Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1751

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
22-005452-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 225 en 363 Sr. (passieve) ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift in hoedanigheid van ambtenaar. Partiele nietigverklaring van de dagvaarding. Partiele vrijspraak. Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een geldboete van € 75.000,-, subsidiair 365 dagen hechtenis.

De verdachte heeft zich laten omkopen door zijn medeverdachte. Deze medeverdachte heeft de verdachte gebruik laten maken van een appartement in Antwerpen, zonder dat daar een wezenlijke tegenprestatie tegenover stond. Daarnaast heeft de verdachte op zijn Zwitserse bankrekening een bedrag van in totaal ongeveer 1,2 miljoen euro ontvangen van een aan zijn medeverdachte gelieerde onderneming. Op die manier is de verdachte – een ambtenaar of daaraan gelijk te stellen – ertoe bewogen in strijd met zijn plicht – kort samengevat – de aan medeverdachte gelieerde vennootschappen te bevoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005452-10

Parketnummers: 10-996550-05 en 10-994175-09

Datum uitspraak: 30 juni 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans [adres],

GBA-adres: [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

11 oktober 2011, 11 en 25 september 2012, 3 en 10 april, 23, 24 en 25 september en 17 oktober 2014, 3, 10, 17, 19, 24 en 31 maart, 14, 16, 21 en 23 april, 19, 21 en 28 mei en 16 juni 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2 Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. en 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan

4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3 Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.
A.

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks de periode van 01 december 2002 tot en met 2 september 2004 te Schiedam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of in Frankrijk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een (raam)overeenkomst, met als datum 28 december 2002 en als opschrift `Overeenkomst’ (D-3),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft/hebben verdachte en of zijn mededader(s) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid in die (raam)overeenkomst opgenomen:

- onder 2.1 de tekst: `Als compensatie voor het nadeel dat [Vennootschap 3] lijdt nu zij geen uitvoering kan geven aan haar voornemen de hiervoor bedoelde technologie aan Taiwan te leveren zal [Vennootschap 1] zich op verzoek van [Vennootschap 3] jegens schuldeisers van [Vennootschap 3] en/of schuldeisers van de groepsmaatschappijen van [Vennootschap 3] garant stellen voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een minimum bedrag van EUR 100.000.000’ en/of

- onder punt 2.2 de tekst: `[Vennootschap 3] kan een verzoek als bedoeld in artikel 2.1. doen tot twee jaar na de datum van deze overeenkomst. De verplichtingen waarvoor [Vennootschap 1] zich garant stelt zullen geen langere looptijd hebben dan tot drie jaar nadien.’, en/of

- onder punt 1.3 de tekst: `Indien [Vennootschap 3] of enige huidige of toekomstige groepsmaatschappij het bepaalde in dit artikel overtreedt verbeurt zij een onmiddellijk opeisbare boete aan [Vennootschap 1] van EUR 100.000.000.’, en/of

- als datum waarop die (raam)overeenkomst is ondertekend en/of gesloten: 28 december 2002, en/of

- dat geschrift voorzien van zijn/hun handtekening(en) ter bevestiging van (de Juistheid van) de inhoud van dat geschrift;

en/of

B.

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks de periode van 01 december 2002 tot en met 27 februari 2003, te Schiedam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of in Frankrijk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een (raam)overeenkomst, met als datum 28 december 2002 en als opschrift `Overeenkomst’ (D-1234),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

immers heeft/hebben verdachte en of zijn mededader(s) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid in die (raam)overeenkomst opgenomen:

- onder 2.1 de tekst: `Als compensatie voor het nadeel dat [Vennootschap 3] lijdt nu zij geen uitvoering kan geven aan haar voornemen de hiervoor bedoelde technologie aan Taiwan te leveren zal [Vennootschap 1] zich op verzoek van [Vennootschap 3] jegens schuldeisers van [Vennootschap 3] en/of schuldeisers van de groepsmaatschappijen van [Vennootschap 3] garant stellen voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een maximum bedrag van EUR 20.000.000’ en/of

- onder punt 2.2 de tekst: `[Vennootschap 3] kan een verzoek als bedoeld in artikel 2.1. doen tot één jaar na de datum van deze overeenkomst. De verplichtingen waarvoor [Vennootschap 1] zich garant stelt zullen geen langere looptijd hebben dan tot drie jaar nadien.’, en/of

- onder punt 1.3 de tekst: `Indien [Vennootschap 3] of enige huidige of toekomstige groepsmaatschappij het bepaalde in dit artikel overtreedt verbeurt zij een onmiddellijk opeisbare boete aan [Vennootschap 1] van EUR 10.000.000.’, en/of

- als datum waarop die (raam)overeenkomst is ondertekend en/of gesloten: 28 december 2002, en/of

- dat geschrift voorzien van zijn/hun handtekening(en) ter bevestiging van (de Juistheid van) de inhoud van dat geschrift;

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/1403) 5 november 2003 en/of

b)(D/1409) 2 maart 2004 en/of

c)(D/1413) 2 maart 2004 en/of

d)(D/1426) 4 juni 2004,

althans in of omstreeks de periode van 1 november 2003 tot en met 30 juni 2004 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meerdere garantie(s) (en/of guarantee(s))

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid –

a)(D/1403) in een garantie (en/of guarantee), gedateerd 5 november 2003, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat het [Vennootschap 1] zich garant stelt voor een lening ter hoogte van 25 miljoen euro van [Bank 1] aan [Vennootschap 4] en/of

- dat hij (verdachte) zelfstandig bevoegd is tot het (besluiten tot het) afgeven en/of aangaan van de(ze) garantie en/of - de volgende passage (onder punt 12 van de garantie):

"The person executing this guarantee on behalf of the Guarantor represents and warrants his authority to validly and bindingly act on behalf of the Guarantor in respect of this guarantee."

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift) en/of

b)(D/1409) in een garantie (en/of guarantee), gedateerd

2 maart 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat het [Vennootschap 2] zich garant stelt voor een lening ter hoogte van 7,2 miljoen euro van [Bank 1] aan [Vennootschap 5] en/of

- dat hij (verdachte) zelfstandig bevoegd is tot het (besluiten tot het) afgeven en/of aangaan van de(ze) garantie en/of

- de volgende passage (onder punt 12 van de garantie): "The person executing this guarantee on behalf of the Guarantor represents and warrants his authority to validly and bindingly act on behalf of the Guarantor in respect of this guarantee."

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift) en/of

c)(D/1413) in een garantie (en/of guarantee), gedateerd

2 maart 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat het [Vennootschap 2] zich garant stelt voor een lening ter hoogte van 6,4 miljoen euro van [Bank 1] aan [Vennootschap 6] en/of

- dat hij (verdachte) zelfstandig bevoegd is tot het (besluiten tot het) afgeven en/of aangaan van de(ze) garantie en/of

- de volgende passage (onder punt 12 van de garantie): "The person executing this guarantee on behalf of the Guarantor represents and warrants his authority to validly and bindingly act on behalf of the Guarantor in respect of this guarantee."

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift) en/of

d)(D/1426) in een garantie (en/of guarantee), gedateerd

4 juni 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat het [Vennootschap 2] zich garant stelt voor een lening ter hoogte van 25 miljoen euro van [Bank 1] aan [Vennootschap 4] en [Vennootschap 7] en/of

- dat hij (verdachte) zelfstandig bevoegd is tot het (besluiten tot het) afgeven en/of aangaan van de garantie en/of

- de volgende passage (onder punt 12 van de garantie): "The person executing this guarantee on behalf of the Guarantor represents and warrants his authority to validly and bindingly act on behalf of the Guarantor in respect of this guarantee."

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift)

zulks telkens met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

zulks als dan niet terwijl hij bij het begaan van het/de genoemde feit(en), voor zover begaan vóór 1 januari 2004, gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken, immers handelde verdachte in zijn hoedanigheid van directeur van het [Vennootschap 1];

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/1403) 5 november 2003 en/of

b)(D/1409) 2 maart 2004 en/of

c)(D/1413) 2 maart 2004 en/of

d)(D/1426) 4 juni 2004,

althans in of omstreeks de periode van 1 november 2003 tot en met 30 juni 2004, althans in 2003 en/of 2004 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt (van) en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd een of meer valse en/of vervalste garantie(s) (en/of guarantee(s))

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware(n) dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat die garantie(s) (en/of guarantee(s)) is/zijn overgelegd bij en/of verstuurd aan

a)[Bank 1] en/of [Vennootschap 4] en/of

b)[Bank 1] en/of [Vennootschap 5] en/of

c)[Bank 1] en/of [Vennootschap 6] en/of

d)[Bank 1] en/of [Vennootschap 4] en [Vennootschap 7]

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - (telkens) in strijd met de waarheid –

a)(D/1403) in een garantie (en/of guarantee), gedateerd

5 november 2003, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat het [Vennootschap 1] zich garant stelt voor een lening ter hoogte van 25 miljoen euro van [Bank 1] aan [Vennootschap 4] en/of

- dat hij (verdachte) zelfstandig bevoegd is tot het (besluiten tot het) afgeven en/of aangaan van de(ze) garantie en/of –

de volgende passage (onder punt 12 van de garantie): "The person executing this guarantee on behalf of the Guarantor represents and warrants his authority to validly and bindingly act on behalf of the Guarantor in respect of this guarantee." en/of

b)(D/1409) in een garantie (en/of guarantee), gedateerd

2 maart 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat het [Vennootschap 2] zich garant stelt voor een lening ter hoogte van 7,2 miljoen euro van [Bank 1] aan [Vennootschap 5] en/of

- dat hij (verdachte) zelfstandig bevoegd is tot het (besluiten tot het) afgeven en/of aangaan van de(ze) garantie en/of

- de volgende passage (onder punt 12 van de garantie): "The person executing this guarantee on behalf of the Guarantor represents and warrants his authority to validly and bindingly act on behalf of the Guarantor in respect of this guarantee." en/of

c)(D/1413) in een garantie (en/of guarantee), gedateerd

2 maart 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat het [Vennootschap 2] zich garant stelt voor een lening ter hoogte van 6,4 miljoen euro van [Bank 1] aan [Vennootschap 6] en/of

- dat hij (verdachte) zelfstandig bevoegd is tot het (besluiten tot het) afgeven en/of aangaan van de(ze) garantie en/of

- de volgende passage (onder punt 12 van de garantie): "The person executing this guarantee on behalf of the Guarantor represents and warrants his authority to validly and bindingly act on behalf of the Guarantor in respect of this guarantee." en/of

d)(D/1426) in een garantie (en/of guarantee), gedateerd

4 juni 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat het [Vennootschap 2] zich garant stelt voor een lening ter hoogte van 25 miljoen euro van [Bank 1] aan [Vennootschap 4] en [Vennootschap 7] en/of

- dat hij (verdachte) zelfstandig bevoegd is tot het (besluiten tot het) afgeven en/of aangaan van de garantie en/of

- de volgende passage (onder punt 12 van de garantie): "The person executing this guarantee on behalf of the Guarantor represents and warrants his authority to validly and bindingly act on behalf of the Guarantor in respect of this guarantee."

zulks als dan niet terwijl hij bij het begaan van het/de genoemde feit(en), voor zover begaan vóór 1 januari 2004, gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken, immers handelde verdachte in zijn hoedanigheid van directeur van het [Vennootschap 1];

3.
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/1410) 27 februari 2004 en/of

b)(D/1414) 2 maart 2004 en/of

c)(D/1427) 4 juni 2004,

althans in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 30 juni 2004 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meerdere certifica(a)t(en) en/of verklaring(en)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/ of zijn mededader(s) (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid –

a)(D/1410) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 27 februari 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven-)

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift) en/of

b)(D/1414) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 2 maart 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of - de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift) en/of

c)(D/1427) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 4 juni 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor. However, the members of de supervisory board of the Guarantor are aware of, and have not voiced any objection against, the Guarantor entering into the Guarantee."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift)

zulks telkens met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/1410) 27 februari 2004 en/of

b)(D/1414) 2 maart 2004 en/of

c)(D/1427) 4 juni 2004,

althans in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 30 juni 2004, althans in 2003 en/of 2004 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt (van) en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd een of meerdere valse en/of vervalste certifica(a)t(en) en/of verklaring(en)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware(n) dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat dat/die certifica(a)t(en) en/of verklaring(en) is/ zijn overgelegd bij en/of verstuurd aan

a)[Advocatenkantoor 1] en/of [Bank 1] en/of [Vennootschap 4] en/of

b)[Advocatenkantoor 1] en/of [Bank 1] en/of [Vennootschap 6] en/of

c)[Advocatenkantoor 1] en/of [Bank 1] en/of [Vennootschap 4] en/of [Vennootschap 7]

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - (telkens) in strijd met de waarheid

- a)(D/1410) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 27 februari 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of

b)(D/1414) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 2 maart 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het - de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of

c)(D/1427) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 4 juni 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor. However, the members of de supervisory board of the Guarantor are aware of, and have not voiced any objections against the Guarantor entering into the Guarantee.

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/27en/of D/45) 26 en/of 27 februari 2003 en/of b)(D/28 en/of D/46) 25 februari 2004 en/of

c)(D/29) 28 februari 2003 en/of

d)(D/30) 27 februari 2004,

althans in of omstreeks de periode van 26 februari 2003 tot en met 27 februari 2004, althans in 2003 en/of 2004 te Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) (een) bevestigingsbrie(f)/(ven) (en/of zogeheten "letter(s) of representation") en/of (een) jaarrekening(en) en/of (een) jaarverslag(en)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid –

a)(D/27 en/of D/45) in een bevestigingsbrief en/of letter of representation, gedateerd 27 februari 2003, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat bij het opmaken van de jaarrekening 2002 (van het [Vennootschap 1]) rekening is gehouden met alle bekende feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het inzicht dat een jaarrekening beoogt te geven en/of (inhoudende)

- dat alle activa, alsmede alle rechten die voor activering in aanmerking komen, met juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting, zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende voorwaardelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen, ten behoeve van derden gegeven zekerheden en aangegane verbintenissen om activa niet te bezwaren, met de juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende risico's (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld en/of

- dat eventuele gebeurtenissen na balansdatum, welke van invloed zijn op de waardering van activa en passiva toereikend zijn genomen en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift en/of

b)(D/28 en/of D/46) in een bevestigingsbrief en/of letter of representation, gedateerd 25 februari 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat bij het opmaken van de jaarrekening 2003 (van het [Vennootschap 1]) rekening is gehouden met alle bekende feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het inzicht dat een jaarrekening beoogt te geven en/of (inhoudende)

- dat alle activa, alsmede alle rechten die voor activering in aanmerking komen, met juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting, zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende voorwaardelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen, ten behoeve van derden gegeven zekerheden en aangegane verbintenissen om activa niet te bezwaren, met de juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende risico's (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld en/of

- dat eventuele gebeurtenissen na balansdatum, welke van invloed zijn op de waardering van activa en passiva toereikend zijn genomen en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden, en/of

c)(D/29) in een jaarrekening en/of jaarverslag, gedateerd 28 februari 2003, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat de jaarrekening (over het jaar 2002) een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2002 en van de baten en lasten over 2002 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift en/of

d)(D/30) in een jaarrekening en/of jaarverslag, gedateerd 27 februari 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat de jaarrekening (over het jaar 2003) een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2003 en van de baten en lasten over 2003 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift)

zulks telkens met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

zulks al dan niet terwijl hij bij het begaan van het/de genoemde feit(en), voor zover begaan vóór 1 januari 2004, gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken, immers handelde verdachte in zijn hoedanigheid van directeur van het [Vennootschap 1];

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/27 en/of D/45) 26 en/of 27 februari 2003 en/of 3 maart 2003 en/of

b)(D/28 en/of D/46) 25 februari 2004 en/of 1 maart 2004 en/of

c)(D/29) 28 februari 2003 en/of

d)(D/30) 27 februari 2004

althans in of omstreeks de periode van 26 februari 2003 tot en met 1 maart 2004, althans in 2003 en/of 2004 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt (van) en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd een of meer valse en/of vervalste bevestigingsbrie(f)/(ven) (en/of zogeheten "letter(s) of representation") en/of (een) jaarrekening(en) en/of (een) jaarverslag(en)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware(n) dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat die bevestigingsbrie(f)/(ven) (en/of zogeheten "letter(s) of representation") en/of (een) jaarrekening(en) en/of (een) jaarverslag(en) is/zijn overgelegd bij en/of verstuurd aan

a)de accountantsdienst Rotterdam (ADR) en/of [Getuige 9] en/of [Getuige 10] en/of

b)de accountantsdienst Rotterdam (ADR) en/of [Getuige 9] en/of [Getuige 10] en/of

c)de gemeenteraad en/of het college van Burgemeester en Wethouders van de [gemeente] en/of

d)de gemeenteraad en/of het college van Burgemeester en Wethouders van de [gemeente]

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - (telkens) in strijd met de waarheid

- a)(D/27en/of D/45) in een bevestigingsbrief en/of letter of representation, gedateerd 27 februari 2003, stond vermeld en/of was opgenomen (- zakelijk weergegeven -)

- dat bij het opmaken van de jaarrekening 2002 (van het [Vennootschap 1]) rekening is gehouden met alle bekende feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het inzicht dat een jaarrekening beoogt te geven en/of (inhoudende)

- dat alle activa, alsmede alle rechten die voor activering in aanmerking komen, met juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting, zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende voorwaardelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen, ten behoeve van derden gegeven zekerheden en aangegane verbintenissen om activa niet te bezwaren, met de juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende risico's (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld en/of

- dat eventuele gebeurtenissen na balansdatum, welke van invloed zijn op de waardering van activa en passiva toereikend zijn genomen en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden en/of

b)(D/28 en/of D/46) in een bevestigingsbrief en/of letter of representation, gedateerd 25 februari 2004, stond vermeld en/of was opgenomen (- zakelijk weergegeven -)

- dat bij het opmaken van de jaarrekening 2002 (van het [Vennootschap 1]) rekening is gehouden met alle bekende feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het inzicht dat een jaarrekening beoogt te geven en/of (inhoudende)

- dat alle activa, alsmede alle rechten die voor activering in aanmerking komen, met juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting, zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende voorwaardelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen, ten behoeve van derden gegeven zekerheden en aangegane verbintenissen om activa niet te bezwaren, met de juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende risico's (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld en/of

- dat eventuele gebeurtenissen na balansdatum, welke van invloed zijn op de waardering van activa en passiva toereikend zijn genomen en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden en/of

c)(D/29) in een jaarrekening en/of jaarverslag, gedateerd 28 februari 2003, stond vermeld en/of was opgenomen

(- zakelijk weergegeven -)

- dat de jaarrekening (over het jaar 2002) een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2002 en van de baten en lasten over 2002 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden en/of

d)(D/30) in een jaarrekening en/of jaarverslag, gedateerd 27 februari 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

(- zakelijk weergegeven -)

- dat de jaarrekening (over het jaar 2003) een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2003 en van de baten en lasten over 2003 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 en/of

– dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden;

zulks al dan niet terwijl hij bij het begaan van het/de genoemde feit(en), voor zover begaan vóór 1 januari 2004, gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken, immers handelde verdachte in zijn hoedanigheid van directeur van het [Vennootschap 1];

5.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 september 2002 tot en met 31 augustus 2004, althans de periode van 28 december 2002 tot en met 31 augustus 2004 te Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens)

met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

(telkens) door het aannemen van een valse naam en/of valse hoedanigheid en/of door gebruik te maken van (een) (valse/vervalste) raamovereenkomst (D/3) en/of (een) (valse/vervalste) garantie(s) (o.a. D/1403, D/1409, D/1413, D/1426) en/of (een) (valse/vervalste) certifica(a)t(en) en/of verklaring(en) (o.a. D/1410, D/1414 en D/1427) en/of (een) (valse/vervalste) jaarrekening(en) en/of jaarverslag(en) (D/29 en D/30) en/of (een) (valse/vervalste) bevestigingsbrie(f)/(ven) (D/27 en/of D/45 en D/28 en/of D/46) en/of door informatie geheim en/of achter en/of verborgen te houden door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a)de [gemeente] en/of het [Vennootschap 1] en/of het [Vennootschap 2] (op valse gronden) heeft/hebben bewogen tot het aangaan van (een) schuld(en) en/of verplichting(en) voortvloeiend uit een raamovereenkomst en/of (een) garantie(s), althans heeft opgelicht, te weten voor (een) geldbedrag(en) (ter hoogte) van (totaal) ongeveer 138,5 miljoen euro en/of 135 miljoen euro (garanties [Vennootschap 1]) en/of 47,5 miljoen euro en/of 65,6 miljoen euro (garanties [Vennootschap 2]) en/of 100 miljoen euro (D/3) en/of 38,6 miljoen euro (D/1403 en/of D/1426, D/1409, D/1413) en/of

b)de [Bank 1] en/of de [Bank 2] en/of een of meer bank(en) en/of financiële instelling(en) (op valse gronden) heeft/hebben bewogen tot het verstrekken van lening(en) aan (een) rechtsperso(o)n(en) van het [Concern] van [Medeverdachte 1], althans heeft opgelicht, te weten voor (een) geldbedrag(en) (ter hoogte) van (totaal) ongeveer 138,5 miljoen euro en/of 135 miljoen euro (leningen 2002/2003) en/of 47,5 miljoen euro en/of 65,6 miljoen euro (leningen 2004) en/of 100 miljoen euro en/of 38,6 miljoen euro ([Bank 1]) en/of 71 miljoen euro ([Bank 2]),

