Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1721

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
BK-14-01498
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:12876, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de door belanghebbende ter zake van de verhuur van het pand ontvangen huurpenningen op de voet van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zijn belast. Daartoe stelt hij primair dat het pand niet ter beschikking is gesteld aan [C] BV maar aan zijn vader in privé en subsidiair dat hij geen aanmerkelijkbelangaandeelhouder is in [C] BV in de zin van genoemd artikel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1420
Belastingadvies 2015/19.4
V-N 2015/40.16 met annotatie van Redactie
FutD 2015-1581
NTFR 2015/2264 met annotatie van mr. J. Zandee-Dingemanse
PFR-Updates.nl 2015-0228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/01498

Uitspraak d.d. 2 juni 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, Kantoor Zwolle, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2014, zaaknummer SGR 14/5114, betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslag en beschikking heffingsrente.

Navorderingsaanslag, beschikking heffingsrente, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.503 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 605. Daarbij is voorts bij beschikking een bedrag van € 2.745 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 april 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw woont de vader van belanghebbende (hierna: de vader) in de hem in eigendom toebehorende woning aan de [Y] te [A]. Het betreft een ruime twee-onder-een-kap-woning. Belanghebbende is in dat huis opgegroeid.

3.2.

De vader was directeur en mede-eigenaar van een in de vorm van een besloten vennootschap – genaamd [B] B.V. - gedreven (familie)onderneming in de wegenbouw. Hij bezat via zijn holdingvennootschap [C] B.V. (hierna: [C] BV) 50% van de aandelen in [B] B.V.

3.3.

Bij notariële akte van 13 december 1996 heeft [C] BV twee preferente aandelen in haar kapitaal uitgegeven. Het preferente aandeel met nummer 1 is toegekend aan de broer van belanghebbende en het preferente aandeel met nummer 2 is toegekend aan belanghebbende. De andere aandelen in [C] BV zijn in bezit van de vader.

3.4.

In 2001 is de vader uit de familieonderneming getreden. Het aandelenpakket in [B] B.V. is door hem ([C] BV) verkocht aan familieleden. De vader heeft nadien nog wel werkzaamheden verricht voor [B] B.V.

3.5.

[C] BV is een beleggingsvennootschap met geringe activiteiten.

3.6.

In 2001 kwam de woning [D] te [A], de naastgelegen woning onder dezelfde kap als nr. [Y], (hierna: het pand) in de verkoop. [C] BV heeft het pand gekocht en op 15 november 2001 in eigendom verworven voor € 397.057. Daarbij is overeengekomen dat de verkopende buren (familie [E]) in de woning konden blijven wonen tot uiterlijk drie maanden na oplevering aan hen van een nieuw te bouwen appartement.

3.7.

Met het doel om belanghebbende te voorzien van een vast inkomen, heeft [C] BV het pand aan belanghebbende verkocht en op 13 mei 2002 in eigendom aan hem overgedragen om het vervolgens (terug) te huren. De koopprijs bedroeg € 397.060. De aankoop is door belanghebbende gefinancierd door middel van een door een bank verstrekte hypothecaire geldlening. Deze lening is door belanghebbende vervolgens afgelost door middel van door zijn vader in de jaren 2002, 2003 en 2004 aan hem gedane schenkingen.

3.8.

Met ingang van 1 juni 2002 heeft belanghebbende het pand verhuurd aan [C] BV. In de huurovereenkomst is opgenomen dat het de huurder, [C] BV, is toegestaan het pand aan de vader en/of diens levensgezellin ter bewoning in gebruik te geven.

3.9.

Familie [E] heeft het pand medio 2003 verlaten.

3.10.

Vervolgens hebben verbouwingen plaatsgevonden aan het pand en aan [Y]. Daarbij zijn onder meer twee doorgangen gemaakt, een op de begane grond en een op de eerste verdieping. De eerste verdieping van het pand is door de (tweede) echtgenote van de vader gebruikt als fotostudio.

3.11.

