Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1870

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
200.150.112/01 en 200.150.114/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet hervorming kindregelingen, parlementaire geschiedenis en de richtlijn kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 1 juli 2015

Zaaknummers : 200.150.112/01 en 200.150.114/01

Rekestnummer rechtbank : FARK 13-4795

Zaaknummer rechtbank : C/10/426731 (+435151)

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.T.J. Eling te Rotterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. K. Beumer te Rhoon.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 3 juni 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 maart 2014 van de rechtbank Rotterdam. De man heeft tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.150.112/02 (hierna ook: het schorsingsverzoek).

Bij beschikking van 30 juli 2014 van dit hof heeft het hof het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking toegewezen, voor zover deze een bijdrage in het levensonderhoud van € 1.147,- per maand te boven gaat. Voorts is het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ten aanzien van de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen afgewezen.

De vrouw heeft op 30 juli 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 18 juni 2014 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 9 juli 2014 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 15 juli 2014 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 18 november 2014 een brief van 17 november 2014 met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

  • -

    op 11 september 2014 een V-formulier van 10 september 2014 met bijlagen;

  • -

    op 16 september 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 10 november 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De hoofdzaak is op 28 november 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Bij brieven van 21 mei 2015 heeft het hof partijen als volgt bericht.

“In deze zaak is in het kader van de vaststelling van de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015 de vraag aan de orde gesteld of de alleenstaande ouderkop / het kindgebondenbudget moet worden gekwalificeerd als inkomenscomponent en aldus, anders dan het uitgangspunt dat wordt gehanteerd door de Expertgroep Alimentatienormen, de draagkracht van partijen beïnvloedt.

Deze vraag zal in een andere zaak in de vorm van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Totdat de Hoge Raad deze vraag zal hebben beantwoord, wordt in de zaken waarin deze vraag speelt, in verband met de rechtseenheid, de aanbeveling van de Expertgroep van 1 november 2014 gevolgd.

Nu het antwoord op deze vraag door de Hoge Raad rechtstreeks van belang is voor de vaststelling van de hoogte van de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015, kan het hof gelet op artikel 392 lid 6 Rechtsvordering uw zaak aanhouden totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Indien u wenst dat uw zaak in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad wordt aangehouden, zal een voorlopige kinder- en partneralimentatie worden bepaald.

U wordt conform artikel 392 lid 6 Rechtsvordering in de gelegenheid gesteld binnen 14 dagen na heden hierover uit te laten.”

Nadien zijn bij het hof ingekomen:

  • -

    van de zijde van de vrouw op 2 juni 2015 een V-formulier met het verzoek om aanhouding in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad;

  • -

    van de zijde van de man op 3 juni 2015 een brief met het verzoek om beschikking te wijzen.

Het hof heeft de beschikking, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 26 tot en met 28, bepaald op heden.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 363,- per maand per kind. Verder is ten laste van de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud toegekend van € 2.548,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Tevens is de verdeling van de gemeenschap vastgesteld. De beschikking is, behalve ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

Partijen zijn op 26 mei 2012 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn de ouders van:

[minderjarige 1], geboren [in] 1999 te [geboorteplaats];

[minderjarige 2], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats];

hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

De echtscheidingsbeschikking is op 1 juli 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

  • -

    de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen

  • -

    de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie);

  • -

    de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking deels te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

I. te bepalen dat de man een bijdrage van € 172,- althans een in goede justitie te bepalen bijdrage per maand, per kind aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen;

II. het verzoek zijdens de vrouw om een bijdrage aan haar levensonderhoud, met inachtneming van hetgeen in dit beroepschrift is opgenomen, af te wijzen;

III. de verdeling naar het hof begrijpt aldus vast te stellen dat de vrouw de helft van het saldo ad € 86,75 van de ABN AMRO Bankrekening met nummer [rekeningnummer] toebedeeld krijgt en de Nissan Primera aan de vrouw wordt toegedeeld, waarbij de vrouw een bedrag van € 750,- met de man dient te verrekenen en beide partijen de helft van het saldo naheffing Inkomstenbelasting 2012 ad € 5.619,- voor hun rekening nemen en als eigen schuld zullen voldoen. Voor het overige verzoekt de man de bestreden beschikking ten aanzien van de verdeling te bekrachtigen.

Kosten rechtens.

3. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking, zonodig onder aanvulling c.q. verbetering van de gronden te bekrachtigen, althans het verzoek van de man af te wijzen, althans een beschikking af te geven als het hof vermeent te behoren.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

4. De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum (de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, ofwel: 1 juli 2014) staat niet ter discussie.

Behoefte minderjarigen

5. Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van de minderjarigen. Dat partijen in 2012 uiteen zijn gegaan, staat tussen partijen niet ter discussie.

6. De rechtbank is bij de bepaling van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen uitgegaan van de volgende inkomenscomponenten aan de zijde van de man:

  • -

    bruto jaarloon 2012 van [werkgever] (verder: [werkgever]) € 56.653,- (€ 60.208 minus € 3.555,- werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet);

  • -

    winst uit onderneming van [onderneming] 2010 € 23.000,-;

  • -

    winst uit de eenmanszaak ([eenmanszaak]) over het jaar 2012 € 12.500,-.

Tussen partijen is het inkomen bij [werkgever] niet in geschil. Ter discussie staat de winst uit onderneming van de [onderneming] en de winst uit de eenmanszaak.

7. De man stelt dat er geen werkzaamheden meer zijn verricht door hem voor [onderneming] in 2012. De winst uit onderneming bedroeg € 245,-. Naast zijn voltijds dienstverband bij [werkgever] en de omstandigheid dat hij twee dagen per week zorgt voor de minderjarigen, was hij niet meer in staat werkzaamheden te verrichten voor [onderneming]. De winst uit de eenmanszaak bedroeg volgens de man € 17.286,- in 2012. Gelet op zijn voltijds dienstverband bij [werkgever] en de omstandigheid dat hij twee dagen per week zorgt voor de minderjarigen, was hij niet evenmin in staat werkzaamheden te verrichten in de eenmanszaak.

8. De vrouw verweert zich daartegen als volgt. De man is gedurende vijftien jaar vennoot geweest van de [onderneming] en hij had recht om werkzaamheden voor die [onderneming] te verrichten. De vrouw betwist dat de man zijn werkzaamheden bij [onderneming] heeft gestopt teneinde zich meer te gaan richten op zijn gezin en op de eenmanszaak. Ook bestrijdt de vrouw dat het slecht gaat in de branche waarin [onderneming] werkzaam is. De jaarcijfers 2011 lieten een groei zien ten opzichte van het resultaat van [onderneming] in 2010. In 2012 was de winst lager, maar nog steeds € 391.000,-. Zowel in 2011 als in 2012 is er een winstuitkering gedaan ten behoeve van alle vennoten. De man neemt een uitzonderingspositie in ten opzichte van de overige vennoten wat betreft de winstuitkering. [onderneming] is een florerende onderneming, die bestaat uit zestig vennoten. De vrouw heeft vernomen dat de vennootschap op zoek is naar bekwame kapiteins. De vrouw meent dat de rechtbank dient te worden gevolgd in haar overwegingen. Voor zover het hof daaraan voorbij gaat meent de vrouw dat het gemiddeld inkomen c.q. winst uit onderneming dient te worden genomen drie jaren voorafgaand aan de feitelijke separatie van partijen. In ieder geval meent de vrouw dat voor de bepaling van het netto gezinsinkomen over 2012, uit dient te worden gegaan van een winst uit onderneming ad € 25.000,- bruto naast het inkomen van de man uit loondienst .

9. Het hof acht het redelijk om uit te gaan van de feitelijke inkomsten van de man in 2012. Uit de door de man overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2012 (overgelegd als bijlage 34 bij het beroepschrift) blijkt dat de winst uit de eenmanszaak € 17.286,- bedroeg en dat er geen winst is gegenereerd met de [onderneming]. Voorts blijkt uit de verklaring van 25 september 2013 van de [onderneming] (overgelegd aan de rechtbank als bijlage 21 bij F-formulier van 23 december 2013, in hoger beroep productie 31 G bij het beroepschrift) dat de man vanaf december 2011 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor [onderneming]. Daaruit blijkt dat de man al voordat partijen zijn gehuwd zijn laatste werkzaamheden heeft verricht voor de [onderneming]. Ter zitting heeft de man nader toegelicht dat de werkzaamheden van de eenmanszaak in 2012 aanzienlijk zijn verminderd. Naast voormelde inkomsten heeft het hof de MKB-winstvrijstelling in aanmerking genomen, nu uit voormelde aangifte Inkomstenbelasting blijkt dat de man daar aanspraak op heeft gemaakt.