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) (zich voordoend als volledig vertegenwoordigings- en/of beslissingsbevoegde)

a)- een (valse/vervalste) raamovereenkomst gesloten tussen het [Vennootschap 1] en [Vennootschap 9] en/of [Medeverdachte 1] (tot het garantstellen voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een minimumbedrag van 100 miljoen euro) en/of deze overeenkomst voorzien van een geantedateerde datum en/of (vervolgens) (een)

- ( valse/vervalste) garantie(s) afgegeven, zonder (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring van het College van Burgemeester en Wethouders en/of de Raad van Commissarissen en/of

- ( een) (valse/vervalste) certifica(a)t(en) en/of verklaring(en) ondertekend en/of afgegeven (ter bevestiging van zijn volledige vertegenwoordigings- en/of beslissingsbevoegdheid) en/of

- een raamovereenkomst en/of (een) garantie(s)) en/of certifica(a)t(en) buiten de administratie van het [vennootschap 1] gehouden en/of verzuimd (deze geschriften) in de administratie van het [vennootschap 1] op te nemen en/of

- ( daardoor) (een) jaarverslag(en) en/of jaarrekening(en) en/of (doen) laten opmaken, waarbij onjuiste en/of onvolledige gegevens (waaronder het niet vermelden van het bestaan van de raamovereenkomst en/of de garanties en/of de certificaten) zijn opgegeven en/of verstrekt en/of

- ( een) bevestigingsbrie(f)/(ven) (en/of (zogenaamde) letter(s) op representation) ondertekend en/of afgegeven ter bevestiging van de getrouwheid van de jaarrekening(en) (2002 en/of 2003) en/of de verstrekking van alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en regelgeving, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden en/of

- ( bewust) voornoemde handelingen en/of gedragingen niet gemeld aan en/of geheim en/of verborgen gehouden voor (personen binnen) de [gemeente] en/of het college van Burgemeester en Wethouders en/of de gemeenteraad en/of [Vennootschap 1] en/of [Vennootschap 2]

en/of

b)- een (valse/vervalste) raamovereenkomst gesloten tussen het [Vennootschap 1] en [Vennootschap 9] en/of [Medeverdachte 1] (tot het garantstellen voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een minimumbedrag van 100 miljoen euro) en/of (vervolgens) (een) (valse/vervalste) garantie(s) afgegeven, zonder (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring van het College van Burgemeester en Wethouders en/of de Raad van Commissarissen en/of

- ( een) (valse/vervalste) certifica(a)t(en) en/of verklaring(en) ondertekend en/of afgegeven (ter bevestiging van zijn volledige vertegenwoordigings- en/of beslissingsbevoegdheid)

waardoor

a. a) de [gemeente] en/of het [Vennootschap 1] en/of het [Vennootschap 2] en/of

b)de (genoemde) bank(en) en/of financiële instelling(en) (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte van (voornoemde) geldbedrag(en) en of het aangaan van verplichting(en) en/of schuld(en);

zulks al dan niet terwijl hij bij het begaan van het/de genoemde feit(en), voor zover begaan vóór 1 januari 2004, gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken, immers handelde verdachte in zijn hoedanigheid van directeur van het [Vennootschap 1];

6.

hij,

in of omstreeks de periode van 01 februari 2001 tot en met 30 augustus 2004,

te Rotterdam, althans in Nederland,

en/of te Antwerpen althans in België,

en/of te Zürich althans in Zwitserland,

en/of te Curaçao, althans te Nederlandse Antillen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

als (voormalig) ambtenaar van de [gemeente] en/of als werknemer en directeur in dienst van de rechtspersoon [Vennootschap 2]

één of meer gift(en) en/of belofte(n), en/of dienst(en) heeft aangenomen van [Medeverdachte 1] en/of de vennootschap [Vennootschap 10] en/of de vennootschap [Vennootschap 11], en/of andere vennootschappen van het [Vennootschap 3] concern, welke gift(en) en/of belofte(n), en/of dienst(en) heeft/hebben bestaan in (onder meer),

- het gebruik van een aan die [Medeverdachte 1] en/of die vennootschap [Vennootschap 10] toebehorend appartement, en de daar aanwezige inrichting en inventaris, aan [Appartement], zulks om niet, althans tegen een (aanmerkelijk) lagere vergoeding dan in overeenstemming was met de waarde en/of staat van dat appartement, in elk geval een niet zakelijke vergoeding, en/of

- een geldbedrag van 45.359,55 euro aan hem, verdachte, op of omstreeks 16 maart 2001 betaald door of namens die vennootschap [Vennootschap 11], en/of door of namens [Medeverdachte 1], en/of

- een geldbedrag van 667.000,- aan hem, verdachte, op of omstreeks 25 januari 2002 betaald door of namens die vennootschap [Vennootschap 11], en/of door of namens [Medeverdachte 1], en/of

- een geldbedrag van 500.000,- aan hem, verdachte, op of omstreeks 13 november 2002 betaald door of namens die vennootschap [Vennootschap 11], en/of door of namens [Medeverdachte 1], en/of

wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze gift(en) en/of belofte(n), en/of dienst(en), hem, verdachte, gedaan en/of verleend en/of aangeboden werd(en) ten einde hem te bewegen om in zijn functie van diensthoofd van het [Vennootschap 1] en/of als directeur van het [Vennootschap 2], al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, en/of

wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze gift(en) en/of belofte(n), en/of dienst(en), hem, verdachte, gedaan en/of verleend en/of aangeboden werd(en) ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn functie van diensthoofd van het [Vennootschap 1] en/of als directeur van het [Vennootschap 2], al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening was gedaan of nagelaten, te weten (onder meer)

- het (al dan niet valselijk en/of onbevoegd) opmaken van een overeenkomst, gedateerd op 28 december 2002, waarbij het [Vennootschap 1] zich ten opzichte van schuldeisers van groepsmaatschappijen van [Vennootschap 11] garant stelde voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een minimum bedrag van 100.000.000,- (D3) en/of

- het (al dan niet valselijk en/of onbevoegd) opmaken van een overeenkomst, gedateerd op 28 december 2002, waarbij het [Vennootschap 1] zich ten opzichte van schuldeisers van groepsmaatschappijen van [Vennootschap 11] garant stelde voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een maximum bedrag van 20.000.000,-

(D 1234)

en/of

-het (onbevoegd) (doen of laten) opmaken en/of afgeven van één of meer garanties, te weten (onder meer)

-de garantie d.d. 20 september 2002 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Vennootschap 12] ten bedrage van 3.500.000,- euro (D-1604), en/of

- de garantie d.d. 18 oktober 2002 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 3] ten bedrage van 10.000.000,- euro (D-1313), en/of

- de garantie d.d. 3 maart 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 4] ten bedrage van 23.040.657,- euro (D-1204), en/of

- de garantie mei 2003 aan [Bank 4] door het [Vennootschap 1] ten bedrage van 23.012.500,- euro(D-1205), en/of

- de garantie d.d.13 juni 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 5] ten bedrage van 12.500.000,- euro (D-1101), en/of

- de garantie d.d.13 juni 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 5] ten bedrage van 12.500.000,- euro (D-1106), en/of

-de garantie d.d. 12 september 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 2] ten bedrage van 36.000.000,- euro (D-1701), en/of

-de garantie d.d. 5 november 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 1] ten bedrage van 25.000.000,- euro(D-1403), en/of

-de garantie d.d. 24 december 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 2] ten bedrage van 16.000.000,- euro (D 1716);

- de garantie d.d. 2 maart 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Bank 1] ten bedrage van 7.200.000,- euro ( D -1409) en/of

- de garantie d.d. 2 maart 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Bank 1] ten bedrage van 6.400.000,- euro (D-1413), en/of

- de garantie d.d. 29 april 2004 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Curator 2] ten bedrage van 4.893.440,- euro (D-1750), en/of

- de garantie d.d. 29 april 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Curator 2] ten bedrage van 621.830,- euro, en/of

-de garantie d.d. 10 mei 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Persoon 1] ten bedrage van 2.500.000,- euro(D-1850),en/of

-de garantie d.d.10 mei 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Vennootschap 30] ten bedrage van 2.500.000,- euro (D-1900), en/of

-de garantie d.d. 10 mei 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Vennootschap 31] ten bedrage van 2.500.000,- euro (D-1801), en/of

-de garantie d.d. 4 juni 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Bank 1] ten bedrage van 25.000.000,- euro (D-1426), en/of

-de garantie d.d. 4 juni 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Bank 2] ten bedrage van 19.000.000,- euro(D-3002), en/of

-de garantie d.d. 9 juni 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Curator 2] ten bedrage van 4.893.440,- euro( D 1751),

en/of

het (telkens) niet, althans niet volledig en naar behoren informeren van het College van Burgemeester en Wethouders van de [gemeente] en/of van de (externe en/of interne) accountant en/of de administratie en/of de juridische afdeling van de [gemeente] en/of van de Raad van Commissarissen van het [Vennootschap 2] en/of de administratie en/of de juridische afdeling van het [Vennootschap 2] van het feit dat hij, verdachte, deze garanties zou afgeven en/of had afgegeven en/of

(aldus) – in strijd met in artikel 50, eerste lid, Algemeen Rijksambtenarenreglement voor ambtenaren opgenomen betamelijkheidsnorm - een voorkeursbehandeling heeft gegeven aan [Medeverdachte 1] en/of de vennootschap [Vennootschap 10] en/of vennootschap [Vennootschap 11] en/of andere vennootschappen van het [Concern];

4 Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5 Geldigheid van de dagvaarding ter zake van feit 4 en feit 5

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de nietigheid van de gehele tenlastelegging ter zake van feit 4 bepleit, nu in de tenlastelegging niet is omschreven waarom de tekst van de betreffende in de tenlastelegging betrokken documenten niet juist is, en dus waaruit de valsheid bestaat. Tegen deze onduidelijke beschuldiging kan de verdachte zich niet of onvoldoende verweren. Het is niet voldoende duidelijk wat hem wordt verweten. Ter zake van feit 5 heeft de verdediging gesteld dat de dagvaarding nietig is voor wat betreft: “o.a.” in de derde regel van de derde alinea. Onduidelijk is immers op welke garantie hier wordt gedoeld.

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft ter zake van feit 4 gesteld dat de verdediging dit verweer in eerste aanleg niet heeft gevoerd. Kennelijk begreep de verdachte waartegen hij zich had te verdedigen. De omschrijving van de tenlastelegging is voldoende feitelijk. De verdachte wordt immers telkens verweten dat hij opzettelijk in strijd met de waarheid in de genoemde documenten specifiek genoemde gegevens heeft opgenomen. Van nietigheid van de dagvaarding is geen sprake. Ter zake van feit 5 kan ten aanzien van de vermelding “o.a.”, indien uit de bewijsmiddelen niet blijkt van andere garanties dan de in de tenlastelegging genoemde, vrijspraak volgen.

Beoordeling

Op grond van artikel 261, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de dagvaarding onder meer een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd. Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

In de tenlastelegging van feit 4 is onder a), b), c) en d) een aantal documenten opgenomen. Volgens de steller van de tenlastelegging zijn die documenten valselijk opgemaakt of vervalst, omdat – in essentie - daarin in strijd met de waarheid in de tenlastelegging omschreven gegevens en stellingen zijn weergegeven. Daarmee is het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt voldoende feitelijk omschreven: de opgenomen gegevens en stellingen zouden in strijd met de waarheid zijn. De verdediging kan niet worden gevolgd in de stelling dat bij meerdere ten laste gelegde gegevens specificatie in de tenlastelegging noodzakelijk is. Het is duidelijk dat de steller van de tenlastelegging de verdachte de valsheid of vervalsing van alle genoemde gegevens en stellingen verwijt. Daar komt bij, dat uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken dat de verdachte weet waartegen hij zich te verdedigen heeft.

Het hof stelt voorts vast dat in de tenlastelegging ter zake van feit 5 voorafgaand aan voornoemd citaat staat weergegeven:

“(valse/vervalste) garanties(s)”.

In het onderhavige procesdossier is sprake van een beperkt aantal garanties waarvan het Openbaar Ministerie stelt dat die vals of vervalst zijn. Uit de gevoerde verweren blijkt dat het de verdediging duidelijk is op welke garanties de steller van de tenlastelegging het oog heeft en dientengevolge waartegen de verdachte zich dient te verdedigen. Het citaat “o.a.” ziet slechts op enkele vindplaatsen van de betreffende garanties - die immers op nog meer plaatsen in het procesdossier zijn terug te vinden - en laat geen onduidelijkheid bestaan over het de verdachte gemaakte verwijt.

De verweren worden verworpen.

Een onderdeel van de tenlastelegging dat wel aan duidelijkheid te wensen overlaat en daardoor niet voldoet aan de eisen die artikel 261, eerste en tweede lid, Sv daaraan stelt, is de tekst in de tenlastelegging onder feit 5:

“en/of een of meer bank(en) en/of financiële instelling(en)”.

Op welke banken en/of financiële instellingen de tenlastelegging ziet, is hier zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet duidelijk, zeker niet in de context van een procesdossier waarin vele banken en financiële instellingen de revue passeren.

Dit leidt tot de conclusie dat de tenlastelegging voor wat betreft de hiervoor geciteerde tekst nietig is.

6 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de onder feit 6 ten laste gelegde omkoping voor wat betreft de periode van

1 februari 2001 tot en met 31 december 2002 verjaard is, omdat artikel 362 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zelfs na stuiting een maximale verjaringstermijn kent van twaalf jaar en als gevolg daarvan de feiten in genoemde periode in ieder geval vóór 1 januari 2015 zijn verjaard. Het Openbaar Ministerie is mitsdien in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gerepliceerd dat het feit niet is verjaard. Voor het misdrijf als strafbaar gesteld in artikel 363 Sr geldt een verjaringstermijn van twaalf jaar. De vervolging is binnen de twaalf jaren na het begin van het feit(encomplex) aangevangen.

Beoordeling

Het hof laat het verweer – dat betrekking heeft op de verjaring van het ten laste gelegde misdrijf van artikel 362 (oud) Sr – hier onbesproken, omdat het aan een beoordeling van dat gedeelte van de tenlastelegging niet zal toekomen. Ten overvloede zij overwogen dat het impliciet primair ten laste gelegde – gebaseerd op artikel 363 Sr – niet is verjaard, omdat de ter zake van dat artikel geldende verjaringstermijn van twaalf jaren na de stuiting ervan door daden van vervolging, niet is verstreken.

7 Vrijspraken

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 5 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Rechtsopvatting ter zake van de feiten 1 en 2

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr staat het volgende voorop. Onder een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, wordt verstaan een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend, de zogenaamde bewijsbestemming van het ten laste gelegde geschrift. Daarnaast dient het geschrift valselijk te zijn opgemaakt of vervalst en dient de verdachte hierop opzet, in voorwaardelijke zin hierbij inbegrepen, te hebben gehad.

7.1

Feit 1

Tenlastelegging

Ter zake van het onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt de verdachte kort samengevat verweten dat hij twee zogenaamde raamovereenkomsten, al dan niet in vereniging, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid heeft opgemaakt of heeft doen of laten opmaken.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich bij requisitoir op het standpunt gesteld dat de verdachte zich aan het onder

1. eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde tezamen en in vereniging met de medeverdachte [Medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt. Hiertoe is - zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

  • -

    Voor de garanties is een onjuiste grondslag opgenomen;

  • -

    Beide elkaar uitsluitende overeenkomsten dateren van 28 december 2002;

  • -

    Op grond van het bestaan van andere (digitale) versies van dezelfde overeenkomst, in combinatie met aanwijzingen op grond van de bestandseigenschappen van de digitale versies van ‘de € 100 miljoen overeenkomst’, moet worden geconcludeerd dat deze versie van aanzienlijk latere datum dan 28 december 2002 dateert;

  • -

    Beide verdachten hebben de overeenkomsten ondertekend ter bevestiging van de juistheid van de inhoud ervan.

Dit alles maakt dat beide, of in ieder geval één van beide overeenkomsten vals zijn (is). Beide verdachten wisten dat en hadden het vereiste opzet daartoe. Met hun handtekeningen onder de tekst van beide overeenkomsten bekrachtigden zij de juistheid van de inhoud daarvan. Zij hadden het oogmerk die overeenkomst(en) als echt te (doen) gebruiken.

Bij repliek heeft het Openbaar Ministerie ter zake van de in de tenlastelegging geciteerde punten 2.2 en 1.3 van de overeenkomsten gesteld dat de overeenkomsten op deze punten vals zijn ten opzichte van elkaar.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is - zakelijk weergegeven en samengevat - bepleit dat de inhoud van de raamovereenkomst en de deelovereenkomst juist is, er geen enkel bewijs is voor het tegendeel, dat deze juistheid wordt bevestigd door de documenten zelf, de verklaring van de verdachte en de medeverdachte [Medeverdachte 1], de historische context, de daarop te herleiden motieven, de verklaringen van derden en objectieve stukken in het dossier. Tot slot stelt de verdediging dat de overeenkomsten niet zijn geantedateerd.

Beoordeling

De in de tenlastelegging genoemde overeenkomsten behelzen in essentie dat het [Vennootschap 1] (verder: [Vennootschap 1]) zich jegens schuldeisers van de [Concern] garant zal stellen voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen. Het [Vennootschap 1] doet dit

“als compensatie voor het nadeel dat de [Concern] lijdt nu zij geen uitvoering kan geven aan het voornemen technologie [op het gebied van de constructie van onderzeeboten] aan Taiwan te leveren”.

In de onder feit 1. sub A. genoemde overeenkomst is vermeld dat het [Vennootschap 1] zich garant stelt tot een minimumbedrag van 100 miljoen euro, terwijl de onder feit 1, sub B. genoemde overeenkomst spreekt van een maximumbedrag van 20 miljoen euro. Verder verschilt de inhoud van de overeenkomsten ten aanzien van het bedrag van het boetebeding (punt 1.3) en de termijn waarbinnen door [Vennootschap 3] om garantstelling kan worden verzocht (punt 2.2). Als datum waarop beide overeenkomsten zijn opgemaakt wordt daarin 28 december 2002 genoemd. De overeenkomsten zijn voor het [Vennootschap 1] ondertekend door de verdachte en voor [Vennootschap 11] door de medeverdachte [Medeverdachte 1].

Antedateren

De onderzochte digitale bestandseigenschappen vormen - met name gelet op de inhoud van de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) hierover - een aanwijzing voor de juistheid van het standpunt van het Openbaar Ministerie dat de € 100-miljoen overeenkomst is geantedateerd. Zij leveren echter op zichzelf daarvoor niet voldoende bewijs op. Verder geldt dat in dit geval aan een bewezenverklaring in ieder geval het volgende in de weg staat:

  • -

    Niet duidelijk is geworden hoe de aangetroffen uitgeprinte en ondertekende raamovereenkomst, waarop de tenlastelegging onder A. ziet, zich verhoudt tot de verschillende digitale bestanden die zijn onderzocht door het NFI;

  • -

    Getuige [Getuige 4] heeft verklaard dat zij begin 2003 reeds wist van een raamovereenkomst; een bedrag heeft ze daarbij niet genoemd; zij weet niet van het bestaan van een € 20-miljoen overeenkomst en verklaart dat het enige bedrag dat in haar hoofd zit € 100 miljoen is;

  • -

    [Getuige 5], destijds algemeen directeur van [Bank 4] en betrokken bij de lening aan [Vennootschap 17] van € 23 miljoen op 3 maart 2003, heeft verklaard dat hem in 2003 al bekend was dat de [Concern] tot een bedrag van € 100 miljoen kon trekken onder een raamovereenkomst met het [Vennootschap 1].

