Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1893

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
BK-15-00147 en BK-15-00148
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:5535, Meerdere afhandelingswijzen
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1041, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

a. of de aanslag is aan te merken als een navorderingsaanslag en, bij een bevestigende beantwoording van die vraag, of de navorderingsaanslag in strijd met artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is opgelegd;

b. of de aanslag vernietigd dient te worden omdat de Verordening Watersysteemheffing 2014 niet gepubliceerd is;

c. of de directeur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (BSGR) bevoegd is tot de heffing en invordering van waterschapsbelastingen voor het Hoogheemraadschap van Rijnland;

d. of [de heffingsambtenaar] bij [belanghebbende] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat [belanghebbende] sinds 2013 geen Watersysteemheffing eigenaren verschuldigd is;

e. of [de heffingsambtenaar] bij het doen van de uitspraak op bezwaar de motiveringsplicht heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1743
V-N Vandaag 2015/1503
Belastingblad 2015/406

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-15/00147 en BK-15/00148

Uitspraak d.d. 1 juli 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de heffingsambtenaar,

op de hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 5 januari 2015, nummers SGR 14/2956 en SGR 14/4447, betreffende de hierna vermelde aanslagen.

Aanslagen, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 maart 2013 aan belanghebbende de hieronder vermelde, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen opgelegd.

soort belasting

periode

heffingsmaatstaf

belastingobject

tarief

bedrag

Watersysteem-

heffing inge-

zetenen

1 jan 2013

woonruimte

[Y]

[Z]

90,40

€ 90,40

Zuiverings-

heffing woonruimten

01-01-2013

31-12-2013

aantal ve: 3

(2 of meer per-

sonen)

[Y]

[Z]

52,38

€ 157,14

1.2.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 oktober 2013 aan belanghebbende de hieronder vermelde belastingaanslag opgelegd.

soort belasting

periode

heffingsmaatstaf

belastingobject

tarief

bedrag

Watersysteem-

heffing eigena-

ren

1 jan 2013

WOZ-waarde:

€ 745.000

[Y]

[Z] (gebouwd)

0,017500%

€ 130,38

Belanghebbende heeft bij brief van 27 oktober 2013, ontvangen door de heffingsambtenaar op 28 oktober 2013, tegen de belastingaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 4 april 2014 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 maart 2014 aan belanghebbende de hieronder vermelde, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen opgelegd.

soort belasting

periode

heffingsmaatstaf

belastingobject

tarief

bedrag

Watersysteem-

heffing inge-

zetenen

1 jan 2014

woonruimte

[Y]

[Z]

97,63

€ 97,63

Zuiverings-

heffing woonruimten

01-01-2014

31-12-2014

2 of meer personen (drie ver-

vuilingseenheden)

[Y]

[Z]

51,38

€ 154,14

1.4.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2014 aan belanghebbende de hieronder vermelde belastingaanslag opgelegd.

soort belasting

periode

heffingsmaatstaf

belastingobject

tarief

bedrag

Watersysteem-

heffing eigena-

ren

1 jan 2014

WOZ-waarde:

€ 680.000

[Y]

[Z] (gebouwd)

0,021500%

€ 146,20

Belanghebbende heeft bij brief van 25 april 2014, ontvangen door de heffingsambtenaar op 30 april 2014, tegen de belastingaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 23 mei 2014 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de onder 1.2 en 1.4 vermelde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Ter zake hiervan zijn griffierechten tot een bedrag van € 90 geheven. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan zijn griffierechten tot een bedrag van € 246 geheven. De heffingsambtenaar heeft verweerschriften ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 mei 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning [Y] te [Z]. [Z] is gelegen in het gebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het HHS).

3.2.