10. Op basis van voormeld inkomen becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen in 2012 op € 3.802,- per maand, nu niet ter discussie staat dat de vrouw geen inkomen ontving in 2012. Bij voormeld NBI wordt het kindgebonden budget te worden opgeteld. Het hof acht het aannemelijk dat partijen, gelet op de hoogte van hun netto inkomen, niet in aanmerking kwamen voor kindgebonden budget in 2012. De tabelbehoefte van de minderjarigen bedraagt dan ook € 864,- per maand.

Tot 1 januari 2015

11. Hierop wordt het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt van € 148,- per maand in mindering gebracht, zodat de behoefte wordt vastgesteld op € 716,- per maand voor de twee kinderen, ofwel € 358,- per kind per maand.

Verdeling eigen aandeel in de kosten van de kinderen

12. Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding dit eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Het hof volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,- zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Draagkracht vrouw

13. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw een draagkracht heeft van € 50,- per maand. Zij kan in ieder geval een parttime baan vinden in een winkel en daarmee een eigen inkomen van € 982,50 per maand verdienen. Zij is in het verleden verkoopster geweest, is nog jong en heeft niet meer de zorg over zeer jonge kinderen. Het is aan de vrouw te wijten dat zij nog geen inkomen heeft, aldus de man.

14. De vrouw verweert zich daartegen. Zij had vierentwintig jaar geleden een parttime dienstbetrekking, waarmee ze dertien jaar geleden is gestopt. Er is sprake geweest van een bewuste rolverdeling. De man heeft er bij de vrouw op aangedrongen om haar baan te beëindigen, zodat zij de zorg voor de minderjarigen op zich kon nemen. De vrouw beschikt niet over een opleiding of relevante werkervaring. De vrouw meent dat zij geen verdiencapaciteit heeft.

15. Het hof overweegt als volgt. De vrouw is 40, bijna 41 jaar. Zij heeft een MBO opleiding gevolgd en is dertien jaar als verkoopster actief geweest. Gelet op haar leeftijd, haar werkervaring en het feit dat zij niet langer de zorg heeft voor zeer jonge kinderen, is het hof van oordeel dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij in ieder geval gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud voorziet. Het hof gaat er, mede gelet op het feit dat partijen ten tijde van het wijzen van deze beschikking al meer dan drie jaar feitelijk uit elkaar zijn, vanuit dat de vrouw in staat is het bruto minimuminkomen van € 982,50 per maand te verdienen exclusief 8% vakantietoeslag. Het hof zal dan ook bij de verdeling van de kosten van de kinderen rekening houden met de netto equivalent van dit bedrag. De vrouw heeft onvoldoende aangetoond dat zij niet in staat zou zijn een dergelijk inkomen te verwerven. Zij stelt weliswaar dat zij solliciteert maar zij heeft ter onderbouwing van de stelling dat zij niet in staat is (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te voorzien slecht enkele sollicitatiebrieven en slechts één reactie daarop in het geding gebracht. Gelet op het vorenstaande stelt het hof de draagkracht van de vrouw, conform de draagkrachttabel van de Expertgroep Alimentatienormen, op € 25,- per kind per maand.

Draagkracht man

16. De man stelt dat hij alleen inkomen heeft uit zijn werkzaamheden in loondienst die in 2013 € 50.341,- bruto bedroegen. Hij heeft geen neveninkomsten meer. In september 2013 heeft de man zijn eenmanszaak uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophand (productie 20, beroepschrift). Partijen zijn een ruime zorgregeling overeengekomen voor de minderjarigen, hetgeen de man belemmert in de mogelijkheden om naast zijn fulltime dienstverband voor [werkgever] andere werkzaamheden te verrichten.

17. De vrouw stelt dat de man vrijwillig een deel van zijn inkomsten heeft opgegeven. De man was hier niet toe genoodzaakt en hij had, in het licht van zijn verplichting tot betaling van alimentatie aan de minderjarigen en aan de vrouw, hiervan af moeten zien De vrouw is van mening dat rekening moet worden gehouden met het inkomen wat de man zou kunnen verdienen als hij zijn verdiencapaciteit volledig zou benutten ad € 4.773,= per maand zoals door de rechtbank is vastgesteld, danwel met een bruto inkomen uit loondienst van € 60.000,- en een (onbenutte) verdiencapaciteit van € 25.000,-.

