Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1750

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
200.122.237-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gasleveringsovereenkomst in verband met niet voldoen aan verzoek tot verstrekken van garantstelling of andere zekerheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.122.237/01

Zaaknummer rechtbank : 377632 / HA ZA 11-1058

arrest van 7 juli 2015

inzake

Hoge Weide B.V.,

gevestigd te Hoek van Holland,

appellante,

hierna te noemen: Hoge Weide,

advocaat: mr. L.J.L. Heukels te Haarlem,

tegen

Eneco Zakelijk B.V., voorheen Eneco Business B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Eneco,

advocaat: mr. J.J. Wittekamp te Delft.

Het geding

Bij exploot van 27 december 2012 is Hoge Weide in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, tussen partijen gewezen vonnis van 10 oktober 2012. Bij memorie van grieven met producties heeft Hoge Weide zestien grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft Eneco de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 2 juni 2015 de zaak doen bepleiten, Hoge Weide door mr. Heukels en Eneco door mr. Wittekamp, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ter gelegenheid van de pleitzitting heeft Hoge Weide nog vijf producties in het geding gebracht.

Het hof zal arrest wijzen op de kopiestukken die zijn overgelegd bij het vragen van pleidooi.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 10 oktober 2012 in rov. 3.1 tot en met 3.8 vastgestelde feiten zijn als zodanig niet in geschil, met dien verstande dat Hoge Weide in grief 1 met juistheid erover klaagt dat in r.o. 3.5 van het bestreden vonnis de brief van 29 oktober 2009 van Eneco niet geheel juist is geciteerd: daarin dient in plaats van ‘de huidige situatie’ te worden gelezen ‘de huidige markt’. Grief 2 klaagt erover dat de rechtbank in rov. 3.9 en 3.10 heeft gerefereerd aan een Hoge Weide onbekende brief van 11 januari 2010 van Eneco aan haar, van welke brief Hoge Weide evenwel, nadat Eneco deze in hoger beroep als productie 7 had overgelegd, niet (langer) betwist dat zij deze heeft ontvangen. Ook het hof zal uitgaan van deze feiten.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

Hoge Weide is een tuinbouwbedrijf. Eneco is leverancier van (onder meer) gas.

2.2

Op 28 oktober 2008 heeft Hoge Weide zich, door invulling van het “Formulier Prijzen & Parameters Individueel Klikken”, voor de jaren 2009 en 2010 verplicht tot afname van gas van Eneco tegen een vaste inkoopprijs. Ter bevestiging hiervan heeft Eneco op 29 oktober 2008 per faxbericht Hoge Weide als volgt geantwoord – aangehaald voor zover relevant:

“Via het ondertekende klikformulier heeft u AgroEnergy [opmerking hof: een inkooporganisatie van Eneco] en ENECO Energie opdracht gegeven een gasvolume voor u vast te leggen. Hierbij bevestigen wij dat voor u het onderstaand volume is ingekocht tegen de onderstaande prijs. (...)”

2.3

Eneco en Hoge Weide hebben op 12 december 2008 een overeenkomst gesloten ter zake van de levering van AgroBudgetGas voor de duur van één jaar, zoals in de overeenkomst als volgt is verwoord:

“De levering van gas uit hoofde van deze overeenkomst gaat in op 1-1-2009 om 6.00 uur en loopt tot en met 31-12-2009 plus de eerste zes uren (dus tot 6.00 uur) op de volgende kalenderdag en eindigt van rechtswege.”

Door de invulling van het in 2.2 bedoelde formulier is de overeenkomst voor het jaar 2010 verlengd, zoals blijkt uit de in de overeenkomst als volgt verwoorde mogelijkheid van verlenging:

“In aanvulling op het voorgaande wordt de leveringsovereenkomst automatisch verlengd bij deelname door Klant aan de Vaste Prijs Pool en/of deelname aan het Vaste Prijs Klikken en/of deelname aan het stellen limieten voor een vaste prijs. Deze verlenging geldt tot en met het kalenderjaar waarvoor een gasvolume door Klant is ingekocht. In geval van verlenging ontvangt Klant, gedurende de periode waarvoor de verlenging geldt, jaarlijks een nieuwe overeenkomst met een herziene bijlage 1 prijzen en parameterblad met hierop de geldende vergoedingen voor de levering van gas alsmede de prijzen en parameters voor het nieuwe leveringsjaar.”

