze voorschotten worden na ieder jaar verrekend bij de jaarafrekening.

2.6.

De watermeter terzake van de onderhavige leveranties bevindt zich op een afstand van 300 meter van de woning van [appellant]. De watermeter is geplaatst in een zogeheten watermeterput, een vierkante put gelegen nabij de weg (hierna de meterput).

2.7.

Op enig moment heeft er een lekkage plaatsgevonden, waardoor het door Dunea aan [appellant] in rekening gebrachte waterverbruik tijdelijk is gestegen. Deze lekkage is ontdekt naar aanleiding van de jaarafrekening over de periode van 1 april 2011 – 29 februari 2012, die [appellant] van Dunea heeft ontvangen. Op de jaarafrekening is over de genoemde periode een drinkwaterverbruik vermeld van in totaal 3.761 m². Op grond van deze jaarafrekening heeft Dunea aan [appellant] een bedrag van € 5.018,29 in rekening gebracht (inclusief het voorschot voor het tweede kwartaal van 2012). Betaling van dat bedrag is ondanks herhaalde sommatie (grotendeels) achterwege gebleven.

2.8.

Het lek in de waterleiding bevond zich niet op het perceel van [appellant], maar op het perceel van [buurman], een buurman van [appellant], dat is gelegen aan [adres] (gemeente [gemeente]). In samenspraak met [buurman] heeft [appellant] het lek gedicht.

3. Dunea heeft in deze procedure (na vermindering van eis in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog van belang) gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.538,74 ter zake van de door haar in rekening gebrachte kosten van waterverbruik (als voormeld), vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. [appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd.

4. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de desbetreffende vordering van Dunea toegewezen.

5. Grief 1 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat [appellant] aansprakelijk is voor het gebrek in de drinkwaterinstallatie. Het hof oordeelt als volgt.

6. De onderhavige vordering van Dunea strekt niet tot schadevergoeding op grond van (risico)aansprakelijkheid, zoals [appellant] wellicht meent (gezien de toelichting op grief 1 en de verklaringen van zijn advocaat ter zitting), maar louter tot nakoming van de overeenkomst, in die zin dat Dunea van [appellant] betaling vordert van door haar geleverd drinkwater. De kantonrechter heeft de vordering ook in deze zin opgevat. Indien en voor zover de grief uit gaat van een andere grondslag van de vordering, gaat het hof daaraan voorbij.

7. [appellant] stelt dat op grond van de artikelen 1 en 5 van de algemene voorwaarden de verbruiker slechts aansprakelijk kan zijn voor de binnenleiding van een drinkwaterinstallatie die op zijn perceel ligt. Het hof kan hem daarin echter niet volgen. Uit de artikelen 1 en 5 (als hiervoor geciteerd) valt onmiskenbaar af te leiden dat het drinkwater vanuit de hoofdleiding van Dunea geleverd wordt ter plaatse van de aansluiting waar zich de meetinrichting (de watermeter) bevindt, die geplaatst is in de meterput, en dat de zogeheten drinkwaterinstallatie, te weten de in een perceel aanwezige binnenleiding als nader omschreven in art. 1, begint vanaf die meterput. Voorts is in art. 5, in niet mis te verstane bewoordingen, bepaald dat de verbruiker ([appellant]) verantwoordelijk is voor het onderhoud van de drinkwaterinstallatie. Dit betreft derhalve de binnenleiding, die in dit geval loopt vanaf de meterput richting de woning van [appellant] als verbruiker. Dat de meterput zich op 300 meter afstand van de woning van [appellant] bevindt en dat de binnenleiding deels onder het perceel van een ander ([buurman]) loopt, maakt het voorgaande niet anders. Dunea heeft gesteld dat zij handelt conform het Bouwbesluit wanneer zij, zoals in dit geval, geen aansluitleiding aanlegt om een afstand van meer dan 40 meter te overbruggen en in plaats daarvan kiest voor de aanleg van een put waarop een binnenleiding wordt aangesloten (hetgeen niet is weersproken). Anders dan [appellant] stelt, is de keuze voor 40 meter dus niet subjectief, maar volgt deze keuze uit het naleven van publiekrechtelijke regelgeving. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat [appellant] voor of bij het sluiten van de overeenkomst niet op de hoogte zou zijn geweest van de vorenbedoelde feitelijke situatie. Overigens heeft Dunea er ter zitting van 21 november 2014 nog op gewezen dat een dergelijke situatie zich vaker voordoet (hetgeen ook niet in geschil is).