Sinds enige jaren zijn belanghebbende en zijn vader gebrouilleerd.

3.12.

In het onderhavige jaar (2007) heeft belanghebbende ter zake van de verhuur van het pand € 43.560 aan inkomsten genoten. [C] BV heeft deze huur ten laste van haar resultaat gebracht.

3.13.

In zijn aangifte IB/PVV 2007 heeft belanghebbende het pand in aanmerking genomen in het kader van box 3. Bij het vaststellen van de primitieve aanslag IB/PVV 2007 heeft de Inspecteur de aangifte op dit punt gevolgd.

3.14.

In 2011, 2012 en 2013 is bij [C] BV een boekenonderzoek ingesteld. Daarbij zijn door de controlerende ambtenaren onder meer vragen aan de vader gesteld met betrekking tot de zakelijkheid van de door [C] BV aan belanghebbende betaalde huurpenningen voor het pand. Tot de stukken van het geding behoren delen van het van dat onderzoek met dagtekening

5 november 2013 opgemaakte rapport. In die delen van het rapport is niet beschreven op welke wijze het pand werd gebruikt. Niettemin is in het rapport de conclusie getrokken dat de huur van het pand door [C] BV zakelijk is. Deswege is de aftrek van de huurpenningen ten laste van het resultaat van [C] BV aanvaard door de Belastingdienst.

3.15.

Bij brief van 24 september 2012 heeft de Inspecteur zich gericht tot belanghebbende met het verzoek informatie te verstrekken met betrekking tot de verhuur van het pand aan [C] BV. Na enige correspondentie tussen partijen, heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de verhuur van het pand onder de reikwijdte valt van de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling in box 1. In verband hiermee heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag aan belanghebbende opgelegd, waarbij de in 2007 door belanghebbende genoten huurinkomsten van € 43.560 als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de heffing zijn betrokken. Daarbij is voorts een bedrag van € 2.745 aan heffingsrente in rekening gebracht.

3.16.

Hiertegen heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend bij de Inspecteur en beroep bij de rechtbank.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de door belanghebbende ter zake van de verhuur van het pand ontvangen huurpenningen op de voet van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zijn belast. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe stelt hij primair dat het pand niet ter beschikking is gesteld aan [C] BV maar aan zijn vader in privé en subsidiair dat hij geen aanmerkelijkbelangaandeelhouder is in [C] BV in de zin van genoemd artikel. De Inspecteur beantwoordt de partijen verdeeld houdende vraag bevestigend. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof de eerder ingenomen stelling dat sprake is van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.91, derde lid, van de Wet IB 2001 ingetrokken.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het navolgende overwogen:

"9. In artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 is, voor zover van belang, bepaald dat onder werkzaamheid mede wordt verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen voor zover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect, ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft.

10. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt genoegzaam uit de gedingstukken dat [belanghebbende] het pand in 2007 aan [C] BV had verhuurd. Voorts staat vast dat [belanghebbende] in verband met die verhuur de huursom genoemd onder 3 [toevoeging Hof: € 43.560] had ontvangen. De rechtbank kan [belanghebbende] niet volgen in zijn stelling dat ondanks die verhuur [C] BV in 2007 niet de beschikking had over het pand. [C] BV kon het pand immers in gebruik geven aan de vader omdat [C] BV als huurder de beschikking had over het pand. Daar komt bij dat volgens [belanghebbendes] verklaring het pand deels zakelijk werd gebruikt door zijn vader in het kader van de onderneming van [C] BV. Dat [C] BV voor zover sprake was van niet-zakelijke gebruik van het pand door de vader, daarvoor mogelijk onvoldoende werd gecompenseerd, doet als zodanig niets af aan de zakelijkheid van de huursom die [belanghebbende] aan [C] BV in rekening bracht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [C] BV als huurder de beschikking kreeg over het pand.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] in 2007 aandeelhouder van [C] BV. Niet gebleken is dat de onder 1 genoemde notariële akte niet op de juiste wijze door de notaris is voorgehouden en ook overigens is niet gebleken dat het aandeelhouderschap niet rechtsgeldig tot stand zou zijn gekomen. Ook hetgeen overigens in dit verband door [belanghebbende] is aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat [belanghebbende] voor het jaar 2007 niet als aandeelhouder kan worden aangemerkt. Nu [belanghebbende] één van de twee preferente aandelen bezit in [C] BV is hij terecht door [de Inspecteur] aangemerkt als houder van een aanmerkelijk belang. Dit is niet anders doordat aan het preferente aandeel slechts in beperkte mate bepaalde rechten zijn verbonden.

