Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1871

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
19-07-2015
Zaaknummer
200.149.596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onverschuldigde betaling? onterechte aansluiting bij bedrijfstakpensioenfonds en andere stichtingen in de agrarische sector?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2015/140

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.149.596

Zaaknummer rechtbank : 1226493 RL EXPL 13-12143

arrest van 14 juli 2015

inzake

1 [bedrijf 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [bedrijf 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

hierna respectievelijk te noemen: [bedrijf 1], [bedrijf 2] en tezamen [bedrijf 1 c.s.],

advocaat: mr. J.W.A. Wijsman te Amsterdam,

tegen

1 Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw,

gevestigd te Zoetermeer,

2. Stichting uittreding werknemers Agrarische Sectoren,

gevestigd te Den Haag,

3. Stichting uitvoering WW-aanvulling Agrarische sectoren,

gevestigd te Zoetermeer,

4. Stichting Colland Arbeidsmarktbeleid,

gevestigd te Zoetermeer,

geïntimeerden,

hierna respectievelijk te noemen: BPL, SUWAS 1, SUWAS II en Colland Arbeidsmarktbeleid en gezamenlijk de Stichtingen.

Het geding

Bij exploot van 14 maart 2014 is [bedrijf 1 c.s.] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 18 december 2013. Bij memorie van grieven tevens akte wijziging eis met produkties heeft [bedrijf 1 c.s.] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord hebben de Stichtingen de grieven bestreden.

Op 19 juni 2015 hebben partijen hun zaak door hun advocaten doen bepleiten. Beide aan de hand van pleitnotities. Van het pleidooi is proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor zover de door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten niet in geschil zijn, zal ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[bedrijf 2] opgericht op 29 mei 2007 is sinds 31 mei 2007 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel met als activiteitomschrijving: aannemingsbedrijf op het gebied van hoveniers- en cultuurtechnisch werk, inclusief machinaal onkruidborstelen en gladheidsbestrijding. Tot 29 mei 2007 stond eenmanszaak […] ingeschreven bij het handelsregister, met laatstelijk dezelfde activiteitomschrijving als [bedrijf 2].

2.2

[bedrijf 1] staat sinds 3 maart 2003 ingeschreven in het handelsregister, met als activiteiten: het vegen en schoonhouden van wegen, terreinen en verhardingen.

2.3

De Stichtingen zijn alle door CAO-partijen in de agrarische sector opgerichte stichtingen die voor werkgevers die onder de werkingssfeerbepalingen vallen, verplicht gestelde regelingen uitvoeren. BPL is een pensioenfonds, SUWAS I een VUT-fonds, SUWAS II verstrekt WW-aanvullingen en Colland Arbeidsmarktbeleid houdt zich bezig met arbeidsmarktbeleid. Aangesloten werkgevers zijn aan de Stichtingen ter zake premies verschuldigd. De Stichtingen maken gebruik van een gezamenlijke administrateur en een faciliterend bedrijf genaamd Colland (niet te verwarren met Colland Arbeidsmarkt).

2.4

De werkingssfeerbepalingen van de regelingen die de Stichtingen uitvoeren zijn vrijwel gelijkluidend en gedurende de in dit geding van belang zijnde periode niet wezenlijk gewijzigd. Bij beschikking van 25 maart 2008 (Stcrt. 2008, nr 58) heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de deelname in BPL verplicht gesteld voor alle werknemers in loondienst van een werkgever die in hoofdzaak activiteiten verricht in de agrarische sector, waaronder begrepen:

"(…)

3. een land- en tuinbouwwerktuigenexploiterende onderneming, zijnde een onderneming waarin de activiteiten overwegend bestaan uit het met, aan of door machines en/of werktuigen voor derden verrichten van

- (…)

- cultuurtechnische werkzaamheden:

werkzaamheden met, aan of door machines en werktuigen ten behoeve van de aanleg van groenvoorzieningen, de daarmee samenhangende drainage en grondwerken (bovenste grondlaag), alsmede het hiermee samenhangende onderhoud, met uitsluiting van baggerwerkzaamheden met specifiek baggermaterieel.

Van de hierboven genoemde landbouwambachten- en cultuurtechnische werkzaamheden is eerst sprake, indien en voor zover geen bouw/aanlegvergunning is vereist, met uitzondering van de vergunningen betrekking hebbend op de feitelijke plantaardige en dierlijke productie en/of de aanleg van groenvoorzieningen.