Een en ander in aanmerking nemend wordt het antedateren van de € 100-miljoen overeenkomst niet wettig en overtuigend bewezen geacht.

Punt 2.1 van de overeenkomsten

Aangezien op grond van het onderzoek ter terechtzitting als vaststaand kan worden aangenomen dat [Vennootschap 3] eind 2002 door van buiten komende oorzaken geen (verdere) uitvoering heeft kunnen geven aan de ontwikkeling en/of het verder uitvoeren van haar bedrijfsactiviteiten op het gebied van de productie en levering van onderzeeboten aan Taiwan, acht het hof niet onaannemelijk dat [Vennootschap 3] als gevolg daarvan nadeel heeft geleden en ook reeds leed op 28 december 2002, de datum van de raamovereenkomsten. Dit nadeel kan eveneens gelegen zijn in andere dan in directe financiële schade. Derhalve is naar ’s hofs oordeel niet bewezen dat de in de raamovereenkomsten opgenomen grondslag voor de garantstelling door het [Vennootschap 1] vals en dus in strijd met de waarheid is. De verdachte dient in zoverre te worden vrijgesproken.

De punten 2.2 en 1.3 van de overeenkomsten

Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien dat de tekst onder 2.2 en 1.3 van de overeenkomsten op zichzelf beschouwd in strijd met de waarheid en dus vals is.

Ten opzichte van elkaar zijn de overeenkomsten, wat deze teksten betreft, evenmin in strijd met de waarheid. Door de verdachte en de medeverdachte [Medeverdachte 1] is in dat verband verklaard dat de € 100-miljoen raamovereenkomst de ‘moederovereenkomst’ is, waarbij de parameters zijn vastgesteld waarbinnen eventuele hieruit voortvloeiende deelovereenkomsten moesten vallen. De € 20-miljoen overeenkomst is een uitvloeisel en een gedeeltelijke uitwerking van de moederovereenkomst. De € 20-miljoen overeenkomst is ook getoond bij het aanvragen van een concrete lening ([Bank 4]), aldus de verdachte.

Dit laatste vindt bevestiging in de verklaring van de reeds genoemde getuige [Getuige 5]. Ook overigens kunnen de hiervoor samengevatte verklaringen van de verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van het hof niet zonder meer als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Daarvan uitgaande, is het niet onbegrijpelijk dat de bepalingen in de overeenkomsten betreffende het boetebedrag en de termijn van inroepbaarheid van de garantstelling kwantitatief van elkaar verschillen, in die zin dat voor wat betreft de punten 2.2 en 1.3 in de € 100-miljoen overeenkomst grotere getallen zijn opgenomen dan in de € 20-miljoen overeenkomst. Ook in dit opzicht kan dus niet worden geconcludeerd dat de raamovereenkomsten vals zijn, noch dat zij anderszins in strijd zijn met de waarheid.

Bij deze stand van zaken behoeft het standpunt van het Openbaar Ministerie over de ondertekening van de ten laste gelegde stukken geen bespreking.

De conclusie moet zijn dat feit 1 niet wettig bewezen is. De verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

7.2

Feit 2

Tenlastelegging

Ter zake van het onder feit 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt de verdachte - kort samengevat - verweten dat hij vier garanties, al dan niet in vereniging, valselijk en in strijd met de waarheid heeft opgemaakt of heeft doen of laten opmaken. Onder het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt de verdachte verweten dat hij van deze vier garanties gebruik heeft gemaakt, ze voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd. De valsheid zou daarin bestaan dat in die garanties was opgenomen dat het [Vennootschap 1] of het [Vennootschap 2] (verder: [Vennootschap 2]) zich garant stelt voor een lening en hij, verdachte, daartoe zelfstandig bevoegd is. Door ondertekening van voornoemde garanties heeft de verdachte de inhoud van de garanties bevestigd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft betoogd – kort samengevat - dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de vier ten behoeve van de [Bank 1] verstrekte garanties vals heeft opgemaakt, door daarin op te nemen dat hij bevoegd was tot het afgeven van die garanties, op de wijze zoals telkens achter het 2e en het 3e gedachtestreepje is verwoord. De verdachte heeft vervolgens opzettelijk gebruik gemaakt van deze valse garanties door ze aan de [Bank 1] en aan de [Vennootschap 3]-vennootschappen over te leggen c.q. toe te sturen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – kort samengevat - bepleit dat van een onjuistheid in de ten laste gelegde garanties geen sprake is. Voor zover de garantie D/1403 wel een onjuistheid vermeldt, heeft de verdachte geen opzet op die onjuistheid gehad. De verdachte dient derhalve integraal te worden vrijgesproken.

Beoordeling

De verdachte wordt in essentie verweten dat hij heeft verklaard bevoegd te zijn het [Vennootschap 2] te binden in het kader van de verstrekte garanties. Voorop staat dat in de betreffende garanties niet staat vermeld en deze er evenmin toe strekken, dat de verdachte - zoals ten laste is gelegd –

“zelfstandig bevoegd is tot het (besluiten tot het) afgeven en/of aangaan van de(ze) garantie”.

Van dit onderdeel van de tenlastelegging moet de verdachte daarom bij gebreke van wettig bewijs worden vrijgesproken.

In de garanties als bedoeld in de tenlastelegging onder a, b, c en d is telkens onder punt 12. opgenomen:

“The person executing this guarantee on behalf of the Guarantor represents and warrants his authority to validly and bindingly act on behalf of the Guarantor in respect of his guarantee.”

Bij de beantwoording van de vraag of deze verklaring vals is, maakt het hof onderscheid tussen enerzijds het document D/1403 en anderzijds de documenten D/1409, D/1413 en D/1426, nu het eerstgenoemde document is opgemaakt op

5 november 2003 als gevolg waarvan de desbetreffende garantie zou zijn afgegeven namens het [Vennootschap 1], een (tak van dienst van een) bestuursorgaan, terwijl voor de overige garanties geldt dat zij zouden zijn afgegeven namens de naamloze vennootschap [Vennootschap 2].

D/1403

Het hof stelt voorop dat de burgemeester de gemeente in en buiten rechte vertegenwoordigt (art. 171 lid 1 Gemeentewet). Dit betekent voor privaatrechtelijke overeenkomsten dat indien het bevoegde orgaan binnen de gemeente heeft besloten tot het aangaan van een overeenkomst, de burgemeester vervolgens de bevoegdheid heeft dat besluit uit te voeren door de overeenkomst te ondertekenen. De burgemeester is bevoegd deze bevoegdheid in mandaat te geven (art. 171 lid 2 Gemeentewet).

Op basis van de “Machtiging directeur [Vennootschap 1] door B&W d.d. 1 maart 2000” (de zogenaamde “Opsteltenbrief”) was de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 171 Gemeentewet jo. artikel 10:3 en artikel 10:12 Algemene wet bestuursrecht, gemachtigd het [Vennootschap 1] in en buiten rechte te vertegenwoordigen ten aanzien van privaatrechtelijke aangelegenheden die vallen binnen de taakstelling van het [Vennootschap 1].

Het “Integraal mandaat- en volmachtbesluit 2001” (hierna: IMV 2001) omvat de bevoegdheid van de directeur van het [Vennootschap 1] om in naam en onder verantwoordelijkheid van het college ter vervulling van de taak van het [Vennootschap 1] te beslissen. In artikel 08.03 van het Bijzonder Deel is – voor zover hier van belang – bepaald dat de directeur bevoegd is:

“te beslissen omtrent het aangaan, uitvoeren, wijzigen en beëindigen van obligatoire overeenkomsten”

Tussenconclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat in de tijd waarin het [Vennootschap 1] een tak van dienst van de [gemeente] vormde, de verdachte bevoegd was het [Vennootschap 1] en daarmee de [gemeente] in civielrechtelijke zin te binden. Over het interne besluitvormingstraject dat voorafgaat aan de beslissing een dergelijke garantie af te geven en de bevoegdheden die de directeur [Vennootschap 1] in dat kader toekomen, vermeldt de garantie – anders dan de certificaten - niets. Dat in dat traject mogelijk bevoegdheden zijn overschreden, doet daarom bij de beoordeling van deze tenlastelegging niet ter zake.

D/4109, D/1413 en D/1426

Uit artikel 2:130 Burgerlijk Wetboek, waarin de vertegenwoordiging van de naamloze vennootschap is geregeld, volgt in beginsel een onbeperkte en onvoorwaardelijke bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de bestuurder van de naamloze vennootschap. Uit de inschrijving in de Kamer van Koophandel en de Regeling bevoegdheden [Vennootschap 2] blijkt dat de verdachte alleen dan wel zelfstandig bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen en aldus bevoegd was de vennootschap extern te binden.

Voor zover in artikel 25.6 onder 1 in de statuten van het [Vennootschap 2] is bepaald dat bepaalde besluiten aan de goedkeuring van de Raad van Commissarissen zijn onderworpen, geldt dat dit het interne besluitvormingstraject betreft en geen beperking inhoudt op voornoemde bevoegdheid van de verdachte de vennootschap extern te binden.

In de garanties is aldus niets vermeld dat strijdt met de aan de verdachte toekomende bevoegdheden. Over het interne besluitvormingstraject dat voorafgaat aan de beslissing een dergelijke garantie af te geven en de bevoegdheden die de verdachte in dat kader toekomen, vermeldt de garantie – anders dan de certificaten - niets. De verdachte was bevoegd de vennootschap extern civielrechtelijk te binden. Evenals bij de bespreking van de garantie afgegeven in de tijd van het [Vennootschap 1], geldt hier dat de vraag of in het interne voortraject mogelijk bevoegdheden zijn overschreden, bij de beoordeling van deze tenlastelegging niet ter zake doet.

Het vorenstaande betekent dat wat de verdachte onder b, c en d derde gedachtestreepje ten laste is gelegd evenmin wettig kan worden bewezen.

Conclusie ten aanzien van het onder feit 2, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

De verdachte dient bij gebreke van wettig bewijs te worden vrijgesproken van het hem onder feit 2 als eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde.

Conclusie ten aanzien van het onder feit 2, tweede cumulatief/alternatief

Gelet op de conclusie ten aanzien van het eerste cumulatief/alternatief, kan het als tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde evenmin worden bewezen. Weliswaar heeft de verdachte van de garanties gebruik gemaakt, maar bewijs voor hun valsheid ontbreekt. Ook hiervan dient de verdachte te worden vrijgesproken.

7.3

Feit 5

Tenlastelegging

Ter zake van het onder feit 5 ten laste gelegde – voor zover nog aan de orde - wordt, kort samengevat, de verdachte verweten dat hij deels in zijn hoedanigheid van ambtenaar,

a. a) [gemeente], het [Vennootschap 1] en/of het [Vennootschap 2], en/of

b) de [Bank 1] en/of de [Bank 2],

heeft opgelicht.

Rechtsopvatting

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot het aangaan van een schuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer (HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600).

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich voor wat betreft de ten laste gelegde oplichting van de [gemeente], het [Vennootschap 1] en [Vennootschap 2] geschaard achter de overwegingen van de rechtbank in haar vonnis en concludeert dat de handelingen van de verdachte en de geheimhouding ervan kwalificeren als listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels als gevolg waarvan zij zijn bewogen tot het aangaan van verplichtingen.

Daarnaast meent het Openbaar Ministerie dat – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - ook de oplichting van een aantal geldverstrekkers kan worden bewezen. De verdachte heeft verborgen gehouden dat hij bezig was met een Alleingang en geen interne goedkeuring voor zijn handelen had verkregen. De verdachte wist dat wel en heeft op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij niet bevoegd was tot het afgeven van de garanties. Door in de garanties en certificates te verklaren dat hij wel bevoegd was, en deze te ondertekenen, heeft hij de banken bewogen tot het afgeven van kredieten aan het [concern].

Standpunt verdediging

De verdediging heeft ten eerste betoogd dat de verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat de [gemeente] niet gehouden is tot nakoming van de garanties. Daarom is geen sprake van het bewegen tot afgifte.

Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat geen sprake is van valse raamovereenkomsten, garanties, certificaten/verklaringen, jaarrekeningen, jaarverslagen en bevestigingsbrieven.

Voor zover een van de vorengenoemde documenten wel vals wordt geoordeeld, heeft de verdachte op die valsheid geen opzet gehad.

Bovendien is niet bewezen dat met het gebruik van die documenten de [gemeente] en/of [Vennootschap 2] is/zijn bewogen tot het aangaan van een schuld of een verplichting, omdat op het gebruik door de verdachte geen actieve handelingen van een dezer partijen is gevolgd in de zin van het aangaan van schulden of verplichtingen.

Van een schuld is overigens geen sprake. Een garantie kwalificeert niet als zodanig. Een eventuele verplichting kon met het regresrecht op de leningnemer worden afgewenteld.

Van niet-melden aan B&W of [Vennootschap 2] is geen sprake geweest, slechts van vooralsnog niet melden. De garanties waren niet materieel en behoefden daarom niet te worden gemeld.

De gemeente en [Vennootschap] wisten van het bestaan van (bepaalde) garanties en hebben niet ingegrepen. Van oplichting kan daarom geen sprake zijn.

De banken hadden een onderzoeksplicht, waren telkens voldoende op de hoogte van alle relevante feiten en omstandigheden en zijn door de verdachte niet op het verkeerde been gezet. De banken zijn daarom niet opgelicht. Volgens de verdediging waren de documenten niet vals, bestond subsidiair geen causaal verband tussen de handelingen door de verdachte en het verstrekken van de lening en stond meer subsidiair in het algemeen de onderzoeksplicht van de bank eraan in de weg dat sprake kan zijn van door middel van misleiding bewegen tot het verstrekken van een lening.

Beoordeling tenlastelegging feit 5 a)

Voorop staat, dat wil sprake kunnen zijn van oplichting als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr, iemand moet zijn bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld.

Ten aanzien van de [gemeente], [Vennootschap 1] en/of het [Vennootschap 2] wordt de verwachte verweten dat hij die/dat bestuursorga(a)n(en) en/of die rechtspersoon heeft bewogen tot het aangaan van een schuld. Vraag is, of deze entiteiten daartoe zijn bewogen. Daarbij geldt, dat het steeds functionarissen van een bestuursorgaan of rechtspersoon zullen zijn die feitelijk zijn bewogen, en die deswege het – in dit geval – aangaan van een schuld hebben bewerkstelligd (vgl. prof. mr. J.W. Fokkens in Noyon/Langemeijer & Remmelink, commentaar op artikel 326 Sr). De verdachte trad op als vertegenwoordiger van het [Vennootschap 1] (en daarmee indirect de [gemeente]) en later het [Vennootschap 2]. De verdachte tekende de garanties namens deze entiteiten, maar zou – in de redenering van het Openbaar Ministerie – ook de functionaris moeten zijn geweest via wie voornoemde entiteiten zijn bewogen tot het verstrekken van de garanties en daarmee het aangaan van een schuld. Anderen waren daarbij immers niet betrokken; de verdachte heeft wat dit betreft alleen gehandeld. Met andere woorden: de tenlastelegging impliceert dat de verdachte op de ten laste gelegde wijze zichzelf als vertegenwoordiger van voornoemde entiteiten moet hebben bewogen tot het namens voornoemde entiteiten aangaan van een schuld. Het kunnen echter niet de ten laste gelegde feitelijke handelingen zijn die de verdachte hebben bewogen tot het namens de [gemeente], [Vennootschap 1] en/of het [Vennootschap 2] aangaan van een schuld, omdat – indien bewezen – de verdachte als vertegenwoordiger van voornoemde entiteiten wist van – kort samengevat – valsheid en geheimhouding. Daardoor kan hetgeen de verdachte onder feit 5 a) is ten laste gelegd niet worden bewezen en dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

De overige verweren met betrekking tot feit 5 a) behoeven gelet op het vorenstaande geen bespreking.

Ten overvloede: de verweten gedragingen lijken eerder te passen in een tenlastelegging gebaseerd op – voor wat betreft het aangaan van een schuld door het [Vennootschap 2] – artikel 347 Sr. Zulks is de verdachte echter niet ten laste gelegd.

Beoordeling tenlastelegging feit 5 b)

De verweren inhoudende dat de raamovereenkomsten en de certificaten, als genoemd in de tenlastelegging van de feiten 1, 3 en 5 niet vals of vervalst zijn, zijn (respectievelijk zullen) bij de bespreking van de feiten

1. en 3 (worden) beoordeeld. Uitkomst van die beoordeling is – kort samengevat – dat niet wettig kan worden bewezen dat de raamovereenkomsten vals of vervalst zijn, maar dat wel wettig en overtuigend is bewezen dat de certificaten vals zijn. Hetgeen de verdediging te dien aanzien heeft aangevoerd, behoeft hier geen verdere bespreking. Uitgangspunt bij de beoordeling van feit 5 b) is derhalve dat van de ten laste gelegde middelen kan worden bewezen verklaard dat gebruik is gemaakt van valse certificaten.

Vooraf zij opgemerkt, dat uit het requisitoir volgt dat het middel valse naam en/of valse hoedanigheid weliswaar in de tenlastelegging is opgenomen, maar niet behoort tot de verwijten die het Openbaar Ministerie de verdachte maakt. Dat stelt immers dat de verdachte geldverstrekkers heeft opgelicht door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte worden vrijgesproken.

Ook valt in de tenlastelegging op, dat de verdachte ten aanzien van de onderdelen a) en b) onder feit 5 wordt verweten gebruik te hebben gemaakt van al dan niet valse of vervalste jaarrekeningen, jaarverslagen, bevestigingsbrieven en/of door geheim-, verborgen, en achterhouden van informatie, zonder dat die verwijten terugkeren in de feitelijke omschrijving van de aan de verdachte verweten handelingen onder b). Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van de verwijten die hem ten aanzien van de meergenoemde raamovereenkomsten zijn gemaakt, luidt het resterende te beoordelen verwijt ten aanzien van feit 5 onder b), dat hij banken heeft bewogen tot het verstrekken van leningen door valse certificaten te ondertekenen en af te geven.

Aan de hand van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, wordt vastgesteld dat [Bank 1] en [Bank 2] leningen hebben verstrekt aan het [concern]. In dat kader zijn onder meer voornoemde certificaten overgelegd. Het zullen echter niet enkel die – als vals te kwalificeren – documenten zijn geweest die deze banken ertoe hebben gebracht de verzochte leningen te verstrekken. Naar het hof aannemelijk acht, zal aan de beslissing tot financiering een gedegen onderzoek ten grondslag liggen waarvan de certificaten slechts een onderdeel vormen. Deze redenering ligt kennelijk besloten in de overwegingen van de rechtbank waar zij oordeelde dat het causaal verband ontbrak tussen de valse certificaten en de afgifte van de leningen. Het hof ziet dat causaal verband evenmin.

Daar komt bij, dat met de enkele – zij het herhaalde – leugen in de certificaten geen sprake is van de ten laste gelegde listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels.

Het de verdachte onder feit 5 b) ten laste gelegde kan daarom niet worden bewezen. Hij dient ook daarvan te worden vrijgesproken.

Conclusie ter zake van feit 5

De verdachte dient van het hem onder feit 5 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

8. Bewijsmotivering 1

Rechtsopvatting ter zake van de feiten 3 en 4

Onder een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, wordt verstaan een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend; de zogenaamde bewijsbestemming van het ten laste gelegde geschrift. Daarnaast dient het geschrift valselijk te zijn opgemaakt of vervalst en dient de verdachte hierop opzet, in voorwaardelijke zin hierbij inbegrepen, te hebben gehad. Voorts dient de verdachte het oogmerk te hebben gehad om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Volgens vaste jurisprudentie ziet het in artikel 225, eerste lid, Sr bedoelde oogmerk slechts op het gebruik van het valse of vervalste geschrift en niet ook op het vervalsen of valselijk opmaken zelf. Voor bewezenverklaring van dat oogmerk is beslissend of de verdachte de bedoeling had het desbetreffende geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. Dat oogmerk kan dus bestaan ongeacht de vorm van het opzet die ten aanzien van het valselijk opmaken of vervalsen wordt aangenomen. (vgl. HR 29 augustus 2006 ECLI:NL:HR:2006:AX:6423 en HR 12 mei 1998, NJ 1998,694).

