Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1888

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
2200415714
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor de feiten 1, 4, 6 en 7. Het hof acht de modus operandi onvoldoende specifiek om als schakelbewijs te dienen en hetgeen resteert aan bewijsmateriaal onvoldoende voor een bewezenverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004157-14

Parketnummer: 09-818382-14

Datum uitspraak: 7 juli 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 september 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

adres: [adres]

thans gedetineerd in PIV HvB Nieuwersluis (PI Utrecht) te Nieuwersluis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 juni 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de dagvaarding ter zake van het onder 5 ten laste gelegde nietig verklaard. Voorts is de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 4, 6, 7 en 8 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
zij in of omstreeks de periode van 10 april 2013 tot en met 24 april 2013 te 's-Gravenhage en/of Wateringen en/of Rijswijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geldbedragen (met een totaal van 13.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij zij die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder haar/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door onbevoegd gebruik van de bankpas en/of de pincode van die [aangeefster 1];

2:
zij op of omstreeks 26 mei 2014 te 's-Gravenhage in het bezit was van een reisdocument, te weten een paspoort, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat deze niet de echtheidskenmerken had waarover een paspoort dient te beschikken;

4:
zij op of omstreeks 29 januari 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden en/of 300,- euro, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

6:
zij of omstreeks 29 april 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 200,- euro, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

7:
zij op of omstreeks 06 december 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 700,- euro, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

8:
zij op of omstreeks 23 december 2013 te 's-Gravenhage meermalen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een) geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van 1.444,76 euro), in elk geval enig geldbedrag en/of goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij zij dat/die weg te nemen geldbedrag(en) en/of goed(eren) onder haar bereik heeft gebracht door door middel van een valse sleutel, te weten door onbevoegd gebruik van de bankpas en/of de pincode van die [aangeefster 5].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Vrijspraak

De feiten 1, 4, 6, 7 en 8 die in hoger beroep aan de orde zijn betreffen diefstallen van geld en sieraden uit de woning van de aangeefsters respectievelijk van diefstal van geld met gebruikmaking van een pinpas die kort tevoren uit hun woning was gestolen.

Modus operandi

Alle zeer bejaarde aangeefsters, woonachtig in Den Haag en omgeving, verklaren dat een man bij hen aanbelt die zich voordoet als een medewerker van Thuiszorg en dat zij hem vervolgens binnen laten. In de woning heeft hij een kort gesprek met de aangeefsters en na 10 à 15 minuten vertrekt de man vrij plotseling, meestal na een telefoontje. Kort daarna komen de aangeefsters tot de ontdekking dat zij waardevolle spullen uit hun woning missen. In sommige gevallen wordt door de aangeefsters ook een hun onbekende vrouw in hun woning gezien die tegelijk met de man weggaat.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de hiervoor beschreven werkwijze onvoldoende specifiek is om als schakelbewijs bij te dragen aan het bewijs in de onderhavige zaak.

Feit 1

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder dat uit de stukken in het dossier volgt dat op 10 april 2013 met de bankpas van de aangeefster bij de Ici Parix XL te Rijswijk drie flessen parfum van het merk Paco Rabanne Lady Million zijn gekocht, terwijl blijkens het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming op pagina 113 en 114 van het dossier in de woning van de verdachte twee flessen eau de toilette Paco Rabanne One Million is aangetroffen.

Feiten 4 en 6

Beide aangeefsters verklaren dat op 29 januari 2014 respectievelijk 29 april 2014 een man die zich voordeed als medewerker van Thuiszorg door hen is binnengelaten. Op enig moment zien de aangeefsters ook een hun onbekende vrouw in hun woning. De man en de vrouw verlaten daarop de woning. Aangeefsters zien dat geld en sieraden uit hun woning weg zijn.

In beide zaken zijn camerabeelden voorhanden van de hal van de respectieve woningen van de aangeefsters waarop te zien is dat een man en een vrouw kort voor het bezoek aan de aangeefsters, de hal ingaan.

Anders dan de verbalisanten herkent het hof de man op de beelden niet als de medeverdachte, tevens echtgenoot van de verdachte. De vrouw wordt door het hof evenmin herkend.

Het hof acht dan ook onvoldoende bewijs voorhanden en spreekt de verdachte van deze feiten vrij.

Feit 7

Het hof acht voldoende bewijs voorhanden dat de man die zich bij de aangeefster voordeed als medewerker van Thuiszorg, de medeverdachte is.

Er is echter onvoldoende bewijs dat de verdachte bij dit feit betrokken was. Het hof spreekt de verdachte van dit feit vrij.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


2:
zij op 26 mei 2014 te 's-Gravenhage in het bezit was van een reisdocument, te weten een paspoort, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat deze niet de echtheidskenmerken had waarover een paspoort dient te beschikken;

8:
zij op 23 december 2013 te 's-Gravenhage meermalen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen (tot een totaalbedrag van 1.444,76 euro) toebehorende aan [aangeefster 5], waarbij zij die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door onbevoegd gebruik van de bankpas en de pincode van die [aangeefster 5].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vals/vervalst reisdocument alsmede aan diefstal van een geldbedrag.

De verdachte heeft een vals/vervalst reisdocument in bezit gehad, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Aldus handelend heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming als het onderhavige. Bovendien bevordert een dergelijk feit het plegen van andere misdrijven.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal door met een gestolen bankpas geldbedragen te pinnen. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook onrustgevoelens en overlast met zich meebrengt.

Tevens heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 juni 2015 waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 4]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 7 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 275,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag € 275,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 7 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 231 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 4, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 8 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 8 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 4]

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster 4] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van Rijkom, mr. R.C. Langeler en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier mr. S.D. Riggelink.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2015.

mr. J.W. van Rijkom en mr. R.C. Langeler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.