18. Het hof overweegt als volgt. Zoals blijkt uit de brief van 25 september 2013 van de Kamer van Koophandel (overgelegd aan de rechtbank als bijlage 20 bij F-formulier van 23 december 2013, in hoger beroep productie 31 G bij het beroepschrift) is de man op 23 september 2013 uitgetreden als vennoot bij de [onderneming]. Daarnaast heeft de man aannemelijk gemaakt dat hij zijn werkzaamheden in zijn eenmanszaak in 2013 heeft beëindigd. Tussen partijen is niet in geschil dat de man is in 2013 een periode arbeidsongeschikt geweest als gevolg van overbelasting. De man heeft zijn belastbaarheid verbeterd en tracht thans zo veel als mogelijk naast zijn reguliere werkzaamheden, overwerk te verrichten. Het hof is van oordeel dat van de man onder deze omstandigheden naast zijn voltijds werkzaamheden bij [werkgever] (met overwerk) niet gevergd kan worden dat hij nog ander betaald werk verricht. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de man mede de zorg heeft over de minderjarige kinderen van partijen op basis van de tussen partijen geldende zorgregeling. Uit de brief van 31 oktober 2014 van de werkgever van de man (overgelegd als productie 45 bij brief van 17 november 2014) blijkt dat het bruto jaarinkomen van de man (14 maal € 3.927,96 =) € 54.991,44 bedraagt. Voorts blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van januari 2014 tot en met april 2014 en juni 2014 tot en met september 2014, dat hij structureel overwerkt. Het hof zal het inkomen uit overwerken dan ook mee nemen in de berekening van de draagkracht van de man door dit overwerk zoals vermeld op de salarisspecificaties te middelen en te extrapoleren naar een volledig jaar. Daaruit volgt een gemiddeld bedrag uit overwerk van € 465,- bruto per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, becijfert het hof het inkomen van de man uit loondienst op € 3.132,- per maand.

Schulden

19. De rechtbank heeft € 446,- per maand bij het draagkrachtloos inkomen van de man in aanmerking genomen betreffende de aflossing van diverse schulden. Nu daartegen niet is gegriefd, zal het hof hier eveneens rekening mee houden. Uit het vorenstaande volgt dat de draagkracht van de man (70% x [3.132 minus (0,3 x € 3.132,- + € 860,- + € 446,-)] = € 620,- per maand bedraagt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat voor de bepaling van de draagkracht van de man ten behoeve van de kinderalimentatie rekening wordt gehouden met een forfaitair bedrag aan woonlasten. Het hof verhoogt deze draagkracht tot 1 januari 2015 met het fiscaal voordeel. Voor [minderjarige 1] bedraagt dit fiscaal voordeel in 2014 (€ 290,- per drie maanden x 42% / 3 =) € 41,- per maand en voor [minderjarige 2] (€ 250,- per drie maanden x 42% / 3 = ) € 35,- per maand waar de man tot 1 januari 2015 aanspraak op maakt. De totale draagkracht van de man bedraagt dan ook € 696,- per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: € 696,- / (€ 696,- + € 50,-) x € 716,- = € 668,-

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 50,- / (€ 696,- + € 50,-) x € 716,- = € 48,-

20. Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 668,- per maand, ofwel € 334,- per kind per maand voor rekening van de man.

Zorgkorting

21. De man stelt dat hij conform het ouderschapsplan de zorg over de minderjarigen heeft gedurende twee dagen per week alsmede de helft van de vakanties, waardoor hij de minderjarigen gemiddeld drie dagen per week bij zich heeft. Hij meent dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 35%.

22. De vrouw betoogt dat ten aanzien van de oudste minderjarige geen zorgkorting in aanmerking moet worden genomen, gelet op de omstandigheid dat er geen contact tussen haar en de man is.