12. Gegeven de oordelen onder 10 en 11, kwalificeert de verhuur van het pand aan [C] BV als een terbeschikkingstelling bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001.

13. De rechtbank gaat voorbij aan het door [belanghebbende] gedane getuigenaanbod om de broer van [belanghebbende], die medeaandeelhouder van [C] BV is, als getuige op te roepen. Het aanbod is te algemeen gesteld en ziet althans zo begrijpt de rechtbank op het verklaren over de kennis en wetenschap van [belanghebbende], dit terwijl een getuige slechts ter zake van feiten mag verklaren. Bovendien is [belanghebbende] in de uitnodiging voor de zitting in de gelegenheid gesteld om een getuige mee te nemen naar de zitting of op te roepen om ter zitting te verschijnen en heeft hij daarvan geen gebruik gemaakt.

14. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden is het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren (artikel 3.90 van de Wet IB 2001).

7.2.

Ingevolge artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 wordt voor zover hier van belang - onder werkzaamheid mede verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen voor zover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft.

7.3.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze in artikel 3.92 van de Wet IB 2001 vervatte – zogenoemde - terbeschikkingstellingsregeling, valt af te leiden dat het begrip ‘ter beschikking stellen’ in het kader van die regeling ruim dient te worden uitgelegd en dat de wetgever daarbij een economische benadering voor ogen heeft gestaan (Vierde Nota van wijziging, Tweede Kamer 1999/2000, 26 727, nr. 89, blz. 10 en de Nota naar aanleiding van het nadere verslag, Tweede Kamer 1999/2000, 26 727, nr. 17, blz. 99). In deze laatstgenoemde Nota is in dit verband het volgende opgemerkt:

"(…)

De ruime formulering ‘ter beschikking stellen’ is bewust gekozen om tot uitdrukking te brengen dat een economische benadering is beoogd. De civielrechtelijke vorm waarin de vermogensbestanddelen ter beschikking worden gesteld, bijvoorbeeld verhuur of (ver)bruikleen, is derhalve voor de beoordeling niet van wezenlijk belang. Van belang is met name of de aanmerkelijkbelanghouder de facto vermogen beschikbaar stelt aan de vennootschap (…)".

7.4.

De Staatssecretaris van Financiën, in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de belastingwetgeving, gaat bij de uitleg van het begrip ‘ter beschikking stellen’ in zijn beleidsregels eveneens uit van een economische benadering. In zijn Besluit van 21 februari 2014, nr. BLKB 2014/286M is in onderdeel 9 het volgende vermeld:

"9. Bemiddeling door BV bij verhuur van onroerende zaken door digra

De formulering ‘rechtens dan wel in feite, direct of indirect’ voorkomt dat belastingplichtigen de regeling kunnen ontgaan door de terbeschikkingstelling te laten lopen door tussenkomst van een derde.

Het komt ook voor dat een belastingplichtige onroerende zaken in eigendom heeft en deze aan een derde verhuurt via de besloten vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Dan stelt belanghebbende de onroerende zaken ter beschikking aan zijn BV, maar als de BV in de relatie met belanghebbende economisch bezien niet meer dan een intermediairfunctie vervult, zoals bij bemiddeling, is de terbeschikkingstellingsregeling niet van toepassing.".

