Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1898

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
BK-15-00012
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:14058, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1527
Belastingblad 2015/371
V-N 2015/44.21.13
FutD 2015-1752
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00012

Uitspraak van 1 juli 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 november 2014, nummer SGR 14/7144, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is op 1 mei 2014 om 17:44 uur een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Den Haag opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt € 2,10 aan parkeerbelasting en € 58 aan kosten, in totaal derhalve € 60,10.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij uitspraak, gedagtekend 24 juli 2014, afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht geheven van € 45. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 122.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 mei 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Wet- en regelgeving

3.1.

De raad van de gemeente Den Haag heeft in zijn openbare vergadering van 1 november 2007 de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2008 (de Verordening) vastgesteld

3.2.

In artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening parkeerbelasting 2008 van de gemeente Den Haag, zoals gewijzigd bij besluit van de gemeenteraad van 7 november 2013, in werking getreden op 1 januari 2014, is bepaald dat ter zake van het – anders dan krachtens een parkeervergunning en met inachtneming van de daaraan verbonden voorwaarden – parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens de Verordening in de daar aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders (hierna: het college) te bepalen plaats, tijdstip en wijze een belasting (hierna: de betaaldparkerenbelasting) wordt geheven. Naar volgt uit artikel 7 lid 1 van de Verordening wordt de betaaldparkerenbelasting geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet zij worden betaald bij de aanvang van het parkeren. Onder voldoening op aangifte wordt ingevolge artikel 234 lid 2 aanvang en onderdeel a van de Gemeentewet verstaan het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. In artikel 20 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, welke wet in artikel 231 lid 1 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is verklaard met betrekking tot de heffing van (onder meer) de betaaldparkerenbelasting, is bepaald dat, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting kan worden nageheven. Ingeval een naheffingsaanslag in de betaaldparkerenbelasting wordt opgelegd, wordt deze, naar volgt uit artikel 234 lid 3 van de Gemeentewet, berekend over een parkeerduur van een uur en worden, naast het bedrag van de nageheven belasting, ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslagen kosten in rekening gebracht. In artikel 11 lid 1 van de Verordening is het bedrag van deze kosten bepaald op € 58.

3.3.

In de bijlage behorende bij het besluit van het college van 4 maart 2014 (het Aanwijzingsbesluit) is de [Y] aangewezen als plaats waar van 13 tot en met 24 uur slechts tegen betaling van betaaldparkerenbelasting kan worden geparkeerd.

Vaststaande feiten

4.1.

Belanghebbende heeft zijn auto, met het kenteken […], op 1 mei 2014 geparkeerd in de [Y] te [A], voor perceel nummer […] (hierna: de parkeerplaats), op circa 90 meter afstand van een hotel waar hij zou overnachten.

4.2.

Belanghebbende is, nadat hij de auto had geparkeerd, naar het hotel gelopen om daar een hotelvergunning -een door de gemeente aan de hotelier verleende, niet op kenteken gestelde parkeervergunning- (hierna: hotelvergunning) af te halen.

4.3.

Bij de balie van het hotel is belanghebbende, na een korte tijd te hebben gewacht totdat andere hotelgasten, die zich eerder aan de balie hadden gemeld, waren ingecheckt, verteld dat hem geen hotelvergunning voor het parkeren op de parkeerplaats kon worden verstrekt omdat het hotel uitsluitend beschikte over hotelvergunningen voor het parkeren in een andere straat.

4.4.

Belanghebbende is daarop naar de parkeerautomaat in de nabijheid van de parkeerplaats gelopen om daar, met gebruikmaking van het op de parkeerautomaat vermelde

automaatnummer, het parkeren telefonisch aan te melden bij de centrale computer van Yellow Brick, een bedrijf waarmee de gemeente een overeenkomst in verband met de telefonische betaling van parkeerbelasting heeft gesloten.

4.5.