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het HHS en de colleges van burgemeester en wethouders van een aantal in het gebied van het HHS gelegen gemeenten hebben in juli 2009 de ‘Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland’ (hierna: de GR) vastgesteld. In artikel 2 van de GR is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd ‘Openbaar Lichaam Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland’ (hierna: het samenwerkingsverband) ingesteld dat is gevestigd te Leiden. In artikel 5 van de GR is de bevoegdheid tot heffing en invordering van (onder meer) de waterschapsbelastingen aan het samenwerkingsverband overgedragen. Onder ‘waterschapsbelastingen’ worden in de GR blijkens artikel 1 sub w van de GR verstaan: de belastingen die het HHS heft als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet en in artikel 18 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. In artikel 25 van de GR is (onder meer) bepaald dat het samenwerkingsverband een of meer heffingsambtenaren heeft. In artikel 26 is bepaald dat de heffingsambtenaar van het samenwerkingsverband de bevoegdheden en verplichtingen heeft die bij de in dat artikel genoemde wettelijke bepalingen zijn toegekend aan de inspecteur. Ingevolge artikel 19, zevende lid, van de GR is het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband bevoegd een of meer ambtenaren van het samenwerkingsverband aan te wijzen als heffingsambtenaar. Van deze bevoegdheid heeft het algemeen bestuur gebruik gemaakt in het ‘Aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland’ van 22 december 2010 (hierna: het Aanwijzingsbesluit). In het Aanwijzingsbesluit is de directeur van het samenwerkingsverband als heffingsambtenaar aangewezen.

3.3.

In het Waterschapsblad van het HHS van 5 december 2012, is bekendgemaakt dat de Verenigde Vergadering van het HHS op 21 november 2012 de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2013 heeft vastgesteld. In het Waterschapsblad van het HHS van 18 december 2013 is bekendgemaakt dat de Verenigde Vergadering van het HHS op 27 november 2013 de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2014 heeft vastgesteld.

3.4.

In de huis-aan-huisbladen ‘Haarlems Weekblad’ van 5 januari 2011 en ‘De Haarlemmer’ van 6 januari 2011 is kennis gegeven van de zakelijke inhoud van het Aanwijzingsbesluit. Daarbij is vermeld dat het Aanwijzingsbesluit ter inzage is gelegd bij de balies van het HHS en van in de GR deelnemende gemeenten.

Oordeel van de rechtbank

4.1.

In haar uitspraak van 5 januari 2015, nummer SGR 14/2956, betreffende de onder 1.2 vermelde belastingaanslag overweegt de rechtbank, voor zover hier van belang:

"9. In geschil is:

a. of de aanslag is aan te merken als een navorderingsaanslag en, bij een bevestigende beantwoording van die vraag, of de navorderingsaanslag in strijd met artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is opgelegd;

b. of [de heffingsambtenaar] bij het opleggen van de aanslagen een ambtelijk verzuim heeft begaan;

c. of de Verordening volgens de eisen van artikel 73, tweede lid, van de Wet is bekendgemaakt en zo dat niet het geval is, of de Verordening gelet op het bepaalde in artikel 73, eerste lid, van de Wet in werking is getreden;

d. of de directeur van de BSGR bevoegd is tot de heffing en invordering van waterschapsbelastingen voor het Hoogheemraadschap van Rijnland;

e. of de aanslag onrechtmatig is nu uit de tariefstelling in de Verordening (0,0 HS1/^) geen belastingbedrag is af te leiden;

f. of [de heffingsambtenaar] bij [belanghebbende] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat [belanghebbende] sinds 2013 geen Watersysteemheffing eigenaren verschuldigd is, nu [de heffingsambtenaar] ook bij het opleggen van de aanslag waterschapslasten voor het jaar 2014 alleen de Watersysteemheffing ingezetenen heeft opgelegd alhoewel [belanghebbende] in dat jaar, anders dan in het jaar 2013, al op 28 februari 2014 een WOZ-beschikking heeft ontvangen;

g. of de uitspraak op bezwaar deugdelijk is gemotiveerd nu [de heffingsambtenaar] daarin niet heeft vermeld dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslagen nog niet beschikte over de WOZ-waarde van de onroerende zaak;

h. of de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden;

i. of [de heffingsambtenaar] de termijn voor het doen van een uitspraak op het bezwaarschrift heeft overschreden.

10. De vragen geformuleerd onder de geschilpunten a., b., e., f., h. en i. beantwoordt [belanghebbende] bevestigend en [de heffingsambtenaar] ontkennend. De vragen onder de geschilpunten c., d. en g. beantwoordt [belanghebbende] ontkennend en [de heffingsambtenaar] bevestigend.

11. [Belanghebbende] concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag.