In eerdere beleidsbesluiten van de Staatssecretaris (Besluit van 1 december 2008, nr. CPP2008/520M, onderdeel 11 en het Besluit van 24 mei 2006, nr. CPP2006/76M, onderdeel 10) was deze passage ook reeds opgenomen.

7.5.

De door de Inspecteur in zijn pleitnota voor het Hof verwoorde opvatting dat de terbeschikkingstellingsregeling te dezen van toepassing is, reeds omdat er met betrekking tot het pand sprake is van een tussen belanghebbende en [C] BV gesloten huurovereenkomst, kan, gelet op het hiervoor overwogene, niet als juist worden aanvaard. Die opvatting miskent immers de economische benadering die ten grondslag ligt aan de terbeschikkingstellingsregeling.

7.6.

Belanghebbende heeft primair gesteld dat het pand materieel bezien ter beschikking is gesteld aan zijn vader (in privé) en niet aan [C] BV. Het pand wordt, aldus belanghebbende, door zijn vader niet in het kader van [C] BV gebruikt maar als deel van de eigen woning.

7.7.

De Inspecteur heeft in dit verband gesteld dat, nu de controleambtenaren in het kader van het bij [C] BV gehouden boekenonderzoek de door [C] BV aan belanghebbende betaalde huurpenningen als zakelijke kosten hebben aanvaard, in dit geding ervan moet worden uitgegaan dat het pand door de vader van belanghebbende (mede) werd gebruikt in het kader van de onderneming van [C] BV.

7.8.

Bij de beoordeling van het primaire standpunt van belanghebbende en het verweer daarop van de Inspecteur, dient het volgende te worden vooropgesteld. In een geschil tussen een belastingplichtige en een inspecteur over een aan die belastingplichtige opgelegde belastingaanslag, dient de belastingrechter zelfstandig te beoordelen welke feiten als vaststaand kunnen worden aangenomen. Hij is daarbij niet gebonden aan een oordeel van de inspecteur over hetzelfde feitencomplex ten aanzien van een andere belastingplichtige, laat staan aan de juridische kwalificatie die de inspecteur aan dat feitencomplex heeft verbonden. De omstandigheid dat de ten aanzien van [C] BV bevoegde inspecteur bij [C] BV ervan is uitgegaan dat het pand zakelijk ten behoeve van de onderneming van [C] BV wordt gebruikt door de vader van belanghebbende en dat de betaalde huurpenningen aan belanghebbende daarom terecht ten laste van het resultaat van [C] BV zijn gebracht, kan – anders dan waarvan de Inspecteur kennelijk uitgaat – belanghebbende in deze procedure dan ook niet worden tegengeworpen.

7.9.

De Inspecteur heeft in deze procedure slechts delen van het rapport van het bij [C] BV ingestelde boekenonderzoek overgelegd. Belanghebbende heeft aanvankelijk het standpunt ingenomen dat het gehele controlerapport door de Inspecteur in de procedure moet worden gebracht omdat het een op de zaak betrekking hebbend stuk vormt als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht. Ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende dit standpunt evenwel ingetrokken.

7.10.

Desgevraagd heeft de Inspecteur ter zitting in hoger beroep geen verklaring kunnen geven met betrekking tot het gebruik van het pand door de vader van belanghebbende in het onderhavige jaar. Belanghebbende heeft gesteld, kort gezegd, dat de vader het pand tezamen met [Y] als eigen woning in gebruik had en dat de werkkamer door de vader (mede) werd gebruikt voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de vennootschap [B] B.V. Voor [C] BV werden in het pand volgens belanghebbende geen of nauwelijks werkzaamheden verricht door de vader.

7.11.