2.4

Op de overeenkomst zijn de door Eneco gehanteerde “Algemene Leveringsvoorwaarden Gas Eneco Business B.V. voor uurbemeterde zakelijke afnemers waarbij geen sprake is van blokverwarming” (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Artikel 9, eerste lid, van de algemene voorwaarden luidt als volgt:

“EHB [opmerking hof: Eneco] kan indien het daartoe in redelijkheid termen aanwezig acht, van de klant naar diens keuze een bankgarantie of een waarborgsom verlangen tot zekerheid van betaling van de op grond van de Overeenkomst of deze voorwaarden verschuldigde bedragen.”

2.5

Eneco heeft Hoge Weide, ter attentie van de heer [A] (de directeur van Hoge

Weide), bij brief van 29 oktober 2009 als volgt bericht – aangehaald voor zover relevant:

“Uit kadasteronderzoek is gebleken dat het eigendom (onroerend goed) van de door u gecontracteerde locatie op een andere B.V., V.O.F. of natuurlijk persoon staat dan met wie wij een leveringsovereenkomst voor energie hebben. Dit is in de huidige markt een te groot financieel risico voor AgroEnergy/Eneco. Daarom vragen wij u een aanvullende zekerheid in de vorm van een garantstelling.

Om mogelijke financiële risico’s af te dekken wil AgroEnergy/Eneco alleen energieleveringscontracten aangaan met juridische entiteiten waarin de assets van de totale onderneming zijn ondergebracht. Wanneer het onroerend goed ondergebracht is in een andere entiteit dan waarmee het energiecontract wordt aangegaan maken wij een verbinding van de contractant naar de holding, B.V. of natuurlijk persoon waarin het onroerend goed is ondergebracht. Deze verbinding komt tot stand door middel van een garantstellingsovereenkomst tussen Eneco Business B.V. en de Holding of de B.V. of natuurlijk persoon. De Holding, B.V. of de eigenaar van het onroerend goed staat hiermee garant voor betaling van openstaande vorderingen in het geval dat de contractant niet kan betalen bijvoorbeeld in verband met surseance van betaling of faillissement. Uiteraard zal altijd eerst de verhaalbaarheid bij de contractant worden onderzocht.

Om in uw situatie deze verbinding te maken naar de Holding, B.V. of natuurlijk persoon ontvangt u hierbij de garantstellingsovereenkomst. Met de garantstellingsovereenkomst kan AgroEnergy/Eneco een contract aangaan met de door u opgegeven contractant. U dient de garantstelling te voorzien van de handgeschreven tekst; goed als hoofdelijk schuldenaar naast contractant voor €…

Zend de ondergetekende garantstelling vóór 6 november 2009 retour. Wanneer wij de garantstelling niet hebben ontvangen op 6 november, zijn wij genoodzaakt u een andere aanvullende zekerheid te vragen in de vorm van een bankgarantie of waarborgsom te vragen ter hoogte van 25% van de jaarcontractwaarde van energielevering.”

Bij deze brief zijn twee bijlagen gevoegd. De eerste bijlage is een formulier met de volgende inhoud – aangehaald voor zover relevant:

“Veelgestelde vragen over de garantstelling

• Is de garantstelling een standaard werkwijze voor AgroEnergy/Eneco?

Ja, niemand uitgezonderd in het collectief, mits het onroerend goed een andere eigenaar heeft dan de contractpartij.

• Mag AgroEnergy en/of Eneco dit vragen?

Zoals aangegeven in onze algemene voorwaarden mogen wij aanvullende zekerheden vragen.

• Wij wensen geen aanvullende zekerheid af te geven.

Als er geen aanvullende zekerheid wordt afgegeven zal AgroEnergy u geen nieuw contract aanbieden voor het komende leveringsjaar/de komende leveringsjaren. Dit zonder uitzondering, in de collectieve gedachte is elke deelnemer namelijk gelijk.

• Zijn er nog andere mogelijkheden?

U kunt zich inschrijven op naam van de moedermaatschappij.

• Waarom komt AgroEnergy met deze vorm van zekerheid?