12. [De heffingsambtenaar] concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

13. Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot geschilpunt a.

14. Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Awr bevat de hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting kan navorderen. De tweede volzin van dit artikellid bevat een uitzondering op die hoofdregel: een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

15. Aan [belanghebbende] is, zoals vermeld onder 2, onder meer een aanslag Watersysteemheffing ingezetenen opgelegd. De aanslag, door [belanghebbende] aangeduid als navorderingsaanslag, is opgelegd ter zake van de Watersysteemheffing eigenaren. Gelet op het bepaalde in met name de artikelen 2 en 3 van de Verordening en mede gelet op het bepaalde in de artikelen 117, 119 en 121 van de Wet zijn de hiervoor genoemde aanslagen dan ook opgelegd ter zake van een ander belastbaar feit en zijn zij opgelegd naar een andere heffingsmaatstaf en een ander tarief. Dit brengt, gelet op de tekst van artikel 16 van de Awr, mee dat de aanslag geen navorderingsaanslag is. Daarvan zou in het onderhavige geval alleen dan sprake zijn indien [de heffingsambtenaar] nogmaals zou hebben geheven ter zake van de Watersysteemheffing ingezetenen. Voorts merkt de rechtbank op dat er geen verplichting is voor [de heffingsambtenaar] om de aanslagen in de Watersysteemheffingen ingezetenen en eigenaren in één aanslagbiljet verenigd op te leggen. Gelet op het vorenstaande faalt het standpunt van [belanghebbende].

Met betrekking tot geschilpunt b.

16. [Belanghebbende] neemt het standpunt in dat [de heffingsambtenaar] een ambtelijk verzuim heeft begaan bij het opleggen van de onder 2 vermelde aanslag in de Watersysteemheffing ingezetenen omdat [de heffingsambtenaar] bij het opleggen van die aanslag niet tevens Watersysteemheffing eigenaren van hem heeft geheven en [de heffingsambtenaar] daarmee willens en wetens geen gebruik heeft gemaakt van de hem bekende informatie dat [belanghebbende] (mede)eigenaar is van de onroerende zaak. Dit brengt mee dat [de heffingsambtenaar], naar [belanghebbende] stelt, niet beschikte over het daarvoor vereiste nieuwe feit bij het opleggen van de aanslag, die door [belanghebbende] is aangeduid als navorderingsaanslag. Zoals is overwogen in punt 15 is de rechtbank van oordeel dat aan [belanghebbende] geen navorderingsaanslag is opgelegd. De vraag of [de heffingsambtenaar] al of niet over het daarvoor vereiste nieuwe feit beschikte behoeft daarmee geen beantwoording.

Met betrekking tot geschilpunt c.

17. Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 73 van de Wet verbinden besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt in het Waterschapsblad. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dat artikel geschiedt de uitgifte van het Waterschapsblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze. Na de uitgifte blijft het Waterschapsblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar. Indien elektronische uitgifte geheel of gedeeltelijk onmogelijk is, voorziet het waterschapsbestuur in een vervangende uitgave. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het bepaalde in de eerste en tweede volzin nadere regels gesteld. Gelet op de door [de heffingsambtenaar] overgelegde, onder 7 vermelde, kopie van het Waterschapsblad is de Verordening volgens de eisen van artikel 73 van de Wet in werking getreden en bekendgemaakt. Gelet op het vorenstaande faalt het standpunt van [belanghebbende].

Met betrekking tot geschilpunt d.

18. Met betrekking tot de bevoegdheid van de directeur van BSGR heeft [de heffingsambtenaar] verwezen naar de uitspraak van het hof Den Haag van 4 september 2013, nummers BK-12/00502 en 12/00503, ECLI:NL:GHDHA:2013:3912, waarin het hof – kort samengevat – heeft geoordeeld dat de directeur van BSGR bevoegd is tot het heffen van de gemeentelijke en waterschapsbelastingen. De rechtbank sluit zich, onder verwijzing naar met name