- (…)

4. een hoveniersbedrijf, zijnde een onderneming waarin de activiteiten overwegend bestaan uit:

- hoveniers- en/of groenvoorzieningswerkzaamheden:

het al dan niet voor derden aanleggen en/of onderhouden van tuinen, parken, plantsoenen, groenstroken, terreinen en begraafplaatsen, een en ander met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, waaronder tevens begrepen het ruimen van sneeuw in het voornoemde. Dit alles met inbegrip van het bijleveren van alle daarvoor benodigde materialen en andere producten in de meest ruime zin van het woord. Onder Hoveniersbedrijf wordt niet verstaan een onderneming, welke zich uitsluitend of in hoofdzaak bezighoudt met de voorbereidende grondwerkzaamheden.

- (…)"

2.5

[bedrijf 2] heeft zich via een formulier "aanmelding werkgever" gedateerd 20 februari 2008 aangemeld bij de Stichtingen. [bedrijf 2] gaf daarbij onder hoofdactiviteit aan "Landbouwexploiterende onderneming (L.E.O.)" en bij bedrijfsovername (indien van toepassing) dat zij "[…]" had overgenomen. De eenmanszaak […] was sedert 2001 aangesloten bij de Stichtingen.

2.6

[bedrijf 1] heeft zich via een formulier "aanmelding werkgever" gedateerd 12 mei 2009 eveneens aangemeld bij de Stichtingen. [bedrijf 2] gaf op het formulier onder hoofdactiviteit aan: "Onderhoud van parken/terreinen (militaire basis) dmv een veegauto als hulpmiddel, aanleg van groenvoorzieningen + onderhoud (landbouw exploiterende onderneming)" en onder bijactiviteiten "Vegen en schoonhouden van wegen, parken en terreinen i.o. gemeenten en/of provincies". Bij de vraag hoe verhouden de hoofd- en bijactiviteiten zich tot elkaar (in percentages) was ingevuld: "80%/20%"

2.7

Bij brief van 26 april 2011 heeft [bedrijf 1 c.s.] bij Colland bezwaar gemaakt tegen de aansluiting bij BPL, stellende dat de door [bedrijf 1 c.s.] uitgevoerde werkzaamheden feitelijk niets te maken hebben met werkzaamheden binnen de agrarische sector in de breedste zin.

2.8

In een bezoekrapport van 24 mei 2011 van BPL aan [bedrijf 1] is het volgende vermeld:

"Bevindingen:

Bijzonderheden:

Boekhouder (…) heeft bezwaar gemaakt tegen de aansluiting van een drietal werkgevers. (…)

- [bedrijf 1] T. [bedrijf 1 c.s.] B.V. met aansluitnummer 001.0.3066359.0000

- [bedrijf 2] [bedrijf 1 c.s.] B.V. met aansluitnummer 001.0.3021663.0000

- T.P. [bedrijf 1 c.s.] met aansluitnummer 001.0.21950565.0000(betreft de rechtsvoorganger van 3021663.0000) Aansluitnummer is afgesloten.

Zij zijn alle drie bij ons ingedeeld onder de CAO LEO 0004 en bedrijfstak Mechanische loonbedrijven. (…)

Op 24 mei gesproken met de heer Tonnie [bedrijf 1 c.s.]. De heer [bedrijf 1 c.s.] geeft aan dat zijn bedrijven (zowel [bedrijf 1] en [bedrijf 2]) voornamelijk werkzaam zijn in de wegenbouw. Op het moment van mijn bezoek staat er 1 veegwagen op het terrein (de rest zo'n 20 eenheden is op dat moment ingezet in de wegenbouw). Dit is het soort (veeg)auto die je vaak ziet bij wegwerkzaamheden. Al gauw komen de heer [bedrijf 1 c.s.] en ik tot de conclusie dat het bedrijf wel eens ten onrechte bij BPL aangesloten kan zijn. Het misverstand is ontstaan doordat de vorige boekhouder de bedrijven in 2009 ten onrechte heeft aangemeld bij Colland/BPL. (…)

Uit te zetten acties binnen de organisatie:

Na bestudering van meegestuurde "Antwoordformulier sector Agrarisch Bedrijf" een beslissing nemen of de inschrijving voor beide bedrijven [bedrijf 1] (…) en [bedrijf 2] (…) gehandhaafd dient te worden."