AgroEnergy ziet door de jaren heen de meest complexe ondernemingsvormen verschijnen die tot doel hebben de ondernemer te beschermen. Als wij geen aanvullende zekerheden vragen staan wij als concurrente crediteur als een van de laatste in de rij voor een mogelijke uitkering. Nadat de bank en belasting (preferente crediteuren) zijn betaald, is er meestal geen geld meer over. Dit betekend concreet dat wij de volledige vordering kunnen afboeken. Juist dit afboeken drukt op het resultaat van het collectief.”

De tweede bijlage bij de brief is een door Eneco opgestelde tekst van een overeenkomst, waarin [A], voornoemd, zich – kort gezegd – jegens Eneco tot een maximumbedrag van € 60.000,-- garant stelt voor de nakoming door Hoge Weide van haar contractuele verplichtingen jegens Eneco.

2.6

In antwoord op deze brief van 29 oktober 2009 bericht de heer [A] Eneco bij brief van 12 november 2009 als volgt – aangehaald voor zover relevant:

“Reeds vele jaren lang heb ik van Uw bedrijf gas afgenomen en de door u gestuurde nota’s voor deze gasleveranties tijdig betaald. Het heeft mij dan ook zeer verbaasd, dat ik van U een brief ontvangen heb, waarin u “dwingend” verzoekt om een garantie te tekenen en/of aanvullende zekerheden te stellen, alleen om Uw financiële risico’s af te dekken.

Het komt mij zo over, dat U van mening bent, dat ik in de komende perioden niet in staat zal zijn Uw nota’s voor de gasleveranties te betalen. Gezien mijn betalingsverleden jegens U, begrijp ik in het geheel niet, waar U deze gedachte en/of wijsheid op baseert.

Daar ik Uw eenzijdige handelswijze niet kan accepteren, deel ik u hierbij mede, dat ik mijn overeenkomsten met U, met betrekking tot de levering van gas, met ingang van 1 januari 2010 niet wens te verlengen. (…)

Ik verzoek u beleefd, mij op korte termijn (uiterlijk 20 november 2009) een bevestiging te sturen van het feit, dat alle overeenkomsten die bestaan tussen U en ondergetekende met betrekking tot de levering van gas per 1 januari 2010 beëindigd zullen zijn.”

2.7

Eneco bericht [A] bij brief van 24 november 2009 als volgt – aangehaald

voor zover relevant:

“Wij hebben u een brief gestuurd waarin wij u hebben verzocht voor het ondertekenen van een garantstelling. Ondanks ons verzoek hebben wij tot op heden nog geen ondertekende garantstelling van u retour mogen ontvangen. Hierdoor zijn wij genoodzaakt u een andere aanvullende zekerheid te vragen in de vorm van een bankgarantie of waarborgsom.

De hoogte van de zekerheidstelling is bepaald aan de hand van 3/12 van de jaarcontractwaarde van energielevering en bedraagt € 58.500,00.

Indien u niet akkoord wenst te gaan met de gevraagde zekerheidstelling zal Eneco de leveringsovereenkomst(en) voor 2010 en verder ontbinden en u een afkoopsom voor contractbreuk in rekening brengen. Indien u voor 2010 en/of verder al gas of elektra heeft ingekocht of verkocht zullen deze volumes in de markt tegengesloten worden en zal dit met u worden verrekend. (...)

Wij willen u er met nadruk op wijzen dat Eneco krachtens de leveringsvoorwaarden gerechtigd is de levering te beëindigen en u geen leveringsovereenkomst 2010 zal aanbieden, wanneer u bovenstaande verplichtingen niet nakomt.

Uiteraard kunt u alsnog de garantstelling ondertekend aan ons retour sturen.”

2.8

Hoge Weide heeft zich vervolgens per 1 januari 2010 laten ‘weg switchen’. Daardoor neemt zij vanaf die datum geen gas meer af van Eneco en kan Eneco ook niet meer aan Hoge Weide leveren.

2.9

Bij brief van 11 januari 2010 heeft AgroEnergy namens Eneco Hoge Weide bericht over de gevolgen van het tegensluiten van gasposities en het bedrag dat Hoge Weide als gevolg hiervan dient te voldoen.

2.10

In reactie op een op 13 april 2010 door Eneco gedaan betalingsverzoek heeft Hoge Weide bij brief van 11 mei 2010 doen weten dat aan de zijde van Hoge Weide geen sprake is geweest van contractbreuk en dat de gevolgen van beëindiging van de gasleverantie dan ook niet voor rekening van Hoge Weide kunnen worden gebracht.