rechtsoverweging 7.4 en gelet op de inhoud van het in die rechtsoverweging genoemde, tot de gedingstukken behorende, Aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, aan bij de uitspraak van het hof Den Haag. De rechtbank tekent daarbij aan dat de tekst van het oprichtingsdocument van de BSGR is te vinden op internet (www.bsgr.nl/bsgr/fileadmin/documenten/wet- en Regelgeving/Besluiten_BSGR/Oprichtingsdocumenten/2009_reglement_BSGR.pdf) en dat de begripsbepaling belasting, zoals vermeld in artikel 1, onder d, van dat document een kennelijke vergissing bevat, nu daarin een verwijzing staat naar de onder k en v genoemde belastingen in plaats van de onder k en w genoemde belastingen. Dit doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de directeur van BSGR bevoegd is tot het heffen van de gemeentelijke en waterschapsbelastingen. Gelet op het vorenstaande faalt het standpunt van [belanghebbende].

Met betrekking tot geschilpunt e.

19. In de Verordening staat het tarief vermeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 111 van de Wet. In de uitdraai staat het tarief onjuist vermeld. Dit is, zoals [de heffingsambtenaar] heeft vermeld in de onder 6 genoemde brief, veroorzaakt door een technisch euvel. Er is sprake van een voor [belanghebbende] kenbare fout. Mede gelet op de inhoud van het onder 6 vermelde citaat van de internetsite van de overheid omtrent eventuele gebreken in de informatie heeft de onjuiste tariefvermelding in de uitdraai, anders dan [belanghebbende] stelt, niet tot gevolg dat de aanslag onrechtmatig is opgelegd.

Met betrekking tot geschilpunt f.

20. De rechtbank kan [belanghebbende] niet volgen in zijn stelling dat [de heffingsambtenaar] bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij geen Watersysteemheffing eigenaren verschuldigd zou zijn. [De heffingsambtenaar] heeft immers op 31 oktober 2013 de aanslag Watersysteemheffing eigenaren opgelegd.

Met betrekking tot standpunt g.

21. Ingevolge artikel 7:12 van de Awb dient de beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering. Nu [de heffingsambtenaar] bij de uitspraak op bezwaar niet heeft vermeld dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslagen nog niet beschikte over de WOZ-waarde van de onroerende zaak is de uitspraak op bezwaar naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd. Krachtens artikel 6:22 van de Awb kan, ondanks schending van een vormvoorschrift, een besluit waartegen beroep is ingesteld in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Nu [de heffingsambtenaar] de uitspraak op bezwaar in de beroepsfase alsnog voldoende heeft gemotiveerd, ziet de rechtbank daarin aanleiding de uitspraak op bezwaar in stand te laten.

Met betrekking tot geschilpunt h.

22. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Awr wordt de belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2 van de Awb, gehoord op zijn verzoek. Gesteld noch gebleken is dat [belanghebbende] een dergelijk verzoek heeft gedaan. Het in het beroepschrift door [belanghebbende] ingenomen standpunt dat [de heffingsambtenaar], indien hij de bezwaren van [belanghebbende] niet heeft begrepen, [belanghebbende] had moeten horen, vindt geen steun in het recht. Van een schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake.

Met betrekking tot geschilpunt i.

23. [Belanghebbende] heeft er terecht op gewezen dat [de heffingsambtenaar] bij het doen van de uitspraak op bezwaar de in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn heeft overschreden. Nu de Awb hieraan geen rechtsgevolgen verbindt, heeft de overschrijding van deze termijn geen gevolgen voor de aanslag.

24. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

25. Nu de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, acht de rechtbank aannemelijk dat [belanghebbende] mede hierdoor genoodzaakt was beroep in te stellen. De rechtbank ziet in dit verzuim dan ook aanleiding om te gelasten dat [de heffingsambtenaar] het betaalde griffierecht aan [belanghebbende] vergoedt.

Proceskosten

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

4.2.

In haar uitspraak van 5 januari 2015, nummer SGR 14/4447, betreffende de onder 1.4 vermelde belastingaanslag overweegt de rechtbank, voor zover hier van belang:

"7. In geschil is:

a. of de aanslag is aan te merken als een navorderingsaanslag en, bij een bevestigende beantwoording van die vraag, of de navorderingsaanslag in strijd met artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is opgelegd;

b. of de aanslag vernietigd dient te worden omdat de Verordening Watersysteemheffing 2014 niet gepubliceerd is;

c. of de directeur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (BSGR) bevoegd is tot de heffing en invordering van waterschapsbelastingen voor het Hoogheemraadschap van Rijnland;

d. of [de heffingsambtenaar] bij [belanghebbende] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat [belanghebbende] sinds 2013 geen Watersysteemheffing eigenaren verschuldigd is;

e. of [de heffingsambtenaar] bij het doen van de uitspraak op bezwaar de motiveringsplicht heeft geschonden.