2.9

Op het bijgevoegde "Antwoordformulier sector Agrarisch Bedrijf" is als hoofdactiviteit aangegeven: "Het vegen en onkruidvrij houden van bestratingen, voor opdrachtgevers i.d. bouw, overheid, provincie en Defensie. Onder cultuurtechnische werken valt: straatwerk (…), onkruidborstelen (machinaal) gladheidsbestrijding, banden stellen, betonplaten leggen enz. (…)". De vraag "Zijn de activiteiten van uw onderneming de laatste jaren gewijzigd?" is beantwoord met "neen". Bij de "Datum ingang gewijzigde activiteiten" is ingevuld: "vanaf de oprichtingsdatum".

2.10

Bij brief van 10 juni 2011 schreef BPL aan [bedrijf 1]:

"Op 24 mei heeft onze buitendienstmedewerker uw onderneming bezocht. (…)

Beslissing

Op basis van de buitendienstrapportage concluderen wij dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] Tonnie [bedrijf 1 c.s.] en [bedrijf 2] [bedrijf 1 c.s.] niet onder de werkingssfeer van de agrarische bedrijfstakregelingen vallen. Wij zullen [bedrijf 1] (…) en [bedrijf 2] (…) per 1 januari 2011 uitschrijven.

Wilt u uw personeel op de hoogte stellen van de beëindiging van hun deelname aan de pensioenregeling van het bedrijfspensioenfonds voor de landbouw (BPL).(…)"

2.11

[bedrijf 1 c.s.] heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt wegens het ontbreken van terugwerkende kracht. Bij brief van 21 oktober 2011 wordt bericht dat dit bezwaar door de voorzitters van het bestuur van BPL, op grond van een mandaat afgegeven door het bestuur van BPL, is afgewezen. Bij brief van 25 april 2012 wordt meegedeeld dat – ook – het bestuur van BPL heeft besloten het bezwaarschrift af te wijzen. [bedrijf 1 c.s.] is in beroep gegaan van laatstbenoemde beslissing bij de Commissie van Beroep van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw. Bij uitspraak van 29 oktober 2012 heeft de Commissie van Beroep de beslissing van het fondsbestuur bekrachtigd.

2.12

[bedrijf 1 c.s.] heeft aan de administrateur van de Stichtingen laten weten dat zijn bezwaar tegen het ontbreken van terugwerkende kracht ook de aansluiting bij de overige Stichtingen betrof. Bij brief van 15 november 2011 wordt bericht dat het bezwaar van [bedrijf 1 c.s.] door de voorzitters van Colland Arbeidsmarktbeleid, krachtens mandaat van het bestuur, is afgewezen. De overige Stichtingen hebben niet gereageerd.

2.13

In eerste aanleg vorderde [bedrijf 1 c.s.] de hoofdelijke veroordeling van de Stichtingen. tot terugbetaling aan haar van een bedrag van € 463.783,71, aan ten onrechte door [bedrijf 1 c.s.] alsmede […] betaalde premies over de jaren 2001 tot en met 2010, vermeerderd met rente en kosten.

2.14

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter genoemde vorderingen afgewezen. De kantonrechter overwoog daartoe – zakelijk weergegeven – dat geen sprake was van onverschuldigde betalingen, omdat voor zover [bedrijf 1 c.s.] in de periode 2001-2010 niet onder de werkingssfeer van de regelingen zou vallen, de Stichtingen erop mochten vertrouwen dat [bedrijf 1 c.s.] zich vrijwillig wenste aan te sluiten.

3.1

In hoger beroep vordert [bedrijf 1 c.s.] – na wijziging van eis en zakelijk weergegeven – de vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

- de veroordeling van BPL tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 65.105,33;

- de veroordeling van SUWAS I en II tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 24.000,61;

- de veroordeling van Colland Arbeidsmarktbeleid tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 5.477,47;

- de veroordeling van BPL tot betaling aan [bedrijf 2] van een bedrag van € 247.942,20;

- de veroordeling van SUWAS I en II tot betaling aan [bedrijf 2] van een bedrag van € 98.682,17;

- de veroordeling van Colland Arbeidsmarktbeleid tot betaling aan [bedrijf 2] van een bedrag van € 22.520,06;

alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van BPL c.s. in de kosten van beide instanties, eveneens vermeerderd met rente.