Voor zover deze stelling in deze procedure niet reeds als vaststaand dient te worden aangenomen, omdat zij niet of onvoldoende is weersproken door de Inspecteur, acht het Hof de stelling ook aannemelijk. Daarbij heeft het Hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:

  • -

    i) het pand is het ‘buurpand’ onder dezelfde kap als de woning van de vader waarin hij sinds de jaren zestig van de vorige eeuw woont;

  • -

    ii) de verkopende buren zijn, ondanks de eigendomsoverdracht in 2001 aan [C] BV en in 2002 aan belanghebbende, tot medio 2003 in het pand blijven wonen, zodat het pand in die periode niet ten behoeve van [C] BV kan zijn gebruikt;

  • -

    iii) de tussen belanghebbende en [C] BV gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het pand biedt de mogelijkheid het pand aan de vader ter bewoning in gebruik te geven;

  • -

    iv) tussen het pand en nummer [Y] zijn twee doorgangen gemaakt (op de begane grond en op de eerste verdieping);

  • -

    v) de inrichting van het pand en van nummer [Y] zoals beschreven in de gedingstukken (van funda.nl) duidt er niet op dat sprake is van zakelijke gebruik;

  • -

    vi) de eerste verdieping van het pand werd door de (huidige) echtgenote van de vader gebruikt als fotostudio;

  • -

    vii) de vader verrichtte werkzaamheden voor de vennootschap [B] B.V.;

  • -

    viii) [C] BV is een passieve beleggingsvennootschap met dienovereenkomstige geringe bedrijfsactiviteiten;

  • -

    ix) in de overgelegde delen van het controlerapport van het bij [C] BV gehouden onderzoek zijn geen feiten beschreven waaruit zou blijken dat het pand door de vader van belanghebbende ten behoeve van [C] BV zou zijn gebruikt.

7.12.

Een en ander dwingt naar het oordeel van het Hof tot de conclusie dat belanghebbende het pand de facto ter beschikking heeft gesteld aan zijn vader in privé, waarbij [C] BV in wezen als ‘doorgeefluik’ fungeert. Alsdan is – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - geen sprake van het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel aan een vennootschap in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. De omstandigheid dat belanghebbende met betrekking tot het pand een huurovereenkomst met [C] BV heeft gesloten doet, gelet op het hiervoor in 7.3 en 7.4 overwogene, aan deze conclusie niet af. De omstandigheid dat de Belastingdienst aftrek bij [C] BV van de aan belanghebbende betaalde huurpenningen akkoord heeft bevonden, doet daaraan evenmin af.

7.13.

Zoals gezegd, is van een terbeschikkingstelling op de voet van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 geen sprake. Alsdan is niet (langer) in geschil de Inspecteur heeft zijn standpunt dat sprake is van, kort gezegd, een ongebruikelijke terbeschikkingstelling ter zitting van het Hof ingetrokken dat de inkomsten uit de verhuur van het pand voor belanghebbende geen resultaat uit een werkzaamheid vormen. Het subsidiair aangevoerde standpunt van belanghebbende behoeft geen behandeling. De navorderingsaanslag is ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.

7.14.

Het hoger beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de beschikking inzake de heffingsrente. Nu de navorderingsaanslag wordt vernietigd, dient de beschikking inzake de heffingsrente eveneens te worden vernietigd.

7.15.

De slotsom luidt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Nu belanghebbende in het gelijk wordt gesteld, acht het Hof termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Het Hof stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt vast:

  • -

    Hoger beroep: € 980 (twee punten voor proceshandelingen en factor 1 voor het gewicht van de zaak)

  • -

    Beroep: € 980 (twee punten voor proceshandelingen en factor 1 voor het gewicht van de zaak)

  • -

    Bezwaar: € 488 (twee punten voor proceshandelingen en factor 1 voor het gewicht van de zaak)

In totaal derhalve een bedrag van € 2.448.

8.2.

Voorts dient de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door hem voor de procedure bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht van € 45 respectievelijk € 122, derhalve in totaal € 167.

Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag;

  • -

    vernietigt de beschikking inzake de heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.448, en

  • -

    gelast de Inspecteur een bedrag van in totaal € 167 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. R. den Ouden, voorzitter, P.J.J. Vonk en A.O. Lubbers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.J. Nederveen. De beslissing is op 2 juni 2015 in het openbaar uitgesproken. Wegens ontstentenis van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. Vonk.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.