Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1887

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
2200415614
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2769, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een vijftal diefstallen. De verdachte heeft zijn slachtoffers – hoogbejaarde mensen - steeds benaderd met een zogenoemde babbeltruc. De verdachte belde bij zijn slachtoffers aan en deed zich telkens voor als een medewerker van de thuiszorg, waarna hij de woning werd binnengelaten. Nadat de verdachte na enige tijd weer uit de woning vertrok, bleken er spullen te zijn gestolen.

Vrijspraak voor de feiten 2, 4 en 7. Het hof acht de modus operandi onvoldoende specifiek om als schakelbewijs te dienen en hetgeen resteert aan bewijsmateriaal onvoldoende voor een bewezenverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004156-14

Parketnummer: 09-818439-14

Datum uitspraak: 7 juli 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 september 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

thans gedetineerd in PI Haaglanden - HvB Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 juni 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de dagvaarding ter zake van het onder 3 ten laste gelegde nietig verklaard en is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is omtrent de onder de verdachte in beslag genomen goederen alsmede op de vorderingen van de benadeelde partijen ter zake van het onder 4 en 8 ten laste gelegde beslist zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

De benadeelde partij ter zake van het onder 1 ten laste gelegde is in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard en zij heeft zich niet opnieuw in hoger beroep gevoegd. De vordering van de benadeelde partij is derhalve in hoger beroep niet aan de orde.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 17 oktober 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een cliëntenpas van HWW Zorg, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2:
hij op of omstreeks 29 januari 2014 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden en/of 300,- euro, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4:
hij op of omstreeks 11 maart 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 12.750,- euro en/of een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig(e) geldbedrag en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5:
hij op of omstreeks 07 oktober 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6:
hij op of omstreeks 01 oktober 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 25.000,- euro en/of drie vazen, in elk geval enig(e) geldbedrag en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

7:
hij op of omstreeks 29 april 2014 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 200,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);


8:
hij op of omstreeks 6 december 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 700,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

9:
hij op of omstreeks 23 december 2013 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen juwelen en/of een bankpas (ABN AMRO) en/of een geldbedrag van 800 euro en/of twee sleutelbossen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Vrijspraak

De feiten 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 die in hoger beroep aan de orde zijn betreffen diefstallen van geld en sieraden uit de woning van de aangeefsters .

Modus operandi

Alle zeer bejaarde aangeefsters, woonachtig in Den Haag en omgeving, verklaren dat een man bij hen aanbelt die zich voordoet als een medewerker van de Thuiszorg en dat zij hem vervolgens binnen laten. In de woning heeft hij een kort gesprek met de aangeefsters en na 10 à 15 minuten vertrekt de man vrij plotseling, meestal na een telefoontje. Kort daarna komen de aangeefsters tot de ontdekking dat zij waardevolle spullen uit hun woning missen. In sommige gevallen wordt door de aangeefsters ook een hun onbekende vrouw in hun woning gezien die tegelijk met de man weggaat.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de hiervoor beschreven werkwijze onvoldoende specifiek is om als schakelbewijs bij te dragen aan het bewijs in de onderhavige zaak.

Feiten 2 en 7

Beide aangeefsters verklaren dat op 29 januari 2014 respectievelijk 29 april 2014 een man die zich voordeed als medewerker van Thuiszorg door hen is binnengelaten. Op enig moment zien de aangeefsters ook een hun onbekende vrouw in hun woning. De man en de vrouw verlaten daarop de woning. Aangeefsters zien dat geld en sieraden uit hun woning weg zijn.

In beide zaken zijn camerabeelden voorhanden van de hal van de respectieve woningen van de aangeefsters waarop te zien is dat een man en een vrouw na elkaar de hal ingaan. Verbalisanten hebben de verdachte van de beelden herkend. Anders dan de verbalisanten herkent het hof de verdachte niet op de beelden. Dit leidt er toe dat hetgeen resteert aan bewijsmateriaal onvoldoende is voor een bewezen verklaring. Het hof zal de verdachte van deze feiten vrijspreken.

Feit 4

Met betrekking tot dit feit is de aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep gehoord. Zij heeft verklaard dat zij de ter terechtzitting aanwezige verdachte niet herkent als de medewerker van Thuiszorg die op 11 maart 2014 in haar woning is geweest. Zij herkent hem met name niet door de kleur van zijn haar. Het hof spreekt de verdachte dientengevolge van dit feit vrij.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 5, 6, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 17 oktober 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een cliëntenpas van HWW Zorg toebehorende aan [aangeefster 1];

5:
hij op 07 oktober 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden toebehorende aan [aangeefster 4];

6:
hij op 01 oktober 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 25.000,- euro en drie vazen toebehorende aan [aangeefster 5];

8:
hij op 6 december 2013 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 700,- euro toebehorende aan [aangeefster 7];

9:
hij op 23 december 2013 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen juwelen eneen bankpas (ABN AMRO) en een geldbedrag van 800 euro en twee sleutelbossen toebehorende aan [aangeefster 8].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Met betrekking tot de feiten 1, 5, 6, 8 en 9 hebben de aangeefsters als onderdeel van het signalement van de man opgegeven dat hij een gouden tand had. Het hof heeft ter terechtzitting van 23 juni jl een gouden boventand bij de verdachte waargenomen. Het hof is van oordeel dat dit een dusdanig specifiek kenmerk is, dat dit gegeven in samenhang met de overige bewijsmiddelen voldoende bewijs oplevert voor een bewezenverklaring van deze feiten.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1, 5, 6, 8 en 9 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een vijftal diefstallen. De verdachte heeft zijn slachtoffers – hoogbejaarde mensen - steeds benaderd met een zogenoemde babbeltruc. De verdachte belde bij zijn slachtoffers aan en deed zich telkens voor als een medewerker van de thuiszorg, waarna hij de woning werd binnengelaten. Nadat de verdachte na enige tijd weer uit de woning vertrok, bleken er spullen te zijn gestolen.

Het hof is van oordeel dat dit buitengewoon ernstige feiten zijn. De verdachte heeft deze door hun hoge leeftijd kwetsbare personen kennelijk doelbewust als gemakkelijke prooi uitgekozen en hen op een geoefende wijze benaderd. De verdachte heeft zich kennelijk louter laten leiden door financieel gewin, zonder er bij stil te staan dat door zijn optreden het vertrouwen in de medemens, van wie oudere mensen in toenemende mate afhankelijk zijn, ernstig heeft geschaad. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat de feiten steeds in de woning van de slachtoffers hebben plaatsgevonden, waardoor het gevoel van veiligheid dat een ieder – en oudere mensen te meer – in en rond zijn huis probeert te waarborgen, ernstig is geschaad.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 juni 2015, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 3]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 21.885,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag € 21.885,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 4 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 7]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 7] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 8 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 275,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 275,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 8 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 275,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 7].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Het beslag

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen vermeld in de aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, zulks met uitzondering van de nummers 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 16, 19, 20, 23, 24, 25, 48, 49 en 50 welke onder conservatoir beslag liggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, 4 en 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 5, 6, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 5, 6, 8 en 9 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3]

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster 3] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 7] ter zake van het onder 8 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 275,00 (tweehonderdvijfenzeventig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 7], ter zake van het onder 8 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 275,00 (tweehonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst als 1, 4, 11 tot en met 15, 18, 21 en 27 tot en met 47 genummerde voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van Rijkom,

mr. R.C. Langeler en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier mr. S.D. Riggelink.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2015.

mr. J.W. van Rijkom en mr. R.C. Langeler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.