3.2

Met haar eerste grief komt [bedrijf 1 c.s.] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [bedrijf 1 c.s.] geacht moet worden de regelingen van de Stichtingen vrijwillig te hebben gevolgd. [bedrijf 1 c.s.] stelt in de toelichting op deze grief dat haar aanmelding (en die van de eenmanszaak) was gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat zij verplicht aangesloten moest zijn, omdat zij onder de werkingssfeer van de bedrijfstakregelingen voor de agrarische sector viel. Nu [bedrijf 1 c.s.](noch T.P. [bedrijf 1 c.s.]) zich bewust was van het feit dat zij daar niet onder viel, kan van een wil tot vrijwillig volgen geen sprake zijn.

3.3

Deze grief slaagt.

Niet valt in te zien, dat sprake kan zijn op een tot vrijwillige toetreding gerichte wil aan de zijde van [bedrijf 1 c.s.], zolang [bedrijf 1 c.s.] zich niet bewust was van het feit dat de onderneming niet verplicht bij de Stichtingen was aangesloten. Daarbij komt dat de Stichtingen niet hebben onderbouwd dat en onder welke voorwaarden vrijwillige aansluiting bij de Stichtingen in de relevante periode tot de mogelijkheden behoorde. Dat deze mogelijkheid bestond blijkt in ieder geval niet uit de algemeen verbindend verklaarde CAO's. Verder hebben de Stichtingen niet hun statuten overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. Van vrijwillige aansluiting kan ook om die reden niet worden uitgegaan.

3.4

De devolutieve werking van het appel brengt met zich, dat het hof de overige in eerste aanleg, niet behandelde of verworpen weren van de Stichtingen zal dienen te behandelen. Het hof zal beginnen met het formele verweer van de Stichtingen ten aanzien van de door T.P. [bedrijf 1 c.s.] betaalde premies.

3.5

De Stichtingen hebben betwist dat – als al zou moeten worden geoordeeld dat T.P. [bedrijf 1 c.s.] in de periode 2001 tot 2008 onverschuldigd premies heeft betaald aan de Stichtingen, hetgeen de Stichtingen hebben betwist – [bedrijf 1 c.s.] als rechtsopvolger van de eenmanszaak T.P. [bedrijf 1 c.s.] gerechtigd is tot het terugvorderen van die premies. De Stichtingen wijzen erop dat [bedrijf 1 c.s.] op geen enkele wijze heeft onderbouwd op welke grond [bedrijf 2] als rechtsopvolger heeft te gelden van de eenmanszaak. [bedrijf 1 c.s.] heeft op dit verweer niet inhoudelijk gereageerd, maar slechts verwezen naar de "bedrijfshistorie," die "vrijelijk beschikbaar is middels het handelsregister". Dit is echter onvoldoende. Het enkele feit dat de eenmanszaak op dezelfde dag is uitgeschreven als dat [bedrijf 2] is ingeschreven in het handelsregister, is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [bedrijf 2] rechtsopvolger onder algemene titel is van de eenmanszaak. [bedrijf 1 c.s.] heeft voorts nog verwezen naar "de oprichtingsaktes" waaruit een en ander zou blijken. Enige oprichtingsakte werd echter niet overgelegd, hetgeen onder de gegeven omstandigheden wel van [bedrijf 1 c.s.] had mogen worden verwacht. Dit betekent dat nu niet is komen vast te staan, dat en op welke grond [bedrijf 2] bevoegd is door de eenmanszaak betaalde premies terug te vorderen, de vorderingen tot terugbetaling aan [bedrijf 2] van door T.P. [bedrijf 1 c.s.] over de jaren 2001 tot en met 2008 aan de Stichtingen betaalde bedragen reeds hierom niet kunnen worden toegewezen.

3.6

Daarmee resteren de vorderingen met betrekking tot de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] betaalde premies over de jaren 2008 tot en met 2010. Met betrekking tot die vorderingen geldt het volgende.