Het hof acht de genoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk, ook voor een normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende, gemiddelde consument, als er al van zou moeten worden uitgegaan dat [appellant] als consument met Dunea heeft gecontracteerd. [appellant] heeft geen, dan wel onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hij (in het kader van de zogeheten Haviltex-maatstaf) deze bedingen redelijkerwijs anders heeft mogen begrijpen. Het hof is dan ook van oordeel dat het moment van levering van drinkwater volgens de overeenkomst het moment is waarop het water vanuit de hoofdleiding de meterput en dus de watermeter gepasseerd heeft, en dat de gevolgen van het lek in de leiding (die na dit punt is gelegen) dus voor rekening en risico van [appellant] zijn, mede gezien het feit dat hij verantwoordelijk is voor het onderhoud van deze leiding als onderdeel van de drinkwaterinstallatie.

8. [appellant] heeft nog aangevoerd dat Dunea ingevolge art. 5:20 lid 2 BW, als aanlegger van de leiding, de eigenaar is van de leiding en als zodanig verantwoordelijk is voor schade die aan of door haar eigendom ontstaat. Ook dit betoog faalt.

In artikel 5:20 lid 2 BW is bepaald dat (in afwijking van het eerste lid) de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toebehoort aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger. Anders dan [appellant] kennelijk meent, is dit artikel niet van toepassing op de onderhavige situatie, omdat de hiervoor bedoelde leiding gelegen is na het leveringspunt (bezien vanuit de stroomrichting van het water), en derhalve geen deel uit maakt van het leidingnetwerk van Dunea. Het hof tekent hierbij aan dat uit de relevante parlementaire geschiedenis valt af te leiden dat het leidingnetwerk terzake van drinkwater zich uitstrekt tot aan het leveringspunt, het punt waar het leidingnetwerk overgaat in de drinkwaterinstallatie:

“De begrenzing van het net kan ook uit de op een wet gebaseerde bepalingen of uit gemeentelijke verordeningen blijken. Zo definieert artikel 1, onder f, van de Waterleidingwet de in die wet genoemde watervoorzieningswerken in algemene bewoordingen. Uit artikel 1.2.1.15 van NEN 1006, dat op grond van artikel 5, eerste lid, onder ten derde, van het Waterleidingbesluit en de artikelen 3 122, 3 126, 3 130 en 3 132 van het Bouwbesluit 2003 eisen bevat waaraan leidingwaterinstallaties moeten voldoen, blijkt dat het net zich uitstrekt tot aan het leveringspunt. Dat is het punt waar leidingwater vanuit het distributienet van een waterleidingbedrijf of vanuit een collectieve watervoorziening geleverd wordt aan een (andere) collectieve watervoorziening, een collectief leidingnet of een woninginstallatie. Onder het leveringspunt wordt ook verstaan het punt waar leidingwater vanuit een collectief leidingnet aan een woninginstallatie wordt geleverd.”

Kamerstukken II, 29 834, nr. 9, p. 7 (Tweede nota van wijziging; Telecommunicatiewet).

9. Al hetgeen [appellant] verder nog heeft aangevoerd in het kader van grief 1 stuit af op het voorgaande en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

10. Grief 2 strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte art. 22 lid 4 van de algemene voorwaarden van Dunea heeft gepasseerd, waarin is geregeld dat Dunea een geschil moet behandelen door dat voor te leggen aan de daarin genoemde Geschillencommissie. Ook deze grief treft geen doel. Indien en voor zover het een beroep op onbevoegdheid van de kantonrechter mocht betreffen, is dit beroep tardief omdat het eerst in hoger beroep en dus niet voor alle weren is gedaan. Voor het overige kan het verweer evenmin slagen, omdat niet is weersproken dat de Geschillencommissie ingevolge art. 5 van het Reglement Geschillencommissie Water geen klacht behandelt die een financieel belang van € 5.000,- te boven gaat. De vordering van Dunea bedroeg blijkens de inleidende dagvaarding (oorspronkelijk) € 6.518,79, zodat het geschil niet aan de Geschillencommissie kon worden voorgelegd.

11. Nu de grieven falen dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd en wordt [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten, waarvoor de onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv. blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. De door Dunea gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als na te melden.

Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Dunea tot op heden begroot op € 704,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.580,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, S.A. Boele en J.J. van der Helm, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.