23. Het hof overweegt als volgt. In het ouderschapsplan zijn partijen onder 3. een zorgregeling overeengekomen. Als productie 50 bij brief van 17 november 2014 heeft de man een overzicht overgelegd van het aantal dagen per jaar dat de minderjarigen bij de man zijn. Het totaal aantal dagen bedraagt volgens zijn schema 127 per jaar. Dit verdeelt over 52 weken, geeft gemiddeld 2,4 dagen per week, ofwel afgerond 2. Hiermee correspondeert een zorgkorting van 25%. Nu de behoefte € 716,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 179,- per maand. De eerder vastgestelde bijdrage van € 668,- per maand wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderalimentatie tot 1 januari 2015 aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 489,- per maand, ofwel € 245,- per kind per maand.

Vanaf 1 januari 2015

24. Ter zitting is met partijen besproken dat met de man met ingang van 1 januari 2015 niet langer buitengewone uitgavenaftrek geniet in verband met de betaling van de kinderalimentatie. Ook is aan de orde gekomen dat de vrouw met ingang van deze datum aanspraak zal kunnen maken op het per 1 januari 2015 verhoogde Kindgebonden Budget en de alleenstaande-ouderkop van € 2.800,- per jaar. Het totale bedrag dat de vrouw aan Kindgebonden Budget ontvangt bedraagt € 425,- per maand.

25. De man heeft verzocht het totale Kindgebonden Budget en de alleenstaande ouderkop in mindering te doen strekken op de behoefte van de kinderen, conform de aanbeveling van de expertgroep alimentatienormen van 14 november 2015.

26. De vrouw heeft verzocht slechts het verhoogde Kindgebonden Budget in mindering te brengen op de behoefte van de kinderen. Het hof heeft uit het betoog van de vrouw begrepen dat zij de alleenstaande ouderkop ziet als een inkomensondersteunende maatregel.

26. Het hof overweegt als volgt. Uit de memorie van toelichting op de Wet hervorming kindregelingen volgt dat het doel van de wet is, de beschikbare middelen op een rechtvaardige en effectieve manier in te zetten voor inkomensondersteuning aan ouders en om arbeidsparticipatie van ouders te bevorderen. Het hof verwijst naar de memorie van toelichting 33.716 nr. 3 onder 1.2. In 1.3 is vermeld het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming voor de kosten van kinderen, bedoeld om gezinnen met lagere inkomens te ondersteunen. Het hof leest hier niet dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop aangemerkt moeten worden als de vervulling van de individuele behoefte van het kind.

Vanaf 1 januari 2013 beveelt de Expertgroep aan het Kindgebonden Budget in mindering te brengen op het zogenaamde 'Eigen Aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen'. Met de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de Wet Hervorming Kindregelingen wordt het Kindgebonden Budget – in de daarvoor in aanmerking komende gevallen - verhoogd met de zogeheten 'alleenstaande ouderkop'. In november 2014 heeft de Expertgroep ten aanzien van dit aldus verhoogde Kindgebonden Budget de aanbeveling gedaan om de per 1 januari 2013 ingezette lijn te continueren en dus ook de 'alleenstaande ouderkop' op het Eigen Aandeel in mindering te brengen.

Het hof is bekend met de lopende discussie naar aanleiding van laatstgenoemde aanbeveling. In die discussie wordt bepleit de aanbeveling ter zake van de behoeftevaststelling niet te volgen. Als minst vergaande variant wordt geopperd om in alle gevallen (als de onderhavige) de alleenstaande ouderkop niet (meer) in mindering te brengen op de behoefte van minderjarige kinderen, maar te beschouwen als inkomen aan de zijde van de onderhoudsgerechtigde in het kader van de draagkrachtvergelijking om te bepalen welke ouder hoeveel moet bijdragen aan de kosten van de kinderen. Die benadering wordt ingegeven door de gedachte dat toepassing van de aanbeveling in strijd kan zijn met het wettelijk uitgangspunt dat de ouders naar draagkracht bijdragen in de behoefte van hun kind(eren).

De minister van sociale zaken L.F. Asscher heeft bij brief van 22 april 2015 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op een aantal kamer vragen gereageerd met betrekking tot de Wet hervorming kindregelingen en kinderalimentatie. De minister stelt op blz. 4:” Uit de berichtgeving van de Expertgroep Alimentatienormen leid ik af dat de expertgroep zich bij de keuze in het toerekenen van het bepaalde tegemoetkomingen aan de behoefte van het kind heeft gebaseerd op mijn uitlatingen tijdens de parlementaire behandeling van de WHK. Naar het oordeel van het kabinet was op basis van de overige parlementaire stukken, zoals de memorie van toelichting een andere keuze in de toerekening eveneens verdedigbaar geweest, doch niet op voorhands beter”.