3.7

De Stichtingen hebben primair aangevoerd dat deze niet onverschuldigd zijn betaald. Gelet op de door beide bedrijven op het aanmeldingsformulier vermelde hoofdactiviteit, menen de Stichtingen dat de inschrijvingen destijds in 2008, respectievelijk 2009 terecht zijn geschied. Zij wijzen erop dat de door Veegbedrijf en [bedrijf 2] op het aanmeldingsformulier aangegeven hoofdactiviteit naadloos is te brengen onder de indertijd geldende, hierboven onder 2.4 weergegeven werkingssfeerbepalingen. Het enkele feit dat de activiteiten in 2011 niet meer vielen onder de werkingssfeer, betekent niet dat de activiteiten van [bedrijf 1 c.s.] van meet af aan geen aansluiting rechtvaardigden. De Stichtingen achten het waarschijnlijk dat [bedrijf 1 c.s.] haar activiteiten geleidelijk aan heeft verlegd. Volgens de Stichtingen heeft [bedrijf 1 c.s.] op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat sprake was van een onterechte aansluiting, en als daar al sprake van zou zijn, dan heeft [bedrijf 1 c.s.] dat geheel aan zichzelf te wijten. [bedrijf 1 c.s.] was immers als geen ander op de hoogte van haar eigen bedrijfsactiviteiten, terwijl de Stichtingen geen reden hadden om aan de opgave van [bedrijf 1 c.s.] te twijfelen. Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de werkzaamheden van [bedrijf 1 c.s.] als gevolg van de verlegging van de werkzaamheden / een foute opgave door [bedrijf 1 c.s.] in de jaren 2007 tot en met 2010 niet (langer) onder de werkingssfeerbepalingen vielen, zou dit volgens de Stichtingen niet moeten leiden tot toewijzing van de vorderingen, omdat sprake is van rechtsverwerking. De Stichtingen menen dat zij op grond van de nimmer herroepen opgave van [bedrijf 1 c.s.] van haar activiteiten erop mochten vertrouwen dat [bedrijf 1 c.s.] terecht was aangesloten, c.q. de regelingen vrijwillig wenste te volgen. Voor zover het hof ook dit beroep op rechtsverwerking zou verwerpen, beroepen de Stichtingen zich op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid. De Stichtingen achten het (zo begrijpt het hof) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [bedrijf 1 c.s.] terugbetaling vordert van hetgeen zij onverschuldigd heeft betaald, omdat dit verstrekkende gevolgen zou kunnen hebben voor de (voormalige) werknemers van [bedrijf 1 c.s.]. Door toedoen van [bedrijf 1 c.s.] (door de initieel foute opgave, dan wel het niet melden van de gewijzigde activiteiten) is immers bij de werknemers het vertrouwen gewekt dat zij pensioen opbouwden. Zij ontvingen immers jaarlijks van BPL een uniform pensioenoverzicht waarop van opbouw melding werd gemaakt. De Stichtingen hebben erop gewezen dat zij na 2011 van een aantal verontruste werknemers van [bedrijf 1 c.s.] vragen hebben gekregen omtrent de gestopte opbouw van hun pensioen, dat een aantal ex-werknemers om waardeoverdracht van hun pensioen heeft gevraagd en gekregen, en dat tenminste één ex-werknemer inmiddels pensioen geniet. De werknemers van [bedrijf 1 c.s.] hebben in de periode 2008-2010 gebruik kunnen maken van de andere regelingen van de Stichtingen, deze mogelijkheid kan niet ongedaan worden gemaakt. Dit wordt niet anders indien de werknemers van [bedrijf 1 c.s.] feitelijk nimmer gebruik hebben gemaakt van die mogelijkheid. Wat telt is dat zij dat – in principe – wel hadden kunnen doen en dat de Stichtingen het risico hebben gedragen dat dit wel zou gebeuren, aldus de Stichtingen.

3.8

Het hof overweegt als volgt.