8. De vragen welke zijn geformuleerd onder de geschilpunten a., b., d. en e. beantwoordt [belanghebbende] bevestigend en [de heffingsambtenaar] ontkennend. De vraag onder geschilpunt c. beantwoordt [belanghebbende] ontkennend en [de heffingsambtenaar] bevestigend.

9. [Belanghebbende] concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag.

10. [De heffingsambtenaar] concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

11. Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot geschilpunt a.

12. Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Awr bevat de hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting kan navorderen. De tweede volzin van dit artikellid bevat een uitzondering op die hoofdregel: een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

13. Aan [belanghebbende] is, zoals vermeld onder 2, onder meer een aanslag Watersysteemheffing ingezetenen opgelegd. De aanslag, door [belanghebbende] aangeduid als navorderingsaanslag, is opgelegd terzake van de Watersysteemheffing eigenaren. Gelet op het bepaalde in met name de artikelen 2 en 3 van de Verordening en mede gelet op het bepaalde in de artikelen 117, 119 en 121 van de Wet zijn de hiervoor genoemde aanslagen dan ook opgelegd ter zake van een ander belastbaar feit en zijn zij opgelegd naar een andere heffingsmaatstaf en een ander tarief. Dit brengt, gelet op de tekst van artikel 16 van de Awr, mee dat de aanslag geen navorderingsaanslag is. Daarvan zou in het onderhavige geval alleen dan sprake zijn indien [de heffingsambtenaar] nogmaals zou hebben geheven ter zake van de Watersysteemheffing ingezetenen. Voorts merkt de rechtbank op dat er geen verplichting is voor [de heffingsambtenaar] om de aanslagen in de Watersysteemheffingen ingezetenen en eigenaren in één aanslagbiljet verenigd op te leggen. Gelet op het vorenstaande faalt het standpunt van [belanghebbende].

Met betrekking tot geschilpunt b.

14. Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 73 van de Wet verbinden besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt in het Waterschapsblad. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dat artikel geschiedt de uitgifte van het Waterschapsblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze. Na de uitgifte blijft het Waterschapsblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar. Indien elektronische uitgifte geheel of gedeeltelijk onmogelijk is, voorziet het waterschapsbestuur in een vervangende uitgave. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het bepaalde in de eerste en tweede volzin nadere regels gesteld. Gelet op de door [de heffingsambtenaar] overgelegde, onder 6 vermelde, kopie van het Waterschapsblad is de Verordening volgens de eisen van artikel 73 van de Wet in werking getreden en bekendgemaakt. Gelet op het vorenstaande faalt het standpunt van [belanghebbende].

Met betrekking tot geschilpunt c.

15. Met betrekking tot de bevoegdheid van de directeur van de BSGR heeft [de heffingsambtenaar] verwezen naar de uitspraak van het hof Den Haag van 4 september 2013, nummers BK-12/00502 en 12/00503, ECLI:NL:GHDHA:2013:3912, waarin het hof – kort samengevat – heeft geoordeeld dat de directeur van de BSGR bevoegd is tot het heffen van de gemeentelijke en waterschapsbelastingen. De rechtbank sluit zich, onder verwijzing naar met name rechtsoverweging 7.4 en gelet op de inhoud van het in die rechtsoverweging genoemde, tot de gedingstukken behorende, Aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, aan bij de uitspraak van het hof Den Haag. De rechtbank tekent daarbij aan dat de tekst van het oprichtingsdocument van de BSGR is te vinden op internet (www.bsgr.nl/bsgr/fileadmin/documenten/wet- en regelgeving/Besluiten_BSGR/Oprichtingsdocumenten/2009_reglement_BSGR.pdf) en dat de begripsbepaling van de term ‘belasting’, zoals vermeld in artikel 1, onder d, van dat document een kennelijke vergissing bevat, nu daarin een verwijzing staat naar de onder k en v genoemde belastingen in plaats van de onder k en w genoemde belastingen. Dit doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de directeur van de BSGR bevoegd is tot het heffen van de gemeentelijke en waterschapsbelastingen. Gelet op het vorenstaande faalt het standpunt van [belanghebbende].