Ter zake van het tweede lid van artikel 225 Sr geldt voorts dat volgens vaste jurisprudentie van gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst slechts sprake kan zijn indien het geschrift zelf, als middel tot misleiding, tegenover derden wordt gebruikt (vgl. HR 21 december 2004 ECLI:NL:HR:2004:AR4886)

8.1

Feit 3

Tenlastelegging

Ter zake van het onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt de verdachte - kort samengevat - verweten dat hij drie certificaten, al dan niet in vereniging, valselijk in strijd met de waarheid heeft opgemaakt of heeft (doen en/of laten) opmaken. Met het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt de verdachte verweten dat hij van die certificaten gebruik heeft gemaakt, ze voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd.

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft betoogd – kort samengevat - dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de inhoud van de certificaten in strijd is met het bepaalde in artikel 25.6 onder l van de Statuten van [Vennootschap 2], en daardoor vals.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft - kort samengevat - bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Primair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat van een onjuistheid in de ten laste gelegde certificaten geen sprake is. Voor zover de inhoud van de certificaten al onwaar zou zijn, heeft de verdachte op die onwaarheid geen opzet gehad.

Vaststaande feiten en omstandigheden

Op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting kan het volgende worden vastgesteld.

In de door de verdachte op 27 februari 20042, 2 maart 20043 en 4 juni 20044 te Rotterdam ondertekende certificates is onder punt 5. het volgende opgenomen:

“5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor.”

Alle voornoemde certificaten kennen als aanhef de volgende tekst:

“The undersigned, Mr. [verdachte] […] hereby certifies that each of the following statements are true and correct and not misleading by omission on the date hereof and was (or, as the case may be: will be) so on the date that the Guarantees were or will be executed and delivered by the Guarantor;”

Bij de verzelfstandiging van het [Vennootschap 1] en de overgang naar het [Vennootschap 2] op 1 januari 2004, zijn de statuten5 in werking getreden. In de statuten is in artikel 25.6 aanhef en onder l. het volgende opgenomen:

“Voorzover die besluiten niet reeds zijn opgenomen in een door de raad van commissarissen goedgekeurde begroting inclusief investeringsplan, als in lid 5 bedoeld, of het bedrag, dat voor die besluiten in de begroting is opgenomen, overschrijdt, zijn aan de goedkeuring van de raad van commissarissen onderworpen besluiten van het bestuur omtrent:

[…]

l. verbinden van de vennootschap voor schulden van anderen dan afhankelijke maatschappijen, hetzij door borgtocht, hetzij op andere wijze;”

Voornoemde certificaten zijn opgesteld door de advocaat [Getuige 6]. Zij zijn gebruikt ter onderbouwing van de legal opinion van [advocatenkantoor 1] inzake de bevoegdheid van [verdachte] omtrent de garanties die afgegeven zijn ten behoeve van diverse leningen.6 Ter terechtzitting in eerste aanleg7 heeft de verdachte verklaard dat hij destijds [het hof begrijpt: ten tijde van het afgeven van “de serie” garanties] artikel 26 [het hof begrijpt: 25], lid 6, onder l, van de statuten van [vennootschap 2] kende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voorts verklaard dat de certificaten werden opgesteld door een advocaat. Vervolgens volgden een soort van tekensessies. De verdachte kwam binnen, tekende en ging weer weg. Tijdens zo’n tekensessie werd hem het certificaat voorgehouden. De van belang zijnde punten werden voorgehouden en hem werd gevraagd of wat daar stond correct was.8

Vaststaat (en zulks is ook niet betwist) dat de besluiten tot het afgeven van meergenoemde garanties niet reeds waren opgenomen in een door de raad van commissarissen goedgekeurde begroting inclusief investeringsplan.

Beoordeling

Voornoemde certificaten zijn geschriften die tot bewijs dienen van – voor zover hier relevant en kort samengevat – de stelling dat de verdachte ten behoeve van de garanties geen toestemming nodig had van de raad van commissarissen. Met dat oogmerk heeft de verdachte de certificaten ook afgegeven.

In het algemeen geldt dat de handtekening onder een document – in dit geval telkens een certificaat - de bevestiging vormt dat de inhoud daarvan juist is. Degene die het certificaat ondertekent, is degene die verantwoordelijk is voor de juistheid van de inhoud daarvan. In deze certificaten is dit uitgangspunt nog eens benadrukt door als aanhef op te nemen dat de verdachte ervoor instaat dat alle verklaringen in het certificaat

true and correct” zijn.

Voor beantwoording van de vraag of hetgeen in bovengenoemde certificaten onder punt 5. is weergegeven, in strijd met de waarheid is, volstaat een eenvoudige vergelijking van de statuten met de certificaten.

De verdachte verklaarde in de certificaten dat ten behoeve van de

execution and delivery”

van de garanties niet de toestemming van de raad van commissarissen nodig was, terwijl uit voornoemde statuten onomwonden volgt dat die toestemming wel vereist was voor het verbinden van de vennootschap voor schulden van anderen dan afhankelijke maatschappijen. De garanties waarop de hier aan de orde zijn certificaten betrekking hebben, betreffen geen afhankelijke maatschappijen van het [Vennootschap 2].

Tussenconclusie

Hetgeen onder punt 5. van de ten laste gelegde certificaten is opgenomen is in strijd met de waarheid.

Beoordeling verzoek verdediging

Het vorenstaande betekent ook dat het hof zich voldoende voorgelicht acht over de juridische beoordeling van de bevoegdheidskwestie. Het is daarom niet noodzakelijk de uitlevering te bevelen van de juridische notitie waarvan de verdediging heeft verzocht die aan het procesdossier toe te voegen (‘Juridische notitie JAR aan B&W uitleg verschil inzicht bevoegdheden overschrijding’ d.d.

1 september 2004). Op de ter zake van die notitie eerder genomen beslissing komt het hof daarom niet terug.

Opzet

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij destijds op de hoogte was van artikel 26 [het hof begrijpt: 25].6 onder l van de Statuten. Ondanks deze wetenschap heeft de verdachte documenten ondertekend waar onder punt 5. was opgenomen dat het nemen van een besluit van het bestuur niet was onderworpen aan de goedkeuring van de raad van commissarissen. Reeds hieruit volgt het opzet op het valselijk doen opnemen van meergenoemde teksten in de ten laste gelegde documenten.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte mocht vertrouwen op advocaat [Getuige 6], de opsteller van de certificaten. Advisering door een advocaat ontslaat de verdachte echter niet van zijn eigen verantwoordelijkheden, zeker niet nu de verdachte zelf jurist is, de bepalingen in de Statuten aan duidelijkheid weinig te wensen overlaten, de verdachte de inhoud ervan kende en glashelder is dat meergenoemde tekst in de certificaten met die Statuten strijdt.

Bewijsverweren

Door de verdediging is ter zake van punt 5 van de certificaten nog bepleit dat:

a. de woorden ‘execution and delivery’ de bevoegdheid van de verdachte om de vennootschap naar buiten toe te vertegenwoordigen en te binden betreft en niet de interne besluitvorming binnen de vennootschap en,

b. de garanties voortvloeien uit de raamovereenkomst van 28 december 2002 en derhalve niet aan goedkeuring onderhevig waren.

Eén en ander maakt dat hetgeen is vermeld onder punt 5 niet in strijd met de waarheid is.

Het hof oordeelt als volgt.

Ad a)

Anders dan bij de garanties, heeft de verdachte in de certificaten verklaard dat de toestemming van de raad van commissarissen niet nodig was. Ofschoon die niet nodig was om de vennootschap civielrechtelijk te binden, was die toestemming wel vereist alvorens de verdachte kon besluiten de vennootschap te binden. Diens mededeling dat die toestemming niet nodig was, is dus in zoverre in strijd met de waarheid. De mededeling dat hij bevoegd is de vennootschap te binden, is evenwel niet in strijd met de waarheid. Daarmee verschilt de tekst in de garanties wezenlijk van die in de certificaten.

Het verweer wordt verworpen.

Ad b)

Dat sprake was van een omzetting van eerdere garanties, is het hof niet gebleken en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Ten behoeve van de nieuwe garanties is verklaard dat de voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen niet nodig was. Zoals hiervoor overwogen, is die mededeling in strijd met de waarheid.

Conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat kan worden bewezen dat de verdachte het onder feit 3 eerste en tweede cumulatief heeft begaan.

8.2

Feit 4

Tenlastelegging

Ter zake van het onder feit 4 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt de verdachte verweten dat hij documenten, te weten bevestigingsbrieven, ook wel genoemd letters of representation, jaarverslagen en jaarrekeningen valselijk in strijd met de waarheid, al dan niet in vereniging, heeft opgemaakt dan wel heeft doen of laten opmaken. Onder het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt de verdachte verweten dat hij van deze documenten gebruik heeft gemaakt, ze voorhanden heeft gehad en/of heeft afgelegd.

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft betoogd - kort samengevat – dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de bevestigingsbrief van 27 februari 2003 en de jaarrekeningen en jaarverslagen van het [Vennootschap 1] over het jaar 2002 en 2003 valselijk heeft opgemaakt, dan wel heeft laten opmaken door deze als juist te ondertekenen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft - kort samengevat - bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Primair voert de verdediging hiertoe aan dat het ten laste gelegde niet in strijd met de waarheid is en dus niet vals. Het gebrek aan materialiteit dwingt tot die conclusie, evenals de gangbare opvattingen omtrent de risicoparagraaf ten aanzien van wat daarin wel of niet moet worden opgenomen, en ook overigens de kennelijke verdeeldheid van opinies over het al dan niet opnemen van meer of minder gevoelige gegevens in jaarverslag of jaarrekening. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat zo er al sprake zou zijn van een verplichting tot opname op welke wijze dan ook, de verdachte op de valsheid geen opzet heeft gehad. Immers, de financiële functionarissen en het College van B&W staan zelf op het standpunt dat opname van de betreffende garantie niet hoefde plaats te vinden. [verdachte] mocht er terecht van uitgaan dat geen sprake was van materialiteit, zoals hij aan de wethouder uitlegde. Mocht dat uitgangspunt achteraf juridisch onjuist blijken, dan blijft niettemin het gebrek aan oogmerk tot misleiding overeind. Meer subsidiair heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat er geen sprake van oogmerk tot misleiding was om de ten laste gelegde documenten als echt en onvervalst te gebruiken, nu de verdachte ervan uitging dat de garanties bij de [gemeente]/[Vennootschap 1] bekend waren.

Partiële vrijspraak ter zake van het eerste en tweede cumulatief/alternatief onder b. ten laste gelegde

Ter zake van de bevestigingsbrief d.d. 25 februari 2004 constateert het hof dat het Openbaar Ministerie niet expliciet een bewezenverklaring heeft gevorderd. Vast staat dat op 25 februari 2004 [Getuige 7] als plaatsvervangend algemeen directeur het ten laste gelegde document heeft ondertekend. Niet is gebleken dat de verdachte bij het formuleren van de inhoud van dit document betrokken is geweest. Onder die omstandigheden ontbreekt het bewijs dat de verdachte deze bevestigingsbrief valselijk in strijd met de waarheid heeft opgemaakt dan wel hiervan gebruik heeft gemaakt, zodat de verdachte van het eerste en tweede cumulatief/alternatief onder b. ten laste gelegde partieel dient te worden vrijgesproken.

Feiten en omstandigheden

Binnen het [Vennootschap 1] was één hoofd van dienst, de verdachte. Hij was eindverantwoordelijk voor het [Vennootschap 1] en als hoofd van de tak van dienst eindverantwoordelijk voor het jaarverslag910, [getuige 7] was zijn plaatsvervanger11. Hij heeft verklaard dat het doel van het jaarverslag was om verantwoording af te leggen aan het gemeentebestuur. In het vertrouwelijk deel staan verder de verstrekte leningen en de risicoparagraaf vermeld12. De jaarverslagen werden opgesteld door [getuige 8]; vervolgens besluit de directeur dat dit het jaarverslag is, aldus diezelfde [getuige 8]. Volgens de Algemene beheersverordening, artikel 22, lid 2, biedt het hoofd van dienst Burgemeester en Wethouders (hierna: B&W) een gedateerd en ondertekend jaarverslag aan. De jaarverslagen worden ten behoeve van het gemeentebestuur, waaronder B&W opgemaakt13.

Bevestigingsbrieven hebben als doel: de directie wijzen op haar verantwoordelijkheid voor het opstellen van de jaarrekening. Het gaat bij deze brieven om zaken die niet uit de administratie blijken14.

Bij brief van 27 februari 2003, ondertekend te Rotterdam op 26 februari 2003, heeft de verdachte als Algemeen Directeur, namens het [Vennootschap 1] aan de Accountantsdienst Rotterdam (hierna: ADR), in de persoon van de heer drs. [getuige 8] RA, geschreven:15

“In verband met uw controle van onze jaarrekening over 2002 bevestigen wij hierbij, dat bij het opmaken van deze jaarrekening rekening is gehouden met alle mij bekende feiten om [sic] omstandigheden die van belang zijn voor het inzicht dat de jaarrekening beoogt te geven.

Dit houdt in dat in de jaarrekening 2002:

- alle activa, alsmede alle rechten die voor activering in aanmerking komen, met juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij, zijn opgenomen;

- alle ons bekende voorwaardelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen, ten behoeve van derden gegeven zekerheden en aangegane verbintenissen om activa niet te bezwaren, met de juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij zijn opgenomen;

- voor alle ons bekende risico’s (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld;

- eventuele gebeurtenissen na balansdatum welke van invloed zijn op de waardering van activa en passiva toereikend zijn opgenomen.

Voorts zijn aan de ADR alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en regelgeving verstrekt, waarbij bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden.”

Op 28 februari 2003 heeft de verdachte de jaarrekening over de periode 31 december 2002 - 31 december 2001 (‘Balans Gemeentelijk’) ondertekend.16 In de accountantsverklaring, ondertekend door accountant [getuige 10] RA en de directeur van de Accountantsdienst Rotterdam [getuige 9] RA (verder ook: [getuige 9])17, behorende bij de jaarrekening over het jaar 2002, van 28 februari 2003 staat vermeld dat de ondergetekenden van oordeel zijn dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2002 en van de baten en lasten over 2002 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit compatibiliteitsvoorschriften 1995.

Op 27 februari 2004 heeft de verdachte de jaarrekening over de periode 31 december 2003 – 31 december 2002 (‘Balans Gemeentelijk’) ondertekend18. In de accountantsverklaring, ondertekend door accountant [getuige 10] RA (verder ook: [getuige 10]) en de directeur van de Accountantsdienst Rotterdam [getuige 9] RA19, behorende bij de jaarrekening van 28 februari 2003 staat vermeld dat de ondergetekenden van oordeel zijn dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2003 en van de baten en lasten over 2002 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit compatibiliteitsvoorschriften 1995.

Beide accountantsverklaringen houden in dat de jaarrekening is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de directie van het [Vennootschap 1].

De jaarverslagen zijn opgesteld ten kantore te Rotterdam20.

De bevestigingsbrief over de jaarrekening 2002, waarvan de accountantsverklaring is gedateerd 28 februari 2003, is kennelijk verzonden op 27 februari 2003, en – gezien de bovenste stempel – is op 3 maart 2003 binnengekomen op het kantoor van ADR21.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte erkend dat hij de raamovereenkomst en de garanties niet gemeld heeft in de bevestigingsbrief van 26/27 februari 2003, noch in de jaarrekening en de jaarverslagen gedateerd 28 februari 2003 en 27 februari 200422. Voorts heeft hij verklaard dat “er al een tijdje een lampje bij hem brandde”. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij de (raam)overeenkomst d.d. 28 december 2002 en de door hem namens het [vennootschap 1] gedurende 2002 en 2003 afgegeven garanties niet heeft gemeld aan de ADR, niet mondeling, niet middels de brief d.d. 27 februari 2003, noch op enig andere wijze23.

Zowel [getuige 11]24, registeraccountant van de ADR, [getuige 9]252627 voornoemd als [getuige 10]2829 voornoemd, zijn van mening dat de onderhavige garanties hadden moeten worden opgenomen in het jaarverslag als niet uit de balans blijkende verplichtingen.

Beoordeling

Voornoemde bevestigingsbrief en de jaarrekeningen en jaarverslagen zijn geschriften die tot bewijs dienen en van betekenis zijn voor het controleren van rechtshandelingen van het [Vennootschap 1] die niet uit de administratie blijken, respectievelijk voor het afleggen van verantwoording aan het gemeentebestuur. Met dat oogmerk heeft de verdachte de certificaten ook afgegeven.

Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie het niet vermelden van relevante informatie ook valsheid in geschrift kan opleveren (vgl. HR 10 juni 1975, NJ 1975, 461). Het is genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte melding had moeten maken van het bestaan van de raamovereenkomst d.d. 28 december 2002 in de jaarverslagen van 2002 en 2003. Door het niet melden van deze overeenkomst, heeft de verdachte in strijd met de waarheid en dus vals, verklaard dat voor alle bekende risico’s (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld. Op grond van deze bevestiging is er derhalve op valse gronden een jaarrekening, onderdeel van het jaarverslag, over de jaren 2002 en 2003 afgegeven.

De verdediging heeft betoogd dat van valsheid geen sprake is, omdat de afgegeven garanties niet in de jaarrekening of het jaarverslag hoefden te worden opgenomen. Zij waren immers niet materieel, aldus de verdediging. Zij heeft in dit kader de verklaring van getuige [getuige 10] aangehaald.

Het hof stelt vast dat [getuige 9] heeft verklaard dat pas wanneer risico’s materieel zijn, deze moeten worden opgenomen in de risicoparagraaf. Niettemin verklaart [getuige 9] nadat hem de raamovereenkomst d.d. 28 december 2002 D/3 is getoond, dat hij hiervan niet op de hoogte is en dat bij nalezing hiervan deze overeenkomst had moeten worden opgenomen in de niet uit de balans blijkende verplichtingen. Wat ook zij van de gelaagde mening van getuige [getuige 9], het hof is met de getuigen [getuige 10] en [getuige 11] van oordeel dat de risico’s voortvloeiende uit de raamovereenkomst en de daarop gebaseerde garanties van dien aard waren dat zij in de jaarrekening en het jaarverslag behoorden te zijn opgenomen als niet uit de balans blijkende verplichtingen. Dat zij in hun hoedanigheid van garanties niet materieel waren tot het moment dat daarop door de betreffende financiers een beroep zou worden gedaan is een welhaast naïeve miskenning van de met dergelijke garanties samenhangende risico’s voor [vennootschap 1].

Opzet

Ook de verdachte heeft geweten dat die risico’s substantieel waren, maar heeft ze desondanks niet gemeld. Hij heeft hierover ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat op enig moment toen de Fennek niet doorging en [Vennootschap 3] failliet ging, hem duidelijk werd dat het aflossen van de leningen buitengewoon lastig werd. Hij verklaarde:

“Ik dacht dat het toen nog te redden was en heb de garanties voor mijzelf gehouden. Natuurlijk brandde het lampje bij mij al een tijdje”.30

Ofschoon de verdachte niet heeft gespecificeerd wat hij bedoelde met “een tijdje”, wordt uit diens verklaring duidelijk dat hij heeft geweten dat het in de risicoparagraaf niet noemen van met de garanties samenhangende risico’s opmerkelijk was. Hij heeft daarover verklaard:

“Het beleid was erop gericht de afdracht in stand te houden. De risicoparagraaf van [vennootschap 1] was niet de meest ontwikkelde paragraaf, de risico’s werden beperkt weergegeven. Dan kun je namelijk nooit de balans opmaken, die afdracht indachtig. De risico’s waren aanmerkelijk, maar daar troffen we geen voorzieningen voor. Dat bespraken we, ook met de wethouder. Werden alle risico’s uitgebreid genoemd in de tak van dienst? Nee. Ook ik vind dit een opmerkelijke gang van zaken.”31

Ondanks dit bewustzijn en ondanks dat hij het zelf opmerkelijk vond, heeft de verdachte als hoofdverantwoordelijke er vanaf gezien genoemde risico’s op te nemen in de jaarrekening of het jaarverslag. Naar het oordeel van het hof is daarmee het opzet gegeven.

De verdediging heeft in dit kader betoogd dat de verdachte mocht vertrouwen op [getuige 8]. Zij gaat er evenwel vanuit dat [getuige 8] op de hoogte was van de afgifte door de verdachte van garanties en de raamovereenkomst. Dat is door [getuige 8] ontkend. Hij heeft verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de afgegeven garanties en raamovereenkomst en dat indien hij het had geweten deze gemeld hadden moeten worden32.

