Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1731

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
200.127.852-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Naheffing griffierecht. Hoogte vordering in bodemzaak reeds bekend; evidente en kennelijke fout bij eerste heffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.127.852/02

Beschikking van 25 juni 2015.

Holland Waterfiltration Systems B.V.,

gevestigd te Utrecht

opposante,

hierna te noemen: HWS

advocaat mr. A. Ch.H. Franken te Amsterdam

tegen:

De griffier van het gerechtshof Den Haag,

geopposeerde,

hierna te noemen: de griffier,

Het geding

Bij het op 7 november 2014 ter griffie van het hof ingekomen faxbericht is HWS in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier tot naheffing van griffierecht ten bedrage van € 4.278,--. De griffier heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter terechtzitting van 3 maart 2015 mondeling behandeld. Daarbij hebben mr. A.Ch.H. Franken namens HWS aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen en mr. drs. ing. J.H.L.M. de Dood namens de griffier de standpunten toegelicht.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Bij de beoordeling van het verzet kan van het volgende worden uitgegaan.

1.2.

Bij dagvaarding van 31 januari 2013 heeft HWS hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 september 2011, 16 januari 2012 en 31 oktober 2012 met zaaknummer / rolnummer 396467 / HA ZA 11-1787, gewezen tussen HWS als eiseres en Vitens als gedaagde. Op de rolzitting van 4 juni 2013 is de zaak bij het hof aangebracht. De zaak is geregistreerd onder zaaknummer 200.127.852/01.

1.3.

Volgens het petitum van de dagvaarding in hoger beroep vordert HWS kort gezegd vernietiging van voornoemde vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage, alsnog toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg (waaronder primair veroordeling van Vitens tot betaling van een bedrag van € 19.118.580,--) en veroordeling van Vitens tot betaling van een bedrag gelijk aan de fiscale compensatie die HWS had kunnen genieten door verrekening van haar inkomsten, een en ander met veroordeling van Vitens in de kosten van het geding in beide instanties.

1.4.

In de dagvaarding heeft HWS Vitens aangezegd dat bij verschijning in het geding een griffierecht van EUR 4.961,-- wordt geheven.

1.5.

Op 6 maart 2012 is voor deze zaak een griffierecht van € 683,-- in rekening gebracht.

1.6.

Op 23 september 2014 heeft voor zowel Vitens als HWS een naheffing plaatsgevonden waarbij griffierecht bij is geheven tot een bedrag € 4.961,--.
Op 14 oktober 2014 heeft het hof bij eindarrest – kort gezegd – de tussen partijen gewezen vonnissen van 16 januari 2012 en 31 oktober 2012 bekrachtigd en HWS in de kosten veroordeeld, waaronder de verschotten van Vitens, begroot op € 4.961,--.

2.1

HWS kan zich niet vinden in de beslissing van de griffier tot naheffing van het griffierecht tot een bedrag van € 4.961,--. Hiertoe voert hij aan dat de griffier door na te heffen in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel zoals uiteen is gezet in het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC0892).

2.2

Voor onderhavig verzet geldt aldus HWS dan het volgende. De griffier beschikte over alle voor een juiste heffing van het griffierecht benodigde gegevens; op het H1-formulier waarmee de zaak bij het hof is aangebracht is het financiële belang van de zaak nauwkeurig vermeld, terwijl dit belang ook uit de appeldagvaarding blijkt. De griffier heeft bij de eerste heffing van het griffierecht van € 683,-- niet vermeld dat sprake was van een voorlopige heffing. Tijdens de procedure in hoger beroep is geen sprake geweest van een vermindering of andere wijziging van eis. De naheffing heeft zo laat plaats gevonden, deze werd opposant pas bekend op 13 oktober 2014 dus een dag voordat het hof arrest heeft gewezen, dat verzet tegen deze naheffing redelijkerwijs niet meer mogelijk was. HWS verzoekt het hof, gezien het voorgaande, de naheffing ongedaan te maken, en ook ten aanzien van geïntimeerde, en een bedrag van € 4.278,-- te crediteren. Ook verzoekt zij het hof het arrest van 14 oktober 2013 te herstellen waar het de ten laste van HWS uitgesproken veroordeling tot vergoeding van het aangevulde griffierecht betreft.

3. De griffier heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1

Het hof overweegt als volgt. Uit het onder punt 2.1 besproken arrest van de Hoge Raad blijkt, als ook door HWS naar voren gebracht, dat de griffier volgens de hoofdregel bevoegd is tot naheffing van griffierecht, maar dat deze regel uitzondering kan leiden op grond van het rechtszekerheidsbeginsel.
Naar het oordeel van het hof is deze uitzondering in dit geval niet van toepassing.
Vast staat dat de primaire vordering € 19.118.580,-- bedroeg. Geïntimeerde Vitens is een rechtspersoon. Zoals HWS in de dagvaarding in hoger beroep van 31 januari 2013 zelf ook vermeldt, bedroeg het van een rechtspersoon als geïntimeerde bij een vordering van meer dan € 100.000,-- in 2013 te heffen griffierecht € 4.961,-- (zie artikel 3 lid 5 Wet griffierecht burgerlijke zaken (Wgbz) en de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd). Volgens genoemde tabel is € 683,-- het bedrag dat geheven wordt van rechtspersonen in geval van een vordering van onbepaalde waarde dan wel met een beloop van niet meer dan € 12.500,--, dan wel van natuurlijke personen bij een vordering tussen € 12.500,-- en € 100.000,--. Gelet op het gevorderde bedrag was het dan ook evident dat het griffierecht door de griffier kennelijk onjuist was geheven.
Ofschoon juist is dat de griffier op het moment dat het griffierecht in de aan dit verzet onderliggende zaak werd geheven beschikte over alle voor een juiste heffing benodigde gegevens en er geen vermeerdering van eis heeft plaatsgevonden dan wel zich een ander novum heeft voorgedaan en de heffing van het vast recht evenmin gepaard is gegaan met een mededeling dat deze voorlopig was, is het hof, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een zodanig evidente en kennelijke fout, dat HWS er, mede gelet op haar eigen opgave als voormeld, niet op mocht en kon vertrouwen dat heffing van een bedrag van € 683,-- in plaats van € 4.961,-- aan griffierecht juist was.

4.2

Voor zover HWS stelt dat de naheffing te laat is gebeurd gaat het hof hieraan voorbij. Uit het voorgaande blijkt dat deze heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het eindarrest. Bij eindarrest is in de kostenveroordeling uitgegaan van het hoge griffierecht. Zoals blijkt uit deze verzetbeslissing was verzet tegen de naheffing nog mogelijk.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet van HWS tegen de beslissing van de griffier ongegrond is.

6. Nu het verzet van HWS ongegrond is verklaard behoeft hetgeen zij heeft aangevoerd met betrekking tot de ten aanzien van geïntimeerde opgelegde naheffing en het herstellen van het arrest van dit hof van 14 oktober 2014 geen nadere bespreking.

Beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Davids, P.M. Verbeek en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.