Met betrekking tot geschilpunt d.

16. De rechtbank is van oordeel dat [belanghebbende] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [de heffingsambtenaar] met het later opleggen van de aanslag Watersysteemheffingen eigenaren in 2013 het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat [belanghebbende] geen Watersysteemheffing eigenaren verschuldigd is. Gelet op het vorenstaande faalt het standpunt van [belanghebbende].

Met betrekking tot geschilpunt e.

17. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar deugdelijk gemotiveerd. [De heffingsambtenaar] geeft daarin immers aan dat er sprake is van twee verschillende aanslagen die zijn opgelegd aan a. degene die bij het begin van het belastingjaar van een onroerende zaak het gebruik en/of genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, en b. aan degene die op 1 januari het gebruik heeft van een woonruimte en ook ingeschreven staat in de Basisregistratie personen (BRP).

18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil in hoger beroep en standpunten en conclusies van partijen

5.1.

In hoger beroep is in geschil of de onder 1.2 en 1.4 vermelde belastingaanslagen dienen te worden vernietigd op een of meer van de volgende gronden:

  • -

    a) de belastingaanslagen zijn aan te merken als navorderingsaanslagen en een feit(encomplex) dat de navordering rechtvaardigt, ontbreekt;

  • -

    b) de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2013 en de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2014 zijn niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt;

  • -

    c) de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2013 bevat een onleesbaar en mitsdien onverbindend tarief van de heffing van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken;

  • -

    d) de GR en het Aanwijzingsbesluit zijn niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt;

  • -

    e) de heffingsambtenaar heeft de onder 1.2 en 1.4 vermelde uitspraken op bezwaar niet, althans niet deugdelijk, gemotiveerd;

  • -

    f) de heffingsambtenaar heeft bij de behandeling van het bezwaar tegen de onder 1.2 vermelde belastingaanslag de hoorplicht van artikel 7:2, eerste lid,van de Algemene wet bestuursrecht geschonden.

Voorts verzoekt belanghebbende het Hof:

  • -

    g) de Staat te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van het handelen van de rechtbank heeft geleden, door belanghebbende begroot op € 1.000;

  • -

    h) te bepalen dat de anonimisering van de uitspraken van het Hof achterwege zal blijven;

  • -

    i) de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende;

  • -

    j) de heffingsambtenaar te gelasten de door belanghebbende betaalde griffierechten aan hem te vergoeden.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

5.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de onder 1.2 en 1.4 vermelde belastingaanslagen alsmede tot inwilliging van de onder 5.1, sub g, h, i en j vermelde verzoeken.

5.4.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank. Wat betreft de onder 5.1. sub g, h, i en j vermelde verzoeken voegt de heffingsambtenaar zich naar het oordeel van het Hof.

Beoordeling van het hoger beroep

Met betrekking tot het geschilpunt onder 5.1. sub a

6.1.

Op grond van artikel 117 van de Waterschapswet is het waterschap bevoegd ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem onder de naam ‘watersysteemheffing’ vier afzonderlijke belastingen te heffen, waaronder een belasting van hen die ingezetene van het waterschap zijn (ook wel ingezetenenheffing of watersysteemheffing ingezetenen genoemd) en een belasting van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken (ook wel watersysteemheffing gebouwd of watersysteemheffing eigenaren genoemd). Het HHS heft zowel een watersysteemheffing ingezetenen als een watersysteemheffing eigenaren. Dit betekent dat belanghebbende, die zowel ingezetene van het waterschap als eigenaar van een in het gebied van het waterschap gelegen woning is, beide belastingen verschuldigd is. De belastingen worden afzonderlijk geheven. De heffingsambtenaar kan de belastingaanslagen in de watersysteemheffing ingezetenen en de watersysteemheffing eigenaren op één aanslagbiljet verenigen, maar is daartoe niet verplicht. Indien de heffingsambtenaar ervoor kiest de beide belastingaanslagen na elkaar op te leggen en bekend te maken, zoals hij ten aanzien van belanghebbende zowel voor 2013 als voor 2014 heeft gedaan, maakt dat van de als laatst opgelegde belastingaanslag (hier: in de watersysteemheffing eigenaren) geen navorderingsaanslag. De belastingaanslag in de watersysteemheffing ingezetenen én de belastingaanslag in de watersysteemheffing eigenaren zijn beide aanslagen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (ook wel definitieve of primitieve aanslagen genoemd). Aan de vraag of een feit(encomplex) dat de navordering rechtvaardigt ontbreekt, komt het Hof dan ook niet toe.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 5.1. sub b