8.3

Feit 6

Tenlastelegging

De verdachte wordt onder 6 – kort samengevat - verweten, dat hij zich in de periode van 1 februari 2001 tot en met 30 augustus 2004 heeft laten omkopen, door het aannemen van giften, dan wel beloften of diensten, van medeverdachte [Medeverdachte 1], dan wel (mede) van vennootschappen van [Medeverdachte 1], teneinde (al dan niet in strijd met zijn plicht) iets te doen of na te laten.

Rechtsopvatting

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de ten laste gelegde passieve ambtelijke omkoping als bedoeld in de artikelen 362 en 363 van het Wetboek van Strafrecht, dient wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden dat de ambtenaar, op het moment dat hij een gift (dan wel een belofte of dienst) aanneemt, weet of redelijkerwijs vermoedt dat die gift hem is gedaan om hem te bewegen in de toekomst iets te doen of na te laten, of omdat hij in het verleden iets heeft gedaan of nagelaten. Het met die giften beoogde handelen of nalaten hoeft na het aannemen van giften door de ambtenaar niet daadwerkelijk te zijn gevolgd. De ambtenaar moet weten of redelijkerwijs vermoeden dat de gift de strekking heeft of had om hem te bewegen tot een bepaalde ambtshandeling. Het ambt van de ambtenaar moet hem tot die ambtshandeling in staat stellen.

In artikel 362 Sr gaat het om het aannemen van giften, beloften of diensten die verband houden met een geoorloofde tegenprestatie van de ambtenaar. Artikel 363 Sr stelt strafbaar de ambtenaar die moet weten of vermoeden dat de door de omkoper beoogde tegenprestatie op zichzelf ongeoorloofd is.

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich – verkort en zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat het gebruik van het appartement in Antwerpen en de betalingen aan de verdachte in maart 2001 en januari en november 2002, kunnen worden aangemerkt als giften. Onder invloed van deze giften heeft de verdachte aan medeverdachte [Medeverdachte 1] een voorkeursbehandeling gegeven en specifieke onzakelijke prestaties voor [Medeverdachte 1] en [Vennootschap 3] verricht. Bewezen kan worden dat de verdachte de genoemde giften heeft aangenomen, terwijl hij wist of minst genomen redelijkerwijs moest vermoeden, dat deze hem werden gedaan om hem te bewegen, in strijd met zijn plicht, in zijn ambtelijke bediening iets te doen of na te laten.

Het Openbaar Ministerie concludeert dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (passieve) omkoping als bedoeld in artikel 363 Sr.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich – verkort en zakelijk weergegeven - primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van giften aan de verdachte, gedaan in relatie tot zijn bediening als ambtenaar. De verdediging kwalificeert het gebruik van het appartement als een vriendendienst met een privékarakter. De betalingen voor een totaalbedrag van (afgerond) 1,2 miljoen euro zijn geen gift voor de verdachte, maar betalingen voor [getuige 16].

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist of redelijkerwijs vermoedde dat – voor zover als zodanig te kwalificeren - de gift bestaande uit het appartement in Antwerpen hem werd gedaan met betrekking tot zijn bediening als ambtenaar.

Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen tegenprestaties heeft verricht. Niet bewezen kan worden dat [Vennootschap 3] een voorkeursbehandeling heeft genoten; de garanties en raamovereenkomst(en) zijn afgegeven teneinde op rationele en zorgvuldige wijze de belangen van de Rotterdamse haven te dienen. Daarnaast is ten aanzien van de raamovereenkomsten afgesproken dat iedereen die daarover geïnformeerd moest worden, daarover ook geïnformeerd mocht worden.

Ten slotte heeft de verdediging zich meest subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte niet in strijd met zijn plicht heeft gehandeld. Van handelen van de verdachte dat op zichzelf onrechtmatig is, is geen sprake geweest en artikel 50 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is door de verdachte niet overtreden.

Op al deze gronden heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van het hem onder 6 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het appartement

 Op 30 april 1999 heeft [mevrouw 1], namens en voor rekening van de besloten vennootschap [vennootschap 10], een appartement gekocht aan de [appartement] (hierna: het appartement). De koopprijs bedroeg BEF tien miljoen zevenhonderdvijftigduizend BEF (omgerekend

€ 266.485,54)33;

 [ [mevrouw 1] (hierna: [mevrouw 1]) was destijds de partner van de verdachte34;

 in het voorlopig koopcontract van het appartement, opgemaakt op 19 februari 1999, is [mevrouw 1] als koper van het appartement vermeld. Zij heeft het contract ook ondertekend35;

 enig aandeelhouder van [Vennootschap 10] is, sinds de oprichting van de vennootschap in juli 1986, de medeverdachte [Medeverdachte 1], met een korte onderbreking tussen mei en november 1995.

Tevens is [Medeverdachte 1] sinds de oprichting van de vennootschap enig bestuurder en directeur hiervan, tot 6 september 200436;

 de heer [getuige 12] (hierna: [getuige 12]), zijnde de (aankopend) makelaar van [Vennootschap 10], heeft verklaard dat begin 1999 het eerste contact over de aankoop van het appartement met de verdachte plaatshad. Bij de vervolgcontacten was [mevrouw 1] meestal ook aanwezig. Zij nam samen met de verdachte de beslissingen. Medeverdachte [Medeverdachte 1] is nooit bij een gesprek aanwezig geweest. De verdachte zou het appartement samen met [mevrouw 1] gebruiken als pied à terre. Dat [Medeverdachte 1] het appartement ook als pied à terre zou gaan gebruiken is nooit ter sprake gekomen. Met uitzondering van een eventueel telefonisch contact over de gegevens van de kopende partij, heeft [Medeverdachte 1] geen betrokkenheid gehad bij de aankoop van het appartement.

De makelaar kan zich herinneren dat de verdachte graag kookte en daarom een goede keuken belangrijk vond. Dat is de reden geweest dat de verdachte de keuken zelf heeft uitgekozen, buiten de projectontwikkelaar om37;

 de factuur voor de keuken is gericht aan [Vennootschap 10].38 Uit een tweetal faxberichten van de verdachte aan [getuige 4], de secretaresse van [Medeverdachte 1]39, blijkt dat de verdachte actief betrokken was bij afspraken over het plaatsen en de betaling van de keuken40;

 de heer [getuige 13], architect, heeft verklaard dat [verdachte] en [mevrouw 1] na de aankoop van het appartement opdracht hebben gegeven voor de inrichting ervan. [mevrouw 1] was zijn contactpersoon. De besprekingen gingen voornamelijk over de inrichting en over de planning van de uitvoering. De vraag was iedere keer wanneer het appartement af zou zijn. In het najaar van 1999 is contact geweest over de afwerking en de materialen, zoals de vloer, tegels, verlichting en het uitkiezen van het sanitair. Deze gesprekken vonden allemaal plaats met [mevrouw 1]. De contacten over de afwerking van het appartement (waaronder ook betreffende deuren, hang- en sluitwerk, kleurkeuze verf, stucwerk, keuze kranen) vonden ook steeds met [mevrouw 1] plaats. In juni 2000 werden de meubels in het appartement geplaatst en was [mevrouw 1] de toezichthoudende persoon.

De architect kan zich verder nog herinneren dat na de oplevering, ergens in juli 2000, de verdachte speciaal vanuit Rotterdam naar Antwerpen was gekomen met de vraag om aan de achterkant van het appartement een speciaal volledig dicht donker gordijn te plaatsen, zodat hij beter zou kunnen slapen.

De architect heeft medeverdachte [Medeverdachte 1] nooit gezien. [Medeverdachte 1] was geen contactpersoon van hem.

[mevrouw 1] heeft verteld dat de factuur op naam van [Vennootschap 10] opgemaakt moest worden41;

 uit een factuur d.d. 26 oktober 2000 van [vennootschap 48]), gericht aan [mevrouw 1], blijkt dat [mevrouw 1] eveneens betrokken was bij de aanschaf van douchedeuren voor het appartement.42 Op 2 november 2000 is van een bankrekening van [Vennootschap 10] het factuurbedrag van BEF 45.881 (NLG 2.506,41) overgeboekt naar een rekening op naam van [vennootschap 48]43;

 kosten voor verlichting en meubilair in het appartement zijn eveneens door [vennootschap 10] voldaan44;

 de syndicus van het [appartementgebouw], de heer [getuige 14], zijnde de vertegenwoordiger van de Vereniging van Eigenaars (VVE), heeft verklaard dat de verdachte zijn contactpersoon voor het appartement was. Hij heeft alleen de verdachte en [mevrouw 1] in relatie tot het appartement gezien. De verdachte is volgens hem bij iedere algemene vergadering van de Vereniging van Eigenaars aanwezig geweest. Bij zijn weten werd er niet door andere personen gebruik gemaakt van het appartement. Wanneer hem een tweetal foto’s van medeverdachte [Medeverdachte 1] worden getoond, verklaart de syndicus dat hij die persoon nog nooit heeft gezien45;

 de maandelijkse bijdragen aan de VVE voor de gemeenschappelijke onkosten van het appartementencomplex zijn in 2001 en 2002 voor rekening van [Vennootschap 10] gekomen, almede kosten voor gebruik van water en elektriciteit in 2001 en abonnementskosten voor kabelcommunicatie in 2001 en 200246;

 een medebewoonster van het appartementencomplex heeft verklaard dat zij de verdachte en [mevrouw 1] als de bewoners van het appartement kent. Wanneer haar een tweetal foto’s van medeverdachte [Medeverdachte 1] wordt getoond, verklaart ze die persoon nog nooit te hebben gezien. Zijn gezicht komt haar wel bekend voor, maar dan van televisie of uit de krant47;

 de makelaar, [getuige 12], heeft verklaard dat de verdachte hem een paar maanden voor de verkoop, in april 2002, heeft gebeld met de mededeling dat het appartement verkocht kon worden. Als reden gaf de verdachte op dat hij en [mevrouw 1] weinig in het appartement waren. Ze maakten er weinig gebruik van. De makelaar is vervolgens bij de verdachte langs gegaan om een prijsopgaaf te maken, waarna het appartement vrijwel direct daarna in de verkoop is gegaan. De verdachte was bij de verkoopactiviteiten de contactpersoon van de makelaar. Op 23 december 2002 is de verkoopakte bij de notaris verleden. Bij de verkoop van de woning is tevens een aantal roerende zaken mee verkocht (keuken met apparatuur, bureau en boekenkast). Dit is in onderling overleg tussen de verdachte en de koper bepaald.48

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij vanaf begin 2001 tot en met augustus 2002 in de weekenden in het appartement in Antwerpen heeft verbleven. Hij heeft er niet voor betaald. Wel betaalde hij het gas en licht en werd de poetsvrouw door hem betaald.49

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het zijn idee was om af en toe in de weekenden in het appartement te verblijven. [Medeverdachte 1] had hem gevraagd de bouw van het appartement te begeleiden. De verdachte heeft verklaard dat hij wel op de bouw van het complex wilde wachten. Hij heeft met [Medeverdachte 1] afgesproken dat hij, met zijn toenmalige partner, de inrichting zou regelen.50

Op 2 december 2005 heeft medeverdachte [Medeverdachte 1], tijdens zijn verhoor als getuige door de FIOD, eveneens verklaard dat de verdachte de kosten voor gas, water en licht betaalde en de werkster. Als reden hiervoor heeft [Medeverdachte 1] genoemd: “[verdachte] wilde persé deze kosten betalen omdat hij alle schijn van belangenverstrengeling wilde tegengaan.”51

Ten aanzien van de geldbedragen

- Op 10 februari 2000 heeft de verdachte een rekening geopend bij de [bank 7] te Zürich in Zwitserland52 en daarop een contant bedrag van 10.000 Zwitserse franken gestort53. Het nummer van de bankrekening is [nummer]; de rekening is niet voor derden kenbaar op naam gesteld54;

- Vanaf een bankrekening van [Vennootschap 11], een op Curaçao gevestigde vennootschap van medeverdachte [Medeverdachte 1], is drie maal een bedrag overgeboekt naar genoemde rekening bij [bank 7], te weten:

- op 16 maart 2001 een bedrag van (fl. 100.000,--, omgerekend:) € 45.359,5555;

- op 25 januari 2002 een bedrag van € 667.000,--56 en

- op 13 november 2002 een bedrag van € 500.000,--57.

In totaal levert dit een bedrag op van

€ 1.212.359,55;

  • -

    Bij geen van deze drie overboekingen is een omschrijving opgenomen op het overschrijvingsformulier of het rekeningafschrift van [bank 7];

  • -

    Vanaf de genoemde [Bank 7]-rekening zijn diverse bedragen afgeschreven. In de periode van 8 juni 2001 tot en met 31 maart 2004 is acht maal contant geld opgenomen, voor een totaalbedrag van € 164.613,41. Tevens zijn er in de periode van 16 juli 2001 tot en met 17 februari 2003 eenentwintig afboekingen via een creditkaart geweest, voor een totaalbedrag van

€ 28.069,11. Voorts hebben in de periode van 21 december 2001 tot 3 juni 2004 acht overboekingen naar andere rekeningen plaatsgevonden voor een totaalbedrag van (voor zover hier van belang) € 222.621,59.58 Ook vinden op de rekening diverse depositotransacties plaats. De renteopbrengsten daarvan bedragen € 49.027,67. Ten slotte is op 31 juli 2003 voor een bedrag van € 193.086,74 aandelen Koninklijke Olie gekocht, die weer zijn verkocht op 18 mei 2004; de opbrengst hiervan (koerswinst en dividend) bedraagt€ 9.754,60;59

- Nadat in opdracht van de verdachte op 26 mei 2004 en 1 juni 2004 bedragen van € 500.000,--60, respectievelijk (het dan resterende saldo van)

€ 517.520,-- (“transfer all the remaining money”) zonder omschrijving zijn overgemaakt van zijn rekening bij [Bank 7] naar een rekening van [getuige 16] bij de [bank 9] te Geneve, Zwitserland61, heeft de verdachte [bank 7] op laatstgenoemde datum tevens verzocht zijn rekening op te heffen en al het relevante materiaal te vernietigen: “Please destroy all relevant material and close my account.62 De rekening is per

6 juli 2004 opgeheven.63

Ten aanzien van de relatie tussen de verdachte en de medeverdachte [Medeverdachte 1].

Volgens medeverdachte [Medeverdachte 1] is de relatie tussen hem en het [Vennootschap 3]-concern enerzijds en de verdachte in zijn functie als directeur van het [vennootschap 2] anderzijds, in 1995 begonnen. [Medeverdachte 1] heeft daarover op 29 november 2005 als getuige bij de FIOD verklaard:

“Mijn contacten met [verdachte] zijn begonnen in 1995 met de verkoop van de terreinen van Wilton Fijenoord aan de Baris groep. Toen hadden we weer een probleem met de overheid, de overheid dreigde de deal te saboteren omdat die dachten dat er mogelijk een probleem zou zijn met grondvervuiling. Dat probleem heeft de heer [verdachte] toen opgelost door met [vennootschap 1] de garantie af te geven dat [vennootschap 1] verantwoording nam voor het oplossen van de grondvervuiling.

(…)

Dit was mijn eerste contact met [verdachte].

In de periode tussen 1995 en 2000 hebben we, dat wil zeggen [verdachte] en ik, een aantal projecten opgepakt, zoals de sanering van de Wilton haven. [Vennootschap 3] en het [vennootschap 2] hebben de sale and lease back gerealiseerd van het dok van [vennootschap 45] en daarna de verkoop van [vennootschap 45] zelf aan Keppel. Bij beiden is het [vennootschap 2], hoofdzakelijk in de persoon van [verdachte], instrumenteel geweest.”64

De ‘sale and lease back’ van het dok van [vennootschap 45] en de verkoop van [vennootschap 45] aan Keppel, hebben plaatsgevonden in de periode van 2000 tot 2002.65

Over de banden tussen het [concern] en de [gemeente] c.q. [vennootschap 2], heeft [Medeverdachte 1] tijdens het verhoor op 29 november 2005 verder verklaard:

“De [concern] was in groot Rotterdam een belangrijke kern van de maakindustrie. U vraagt me naar de relatie tussen [Vennootschap 3] en de [gemeente] cq [vennootschap 2]. [Vennootschap 3] had een nauwe samenwerking met de gemeente, de gemeente heeft veel gedaan om ons te ondersteunen.”66

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2015 verklaard dat hij [Medeverdachte 1] heeft leren kennen in de jaren 1994/1995. In 1998 kwam hij weer met [Medeverdachte 1] in contact en in 1999 heeft hij met [Medeverdachte 1] afgesproken dat hij een deel van de bouw van het appartement op zich zou nemen. Verder heeft de verdachte verklaard:

“Zakelijk was er tussen [Medeverdachte 1] en mij sinds 1999 alleen de lening voor [vennootschap 24].”67

Over deze lening heeft de heer [getuige 21] (hierna: [getuige 21]) op 13 mei 2013 bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. [getuige 21] was van 1994 tot 1998 wethouder Economische en Sociale Zaken en van 1998 tot 1 april 2001 wethouder Economische Zaken en Haven, steeds bij de [gemeente]. [getuige 21] heeft verklaard dat hij met de verdachte en een collega naar Amerika is gereisd. Aanleiding voor het bezoek was onder meer de Maasvlakte en het aantrekken van grote klanten. [getuige 21] herinnert zich [Medeverdachte 1] in Amerika te hebben ontmoet. Aanleiding voor die ontmoeting was dat bij de uitbreiding van de Maasvlakte de gedachte aan een helikopterfabriek was opgekomen. Daarmee verbonden was de politieke discussie over de beperking van het vrachtverkeer op Schiphol en elders in Nederland. De verdachte heeft tegen [getuige 21] gezegd dat het interessant zou zijn om te kijken of ze daar ook niet iets van diversificatie zouden kunnen maken.

[getuige 21] heeft bij het verhoor verder verklaard dat hij het voorstel voor de lening heeft verdedigd bij het College van Burgemeester en Wethouders68.

Tijdens de bespreking met PricewaterhouseCoopers op 16 september 2004, heeft de verdachte erkend dat hij, samen met [Medeverdachte 1], in Mesa, Arizona is geweest uit hoofde van de lening van het havenbedrijf ten behoeve van [vennootschap 24].69

De getuige [getuige 18] heeft verklaard dat de verdachte opdracht heeft gegeven aan [getuige 22] om de lening te verstrekken. Bij het aangaan van de lening is niet de formele procedure gevolgd. Voor de lening was toestemming nodig van het College van Burgemeester en Wethouders en van de Gemeenteraad. Die was er niet bij het aangaan van de lening. Later is dit alsnog geformaliseerd en is de vereiste toestemming verkregen.70

De beoordeling door het hof

Ten aanzien van het appartement

De verdachte was in de periode dat hij van het appartement gebruik heeft gemaakt, te weten van begin 2001 tot en met (uiterlijk) augustus 2002, ambtenaar, namelijk hoofd van de gemeentelijke tak van dienst [Vennootschap 1].71

Uit voormelde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte en zijn toenmalige partner het appartement volledig naar hun smaak en inzicht hebben kunnen uitrusten en inrichten. De kosten hiervan, alsmede de aankoopkosten van het appartement, zijn voor rekening gekomen van [Vennootschap 10], van welk bedrijf medeverdachte [Medeverdachte 1] enig aandeelhouder en directeur was. Op basis van voormelde feiten en omstandigheden is tevens aannemelijk dat de verdachte en zijn toenmalige partner een vrijwel exclusief gebruiksrecht van het appartement hadden. Voor het gebruik van het appartement heeft de verdachte geen huur betaald aan voornoemde vennootschap dan wel aan [Medeverdachte 1]. De verdachte en [Medeverdachte 1] hebben verklaard dat de verdachte de kosten voor gas en licht voor zijn rekening nam en de werkster betaalde. Zoals uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt, zijn de kosten voor het waterverbruik voor rekening van [Vennootschap 10] gekomen. Een reële vergoeding voor het gebruik van het appartement acht het hof de gestelde betalingen voor gas, licht en de werkster niet. Dat het gebruik van het appartement, vrijwel om niet, voor de verdachte waarde had, spreekt naar het oordeel van het hof voor zich. Daar komt bij dat het appartement volledig naar de wensen van hem en zijn toenmalige partner was uitgerust en ingericht. De omstandigheid dat de verdachte in Antwerpen redelijk anoniem met zijn nieuwe partner kon samenzijn, gaf het appartement voor hem eveneens toegevoegde waarde. De verdachte heeft daaromtrent verklaard dat hij een bekend figuur is in Rotterdam en dat hij zijn nieuwe relatie niet direct zichtbaar en in de krant wilde hebben.72

Aldus heeft de verdachte met het gebruik van het appartement naar het oordeel van het hof een gift aanvaard in de zin van artikel 362 dan wel artikel 363 Sr.