Bij de parkeerautomaat heeft belanghebbende gesproken met een daar aanwezige parkeercontroleur, die hem zei dat hij reeds een naheffingsaanslag had opgelegd, aangezien hij had geconstateerd dat de auto van belanghebbende zonder parkeerkaartje of aanmelding als bedoeld onder 4.4. geparkeerd stond op de parkeerplaats. Dat de auto niet was aangemeld had de parkeercontroleur vastgesteld door de in de auto aanwezig transponderkaart te scannen.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

5.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe –samengevat – het volgende aan. Hij heeft na het parkeren totdat hij terugkeerde bij de parkeerautomaat geen andere handelingen verricht dan handelingen die waren gericht op het voldoen van de parkeerbelasting. Deze handelingen bestonden eruit dat hij, nadat hij zijn auto had geparkeerd, direct en zonder onderbreking naar het hotel is gelopen om daar een hotelvergunning af te halen. Nadat hem was verteld dat hem geen hotelvergunning die geldig was voor de parkeerplaats kon worden vertrekt, is hij onmiddellijk naar buiten gelopen om het parkeren bij de dichtstbijzijnde parkeerautomaat op de onder 4.4. beschreven wijze aan te melden bij Yellow Brick. De in de buurt van de parkeerautomaat aanwezige parkeercontroleur heeft belanghebbende echter verteld dat reeds een naheffingsaanslag was opgelegd, maar dat hij de naheffingsaanslag zou intrekken als belanghebbende hem een hotelvergunning kon laten zien.

5.3.

De Heffingsambtenaar beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Het wachten van belanghebbende bij de balie van het hotel in verband met het inchecken van andere gasten kan niet worden aangemerkt als een handeling die strekt tot het voldoen van de verschuldigde parkeerbelasting. Voor zover het lopen naar het hotel en terug al kan worden aangemerkt als een handeling die strekt tot het voldoen van parkeerbelasting is deze handeling door het wachten van belanghebbende bij de balie onderbroken. Het kunnen laten zien van een hotelvergunning aan de parkeercontroleur had een (begin van) bewijs kunnen leveren dat belanghebbende bezig was met het onverwijld verrichten van uitvoeringshandelingen tot het voldoen van parkeerbelasting. Het lopen naar het hotel, het wachten in de lobby en het gesprek met de hotelemployee hebben echter niet tot het verstrekken van een hotelvergunning geleid. Belanghebbende had terstond na het parkeren, dus voordat hij naar het hotel liep, parkeerbelasting moeten voldoen. De naheffingsaanslag is, gezien de onderbreking van de uitvoeringshandelingen en het niet kunnen tonen door belanghebbende van een hotelvergunning, terecht aan belanghebbende opgelegd.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag.

6.2.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

(…)

6. Tussen partijen is niet in geschil dat op bovengenoemde plaats en tijdstip parkeerbelasting verschuldigd was. Ingevolge artikel 6 van de Verordening parkeerbelasting 2008 (de Verordening) is de belasting verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. Dit is niet anders in het geval waarin de belasting wordt geheven door middel van het aanmelden bij de centrale computer van het bedrijf waarmee de gemeente Den Haag een overeenkomst heeft gesloten voor het verlenen van diensten op het gebied van telefonische betaling bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen. In dat geval is de belasting dan wel terstond verschuldigd na afloop van het parkeren maar zolang de transponderkaart (nog) niet is aangemeld bij de hiervoor genoemde centrale computer is de hoofdregel van toepassing.

7. Een redelijke uitleg van artikel 6 van de Verordening brengt mee dat een belastingplichtige een, afhankelijk van de omstandigheden, redelijke tijd moet worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen tot het voldoen van de parkeerbelasting, maar dat die uitvoeringshandelingen wel onverwijld nadat de auto is geparkeerd, moeten worden gestart en voortgezet.

8. [De Heffingsambtenaar] heeft ter zitting aangegeven dat de parkeercontroleur de transponderkaart scant en dat hij kijkt of iemand uitvoeringshandelingen verricht. Daarmee is volgens [de Heffingsambtenaar] enkele minuten gemoeid. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van de controle in de auto van [belanghebbende] geen geldig parkeerkaartje of geldige parkeervergunning aanwezig was.