6.2.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank, gelet ook op hetgeen hierboven onder 3.3 is vermeld, in r.o. 17 van haar uitspraak met nummer 14/2956 en in r.o. 14 van haar uitspraak met nummer 14/4447 met juistheid en op goede gronden heeft beslist dat de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2013 en de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2014 op de wettelijk voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Het Hof maakt deze beslissingen en de gronden waarop zij berusten, tot de zijne.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 5.1. sub c

6.3.

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met hetgeen hij dienaangaande in de procedure voor de rechtbank heeft aangevoerd en overgelegd, aannemelijk gemaakt dat de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2013 het in dat jaar geldende tarief van de watersysteemheffing eigenaren bevat. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat een technisch euvel er de oorzaak van was dat op de door belanghebbende overgelegde print van de op de website van het HHS gepubliceerde tekst van de Verordening als tarief van de watersysteemheffing eigenaren “0,0 HS1/^” is vermeld. Belanghebbende neemt het standpunt in dat slechts de officieel gepubliceerde tekst van een verordening kan verbinden en niet de tekst zoals die bedoeld was maar niet, althans niet op de juiste plaats, is gepubliceerd. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het eenieder die kennisneemt van de print, dus ook belanghebbende, terstond duidelijk moet zijn dat het in de door belanghebbende overgelegde print vermelde tarief “0,0 HS1/^” niet het tarief was waartoe de Verenigde Vergadering van het HHS heeft besloten. Deze voor eenieder kenbare onjuistheid van de tarief vermelding verhindert naar het oordeel van het Hof dat daaraan het door belanghebbende voorgestane rechtsgevolg wordt verbonden. Voorts neemt het Hof in aanmerking dat in het Waterschapsblad van het HHS van 5 december 2012, waarin is bekendgemaakt dat de Verenigde Vergadering van het HHS op 21 november 2012 de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2013 heeft vastgesteld, tevens is vermeld dat het daarin opgenomen tarief van de watersysteemheffing eigenaren voor 2013 0,0175% van de WOZ-waarde bedraagt.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 5.1. sub d

6.4.

De besturen van de aan de GR deelnemende overheden dienen op de gebruikelijke wijze zorg te dragen voor de bekendmaking van de GR. Dit Hof heeft dienaangaande in zijn uitspraak van 4 september 2013, nummers BK-12/00502 en BK-12/00503, ECLI:NL:GHDHA:2013:3912 overwogen:

"De [GR] is in werking getreden op 15 juli 2009, de dag nadat alle deelnemende colleges van B&W en het college van dijkgraaf en hoogheemraden hun besluit bekend hebben gemaakt, na op 20 november 2008, 11 december 2008, 17 december 2008, 17 december 2008, 23 april 2009, 6 juli 2009 en 7 juli 2009 en verkregen toestemming van de zes onderscheiden gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap. De [GR] is bekendgemaakt door terinzagelegging en op het internet."

Hetgeen partijen in de onderhavige procedure over de bekendmaking van de GR hebben aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

6.5.

Het Aanwijzingsbesluit is geen algemeen verbindend voorschrift. Derhalve zijn de wettelijke regels inzake de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften niet op het Aanwijzingsbesluit van toepassing. Wel is het Aanwijzingsbesluit een besluit van een bestuursorgaan dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht. Daarvoor geldt het bekendmakingsvoorschrift van artikel 3:42, tweede lid, van de van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Gelet op hetgeen onder 3.4 over de kennisgeving van de zakelijke inhoud en de terinzagelegging van het Aanwijzingsbesluit in twee huis-aan-huisbladen alsmede is vermeld, is het Hof van oordeel dat het Aanwijzingsbesluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 5.1. sub e

6.6.