Ten aanzien van de geldbedragen

De verdachte was toen hij de geldbedragen ontving, te weten op 16 maart 2001, 25 januari 2002 en 13 november 2002, ambtenaar, namelijk hoofd van de gemeentelijke tak van dienst [Vennootschap 1].73

Ten aanzien van de vraag of het door [Vennootschap 11] (verder in dit verband ook: [Vennootschap 3]) naar de [bank 7]-rekening van de verdachte overgemaakte bedrag van totaal € 1.212.359,55 (verder te noemen: 1,2 miljoen euro) moet worden aangemerkt als een gift, in de hiervoor bedoelde zin, van medeverdachte [Medeverdachte 1] aan de verdachte, is zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep uitvoerig gedebatteerd. In dat debat stond de kwestie centraal of de hiervoor genoemde overboekingen in mei en juni 2004 door de verdachte van (€ 500.000,-- plus € 517.520,-- is totaal:) € 1.017.520,-- naar de rekening van [getuige 16] hun grondslag hadden in een tussen [Vennootschap 3], vertegenwoordigd door [Medeverdachte 1], enerzijds en [getuige 16], dan wel diens onderneming [vennootschap 42], anderzijds gesloten overeenkomst met als datum 15 januari 2002 (D/3153).

Het Openbaar Ministerie staat – kort samengevat – op het standpunt dat die overeenkomst (in het dossier veelal als ‘consultancy agreement’ aangeduid) geantedateerd is en ook overigens valselijk is opgemaakt. De overeenkomst zou onderdeel zijn van een schijnconstructie en pas achteraf, namelijk omstreeks juni 2004 zijn opgemaakt met de bedoeling om te verhullen dat het naar de Zwitserse bankrekening overgemaakte bedrag van 1,2 miljoen euro in werkelijkheid een gift van [Medeverdachte 1] aan de verdachte was. In het verlengde hiervan heeft het Openbaar Ministerie voorts gemotiveerd gesteld dat van het door de verdachte aan [getuige 16] betaalde bedrag van

€ 1.017.520,-- via omwegen uiteindelijk alsnog een bedrag van ten minste € 524.000,-- aantoonbaar aan de verdachte ten goede is gekomen.

De verdediging heeft deze stellingen van het Openbaar Ministerie met tal van argumenten betwist. De kern van die betwisting is dat de in de Egyptische marineleiding goed ingevoerde en invloedrijke Egyptenaar [getuige 16] bij uitstek de geschikte persoon was om te kunnen bewerkstelligen, althans faciliteren, dat [Vennootschap 3] door haar te produceren duikboten van de Zwaardvis-klasse zou kunnen verkopen aan de Egyptische overheid. Met het oog daarop heeft [Vennootschap 3] zich bij de ‘consultancy agreement’ jegens [getuige 16] als vergoeding voor zijn diensten verbonden tot betaling van (onder meer) een ‘non-refundable prepayment’ ter hoogte van € 1.200.000,--. Omdat [Medeverdachte 1] deze [getuige 16], een vriend en zakenrelatie van de verdachte, in 2002 nog niet goed kende, heeft hij met de verdachte afgesproken dat hij het bedrag van 1,2 miljoen euro tijdelijk op meergenoemde Zwitserse bankrekening van de verdachte zou storten, waarna deze, als de tijd daarvoor gekomen zou zijn, het bedrag in opdracht van [Medeverdachte 1] zou doorbetalen aan [getuige 16]. Aldus is geschied in mei/juni 2004.

De verdachte bestrijdt met klem dat uit dat doorbetaalde bedrag nadien enige betaling door [getuige 16] is gedaan die direct of indirect aan hem, verdachte, ten goede is gekomen.

De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen niet onaannemelijk te achten dat de door [Vennootschap 3] op de bankrekening van de verdachte gestorte bedragen voor [getuige 16] bestemd waren. Op grond daarvan heeft de rechtbank niet overtuigend bewezen geacht dat de verdachte door de ontvangst van die bedragen een gift heeft aangenomen en hem om die reden vrijgesproken van dat deel van de tenlastelegging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vast staat dat meergenoemd geldbedrag door [Vennootschap 3] aan de verdachte is overgemaakt. Het is evenwel niet aannemelijk geworden dat het bedrag van 1,2 miljoen euro niet voor de verdachte bestemd was. Een aantal omstandigheden is daarvoor van belang.

  • -

    De gang van zaken geschetst door de medeverdachte [Medeverdachte 1] is niet voor de hand liggend. Waarom per se via de verdachte – als havendirecteur daarvoor toch niet de eerst aangewezen persoon - aan [getuige 16] betaald moest worden (terwijl dit ook bijvoorbeeld via een derdenrekening, desnoods in het buitenland, had gekund) is niet aannemelijk geworden;

  • -

    uit de wijze waarop de overschrijvingen naar de verdachte zijn gedaan voor een bedrag van in totaal ruim € 1,2 miljoen – enige de overschrijving vergezellende omschrijving ontbreekt - blijkt niet van een betaling bestemd voor [getuige 16];

  • -

    de verdachte heeft het bestaan van de Zwitserse [bank 7]-rekening voor anderen geheim gehouden. Wel heeft hij [gemachtigde] gevraagd of die gemachtigde wilde worden voor zijn rekening in Zwitserland en hem op 7 oktober 2003 daadwerkelijk gemachtigd; hij heeft tegen [gemachtigde] gezegd dat niemand van deze rekening afwist, dat het geld op die rekening afkomstig was van door hem in zijn vorige functie ontvangen bonussen, bestemd om na zijn overlijden verdeeld te worden over zijn vriendin, zijn ex-vrouw en zijn familie bij een plotseling overlijden van hemzelf. Over [getuige 16] heeft de verdachte niet gerept. De machtiging en hetgeen de verdachte aan [gemachtigde] heeft verteld sporen niet met de door de verdediging geschetste gang van zaken; ook spoort hiermee niet het opheffen van de rekening (definitief in juli 2004);

  • -

    [getuige 4] – vele jaren de persoonlijk secretaresse en rechterhand van de medeverdachte [Medeverdachte 1] - was niet op de hoogte van de consultancy-overeenkomst; zij heeft de naam [getuige 16] pas in 2004 gehoord;

  • -

    onder meer op grond van bestandsgegevens van een digitale versie van de consultancy-overeenkomst, die is aangetroffen op de onder [getuige 4] in beslag genomen laptop, bestaan er sterke aanwijzingen dat de overeenkomst niet al op 15 januari 2002 doch in de periode van 27 mei 2004 tot 5 juni 2004 is opgemaakt;

  • -

    [Directeur vennootschat 14] (verder: [directeur vennootschap 14]), directeur van [Vennootschap 14] en in die hoedanigheid nauw betrokken bij pogingen om onderzeeërs aan Egypte te leveren, heeft nooit van [getuige 16] gehoord en kende uitsluitend [agent] als agent in Egypte; volgens [directeur vennootschap 14] was [agent] een heel invloedrijk man, die voor contacten op hoog niveau kon zorgen en hij had de indruk dat de verdachte erg gelukkig was met deze agent;

  • -

    de naam [getuige 16] komt in de periode 2002-2004 in de agenda van de medeverdachte [Medeverdachte 1] niet voor;

  • -

    in de administratie van [Vennootschap 3] Holding is geen exemplaar van de consultancy-agreement aangetroffen;

  • -

    door de verdachte, medeverdachte [Medeverdachte 1] en [getuige 16] zijn onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd over aspecten van de consultancy-agreement;

  • -

    de medeverdachte [Medeverdachte 1] heeft verklaard dat het terugtrekken van het Amerikaanse bedrijf [vennootschap 43] uit het consortium waarvan ook [Vennootschap 14] deel uitmaakte – in de tweede helft van 2001 – de aanleiding was om met [getuige 16] in zee te gaan. Volgens [getuige 16] was het terugtrekken van [vennootschap 43], welke gebeurtenis hij in 2003 plaatst, de aanleiding om te concluderen dat hij geen succes voor [Vennootschap 3] zou kunnen boeken en om tot beëindiging van de consultancy-agreement te komen;

  • -

    [getuige 16] heeft verklaard dat de medeverdachte [Medeverdachte 1] hem een vergoeding van € 1 miljoen zou betalen; de verdachte en [Medeverdachte 1] hebben verklaard dat er € 1,2 miljoen aan [getuige 16] moest worden betaald;

  • -

    de medeverdachte [Medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij, de verdachte en [getuige 16] samen een afspraak hebben gemaakt dat de vergoedingen voor [getuige 16] via de Zwitserse bankrekening van de verdachte zouden lopen; de verdachte heeft verklaard dat hij niet bij de besprekingen is geweest en dat hij niet weet wat [Medeverdachte 1] en [getuige 16] hebben afgesproken; [getuige 16] heeft niet verklaard over betalingen aan hem via een bankrekening van de verdachte; hij heeft verklaard dat hij in 2003 aan [Medeverdachte 1] heeft kenbaar gemaakt dat hij dacht geen succes te zullen hebben en dat zijn kosten op ongeveer € 1 miljoen zouden uitkomen; hij zou toen op verzoek van [Medeverdachte 1] een factuur aan [Vennootschap 3] Holding hebben verzonden, waarop in 2004 is uitbetaald;

  • -

    de betalingen van de verdachte aan [getuige 16] zijn in elk geval niet binnen de termijnen genoemd in de consultancy-agreement betaald, maar aanzienlijk later;

  • -

    uit de rekeningoverzichten en de geldstromen die via de [bank 7]-rekening van de verdachte zijn gelopen valt op te maken dat hij vrij heeft beschikt over de gelden op die rekening;

  • -

    niet aannemelijk is tenslotte geworden dat de medeverdachte [Medeverdachte 1] € 1,2 miljoen zou hebben betaald aan een derde, die geen enkel succes heeft geboekt voor zijn bedrijf en waarvan ook niet te verwachten viel dat dat in de toekomst nog het geval zou zijn.

Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden acht het hof de door de verdediging gegeven uitleg over de betalingen op de rekening van de verdachte niet aannemelijk geworden en moet het ervoor gehouden worden dat de gestelde consultancy-agreement met [getuige 16] in feite niet heeft bestaan. Deze overeenkomst is achteraf verzonnen en vastgelegd in een geantedateerd stuk, toen inmiddels ernstig rekening gehouden moest worden met het aan het licht komen van de financiële verbondenheid van het [Vennootschap 1]/[vennootschap 2] met de [Vennootschap 3]-groep die in de loop van de voorgaande jaren was ontstaan. De rekening is opgeheven en met een valse voorstelling van zaken is getracht alsnog een dekking te creëren voor de betalingen op die rekening die in 2001 en 2002 hadden plaatsgevonden.

Of uit het door de verdachte aan [getuige 16] betaalde totaalbedrag nadien enige betaling door [getuige 16] is gedaan die direct of indirect aan de verdachte ten goede is gekomen, is – gelet op hetgeen hierboven is overwogen - niet relevant. Het hof zal het verweer op dat punt onbesproken laten.

Het hof verwerpt het verweer. De door de verdachte verrichte stortingen op de Zwitserse bankrekening van [verdachte] moeten worden aangemerkt als giften voor een bedrag van in totaal € 1,2 miljoen.

In dit oordeel ligt besloten dat er geen noodzaak is voor toewijzing van het verzoek van de raadsman tot voeging bij de processtukken van de correspondentie uit februari 2015 tussen hem en [getuige 17], noch van het subsidiaire verzoek tot het horen van [getuige 17] als getuige. Het hof wijst die verzoeken af.

Ten aanzien van het al dan niet beoogd zijn van een tegenprestatie

Vervolgens is de vraag aan de orde of de verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoedden dat de giften hem werden gedaan met het oog op een tegenprestatie.

Van belang in dit verband is dat er vanaf 1995 reeds zakelijke contacten tussen de verdachte, als hoofd van de gemeentelijke tak van dienst [Vennootschap 1], en (het [Vennootschap 3]-concern van) medeverdachte [Medeverdachte 1] bestonden. Die contacten hebben zich tussen 1995 en 2000 verder ontwikkeld. [Medeverdachte 1] heeft verklaard dat het [vennootschap 2], hoofdzakelijk in de persoon van de verdachte, bij de in die periode gerealiseerde projecten instrumenteel is geweest. In 1999 heeft de verdachte voorts een regisserende rol gespeeld bij de totstandkoming van een lening van het [Vennootschap 1] aan [vennootschap 24]van [Medeverdachte 1], in het kader van de ontwikkeling van de Tweede Maasvlakte. Het hof acht op grond hiervan aannemelijk geworden dat de verdachte vanwege zijn functie en invloed in de Rotterdamse haven voor [Medeverdachte 1] zeer belangrijk was. Voor de verdachte was [Medeverdachte 1] een voorzienbaar speler in de haven van Rotterdam. Aannemelijk was dat de verdachte en [Medeverdachte 1] in de toekomst op zakelijk gebied nog meer met elkaar te maken zouden krijgen, gelet ook op de nauwe samenwerking met de gemeente, waarover [Medeverdachte 1] heeft verklaard.

De verklaring van de medeverdachte [Medeverdachte 1], inhoudende dat de verdachte per se de kosten voor gas en licht van het appartement en de werkster wilde betalen, “omdat hij alle schijn van belangenverstrengeling wilde tegengaan”, duidt erop dat de verdachte zich realiseerde dat zijn integriteit als hoofd van de gemeentelijke tak van dienst [Vennootschap 1] bij het gebruik van het appartement in het geding kon komen.

Dit betekent dat de verdachte vermoedde dat de gift bestaande uit het gebruik van het appartement hem werd gedaan teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten en in ieder geval zo door de buitenwereld gezien zou kunnen worden. Al zag hij het mogelijk zelf als een vriendendienst, hij vermoedde dat dit objectief bezien wel eens anders kon liggen.

Ook ten aanzien van het bedrag van 1,2 miljoen euro oordeelt het hof dat de verdachte wist of minst genomen vermoedde dat hem in privé de vrije beschikking over dat bedrag werd gelaten om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten. Reeds de omvang van het banksaldo en de geruime tijd waarin dit voor hem ter beschikking stond is daarvoor redengevend. Tevens is hierbij van betekenis dat het bedrag is gestort op zijn Zwitserse nummerrekening, ten aanzien waarvan de verdachte zich actief heeft ingespannen om zijn betrokkenheid bij die rekening niet prijs te geven, nadat de FIOD op het spoor was gekomen van de stortingen door [Vennootschap 3] op de rekening.

Ten aanzien van het causaal verband

De verdediging heeft zich (meer subsidiair) op het standpunt gesteld dat het [Vennootschap 3]-concern als gevolg van zijn ambitie om onderzeeboten aan Taiwan te leveren, de potentie had om de Rotterdamse haven grote schade toe te brengen. [vennootschap 1] zou die schade hebben voorkomen door, als compensatie voor het afzien door [Vennootschap 3] van levering van onderzeeboten aan Taiwan, een reeks aan garantieverplichtingen ten behoeve van [Vennootschap 3] op zich te nemen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij ervan overtuigd was en is dat in de ten laste gelegde periode een reële dreiging van China met een boycot jegens Nederland bestond, indien [Medeverdachte 1] zijn plannen voor levering van onderzeeboten aan Taiwan doorzette.

Niet is echter gebleken dat de verdachte indertijd zelf enig onderzoek heeft verricht naar het realiteitsgehalte van een boycot. Met name heeft hij niet onderzocht wat het realiteitsgehalte was van de plannen van [Medeverdachte 1]. Ook nadat de verdachte, volgens zijn eigen verklaring bij de FIOD eind november/begin december 2004 (het hof begrijpt: 2002), ermee bekend was geworden dat [Medeverdachte 1] van de centrale overheid geen compensatie zou verkrijgen, is niet gebleken dat hij heeft onderzocht waarom de overheid daarvan afzag. Klaarblijkelijk heeft hij die afwijzende beslissing van de centrale overheid eenvoudig naast zich neergelegd. Bovendien heeft de verdachte feitelijk een blanco cheque afgegeven, namelijk na te noemen raamovereenkomst voor een bedrag van minimaal 100 miljoen euro. Dit duidt erop dat de verdachte ten opzichte van de medeverdachte [Medeverdachte 1] en het [Vennootschap 3]-concern, een opmerkelijk onkritische houding heeft ingenomen.

Deze onkritische houding van de verdachte valt zonder het element van omkoping niet te begrijpen. De giften moeten de verdachte zodanig hebben beïnvloed, dat hij gaandeweg steeds gemakkelijker beslissingen nam ten voordele van [Medeverdachte 1] en het [Vennootschap 3]-concern. De nodige prudentie – waarvan bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel aannemelijk is dat hij die jegens andere partijen betrachtte – was in de besluitvorming ten aanzien van [Medeverdachte 1] en het [Vennootschap 3]-concern ver te zoeken. Hierin is het causaal verband gelegen tussen de giften enerzijds en het aangaan van na te noemen raamovereenkomsten op 28 december 2002 en de afgifte van de volgende garanties anderzijds. Omkoping kan immers een langdurig proces zijn van beïnvloeding en gewenning, waarbij het omslagpunt in het denken van de omgekochte niet precies is aan te wijzen, maar wel op enig moment – mogelijk jaren later - in gedragingen tot uiting kan komen. Voor een bewezenverklaring van omkoping is niet vereist dat de tegenprestatie (direct) op de gift is gevolgd.

In de periode van 20 september 2002 tot en met 9 juni 2004 heeft de verdachte namens het [Vennootschap 1], dan wel - vanaf 1 januari 2004 - het [Vennootschap 2], en daarmee als ambtenaar74, schriftelijke garanties afgegeven ten behoeve van de volgende leen- dan wel koopovereenkomsten, aangegaan door bedrijven behorende tot of gelieerd aan het [Vennootschap 3]-concern75:

 de garantie d.d. 20 september 2002 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [vennootschap 12] ten bedrage van € 3.500.000,-76;

 de garantie d.d. 18 oktober 2002 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [bank 3] ten bedrage van € 10.000.000,-77;

 de garantie d.d. 3 maart 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 4] ten bedrage van € 23.040.657,-78;

 de garantie uit mei 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 4] ten bedrage van € 23.012.510,-79;

 de garantie d.d. 13 juni 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 5] ten bedrage van € 12.500.000,-80;

 de garantie d.d. 13 juni 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 5] ten bedrage van € 12.500.000,-;81

 de garantie d.d. 12 september 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 2] ten bedrage van

€ 36.000.000,82;

 de garantie d.d. 5 november 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 1] ten bedrage van

€ 25.000.000,-83;

 de garantie d.d. 24 december 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 2] ten bedrage van

€ 16.000.000,-84;

 de garantie d.d. 2 maart 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [Bank 1] ten bedrage van

€ 7.200.000,-85;

 de garantie d.d. 2 maart 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [Bank 1] ten bedrage van

€ 6.400.000,-86;

 de garantie d.d. 29 april 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan de curatoren in het faillissement van [Vennootschap 15], onder wie [curator 2], ten bedrage van € 4.893.440,-87;

 de garantie d.d. 29 april 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan de curatoren in het faillissement van [Vennootschap 14], onder wie [curator 2], ten bedrage van € 621.830,-88;

 de garantie d.d. 10 mei 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [persoon 1] ten bedrage van € 2.500.000,-89;

 de garantie d.d. 10 mei 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [vennootschap 30] ten bedrage van

€ 2.500.000,-90;

 de garantie d.d. 10 mei 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [vennootschap 31] ten bedrage van

€ 2.500.000,-91;

 de garantie d.d. 4 juni 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Bank 1] ten bedrage van

€ 25.000.000,-;92

 de garantie d.d. 4 juni 2004 afgegeven door het [Vennootschap 2] aan [Bank 2] ten bedrage van € 19.000.000,-93;

 de garantie d.d. 9 juni 2004 afgegeven door het [Vennootschap] 2] aan de curatoren in het faillissement van [vennootschap] 15], onder wie [curator 2], ten bedrage van € 4.893.440,-94.

De verdachte en de medeverdachte [Medeverdachte 1] hebben voorts twee zogeheten raamovereenkomsten opgemaakt en ondertekend. De verdachte treedt daarbij op namens [vennootschap] 1] en de medeverdachte [Medeverdachte 1] namens [Vennootschap 11]. Bij deze overeenkomsten verbindt het [Vennootschap 1] zich om, ter compensatie van het in de overeenkomsten nader omschreven nadeel dat [Vennootschap 3] lijdt, zich jegens schuldeisers van (groepsmaatschappijen van) [Vennootschap 3] garant te stellen voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen, tot een bedrag van maximaal 20 miljoen euro95, respectievelijk minimaal 100 miljoen euro96. Beide overeenkomsten zijn gedateerd op 28 december 2002.