9. [Het betoog van belanghebbende] komt er op neer dat hij zich bij de balie van het hotel heeft gemeld, daar een korte incheckprocedure heeft doorlopen en daarbij heeft geïnformeerd naar een parkeervergunning. Die parkeervergunning bleek niet voor de straat te gelden waar de auto van [belanghebbende] stond geparkeerd, zodat [belanghebbende] besloot dan maar via de transponderkaart te gaan betalen. Waarop hij het hotel weer heeft verlaten. Anders dan [belanghebbende] betoogt kunnen bovengenoemde feiten en omstandigheden niet worden aangemerkt als uitvoeringshandelingen waaruit kan worden afgeleid dat een aanvang met het betalen van parkeerbelasting is gemaakt. Er dienen immers - hoe gering ook - in het hotel handelingen gericht op het inchecken te worden verricht om een parkeervergunning te verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank liggen deze handelingen te ver verwijderd van het onverwijld verrichten van uitvoeringshandelingen. De naheffingsaanslag is mitsdien terecht opgelegd.

10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

(…)

Beoordeling van het hoger beroep

8.1.

Klaarblijkelijk is het stelsel van de Verordening dat de betaaldparkerenbelasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning als bedoeld in artikel 1 aanhef en onderdeel i van de Verordening (hierna: een parkeervergunning) waarvoor de in artikel 2 aanhef en onderdeel b bedoelde belasting (hierna: de parkeervergunningbelasting) is voldaan. Niet tussen partijen in geschil is dat een hotelvergunning een parkeervergunning is waarvoor parkeervergunningbelasting dient te worden betaald. Het Hof sluit zich aan bij dit gemeenschappelijke, naar zijn oordeel juiste, standpunt van partijen.

8.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de tijd die na het parkeren van de auto gemoeid was met het lopen naar het hotel, het wachten op de beschikbaarheid van een hotelemployee aan wie hij een hotelvergunning voor het parkeren op de parkeerplaats kon vragen, het gesprek met de hotelemployee en het teruglopen naar de parkeerautomaat waar hij de parkeerbelasting kon voldoen, zonder onderbreking besteed aan het voldoen aan zijn verplichting om ter zake van het parkeren op de parkeerplaats parkeerbelasting te betalen. Bij dit oordeel neemt het Hof het volgende in aanmerking. Indien de gemeente aan de exploitant van een hotel (een) hotelvergunning(en) verstrekt, brengt het stelsel van de Verordening, zoals beschreven onder 8.1, mee dat de Heffingsambtenaar hotelgasten die van een hotelvergunning gebruik willen maken de tijd dient te gunnen om de hotelvergunning na het parkeren bij het hotel af te halen en terug te brengen naar de auto. Daarbij kan redelijkerwijs niet van hen verlangd worden dat zij, in het hotel aangekomen, eerder aangekomen hotelgasten opzij dringen om de tijd die zij besteden aan de voldoening van de parkeerbelasting te bekorten. Zouden hotelgasten, voordat zij een hotelvergunning bij het hotel afhalen, eerst parkeerbelasting moeten betalen, dan zou dat voor de periode waarvoor zij parkeerbelasting voldoen, leiden tot een cumulatie van de door hen betaalde betaaldparkerenbelasting en de door de exploitant van het hotel betaalde parkeervergunningbelasting. Deze cumulatie staat haaks op het stelsel van de Verordening, zoals beschreven onder 8.1, en kwalificeert daarmee als een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid om parkeerbelastingen te heffen niet op het oog kan hebben gehad. De omstandigheid dat aan belanghebbende geen hotelvergunning voor het parkeren op de parkeerplaats kon worden verstrekt, is naar het oordeel van het Hof onvoldoende om enkel op grond daarvan de handelingen van belanghebbende tussen het parkeren van de auto op de parkeerplaats en zijn terugkomst bij de parkeerautomaat geheel of gedeeltelijk aan te merken als niet te zijn gedaan ter voldoening van zijn verplichting om parkeerbelasting te betalen.

8.2.

Het hoger beroep is derhalve gegrond.

Proceskosten en griffierechten

De Heffingsambtenaar dient, nu het hoger beroep gegrond is, aan belanghebbende de griffierechten te vergoeden die belanghebbende voor deze zaak in eerste aanleg (€ 45) en in hoger beroep (€ 122) heeft betaald.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast de Inspecteur de in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 167 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 1 juli 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.