Naar het oordeel van het hof is uit de methodiek van wetgeving met betrekking tot de WHK goed verdedigbaar dat (het KGB en) de alleenstaande ouderkop aangemerkt moeten worden als inkomen (inkomensondersteuning) en bij de draagkracht moeten worden opgeteld. Of aanspraak op een KGB of alleenstaande ouderkop kan worden gemaakt is afhankelijk van het verzamelinkomen alsmede van een vermogenstoets.

In het kader van de rechtszekerheid en rechtseenheid zal het hof de richtlijn volgen tot dat de Hoge Raad de prejudiciële vragen die het hof hierover heeft gesteld, heeft beantwoord.

28. Gelet op het vorenstaande zal het hof het Kindgebonden Budget inclusief de alleenstaande ouderkop met ingang van 1 januari 2015 in mindering brengen op de behoefte van de kinderen. Zodoende resteert een behoefte van (€ 864,- minus € 425,- = ) € 439,- per maand voor de twee kinderen, ofwel € 220,- per kind per maand.

Draagkracht en -vergelijking

29. De draagkracht van de man bedraagt nog immer € 620,- (zonder fiscaal voordeel) per maand. Vermindering van dit bedrag met een zorgkorting van 25% heeft tot gevolg dat de man aan kinderalimentatie een bedrag van in totaal (afgerond) € 330,- (€ 439,- minus € 110,-) voor beide kinderen dient te voldoen en de vrouw € 32,-.

Partneralimentatie

Huwelijksgerelateerde behoefte

30. De rechtbank heeft bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw de norm gehanteerd dat die 60% van het voormalige netto gezinsinkomen bedraagt. De man is het niet eens met deze wijze van vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.

31. Het hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de behoefte van de onderhouds-gerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (HR 19 december 2003, LJN AM2379, NJ 2004/140 en Hoge Raad 3 september 2010, LJN: BM7050, NJ 2010/473).

32. Ter staving van haar huwelijksgerelateerde behoefte heeft de vrouw in hoger beroep als productie 12 bij het verweerschrift een behoeftelijst overgelegd met een totale maandelijkse netto behoefte van afgerond € 2.500,- per maand. De man heeft in reactie daarop als productie 52 bij brief van 17 november 2014 die behoeftelijst aangepast en ter zitting nadere toelichting verschaft met betrekking tot de bestreden posten.

33. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, staan de volgende maandelijkse posten ter discussie:

  1. “andere lasten 2”, met daarbij handgeschreven toegelicht dat dit de kosten van kleding ad € 300,- en persoonlijk verzorging ad € 100,- betreffen;

  2. “brandstof” ad € 100,- per maand;

  3. “onderhoud auto” ad € 50,- per maand;

  4. “andere vaste uitgaven”, met daarbij handgeschreven nader toegelicht dat dit de verzorging van de katten en de dierenarts betreft, ad € 90,- per maand;

  5. “uitgaan, buiten de deur eten” ad € 100,- per maand;

  6. “andere lasten ontspanning”, met daarbij handgeschreven nader toegelicht dat dit de kosten van nagels en sauna betreffen, ad € 130,- per maand;

  7. “sportvereniging” met een totaalbedrag van (€ 15,- plus € 27,95 plus € 65,- is) € 107,95

  8. “andere lasten”, met daarbij handgeschreven nader toegelicht dat dit de lening Kia ad € 98,81 betreft.

34. Het hof overweegt als volgt.

  1. Het hof acht het, gelet op de welstand van partijen, redelijk om met het een totaalbedrag van € 150,- per maand aan kosten van algehele verzorging rekening te houden.

  2. Met betrekking tot de brandstofkosten overweegt het hof als volgt. Vast staat dat de vrouw een auto heeft. Gelet op de huidige benzineprijs stelt het hof de kosten van benzine in redelijkheid vast op € 100,- per maand.

  3. Het hof acht een bedrag van € 50,- per maand aan kosten van onderhoud aan de auto, ook al is dit een nieuwere, redelijk.

  4. Met betrekking tot de post “andere vaste uitgaven” overweegt het hof als volgt. Het hof stelt die kosten van de katten in redelijkheid vast op € 50,- per maand.