De bereidheid van de verdachte om de medeverdachte [Medeverdachte 1] en het [Vennootschap 3]-concern ter wille te zijn als hiervoor omschreven, kan niet anders worden gekwalificeerd dan als het bieden van een voorkeursbehandeling. Aldus heeft de verdachte naar het oordeel van het hof in strijd met zijn plicht als ambtenaar gehandeld, welke plicht onder meer inhoudt dat de ambtenaar integer handelt, neutraal te werk gaat en aan anderen geen persoonlijke voorkeurspositie toekent. Zodoende heeft de verdachte tevens gehandeld in strijd met artikel 50 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

De verdachte heeft erkend dat hij de [gemeente] en het [vennootschap 2] niet, althans niet volledig, heeft geïnformeerd over de afgifte van de garanties. Pas op 26 augustus 2004 tijdens een vergadering met de Raad van Commissarissen van het [vennootschap 2] heeft hij open kaart gespeeld.97

Conclusie

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte giften heeft aangenomen, redelijkerwijs vermoedende dat deze hem werden gedaan teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het misdrijf van artikel 363, eerste lid, Sr.

9 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/1410) 27 februari 2004 en/of

b)(D/1414) 2 maart 2004 en/of

c)(D/1427) 4 juni 2004,

althans in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 30 juni 2004 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meerdere certifica(a)t(en) en/of verklaring(en)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid –

a)(D/1410) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 27 februari 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift) en/of

b)(D/1414) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 2 maart 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift) en/of

c)(D/1427) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 4 juni 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor. However, the members of de supervisory board of the Guarantor are aware of, and have not voiced any objection against, the Guarantor entering into the Guarantee."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift)

zulks telkens met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/1410) 27 februari 2004 en/of

b)(D/1414) 2 maart 2004 en/of

c)(D/1427) 4 juni 2004,

althans in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 30 juni 2004, althans in 2003 en/of 2004 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt (van) en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd een of meerdere valse en/of vervalste certifica(a)t(en) en/of verklaring(en)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware(n) dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat dat/die certifica(a)t(en) en/of verklaring(en) is/zijn overgelegd bij en/of verstuurd aan

a)[advocatenkantoor 1] en/of [Bank 1] en/of [Vennootschap 5] en/of

b)[advocatenkantoor 1] en/of [Bank 1] en/of [Vennootschap 6] en/of

c)[advocatenkantoor 1] en/of [Bank 1] en/of [Vennootschap 4] en/of [Vennootschap 7]

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - (telkens) in strijd met de waarheid

- a)(D/1410) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 27 februari 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of

b)(D/1414) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 2 maart 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor."

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

en/of

c)(D/1427) in een certificaat en/of verklaring, gedateerd 4 juni 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

- dat hij (verdachte) geen (voorafgaande) toestemming en/of goedkeuring nodig had van de raad van commissarissen van het [Vennootschap 2] voor het aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of aangaan van en/of afgeven van (een) garantie(s) en/of

- de volgende passage (onder punt 5 van het certificaat): "5. Execution and delivery of the Guarantees does not require the approval of the supervisory board of the Guarantor. However, the members of de supervisory board of the Guarantor are aware of, and have not voiced any objections against the Guarantor entering into the Guarantee.

en/of

- de volgende passage (onder punt 6 van het certificaat):

6. the undersigned does not have any direct or indirect interest in providing the Guarantees, the transactions contemplated thereby or the activities and transactions which the Guarantees serve to enable, except only for such interests as may result from his employment by the Guarantor in relation to the benefits the Guarantor may derive from providing the Guarantees.

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/27 en/of D/45) 26 en/of 27 februari 2003 en/of b)(D/28 en/of D/46) 25 februari 2004 en/of

c)(D/29) 28 februari 2003 en/of

d)(D/30) 27 februari 2004,

althans in of omstreeks de periode van 26 februari 2003 tot en met 27 februari 2004, althans in 2003 en/of 2004 te Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) (een) bevestigingsbrie(f)/(ven) (en/of zogeheten "letter(s) of representation") en/of (een) jaarrekening(en) en/of (een) jaarverslag(en)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid –

a)(D/27 en/of D/45) in een bevestigingsbrief en/of letter of representation, gedateerd 27 februari 2003, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat bij het opmaken van de jaarrekening 2002 (van het [Vennootschap 1]) rekening is gehouden met alle bekende feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het inzicht dat een jaarrekening beoogt te geven en/of (inhoudende)

- dat alle activa, alsmede alle rechten die voor activering in aanmerking komen, met juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting, zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende voorwaardelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen, ten behoeve van derden gegeven zekerheden en aangegane verbintenissen om activa niet te bezwaren, met de juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende risico's (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld en/of

- dat eventuele gebeurtenissen na balansdatum, welke van invloed zijn op de waardering van activa en passiva toereikend zijn genomen en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift en/of

b)(D/28 en/of D/46) in een bevestigingsbrief en/of letter of representation, gedateerd 25 februari 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat bij het opmaken van de jaarrekening 2003 (van het [Vennootschap 1]) rekening is gehouden met alle bekende feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het inzicht dat een jaarrekening beoogt te geven en/of (inhoudende)

- dat alle activa, alsmede alle rechten die voor activering in aanmerking komen, met juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting, zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende voorwaardelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen, ten behoeve van derden gegeven zekerheden en aangegane verbintenissen om activa niet te bezwaren, met de juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende risico's (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld en/of

- dat eventuele gebeurtenissen na balansdatum, welke van invloed zijn op de waardering van activa en passiva toereikend zijn genomen en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden, en/of

c)(D/29) in een jaarrekening en/of jaarverslag, gedateerd 28 februari 2003, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat de jaarrekening (over het jaar 2002) een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2002 en van de baten en lasten over 2002 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift en/of

d)(D/30) in een jaarrekening en/of jaarverslag, gedateerd 27 februari 2004, opgenomen/ingevuld en/of doen en/of laten invullen/opnemen (- zakelijk weergegeven -)

- dat de jaarrekening (over het jaar 2003) een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2003 en van de baten en lasten over 2003 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden

en/of dat geschrift voorzien van een handtekening (zulks ter bevestiging van de inhoud van dat geschrift)

zulks telkens met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

zulks al dan niet terwijl hij bij het begaan van het/de genoemde feit(en), voor zover begaan vóór 1 januari 2004, gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken, immers handelde verdachte in zijn hoedanigheid van directeur van het [Vennootschap 1];

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks

a)(D/27 en/of D/45) 26 en/of 27 februari 2003 en/of 3 maart 2003 en/of

b)(D/28 en/of D/46) 25 februari 2004 en/of 1 maart 2004 en/of

c)(D/29) 28 februari 2003 en/of

d)(D/30) 27 februari 2004

althans in of omstreeks de periode van 26 februari 2003 tot en met 1 maart 2004, althans in 2003 en/of 2004 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt (van) en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd een of meer valse en/of vervalste bevestigingsbrie(f)/(ven) (en/of zogeheten "letter(s) of representation") en/of (een) jaarrekening(en) en/of (een) jaarverslag(en)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware(n) dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat die bevestigingsbrie(f)/(ven) (en/of zogeheten "letter(s) of representation") en/of (een) jaarrekening(en) en/of (een) jaarverslag(en) is/zijn overgelegd bij en/of verstuurd aan

a)de accountantsdienst Rotterdam (ADR) en/of de heer [getuige 9] en/of de heer [getuige 10] en/of

b)de accountantsdienst Rotterdam (ADR) en/of de heer [getuige 9] en/of de heer [getuige 19] en/of

c)de gemeenteraad en/of het college van Burgemeester en Wethouders van de [gemeente] en/of

d)de gemeenteraad en/of het college van Burgemeester en Wethouders van de [gemeente]

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - (telkens) in strijd met de waarheid

- a)(D/27 en/of D/45) in een bevestigingsbrief en/of letter of representation, gedateerd 27 februari 2003, stond vermeld en/of was opgenomen (- zakelijk weergegeven -)

- dat bij het opmaken van de jaarrekening 2002 (van het [Vennootschap 1]) rekening is gehouden met alle bekende feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het inzicht dat een jaarrekening beoogt te geven en/of (inhoudende)

- dat alle activa, alsmede alle rechten die voor activering in aanmerking komen, met juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting, zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende voorwaardelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen, ten behoeve van derden gegeven zekerheden en aangegane verbintenissen om activa niet te bezwaren, met de juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende risico's (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld en/of

- dat eventuele gebeurtenissen na balansdatum, welke van invloed zijn op de waardering van activa en passiva toereikend zijn genomen en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden en/of

b)(D/28 en/of D/46) in een bevestigingsbrief en/of letter of representation, gedateerd 25 februari 2004, stond vermeld en/of was opgenomen (- zakelijk weergegeven -)

- dat bij het opmaken van de jaarrekening 2002 (van het [Vennootschap 1]) rekening is gehouden met alle bekende feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het inzicht dat een jaarrekening beoogt te geven en/of (inhoudende)

- dat alle activa, alsmede alle rechten die voor activering in aanmerking komen, met juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting, zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende voorwaardelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen, ten behoeve van derden gegeven zekerheden en aangegane verbintenissen om activa niet te bezwaren, met de juiste omschrijving in de balans, respectievelijk de toelichting daarbij zijn opgenomen en/of

- dat alle bekende risico's (waaronder claims) voortvloeiend uit de bedrijfsvoering in de balans voldoende voorzieningen zijn getroffen of in de risicoparagraaf zijn vermeld en/of

- dat eventuele gebeurtenissen na balansdatum, welke van invloed zijn op de waardering van activa en passiva toereikend zijn genomen en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden en/of

c)(D/29) in een jaarrekening en/of jaarverslag, gedateerd 28 februari 2003, stond vermeld en/of was opgenomen

(- zakelijk weergegeven -)

- dat de jaarrekening (over het jaar 2002) een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2002 en van de baten en lasten over 2002 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 en/of

- dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden en/of

d)(D/30) in een jaarrekening en/of jaarverslag, gedateerd 27 februari 2004, stond vermeld en/of was opgenomen

(- zakelijk weergegeven -)

- dat de jaarrekening (over het jaar 2003) een getrouw beeld geeft van de financiële positie op 31 december 2003 en van de baten en lasten over 2003 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals deze zijn opgenomen in het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 en/of

– dat alle bekende werkelijke of mogelijke overtredingen van wet- en/of regelgeving aan de accountant (ADR) zijn verstrekt, waarmee bij de opstelling van de jaarrekening rekening moet worden gehouden;

zulks al dan niet terwijl hij bij het begaan van het/de genoemde feit(en), voor zover begaan vóór 1 januari 2004, gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken, immers handelde verdachte in zijn hoedanigheid van directeur van het [Vennootschap 1];

6.

hij,

in of omstreeks de periode van 01 februari 2001 tot en met 30 augustus 2004,

te Rotterdam, althans in Nederland,

en/of te Antwerpen althans in België,

en/of te Zürich althans in Zwitserland,

en/of te Curaçao, althans te Nederlandse Antillen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

als (voormalig) ambtenaar van de [gemeente] en/of als werknemer en directeur in dienst van [vennootschap 2]

één of meer gift(en) en/of belofte(n), en/of dienst(en) heeft aangenomen van [Medeverdachte 1] en/of de vennootschap [vennootschap 10] en/of de vennootschap [Vennootschap 11] , en/of andere vennootschappen van het [concern], welke gift(en) en/of belofte(n), en/of dienst(en) heeft/hebben bestaan in (onder meer),

- het gebruik van een aan die [Medeverdachte 1] en/of die vennootschap [vennootschap 10] toebehorend appartement, en de daar aanwezige inrichting en inventaris, [appartement], zulks om niet, althans tegen een (aanmerkelijk) lagere vergoeding dan in overeenstemming was met de waarde en/of staat van dat appartement, in elk geval een niet zakelijke vergoeding, en/of

- een geldbedrag van 45.359,55 euro aan hem, verdachte, op of omstreeks 16 maart 2001 betaald door of namens die vennootschap [Vennootschap 11], en/of door of namens [Medeverdachte 1], en/of

- een geldbedrag van 667.000,- euro aan hem, verdachte, op of omstreeks 25 januari 2002 betaald door of namens die vennootschap [Vennootschap 11], en/of door of namens [Medeverdachte 1], en/of

- een geldbedrag van 500.000,- euro aan hem, verdachte, op of omstreeks 13 november 2002 betaald door of namens die vennootschap [Vennootschap 11], en/of door of namens [Medeverdachte 1], en/of

wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze gift(en) en/of belofte(n), en/of dienst(en), hem, verdachte, gedaan en/of verleend en/of aangeboden werd(en) ten einde hem te bewegen om in zijn functie van diensthoofd van het [Vennootschap 1] en/of als directeur van het [vennootschap 2], al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, en/of

wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze gift(en) en/of belofte(n), en/of dienst(en), hem, verdachte, gedaan en/of verleend en/of aangeboden werd(en) ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn functie van diensthoofd van het [Vennootschap 1] en/of als directeur van het [vennootschap 2], al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening was gedaan of nagelaten, te weten (onder meer)

- het (al dan niet valselijk en/of onbevoegd) opmaken van een overeenkomst, gedateerd op 28 december 2002, waarbij het [Vennootschap 1] zich ten opzichte van schuldeisers van groepsmaatschappijen van [Vennootschap 11] garant stelde voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een minimum bedrag van 100.000.000,- euro (D3) en/of

- het (al dan niet valselijk en/of onbevoegd) opmaken van een overeenkomst, gedateerd op 28 december 2002, waarbij het [Vennootschap 1] zich ten opzichte van schuldeisers van groepsmaatschappijen van [Vennootschap 11] garant stelde voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een maximum bedrag van 20.000.000,- euro

(D 1234)

en/of

-het (onbevoegd) (doen of laten) opmaken en/of afgeven van één of meer garanties, te weten (onder meer)

-de garantie d.d. 20 september 2002 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [vennootschap 12] ten bedrage van 3.500.000,- euro (D-1604), en/of

- de garantie d.d. 18 oktober 2002 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [bank 3] NV ten bedrage van 10.000.000,- euro (D-1313), en/of

- de garantie d.d. 3 maart 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 4] ten bedrage van 23.040.657,- euro (D-1204), en/of

- de garantie mei 2003 aan [Bank 4] door het [Vennootschap 1] ten bedrage van 23.012.500,- euro (D-1205), en/of

- de garantie d.d. 13 juni 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 5] ten bedrage van 12.500.000,- euro (D-1101), en/of

- de garantie d.d.13 juni 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 5] ten bedrage van 12.500.000,- euro (D-1106), en/of

-de garantie d.d. 12 september 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 2] ten bedrage van 36.000.000,- euro (D-1701), en/of

-de garantie d.d. 5 november 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 1] ten bedrage van 25.000.000,- euro (D-1403), en/of

-de garantie d.d. 24 december 2003 afgegeven door het [Vennootschap 1] aan [Bank 2] ten bedrage van 16.000.000,- euro (D 1716);

- de garantie d.d. 2 maart 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [Bank 1]ten bedrage van 7.200.000,- euro ( D -1409) en/of

- de garantie d.d. 2 maart 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [Bank 1] ten bedrage van 6.400.000,- euro (D-1413), en/of

- de garantie d.d. 29 april 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [curator 2] ten bedrage van 4.893.440,- euro (D-1750), en/of

- de garantie d.d. 29 april 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [curator 2] ten bedrage van 621.830,- euro, en/of

-de garantie d.d. 10 mei 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [persoon 1] ten bedrage van 2.500.000,- euro (D-1850), en/of

-de garantie d.d.10 mei 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [vennootschap 30] ten bedrage van 2.500.000,- euro (D-1900), en/of

-de garantie d.d. 10 mei 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [vennootschap 31] ten bedrage van 2.500.000,- euro (D-1801), en/of

-de garantie d.d. 4 juni 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [bank 1] ten bedrage van 25.000.000,- euro (D-1426), en/of

-de garantie d.d. 4 juni 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [Bank 2] ten bedrage van 19.000.000,- euro (D-3002), en/of

-de garantie d.d. 9 juni 2004 afgegeven door het [vennootschap 2] aan [curator 2] ten bedrage van 4.893.440,- euro ( D 1751),

en/of

het (telkens) niet, althans niet volledig en naar behoren informeren van het College van Burgemeester en Wethouders van de [gemeente] en/of van de (externe en/of interne) accountant en/of de administratie en/of de juridische afdeling van de [gemeente] en/of van de Raad van Commissarissen van het [Vennootschap 2] en/of de administratie en/of de juridische afdeling van het [vennootschap 2] van het feit dat hij, verdachte, deze garanties zou afgeven en/of had afgegeven en/of

(aldus) – in strijd met in artikel 50, eerste lid, Algemeen Rijksambtenarenreglement voor ambtenaren opgenomen betamelijkheidsnorm - een voorkeursbehandeling heeft gegeven aan [Medeverdachte 1] en/of de venootschap [Vennootschap 10] en/of vennootschap [Vennootschap 11] en/of andere vennootschappen van het [concern].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

10 Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

11 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder feit 3 bewezen verklaarde levert op:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

en

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het onder feit 4 bewezen verklaarde levert op:

Valsheid in geschrift, als ambtenaar gepleegd, meermalen gepleegd

en

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het onder feit 6 bewezen verklaarde levert op:

Als ambtenaar een gift aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd.

12 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

13 Vordering van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben gevorderd – zo begrijpt het hof - dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de feiten

1, 2, 3, 4, 5 en 6 met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden. Daarnaast is gevorderd dat het hof de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

14 Strafmotivering

De op te leggen straffen zijn bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan de omkoping door medeverdachte [Medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] heeft de verdachte gebruik laten maken van een appartement in Antwerpen, zonder dat daar een wezenlijke tegenprestatie tegenover stond. Daarnaast heeft de verdachte op zijn Zwitserse bankrekening een bedrag van in totaal ongeveer 1,2 miljoen euro ontvangen van een aan [Medeverdachte 1] gelieerde onderneming. Op die manier is de verdachte – een ambtenaar of daaraan gelijk te stellen – ertoe bewogen in strijd met zijn plicht – kort samengevat – de aan [Medeverdachte 1] gelieerde vennootschappen op de manieren zoals bewezen verklaard te bevoordelen.

Daarnaast heeft de verdachte op de bewezenverklaarde wijze zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift ten aanzien van een aantal certificaten, jaarverslagen en andere in de bewezenverklaring opgenomen documenten.

Koning van de Rotterdamse haven, zo werd de verdachte tot medio 2004 nog wel eens genoemd. Als hoofd van de tak van dienst het [Vennootschap 1] en later als directeur van het [Vennootschap 2] had de verdachte vergaande invloed op het reilen en zeilen van de Rotterdamse haven. Hij was voorstander van maakindustrie en had naar eigen zeggen het belang van werkgelegenheid voor ogen. Voor de [gemeente] was [vennootschap] van groot belang. De jaarlijkse afdracht vormde een belangrijke pijler van de gemeentebegroting. De verdachte opereerde in een moeilijk speelveld van vrije markt en politieke belangen. Hij kreeg daarbij van gemeentewege veel vrijheid. Van die vrijheid heeft de verdachte misbruik gemaakt.

Kennelijk gedreven door de wens naar financieel gewin, heeft de verdachte de van hem te eisen integriteit – en daarmee zijn plicht – geschonden. Dat heeft velen geschokt, zowel in de Rotterdamse haven als daarbuiten. De verdachte stond op een voetstuk en is daar hard vanaf gevallen. Over de financiële gevolgen van de door de verdachte getekende garanties wordt ook nu nog geprocedeerd en bij wie uiteindelijk ook de civielrechtelijke aansprakelijkheid komt te liggen, duidelijk is dat de benadeling aanzienlijk zal zijn.

Bij de keuze voor de aan de verdachte op te leggen straf staat voorop, dat het hof hem van een aantal door het Openbaar Ministerie bewezen geachte feiten zal vrijspreken. Het zal daarom niet verbazen, dat reeds daarom de straf lager zal zijn dan gevorderd.