Met de Stichtingen is het hof van oordeel, dat [bedrijf 1 c.s.] geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat de inschrijving van [bedrijf 2] in 2008 en Veegbedrijf in 2009 bij de Stichtingen ten onrechte was, omdat de bedrijven niet onder de werkingssfeerbepalingen vielen. De door beide bedrijven op de aanmeldingsformulieren vermelde (hoofd)activiteiten ("Landbouwexploiterende onderneming (L.E.O.)" voor [bedrijf 2] en "Onderhoud van parken/terreinen (militaire basis) dmv een veegauto als hulpmiddel, aanleg van groenvoorzieningen + onderhoud (landbouw exploiterende onderneming)" voor Veegbedrijf) geven daartoe geen enkele aanleiding. Deze activiteiten vallen geheel binnen de werkingssfeerbepalingen. Ook de bijactiviteit van [bedrijf 1] ("Vegen en schoonhouden van wegen, parken en terreinen i.o. gemeenten en/of provincies") valt – in ieder geval wat betreft de parken – daaronder. Daarbij komt dat [bedrijf 1 c.s.] niet heeft gesteld wat volgens haar de juiste omschrijving zou zijn van de activiteiten van [bedrijf 2] in 2008 en [bedrijf 1] in 2009. Evenmin heeft [bedrijf 1 c.s.] een overtuigende reden genoemd die maakt dat aan de juistheid van de opgaven op de aanmeldingsformulieren moet worden getwijfeld. Dat de administrateur zich heeft vergist ten aanzien van de activiteiten van de ondernemingen van [bedrijf 1 c.s.] acht het hof, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk. Dit betekent dat het hof het ervoor moet houden dan de aansluiting op terechte gronden heeft plaatsgevonden. Bij gebreke van stellingen die – indien juist – tot een ander oordeel zouden leiden, wordt niet toegekomen aan bewijslevering.

3.9

Dit neemt niet weg, dat tussen partijen vaststaat dat de activiteiten van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] in 2011 niet langer een aansluiting bij de Stichting rechtvaardigden. Aangenomen moet dus worden, dat de activiteiten van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] ergens in de periode van 2008/2009 tot 2011 zodanig zijn gewijzigd, dat de werkingssfeerbepalingen niet langer van toepassing waren, met als gevolg dat [bedrijf 1 c.s.] vanaf dat moment onverschuldigd premie heeft betaald. Wanneer die wijzigingen zich precies hebben voorgedaan kan echter in het midden blijven, omdat het hof met de Stichtingen van oordeel is dat het onder de gegeven omstandigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dat [bedrijf 1 c.s.] zich op onverschuldigde betaling beroept indien en voor zover deze wijzigingen zich vóór 1 januari 2011 zouden hebben voorgedaan. Het hof wijst daarbij op het volgende: (1) het lag primair op de weg van [bedrijf 1 c.s.] om de Stichtingen tijdig van de wijziging van de activiteiten op de hoogte te stellen, [bedrijf 1 c.s.] is immers als geen ander op de hoogte van de activiteiten van de door haar gevoerde ondernemingen; (2) [bedrijf 1 c.s.] heeft dit niet eerder dan op 26 mei 2011 gedaan; (3) een onderzoeksplicht van de Stichtingen in de periode na een op zich correcte inschrijving / aansluiting kan niet worden aangenomen, binnen noch buiten het kader van de Wet Bpf 2000; (4) voor de Stichtingen was niet evident kenbaar dat inschrijving / aansluiting niet langer aan de orde was en (5) het met verdere terugwerkende kracht dan het lopende boekjaar terugkomen op een aansluiting voor de Stichtingen, is zeer bezwaarlijk. De Stichtingen hebben immers in de veronderstelling dat sprake was van een terechte aansluiting prestaties geleverd, die zich niet goed ongedaan laten maken. Zo heeft BPL aan de werknemers van [bedrijf 1 c.s.] uniforme pensioenoverzichten over de jaren 2008 tot en met 2010 gestuurd, waaraan de werknemers het gerechtvaardigde vertrouwen konden ontlenen dat zij in de betreffende jaren pensioen hadden opgebouwd. Ook de door de andere stichtingen te leveren diensten waren beschikbaar, althans zijn in algemene zin geleverd.

3.10

Dit betekent dat het hoger beroep faalt. De overige grieven en weren, voor zover niet in het voorgaande al aan de orde gekomen, kunnen onbesproken blijven. Bij deze uitkomst past dat [bedrijf 1 c.s.] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag, van 18 december 2013;

- veroordeelt [bedrijf 1 c.s.] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Stichtingen tot op heden begroot op € 5.114,-- aan griffierecht en € 11.685,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, V. Disselkoen en A.G. van Marwijk Kooy en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2015 in aanwezigheid van de griffier.