Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1755

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
22-002977-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 287 Sr. Vrijspraak moord. Veroordeling ter zake van doodslag. Verwerping van het beroep op noodweer, noodweerexces, putatief noodweer en psychische overmacht.

Het hof komt tot oplegging van een hogere straf dan de eerste rechter en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002977-13

Parketnummer: 09-753819-12

Datum uitspraak: 2 juli 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 juni 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1950,

[adres],

thans gedetineerd in penitentiaire inrichting Rijnmond, Gevangenis De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

15 mei 2014 en 18 juni 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het impliciet primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het impliciet subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De vordering van de benadeelde partij is in hoger beroep niet meer aan de orde, nu (het resterende gedeelte van) de vordering blijkens de op 18 juni 2015 bij het hof ingekomen stukken van de verdediging reeds door de verdachte is voldaan op

30 augustus 2013. Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting bevestigd dat de vordering reeds is voldaan en dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep derhalve niet meer aan de orde is.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 september 2012 te Leiden opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, meerdere malen met een mes die [slachtoffer] in de borst, althans het bovenlichaam, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte impliciet primair is ten laste gelegd (moord), zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Verweer van de verdediging

Door de raadsman van de verdachte is – overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – betoogd dat de uitgewerkte 112-melding (proces-verbaal bevindingen met betrekking tot telefonische melding meldkamer, p. 43 e.v.) dient te worden uitgesloten van het bewijs, aangezien er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient een verdachte voor aanvang van zijn verhoor de cautie te worden gegeven. Onder een verhoor wordt de situatie verstaan waarin de verdachte object van onderzoek is. Artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering heeft derhalve betrekking op de situatie waarin het verhoor een onderzoeksfunctie heeft en de verhorende rechter of opsporingsambtenaar de verdachte ondervraagt om bewijsmateriaal te verzamelen. Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat er ten tijde van de 112-melding door de verdachte geen verplichting bestond tot het geven van de cautie, nu deze melding niet is aan te merken als een verhoorsituatie als bedoeld in genoemd artikel.

Naar het oordeel van het hof is ook overigens niet gebleken van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 september 2012 te Leiden opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meerdere malen met een mes die [slachtoffer] in de borst gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Het hof stelt vast, zoals door de verdachte ook niet wordt betwist, dat de verdachte op 15 september 2012 het slachtoffer [slachtoffer] meerdere malen met een mes in zijn borst heeft gestoken, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden.

Ten aanzien van de feitelijke gebeurtenissen is door de verdediging – kort en zakelijk weergegeven – het volgende betoogd. [slachtoffer] heeft in het clubhuis de aanval ingezet jegens de verdachte. Daarbij heeft hij de verdachte tevens bedreigd. De verdachte is, nadat hij zich heeft kunnen bevrijden van deze aanval, uit angst en paniek naar de keuken gerend en hij heeft daar een mes gepakt. De verdachte is daarmee achter [slachtoffer] aan naar buiten gelopen om zich ervan te vergewissen dat [slachtoffer] echt zou vertrekken en dat [slachtoffer] niet terug zou komen met een vuurwapen. Echter, op het moment dat de verdachte uit het clubhuis kwam, kreeg hij (wederom) een klap van [slachtoffer] en bedreigde die hem andermaal, nu met de woorden “ik maak je hele kankerfamilie af”, waarna het zwart werd voor verdachtes ogen, hetgeen ertoe heeft geleid dat hij [slachtoffer] heeft neergestoken.

Het hof overweegt dat voornoemde lezing van de feiten – behoudens dat de verdachte in het clubhuis inderdaad door [slachtoffer] is aangevallen - geen steun vindt in het overige bewijsmateriaal, nu deze lezing door geen van de getuigen wordt bevestigd. Het hof slaat daarbij met name acht op de voor het bewijs gebezigde verklaring van de [getuige], afgelegd bij de rechter-commissaris. [getuige] heeft geen bedreiging(en) gehoord, maar wel gezien dat de aanvalssituatie binnen was beëindigd, en dat de verdachte vervolgens zelf de confrontatie met [slachtoffer] weer heeft opgezocht, nadat [slachtoffer] het clubgebouw reeds had verlaten en hij aldus juist van de verdachte wegliep.

Ter beoordeling van de vraag of de verdachte met opzet heeft gehandeld stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Na de vechtpartij in het clubgebouw is de verdachte naar de keuken gelopen en heeft hij een mes gepakt met een lemmetlengte van 15 centimeter. Vervolgens is de verdachte achter [slachtoffer] aan naar buiten gegaan alwaar hij, gelet op de eerdere vaststelling van het hof, de confrontatie met [slachtoffer] zelf heeft opgezocht. Vervolgens heeft de verdachte die [slachtoffer] drie messteken in het lichaam toegebracht, waarvan twee (dodelijke) messteken in de borst.

Naar het oordeel van het hof wettigen voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien en mede in aanmerking genomen dat uit de uitgewerkte 112-melding blijkt dat de verdachte “een beetje kwaad” was, de conclusie dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] willens en wetens heeft doodgestoken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Beroep op noodweer

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd – overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – dat de verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ter adstructie heeft de raadsman gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigende gevaar daarvoor.