De verdachte ziet zich nog altijd met de gevolgen van zijn handelen geconfronteerd. Hij is destijds ontslagen en heeft nadien in Nederland geen werk meer gevonden. En al is hij de pensioengerechtigde leeftijd inmiddels gepasseerd, hij werkt nog om inkomen te genereren. Op zijn pensioenuitkeringen rust naar eigen zeggen door het Openbaar Ministerie gelegd conservatoir beslag. Met deze gevolgen houdt het hof rekening.

Dit betekent niet dat het handelen van de verdachte zonder gevolgen kan blijven. Het doel van strafoplegging is niet enkel leedtoevoeging of vergelding. Ook anderen dienen ervan te worden weerhouden dat zij zich aan vergelijkbare strafbare feiten schuldig maken. De voorheen prominente positie van de verdachte maakt daarnaast dat velen kennis hebben genomen van zijn handelen en zich wellicht hebben afgevraagd of de hoge heren zich nu werkelijk alles kunnen permitteren. In de keuze voor de hierna uit te spreken gevangenisstraf ligt het antwoord op die vraag besloten: nee.

Redelijke termijn

Niettegenstaande bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt het hof omtrent de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) het volgende vast.

Op 22 november 2005 is de verdachte voor de aanvang bij zijn verhoor bij de FIOD-ECD medegedeeld dat hij wordt verdacht van valsheid in geschrift zoals strafbaar gesteld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht en dat hij als verdachte in het strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot vermoedelijk gepleegde strafbare feiten in verband met afgegeven garanties namens het [Vennootschap 1] en Havenbedrijf Rotterdam N.V. zal worden gehoord. Bij deze gelegenheid is de verdachte voorts medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is. De verdachte is vervolgens nog meerdere malen als verdachte door de FIOD-ECD gehoord.

Vervolgens is de akte van uitreiking van de dagvaarding om ter (regie)zitting in eerste aanleg van 29 oktober 2008 te verschijnen op 7 oktober 2008 aan een schriftelijk gemachtigde uitgereikt. De inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg is op 6 september 2010 aangevangen en op 15 oktober 2010 is vonnis gewezen.

De officier van justitie en de raadsman hebben op

28 respectievelijk 29 oktober 2010 appel ingesteld. Op

22 december 2010 is het dossier ter griffie van het hof ontvangen.

Op 7 september 2011 is de verdachte gedagvaard om ter (regie)zitting in hoger beroep te verschijnen. Bij die gelegenheid heeft het hof bepaald dat de onderhavige zaak nog niet zittingsgereed was. Bij nadere terechtzitting van 25 september 2012 is, op verzoek van de verdediging, de zaak verwezen naar de rechter-commissaris om een groot aantal getuigen te horen. Bij nadere terechtzitting van

17 oktober 2014 is de zaak, op verzoek van de verdediging, verwezen naar de raadsheer-commissaris om wederom een groot aantal getuigen te horen. Op 17 maart 2015 is de inhoudelijke behandeling begonnen. Op 30 juni 2015 heeft dit hof uitspraak gedaan.

Naar het oordeel van het hof is op 22 november 2005 de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, aangevangen, nu de mededeling van het Openbaar Ministerie, - kort gezegd inhoudende -, dat de verdachte wordt verdacht van valsheid in geschrifte zoals strafbaar gesteld in artikel 225 Sr en dat hij als verdachte in het strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot vermoedelijk gepleegde strafbare feiten in verband met afgegeven garanties namens het [Vennootschap 1] en [vennootschap 2] zal worden gehoord, een handeling is waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld.

Het hof stelt vast dat vanaf de aanvang van de redelijke termijn op 22 november 2005 bijna 9,5 jaar is verstreken tot het heden wijzen van het arrest, 30 juni 2015. De duur van de onderhavige zaak is onder meer afhankelijk geweest van de complexiteit van de zaak, het op verzoek van de verdediging te verrichten onderzoek als ook het gelijktijdig berechten van de zaak met de medeverdachte. Niettegenstaande voornoemde feiten is naar het oordeel van het hof de redelijke termijn in de afzonderlijke fasen van de procedure als ook in het geheel overschreden. Het hof zal gelet op voornoemde overschrijding rekening houden door de overwogen gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen.

Daarnaast is de verdachte inmiddels op gevorderde leeftijd.

Wel ziet het hof aanleiding de verdachte naast voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf te veroordelen tot het betalen van een geldboete. Uiteindelijk zal de omkoping zijn ingegeven door de zucht naar financieel gewin. Daarbij past een financiële straf. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Het hof zal niet de gevorderde gevangenneming bevelen. De hierna uit te spreken gevangenisstraf laat voor een dergelijk bevel geen ruimte.

15 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 225 en 363 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

16 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding ter zake van feit 5 “en/of een of meer bank(en) en/of financiële instelling(en)”, nietig.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van

€ 75.000,-, (vijfenzeventigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. H.C. Wiersinga en mr. M.M. van der Nat, in bijzijn van de griffiers mr. M.Th.A. de Ridder en mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 juni 2015.

1 Tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering.

2 Een geschrift, te weten een certificate op 27 februari 2004 ondertekend te Rotterdam door [verdachte], D/1410.

3 Een geschrift, te weten een certificate op 2 maart 2004 ondertekend te Rotterdam door [verdachte], D/1414.

4 Een geschrift, te weten een certificate op 4 juni 2004 ondertekend te Rotterdam, door [verdachte], D/1427.

5 Een geschrift, te weten een akte van oprichting van [vennootschap 2]. statutair gevestigd te Rotterdam, d.d. 31 december 2003, D/25.

6 Een proces-verbaal van ambtshandeling, d.d. 16 oktober 2006, van de FIOD-ECD, met dossier nummer 34898, 1/AH/11, p.1 en 6.

7 Een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 september 2010, zoals opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting op p. 37.

8 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 september 2010, zoals opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting op p. 35.

9 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 6 september 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, G29/1, inhoudende de op 6 september 2005 afgelegde verklaring van [getuige 8], p. 2.

10 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 17 augustus 2005, van de FIOD-ECD, dossier nummer 34898, G24/1, inhoudende de op 17 augustus 2005 afgelegde verklaring van [getuige 9], p. 12.

11 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 19 december 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, V1-9, inhoudende de op 19 december 2005 afgelegde verklaring van [verdachte], p. 3.

12 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 6 september 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, G29/1, inhoudende de op 6 september 2005 afgelegde verklaring van [getuige 8], p. 2.

13 Proces-verbaal van verhoor d.d. 6 september 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, G29/1, inhoudende de op 6 september 2005 afgelegde verklaring van [getuige 8], p. 16.

14 Proces-verbaal van verhoor d.d. 22 augustus 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, G26/1, inhoudende de op 22 augustus 2005 afgelegde verklaring van [getuige 10], p. 20.

15 Een geschrift, te weten een brief, ondertekend te Rotterdam op 26 februari 2003 door [verdachte], Algemeen Directeur Havenbedrijf Rotterdam, gedateerd 27 feb. 2003, met als onderwerp Jaarrekening 2002, D/45.

16 Een geschrift, te weten het jaarverslag 2002, van het [Vennootschap 1], inhoudende Deel II Jaarrekening 2002, ondertekend te Rotterdam, op 28 februari 2003, de Algemeen Directeur, mr. [verdachte], p. 38, D/29.

17 Een geschrift, te weten het jaarverslag 2002, van het [Vennootschap 1], inhoudende een accountantsverklaring ondertekend en opgesteld door de accountant [getuige 10] RA en de directeur van de Accountantsdienst Rotterdam [getuige 9], d.d. 28 februari 2003, p. 62, D/29.

18 Een geschrift, te weten het jaarverslag 2003, van het [Vennootschap 1], inhoudende Deel II Jaarrekening 2003, ondertekend te Rotterdam, op 27 februari 2004, de Algemeen Directeur, mr. [verdachte], p. 40, D/30.

19 Een geschrift, te weten het jaarverslag 2003, van het [Vennootschap 1], inhoudende een accountantsverklaring ondertekend en opgesteld door de accountant [getuige 10] RA en de directeur van de Accountantsdienst Rotterdam [getuige 9], d.d. 27 februari 2004, p. 63, D/30.

20 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 6 september 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, G29/1, inhoudende de op 6 september 2005 afgelegde verklaring van [getuige 8], p. 16.

21 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 17 augustus 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, G24/1, inhoudende de op 17 augustus 2005 afgelegde verklaring van [getuige 9], p. 12 .

22 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 september 2010, zoals opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting op p. 37.

23 Proces-verbaal van verhoor, van de FIOD-ECD d.d. 19 december 2005, dossiernummer 34898, V1-9, inhoudende de op 19 december 2005 afgelegde verklaring van [verdachte], p. 6.

24 Proces-verbaal van verhoor, van de FIOD-ECD d.d. 3 augustus 2005, dossiernummer 34898, G25-1, inhoudende de op 3 augustus 2005 afgelegde verklaring van [getuige 11], p. 10.

25 Proces-verbaal van verhoor, van de FIOD-ECD d.d. 17 augustus 2005, dossiernummer 34898, G24-1, inhoudende de op 17 augustus 2005 afgelegde verklaring van [getuige 9], p. 6 en 7.

26 Proces-verbaal van verhoor, van de FIOD-ECD d.d. 17 augustus 2005, dossiernummer 34898, G24-1, inhoudende de op 17 augustus 2005 afgelegde verklaring van [getuige 9], p. 8 en 9.

27 Proces-verbaal van verhoor, van de FIOD-ECD, d.d. 17 augustus 2005, dossiernummer 34898, G24-1, inhoudende de op 17 augustus 2005 afgelegde verklaring van [getuige 9], p. 10.

28 Proces-verbaal van verhoor, van de FIOD-ECD, d.d. 22 augustus 2005, dossiernummer 34898, G26-1, inhoudende de op 22 augustus 2005 afgelegde verklaring van [getuige 10], p. 10.

29 Proces-verbaal van verhoor, van de FIOD-ECD, d.d. 22 augustus 2005, dossiernummer 34898, G26-1, inhoudende de op 22 augustus 2005 afgelegde verklaring van [getuige 10], p. 15.

30 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg, 14 september 2010, zoals opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting op p. 37

31 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg, 14 september 2010, zoals opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting op p. 38.

32 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 6 september 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, G29/1, inhoudende de op 6 september 2005 afgelegde verklaring van [getuige 8], p. 10 en 12.

33 Een geschrift, te weten een akte van aankoop d.d. 30 april 1999, dossiernummer 34898, D-6001 en een proces-verbaal van de FIOD-ECD d.d. 24 oktober 2008, dossiernummer 34 898, 1/AH/30, p. 11.

34 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2015, p. 10 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

35 Een geschrift, te weten een onderhandse verkoopovereenkomst d.d. 19 februari 1999, dossiernummer 34898, D-8014.

36 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 27 november 2006, dossiernummer 34898, D-4065.

37 Een geschrift, te weten een proces-verbaal van de federale gerechtelijke politie Antwerpen d.d. 15 januari 2009, dossiernummer 34898, G/50, p. 1 en 2.

38 Een geschrift, te weten een factuur van ‘Haus der Küchen’ Krüttgen, gericht aan [vennootschap 10], dossiernummer 34898, D-6018.

39 Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van de FIOD-ECD d.d. 24 november 2005, dossiernummer 34898, V1-2, p. 20.

40 Geschriften, te weten een faxbericht d.d. 8 juni 2000 aan [Vennootschap 15], ter attentie van [getuige 4], dossiernummer 34898, D-9 en een faxbericht d.d. 9 juni 2000 aan [Vennootschap 15], ter attentie van [getuige 4], dossiernummer 34898, D-10.

41 Een geschrift, te weten een proces-verbaal van de federale gerechtelijke politie Antwerpen d.d. 13 januari 2009, dossiernummer 34898, G/52, p. 1 tot en met 5.

42 Een geschrift, te weten een factuur van [vennootschap 48] d.d. 26 oktober 2000, dossiernummer 34898, D-6019.

43 Een geschrift, te weten een rekeningafschrift van de [bank 3a] d.d. 2 november 2000, op naam van [vennootschap 10], dossiernummer 34898, D-6020.

44 Geschriften, te weten een factuur d.d. 27 augustus 1999 van het bedrijf Koot, D-6012, een rekeningafschrift van de [bank 3a] d.d. 1 oktober 1999, D-6013, een brief van Deloitte Belastingadviseurs d.d. 19 februari 2004, gericht aan de Belastingdienst/Rijnmond kantoor Rotterdam, D-6014, p. 1, een factuur van Koot d.d. 15 maart 2000, gericht aan [vennootschap 10], D-6015, een rekeningafschrift van de [bank 3a] d.d. 5 april 2000, D-6016, en een onderzoeksrapport van de Belastingdienst Rijnmond/kantoor Rotterdam voor de vennootschapsbelasting over de jaren 1997 tot en met 2002 van [vennootschap 10], D-6005, p. 7 tot en met 9, alle dossiernummer 34898.

45 Een geschrift, te weten een proces-verbaal van de federale gerechtelijke politie Antwerpen d.d. 13 januari 2009, dossiernummer 34898, G/54, p. 2, 7 en 8.

46 Een proces-verbaal van ambtshandeling van de FIOD-ECD d.d. 24 oktober 2008, dossiernummer 34898, 1-AH-30, p. 24-26.

47 Een geschrift, te weten een proces-verbaal van de federale gerechtelijke politie Antwerpen d.d. 15 januari 2009, dossiernummer 34898, G/53, p. 1 en 2.

48 Een geschrift, te weten een proces-verbaal van de federale gerechtelijke politie Antwerpen d.d. 15 januari 2009, dossiernummer 34898, G/50, p. 4 tot en met 6.

49 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 september 2010, proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Rotterdam op 6, 7, 14, 16, 21 september en 5 oktober 2010, p. 5.

50 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2015, p. 10-11 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

51 Een proces-verbaal van verhoor van de FIOD-ECD d.d. 2 december 2005, dossiernummer 34 898, proces-verbaalcode G38/4, p. 15.

52 Een geschrift, te weten een formulier ‘Kontoeröffnung’ van de [bank 7], dossiernummer 34898, D-5500, met als bijlage een aantal formulieren (D-5502 t/m D-5508), alle ondertekend door de verdachte op 10 februari 2000.

53 Een geschrift, te weten transactieoverzichten rekening [nummer] vanaf 10 februari 2000 tot en met 30 juni 2004, dossiernummer 34898, D/5514, p. 1/8.

54 Een proces-verbaal van ambtshandeling, d.d. 4 augustus 2009, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, codenummer 1-AH-39, p. 6.

55 Een geschrift, te weten een rekeningafschrift d.d. 16 maart 2001 van [bank 7], dossiernummer 34898, D-5516.

56 Een geschrift, te weten een rekeningafschrift d.d. 25 januari 2002 van [bank 7], dossiernummer 34898, D-5522.

57 Een geschrift, te weten transactieoverzichten rekening [nummer] vanaf 10 februari 2000 tot en met 30 juni 2004, dossiernummer 34898, D/5514, p. 4/8 en andere geschriften, te weten een verzoek tot overboeking aan de [bank 8], d.d. 8 november 2002, D-5076, een als bijlage bij genoemd verzoek tot overboeking gevoegd rekeningafschrift [bank 8] van rekening [nummer 1] ten name van [vennootschap] 11 d.d. 13 november 2002 en een eveneens als bijlage bij genoemd verzoek tot overboeking gevoegd rekeningafschrift van [bank 8] van rekening 16117701 ten name van [Vennootschap 11] d.d. 19 november 2002, alle dossiernummer 34898.

58 Een proces-verbaal van ambtshandeling van de FIOD-ECD d.d. 2 december 2009, dossiernummer 34898, codenummer 1-AH-39A, p. 86, 89 en 90.

59 Een proces-verbaal van ambtshandeling van de FIOD d.d. 12 juli 2012, dossiernummer 34898, codenummer 1-AH-45, p. 49.

60 Een geschrift, te weten transactieoverzichten rekening [nummer] vanaf 10 februari 2000 tot en met 30 juni 2004, dossiernummer 34898, D/5514, p. 112 en geschriften, te weten een handgeschreven ongedateerde brief van de verdachte aan de heer [relatiemanager], D-5542, een proces-verbaal van ambtshandeling van de FIOD d.d. 12 juli 2012, codenummer 1-AH-47, waaruit blijkt dat de heer [relatiemanager] de relatiemanager was van [verdachte] en tevens CEO van [bank 7] en een faxbericht d.d. 1 juni 2004 van [verdachte] aan [relatiemanager], D-5544, alle dossiernummer 34898.

61 Een geschrift, te weten transactieoverzichten rekening [nummer] vanaf 10 februari 2000 tot en met 30 juni 2004, dossiernummer 34898, D/5514, p. 8/8, een proces-verbaal van ambtshandeling van de FIOD-ECD d.d. 2 december 2009, dossiernummer 34898, codenummer 1-AH-39A, p. 112, en een geschrift, te weten D-5544 voornoemd.

62 Een geschrift, te weten D-5544 voornoemd.

63 Een geschrift, te weten een brief d.d. 24 april 2008 van [advocaat Zwitserland] aan Juge d'instruction du Canton de [onderzoeksrechter Zwitserland], dossiernummer 34898, D-7005.

64 Een proces-verbaal van verhoor van de FIOD-ECD d.d. 29 november 2005, dossiernummer 34898, proces-verbaalcode G38/1, p. 2.

65 Een proces-verbaal van ambtshandeling van de FIOD-ECD d.d. 12 juli 2012, codenummer 1-AH-48.

66 Zie noot 64.

67 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2015, p. 9, 10 en 17 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

68 Het proces-verbaal van verhoor van getuige van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam d.d. 13 mei 2013, p. 2, 11 en 18.

69 Een geschrift, te weten een verslag van het interview d.d. 16 september 2004 met de verdachte, dossiernummer 34898, D/3061, p. 9.

70 Een proces-verbaal van verhoor van de FIOD-ECD d.d. 17 augustus 2005, dossiernummer 34898, proces-verbaalcode G27/1, p. 13.

71 Een proces-verbaal van ambtshandeling, d.d. 22 november 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, proces-verbaalcode 1/AH/1, p. 3.

72 Een proces-verbaal van verhoor van de FIOD-ECD d.d. 24 november 2005, dossiernummer 34898, proces-verbaalcode V1-2, p. 19.

73 Een proces-verbaal van ambtshandeling, d.d. 22 november 2005, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, proces-verbaalcode 1/AH/1, p. 3.

74 Een proces-verbaal van ambtshandeling, d.d. 24 oktober 2008, van de FIOD-ECD, dossiernummer 34898, 1-AH-30, p. 42 tot en met 55.

75 De documenten met D-nummers in de voetnoten 88 tot en met 107 betreffen steeds geschriften, afkomstig uit dossiernummer dossiernummer 34898.

76 D/1604 (garantieovereenkomst [Vennootschap 1] d.d. 20 september 2002).

77 D/1313 (garantie-overeenkomst [Vennootschap 1] d.d. 18 oktober 2002)

78 D/1203 (garantie [Vennootschap 1] d.d. 3 maart 2003)

79 D/1205 (garantie [Vennootschap 1] uit mei 2003)

80 D/1101 (garantie [Vennootschap 1] d.d. 13 juni 2003)

81 D/1106 (garantie [Vennootschap 1] d.d. 13 juni 2003)

82 D/1701 (guarantee [Vennootschap 1] d.d. 12 september 2003)

83 D/1403 (guarantee [Vennootschap 1] d.d. 5 november 2003)

84 D/1716 (guarantee [Vennootschap 1] d.d. 24 december 2003)

85 D/1409 (guarantee [vennootschap 2] d.d. 2 maart 2004)

86 D/1413 (guarantee [vennootschap 2] d.d. 2 maart 2004)

87 D/1750 (garantstelling [VENNOOTSCHAP 2] d.d. 29 april 2004)

88 D/1760 (garantstelling [VENNOOTSCHAP 2] d.d. 29 april 2004)

89 D/1850 (garantie-overeenkomst [Vennootschap 2] d.d. 10 mei 2004)

90 D/1900 (garantie-overeenkomst [Vennootschap 2] d.d. 10 mei 2004)

91 D/1801 (garantie-overeenkomst van [Vennootschap 2] d.d. 10 mei 2004)

92 D/1426 (guarantee [Vennootschap 2] d.d. 4 juni 2004)

93 D/3002 (guarantee [Vennootschap 2] d.d. 4 juni 2004)

94 D/1751 (garantstelling [Vennootschap 2] d.d. 9 juni 2004)

95 D/1234

96 D/3

97 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2015, p. 8, 9 en 12 van het proces-verbaal van die terechtzitting.