Indien al kan worden gezegd dat de heffingsambtenaar de onder 1.2 en 1.4 vermelde uitspraken op bezwaar niet, althans niet deugdelijk, heeft gemotiveerd – het Hof laat dit uitdrukkelijk in het midden – is dat geen reden om de door belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen gegrond te verklaren, laat staan om, zoals belanghebbende bepleit, de aanslagen te vernietigen. Het Hof dient, binnen het kader van de door partijen aangedragen feitelijke gronden, te beoordelen of de bij de uitspraken op bezwaar gehandhaafde aanslagen in overeenstemming zijn met het geschreven en het ongeschreven recht. Het staat het Hof vrij om de aanslagen, ook al slagen de daartegen aangedragen hogerberoepsgronden geheel of gedeeltelijk, in stand te laten indien het de aanslagen juist acht. Daarbij kan het Hof de door de heffingsambtenaar in de uitspraken op de bezwaren of de door de rechtbank in de uitspraken op de beroepen aan zijn, onderscheidenlijk haar, beslissingen ten grondslag gelegde motivering wijzigen en/of aanvullen.

6.7.

De rechtbank heeft in haar uitspraak met nummer SGR 14/2956 overwogen dat de heffingsambtenaar de uitspraak op het bezwaar tegen de onder 1.2 vermelde belastingaanslag niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien te gelasten dat de heffingsambtenaar het in die zaak betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt. Naar het oordeel van het Hof is de door belanghebbende gestelde schending van de motiveringsplicht, zo daarvan al sprake is, onvoldoende zwaarwegend om daaraan een verdergaand gevolg te verbinden dan de rechtbank heeft gedaan. In haar uitspraak met nummer SGR 14/4447 heeft de rechtbank geen schending van de motiveringsplicht geconstateerd. Hetgeen vaststaat omtrent de behandeling van het bezwaar en de inhoud van de uitspraak op het bezwaar tegen de onder 1.4 vermelde aanslag geeft het Hof geen aanleiding om hierover anders te oordelen.

Met betrekking tot het geschilpunt onder 5.1. sub f

6.8.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank in haar uitspraak met nummer SGR 14/2956 met juistheid en op goede gronden beslist dat de heffingsambtenaar de hoorplicht van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet heeft geschonden. Het Hof maakt deze beslissing en de gronden waarop zij berust, tot de zijne.

Met betrekking tot het verzoek onder 5.1. sub g

6.9.

Het Hof is in zijn hoedanigheid van bestuursrechter niet bevoegd te beslissen op het verzoek van belanghebbende de Staat te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van het handelen van de rechtbank heeft geleden. Belanghebbende kan daartoe desgewenst een vordering bij de burgerlijke rechter instellen.

Met betrekking tot het verzoek onder 5.1. sub h

6.10.

In de regel worden uitspraken van de bestuursrechter die beslist in belastingzaken uitsluitend in geanonimiseerde vorm aan anderen dan partijen verstrekt. Ook de publicatie van zijn uitspraken op www.rechtspraak.nl geschiedt in geanonimiseerde vorm. Het Hof ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval van deze regel af te wijken.

Met betrekking tot het verzoek onder 5.1. sub i

6.11.

Het Hof ziet geen aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.

Met betrekking tot het verzoek onder 5.1. sub j

6.12.

Evenmin ziet het Hof aanleiding de heffingsambtenaar te gelasten de door belanghebbende betaalde griffierechten aan hem te vergoeden.

Slotsom

6.13.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond, is het Hof onbevoegd te beslissen op het verzoek onder 5.1, sub g en dienen de verzoeken onder 5.1, sub h, sub i en sub j te worden afgewezen.

Proceskosten

7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    bevestigt de uitspraken van de rechtbank;

  • -

    verklaart zich onbevoegd te beslissen op het verzoek van belanghebbende de Staat te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van het handelen van de rechtbank heeft geleden;

  • -

    wijst de overige verzoeken van belanghebbende af.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. J.E.H.M. Pinckaers in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 1 juli 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.