  5. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de kosten van uitgaan en buiten de deur eten niet aangetoond.

  6. De post “andere lasten ontspanning” is reeds meegenomen onder a.

  7. Met betrekking tot de kosten van de sportverenging overweegt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de kosten van de sportvereniging, boven het bedrag van € 33,- per maand, niet aangetoond. Derhalve houdt het hof rekening met een bedrag van € 33,- per maand.

  8. Ten aanzien van de kosten van lening voor de Kia overweegt het hof als volgt. De vrouw had een auto en heeft kennelijk aanleiding gezien om die te vervangen voor een nieuwere. Nu zij de noodzaak daarvan niet heeft aangetoond, acht het hof het niet redelijk om rekening te houden met de aflossing op de lening.

35. Gelet op voornoemde uitgaven becijfert het hof de totale netto behoefte van de vrouw afgerond op € 1.897,- per maand.

Behoeftigheid

36. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 15 met betrekking tot de verdiencapaciteit van de vrouw.

37. Het hof begroot in redelijkheid, rekening houdend met de belastingdruk, de aanvullende behoefte van de vrouw tot 1 januari 2015 op € 1.061,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 op € 1.691,- per maand. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw vanaf 1 januari 2015 geen aanspraak meer kan maken op de alleenstaande ouderkorting.

Draagkracht man voor de partneralimentatie

38. Het hof gaat uit van de door de man als productie 51 bij brief van 17 november 2014 overgelegde draagkrachtberekening, met dien verstande dat het hof uitgaat van het inkomen zoals vermeld onder rechtsoverweging 18. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, staan ter discussie:

  • -

    de bijstandsnorm;

  • -

    de woonlasten ad € 600,- per maand;

  • -

    de “andere bijzondere kosten” ad € 65,- per maand;

  • -

    de “overige kosten” ad € 163,- per maand.

Bijstandsnorm

39. Het hof is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Gesteld, noch gebleken is dat zijn huidige partner niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Woonlasten

40. Het hof overweegt als volgt. Uit de door man als productie 46 bij brief van 17 november 0214 overgelegde brief van de huidige partner van de man blijkt dat de man een bedrag aan haar voldoet van € 600,- per maand voor kost en inwoning voor zichzelf en de minderjarigen. Het hof is van oordeel dat een woonlast van € 450,- per maand, gelet op het inkomen van de man, niet bovenmatig is. Met het meerdere van € 150,- houdt het hof geen rekening, aangezien de kosten van inwoning voor de man al vallen onder de bijstandsnorm en met de kosten van de minderjarigen rekening is gehouden met de zorgkorting die in mindering is gebracht op de door de man te betalen kinderalimentatie.

Andere bijzondere kosten

41. Ter zitting is namens de man toegelicht dat de post “andere bijzondere kosten” de kosten van zijn telefoon en vakbondskosten betreffen. Het hof is van oordeel dat die kosten niet prevaleren boven de onderhoudsverplichting ten opzichte van de vrouw en dat die uit danwel de bijstandsnorm of de vrije ruimte van de man voldaan moeten worden.

Overige kosten

42. Voorts is ter zitting namens de man nader toegelicht dat de “overige kosten” de autokosten betreffen. Het hof acht het aannemelijk dat de man die veel werkzaam is, een hoger bedrag dan gemiddeld dient te voldoen aan kosten voor zijn auto, zodat het hof met dit bedrag rekening houdt.

43. Uit het vorenstaande volgt dat de draagkracht van de man tot 1 januari 2015 geen hogere partneralimentatie toelaat dan € 253,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2015 € 527,- per maand.

Jusvergelijking

44. Gelet op de stelling van de man dat de vrouw meer te besteden heeft dan de man, heeft het hof een zogenaamde jusvergelijking gemaakt. Het hof gaat daarbij uit van de volgende financiële gegevens aan de zijde van de vrouw:

  • -

    een bruto maandinkomen van € 982,50 exclusief vakantietoeslag;

  • -

    tot 1 januari 2015: de alleenstaande ouderkorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de arbeidskorting en de algemene heffingskorting;

  • -

    vanaf 1 januari 2015: de algemene heffingskorting, arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting;

  • -

    de bijstandsnorm voor een alleenstaande;

  • -

    een huur van € 554,- per maand;

  • -

    een huurtoeslag tot 1 januari 2015 van € 251,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 van € 268,- per maand;

  • -

    een premie ziektekostenverzekering van € 138,37 per maand alsmede een eigen risico van € 30,- per maand;

  • -

    een zorgtoeslag tot 1 januari 2015 van € 72,- per maand en met ingang van die datum van € 78,- per maand.