Het hof verwerpt dit verweer, aangezien het van oordeel is dat de vechtpartij in het clubgebouw ten tijde van de steekpartij al enige tijd was beëindigd en er aldus geen sprake meer was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof bovendien, anders dan de raadsman, niet aannemelijk geworden dat tijdens of kort voorafgaand aan de steekpartij buiten het clubgebouw sprake is geweest van een (nieuwe) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor door het slachtoffer. Die lezing van de feiten wordt door geen van de getuigen bevestigd en ook overigens is een aanval van de zijde van het slachtoffer buiten het clubgebouw niet aannemelijk geworden.

Het bewezen verklaarde is derhalve, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluit, strafbaar.

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

(Extensief tardief) noodweerexces en putatief noodweer

De raadsman heeft zich voorts – overeenkomstig zijn pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt nu hij als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer in het clubgebouw, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Het hof stelt voorop dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging ook sprake kan zijn indien - zoals in het onderhavige geval - op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch dat die gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg is van de hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Anders dan door de raadsman is betoogd, is het hof van oordeel dat het handelen van de verdachte niet is aan te merken als het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de eerdere vechtpartij in het clubgebouw, gelet op het tijdsverloop tussen die vechtpartij en de uiteindelijke steekpartij buiten het clubgebouw. Daarenboven is het hof van oordeel dat, nu reeds door het hof is vastgesteld dat de verdachte buiten het clubgebouw zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht, het gedrag van de verdachte niet getuigt van de wil om zich te verdedigen, doch van het inzetten van een aanval tegen het slachtoffer.

Het beroep op noodweerexces wordt derhalve eveneens verworpen.

Het beroep op putatief noodweer kan om dezelfde reden – er was sprake van een aanval van de verdachte – evenmin slagen.

Psychische overmacht

Ten slotte is door de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte niet strafbaar is, nu er bij de verdachte sprake was van psychische overmacht, een en ander als in zijn pleitnota nader omschreven.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist, dat het handelen van de verdachte voortkwam uit een van buiten komende dwang dan wel drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Anders dan door de verdediging is betoogd, is het hof van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat sprake is geweest van een zodanige drang dat de verdachte daaraan redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het hof overweegt daartoe dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte uit paniek heeft gehandeld. Immers blijkt uit de uitgewerkte 112-melding, zoals reeds eerder overwogen, dat de verdachte “een beetje kwaad” was. Daarenboven wijst ook het handelen van de verdachte – het pakken van een mes, het opzoeken van de confrontatie met het slachtoffer buiten het clubgebouw en het toebrengen van meerdere dodelijke messteken – naar ’s hofs oordeel op een toestand van drift of kwaadheid.

Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een situatie van psychische overmacht zoals door de raadsman is betoogd. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter zake het impliciet subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een buitengewoon ernstig misdrijf gepleegd door zijn ex-schoonzoon na een ruzie met messteken om het leven te brengen. Hij heeft het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, zijn leven, ontnomen. Daarnaast is aan de nabestaanden verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Deze schokkende gebeurtenis heeft bruut ingegrepen in het leven van de naaste familie en vrienden van het slachtoffer, zoals ook blijkt uit de schriftelijk slachtofferverklaring van de broer van het slachtoffer die namens hem ter terechtzitting in hoger beroep is voorgelezen.

Het hof rekent verdachte zijn handelen zwaar aan.

Het hof heeft bij de strafoplegging anderzijds rekening gehouden met de omstandigheid dat het slachtoffer de verdachte onverwachts heeft opgezocht, hem valselijk heeft beschuldigd zijn woning te hebben leeggehaald, en de verdachte vervolgens heeft aangevallen en hem in een worsteling heeft toegetakeld.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van het psychologisch onderzoek d.d. 18 december 2012, opgesteld en ondertekend door dr. R.A.R. Bullens, alsmede het psychiatrisch onderzoek d.d. 4 januari 2013, opgesteld en ondertekend door T.V. van Lent. Beide deskundigen concluderen dat de verdachte niet lijdende is aan enige ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Het hof neemt dit oordeel over en maakt het tot het zijne. De verdachte moet dan ook volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

Alles overwegende, is het hof van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren alleszins gerechtvaardigd is. Nu het hof reeds eerder heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, is er, anders dan door de raadsman van de verdacht is bepleit, geen grond om de straf op basis daarvan te verminderen.

Het hof heeft evenwel, overeenkomstig het standpunt van de raadsman, geconstateerd dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de verdachte in verband met het onderhavige zaak vanaf 15 september 2012 preventief gedetineerd is geweest en er tussen het instellen van het hoger beroep op 5 juli 2013 en het wijzen van dit arrest op 2 juli 2015 een periode van meer dan zestien maanden is gelegen. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn in de strafmaat verdisconteren. Anders dan door de raadsman betoogd, zal het hof geen vermindering van 10% toepassen, omdat de overschrijding van de redelijke termijn ook deels verband houdt met het op verzoek van de verdediging horen van een getuige bij de raadsheer-commissaris, zodat in plaats van voormelde straf een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr R.C. Schlingemann en mr. R.F. de Knoop,

in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 juli 2015.