3.1

Eneco heeft gevorderd – samengevat – veroordeling van Hoge Weide tot betaling van € 82.526,50, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

3.2

De rechtbank heeft Hoge Weide veroordeeld tot betaling aan Eneco van € 82.526,50 met wettelijke rente vanaf 27 april 2010 en Hoge Weide in de proceskosten veroordeeld.

3.3

In hoger beroep vordert Hoge Weide dat het hof het vonnis van 10 oktober 2012 vernietigt en de vordering van Eneco alsnog afwijst, met veroordeling van Eneco tot terugbetaling van hetgeen Hoge Weide ingevolge het bestreden vonnis aan Eneco heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW, subsidiair wettelijke rente ex art. 6:119 BW, en veroordeling van Eneco in de proceskosten van beide instanties.

4.1

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het Eneco in de gegeven omstandigheden vrijstond in oktober 2009 met een beroep op artikel 9 van de algemene voorwaarden van Hoge Weide te verlangen zekerheid te verstrekken voor haar verplichtingen uit de overeenkomst. Op deze vraag hebben de grieven 3, 8, 9, 10 en 11 betrekking. Voor de beoordeling of Eneco in redelijkheid termen aanwezig heeft mogen achten om van Hoge Weide het verstrekken van zekerheid te verlangen, dient te worden gelet op alle omstandigheden van het geval. Daarbij kon Eneco naar het oordeel van het hof niet volstaan met een algemene beoordeling van het risico dat haar klanten in de desbetreffende sector niet aan hun verplichtingen voldoen, maar diende zij een individuele toets aan te leggen, in die zin dat mede acht wordt geslagen op de specifieke omstandigheden waarin Hoge Weide verkeerde. Deze benadering sluit aan bij een in deze zaak overgelegd arrest van dit hof van 17 juni 2014 (zaaknummer 200.115.160/01) en een arrest van het hof ’s‑Hertogenbosch van 26 augustus 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:2969).

4.2

Met betrekking tot de omstandigheden die haar ertoe gebracht hebben van Hoge Weide zekerheid te verlangen, heeft Eneco het volgende aangevoerd. Hoge Weide heeft in 2009 het aantal locaties waarvoor zij gas van Eneco afnam, teruggebracht van zeven naar twee, met overheveling van de gecontracteerde volumes naar de overblijvende locaties. Dit was voor Eneco aanleiding om te onderzoeken of het nodig was van Hoge Weide zekerheid te verlangen. Daarbij stelde zij vast dat Hoge Weide door het ongunstige tijdstip waarop zij had ‘geklikt’ een hoge gasprijs verschuldigd was voor de leveringen in 2009 en 2010 en voorts dat er voor Eneco in geval van wanbetaling door Hoge Weide geen verhaalsmogelijkheden waren doordat het onroerend goed waarop Hoge Weide haar bedrijf uitoefende niet haar eigendom was. Als gevolg van dalingen van de gasprijs in 2009 groeiden voor Eneco de financiële risico’s voor het geval Hoge Weide niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Dit alles speelde tegen de achtergrond van de economische crisis die de glastuinbouw in 2009 hard heeft getroffen en gepaard ging met dalende productprijzen, waardoor veel glastuinbouwbedrijven failliet gingen.