45. Op grond van voormelde jusvergelijking concludeert het hof dat bij een partneralimentatie van afgerond € 253,- bruto per maand tot 1 januari 2015 en van afgerond € 527,- bruto per maand met ingang van 1 januari 2015, de vrouw niet meer vrije ruimte over heeft dan de man.

Verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap

ABN AMRO Bankrekening

46. Partijen zijn het erover eens dat het door de rechtbank aangehouden saldo betreffende de gezamenlijke rekening van partijen met rekeningnummer [rekeningnummer] per peildatum geen € 1.500,- zoals door de rechtbank is overwogen, maar € 86,17 beliep. Aangezien de rechtbank in het dictum slechts heeft beslist dat beide partijen ieder de helft van het saldo van de ABN AMRO Bank betaalrekening ([rekeningnummer]) voor zijn rekening moet nemen en als eigen schuld moet voldoen, kan dit niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.

Nissan Primera

47. Vast staat dat de Nissan Primera aan de vrouw kan worden toebedeeld, zulks onder de verplichting om de helft van de waarde aan de man te vergoeden. Het debat van partijen ziet op de waarde van die auto. De man stelt dat de auto € 1.500,- waard is. Hij verwijst naar de als productie 29 overgelegde afschriften. De vrouw verweert zich daartegen. Zij verwijst naar de door haar ten tijde van de echtscheiding ingebrachte taxatie, waaruit blijkt dat de waarde van de auto € 500,- is.

48. Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van de waardering van de goederen moet in beginsel worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de daadwerkelijke verdeling. Daarvan kan worden afgeweken als partijen anders overeen komen of op grond van de redelijkheid en billijkheid. De vrouw heeft de auto ingeruild voor een waarde van € 745,-. Het hof acht het redelijk en billijk om dit bedrag als waarde van de auto te hanteren. Het meerdere is door de man naar het oordeel van het hof onvoldoende aangetoond.

Aangifte Inkomstenbelasting 2012

49. De man stelt dat na het wijzen van de bestreden beschikking is gebleken dat over 2012 een naheffing aan de Belastingdienst betaald dient te worden van € 5.619,-. De man stelt zich op het standpunt dat dit een huwelijkse schuld betreft waarvan de vrouw de helft voor haar rekening dient te nemen.

50. De vrouw stelt dat de aanslag feitelijk is opgelegd op 29 april 2014, althans de dagtekening van de aanslag betreft. De schuld is volgens de vrouw ontstaan na de peildatum en komt niet voor verrekening in aanmerking.

51. Het hof overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of een bepaalde schuld al dan niet tot de ontbonden gemeenschap behoort, is slechts van belang of zij al dan niet (daadwerkelijk) vóór de ontbinding van de gemeenschap is ontstaan. De vordering van de Belastingdienst is al voor de ontbinding ontstaan, maar wordt pas thans opgeëist. Het ontstaansmoment is dus gelegen op het moment dat partijen nog in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Derhalve zijn beide partijen voor de helft draagplichtig. Er zijn geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om van die draagplicht af te wijken.

Proceskosten

52. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de kinder- en partneralimentatie en de Nissan Primera, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen:

- met ingang van 1 juli 2014 tot 1 januari 2015 op € 245,- per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2015 op € 165,- per kind per maand;

bepaalt de door te man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw:

  • -

    met ingang van 1 juli 2014 tot 1 januari 2015 op € 253,- per maand;

  • -

    met ingang van 1 januari 2015 op € 527,- per maand;

stelt de verdeling van de gemeenschap als volgt vast:

deelt toe aan de vrouw;

- de auto, Nissan Primera, waarbij de vrouw € 372,50 aan de man dient te verrekenen;

verklaart de bestreden beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in aanvulling op de bestreden beschikking:

verstaat dat partijen beide gelijk draagplichtig zijn met betrekking tot de naheffing aan de Belastingdienst over het jaar 2012;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Sutorius-van Hees, Labohm en Breederveld, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2015.