4.3

Het hof is van oordeel dat Eneco onder de aangevoerde omstandigheden in redelijkheid termen aanwezig heeft kunnen achten om van Hoge Weide te verlangen dat zij zekerheid stelde. Daaraan doet niet af dat, zoals Hoge Weide heeft aangevoerd, het terugbrengen van het aantal locaties slechts geschiedde om de gastransportkosten te verlagen, zonder dat het afgenomen volume daardoor verminderde, en dat dit dus geen aanwijzing was dat het bedrijf van Hoge Weide niet goed liep. Ook als dat juist is, was dit slechts de aanleiding voor het instellen van het onderzoek – dat stond Eneco naar het oordeel van het hof in beginsel vrij – en niet de reden om een beroep op artikel 9 van de algemene voorwaarden te doen. Het hof is voorts van oordeel dat de omstandigheden dat Hoge Weide, zoals zij heeft benadrukt, financieel gezond was en de facturen van Eneco steeds tijdig betaalde, op zichzelf niet in de weg staan aan een beroep op artikel 9 van de algemene voorwaarden. Nu de tuinbouwsector in 2009 een zware tijd doormaakte met dalende productprijzen en vele faillissementen en in aanmerking genomen de overige (individuele) omstandigheden dat Hoge Weide op een ongunstig moment had ‘geklikt’ en dat voor de hand liggende verhaalsmogelijkheden bij Hoge Weide niet aanwezig waren, kon Eneco desondanks in redelijkheid in oktober 2009 Hoge Weide om zekerheid te vragen. Daaraan stond, anders dan Hoge Weide heeft betoogd, niet in de weg dat Hoge Weide ook al geen eigenaar van het onroerend goed was bij het aangaan van de overeenkomst in 2008 en dat Eneco toen geen zekerheid had bedongen. De tenaamstelling van het onroerend goed vormde immers slechts één van de omstandigheden die Eneco in 2009 grond gaven om zekerheid te verlangen. De overige omstandigheden, in het bijzonder het verschil tussen de ‘geklikte’ prijs en de actuele gasprijs alsmede de gevolgen van de crisis voor de tuinbouwsector, deden zich in 2008 nog niet voor. Ten slotte doet aan het voorgaande niet af dat Eneco na 2009 bereid is gebleken de levering van elektriciteit aan Hoge Weide voort te zetten zonder dat Hoge Weide voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen zekerheid heeft gesteld. De aan de levering van elektriciteit verbonden risico’s waren voor Eneco, naar zij bij pleidooi onweersproken heeft aangevoerd, immers veel kleiner dan de risico’s bij de levering van gas.

4.4

De tussenconclusie luidt dat Eneco in oktober 2009 op grond van artikel 9 van de algemene voorwaarden zekerheid mocht verlangen van Hoge Weide voor haar verplichtingen uit de overeenkomst. De grieven 3, 8, 9, 10 en 11 kunnen derhalve niet slagen. Eneco is door het verlangen van de zekerheden dus niet tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst. Hoge Weide was dan ook niet gerechtigd de overeenkomst op die grond te ontbinden.

5.1

Hoge Weide stelt dat zij niettemin op grond van de inhoud van de brief van 29 oktober 2009 van Eneco gerechtigd was de overeenkomst te beëindigen, omdat in de verwijzing naar “de huidige markt” voor haar niet te lezen viel dat het verzoek van Eneco om zekerheid te stellen verband hield met de financiële crisissituatie in de tuinbouwsector (grief 7). Verder heeft Hoge Weide geklaagd dat de in de brief gestelde termijn van één week voor het regelen van een garantstelling te kort was (grief 12).

5.2

Naar het oordeel van het hof heeft Hoge Weide de brief van 29 oktober 2009, in het bijzonder de verwijzing naar “de huidige markt”, redelijkerwijze aldus moeten opvatten dat het verzoek om zekerheid te verstrekken mede verband hield met de toenmalige ongunstige omstandigheden in de tuinbouwsector en de daaraan voor Eneco in geval van faillissement van Hoge Weide verbonden risico’s. Dat Eneco in brieven aan andere klanten in explicietere bewoordingen verwees naar de crisis, acht het hof in dit verband niet van belang, nu Hoge Weide zelf stelt dat zij dit niet wist tussen 29 oktober 2009 en 1 januari 2010, zodat dit niet van invloed is geweest op de wijze waarop zij de brief van 29 oktober 2009 heeft opgevat. In elk geval valt niet in te zien dat Eneco in de brief van 29 oktober 2009 uitdrukkelijk had moeten toelichten dat zij met “de huidige markt” doelde op de situatie in de tuinbouwsector. Grief 7 faalt derhalve.

5.3

De termijn van één week voor het ondertekenen en retourneren van de door Eneco op 29 oktober 2009 gevraagde garantstelling is inderdaad erg kort. Dat leverde echter nog geen tekortkoming van Eneco op, en in ieder geval geen voldoende ernstige tekortkoming, om ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. Daar komt bij dat uit het vervolg van de brief blijkt dat het niet gaat om een fatale termijn en dat het gevolg van het niet verstrekken van de garantstelling slechts zou zijn dat Eneco om een andere, (wel) in de overeenkomst voorziene vorm van zekerheid (bankgarantie of waarborgsom) zou vragen. Hoge Weide had dan ook voldoende gelegenheid om zich op het verzoek te beraden en advies in te winnen van haar rechtsbijstandsverzekeraar. In zoverre faalt ook grief 12.

5.4

In grief 4 klaagt Hoge Weide nog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in de brief van 29 oktober 2009 gevraagde garantstelling voor Hoge Weide minder belastend was dan de in artikel 9 van de algemene voorwaarden genoemde vormen van zekerheid. Deze grief faalt bij gebrek aan belang, nu uit de brief blijkt dat aan Hoge Weide de keuze werd gelaten tussen de verschillende vormen van zekerheid.

6. Nu Eneco in oktober 2009 zekerheid mocht verlangen van Hoge Weide, kan de mededeling in de bijlage bij de brief van 29 oktober 2009 van Eneco dat indien geen aanvullende zekerheid wordt afgegeven, Eneco in 2010 geen gas zou leveren, niet worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW. Anders dan Hoge Weide stelt, is Eneco dus niet in verzuim geraakt en bestond voor Hoge Weide geen goede grond om de overeenkomst te ontbinden. In het midden kan dan blijven of de overeenkomst is geëindigd door de brief van 12 november 2009 van Hoge Weide dan wel door ontbinding zoals aangekondigd in de brief van 24 november 2009 van Eneco. Voor de vordering van Eneco maakt dit geen verschil. Hoge Weide heeft betoogd dat nu zij in haar brief van 12 november 2009 verzoekt om een bevestiging dat alle overeenkomsten met betrekking tot de levering van gas per 1 januari 2010 geëindigd zullen zijn, zonder zodanige bevestiging helemaal geen sprake is van beëindiging (pleitnota mr. Heukels, nr. 10). Dit betoog wordt verworpen, aangezien de brief kennelijk ertoe strekte de overeenkomst eenzijdig te beëindigen. Eneco moest dan ook uit de brief van 12 november 2009 van Hoge Weide afleiden dat Hoge Weide in 2010 haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou nakomen, zodat Hoge Weide dientengevolge in verzuim is geraakt (artikel 6:83 onder c BW) en verplicht is tot schadevergoeding (artikel 6:74 lid 1 BW). Grief 13, die uitgaat van een andere opvatting, faalt derhalve. Voor zover dit anders zou zijn, is Hoge Weide in elk geval in verzuim geraakt door na te laten de verlangde zekerheid te verstrekken binnen de in de brief van 24 november 2009 genoemde termijn, zodat Eneco de overeenkomst terecht heeft ontbonden en zij op grond van artikel 6:277 lid 1 BW jegens Hoge Weide aanspraak heeft op schadevergoeding.

7. De omvang van de door Hoge Weide te vergoeden schade is het onderwerp van de grieven 14, 15 en 16. In de toelichting op de grieven wordt slechts in algemene termen door Hoge Weide betoogd dat Eneco niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden tot het bedrag dat zij van Hoge Weide heeft gevorderd en dat Eneco niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over de omvang van de te vergoeden schade over en maakt deze tot de zijne. De schade is door Eneco voldoende toegelicht met de nadere schriftelijke onderbouwing die zij in eerste aanleg als productie 10 heeft overgelegd bij de akte overlegging productie, tevens aanvulling van eis. Het debat tussen partijen is gericht op de stelling dat Eneco in verband met de “vastklik” voor een hoge prijs heeft ingekocht en op 18 december 2009 na de “wegswitch” tegen een lage prijs heeft verkocht (waartoe zij in verband met het speculatieverbod verplicht was). De betwisting van Hoge Weide dat zij wettelijke rente verschuldigd is over de schadevergoeding, is niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. De grieven 14, 15 en 16 falen derhalve.

8. In het voorgaande zijn de grieven 5 en 6 nog niet besproken. Bij deze grieven heeft Hoge Weide geen belang, nu het lot daarvan niet van invloed is op de toewijsbaarheid van de vordering.

9. De slotsom is dat geen van de grieven slaagt. Derhalve dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd. Bij die stand van zaken past het dat Hoge Weide wordt veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, Sector civiel recht, van 10 oktober 2012;

- veroordeelt Hoge Weide in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van
Eneco tot op heden begroot op € 1.862,- aan verschotten en € 4.893,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, C.J. Verduyn en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2015 in aanwezigheid van de griffier.