Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1679

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
200.137.910/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spoedvoorziening in hoger beroep. Vordering op de voet van artikel 223 Rv. Invrijheidstelling ouders, thuisplaatsing kinderen en benoeming deskundige. Vordering afgewezen omdat spoedeisend belang ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Zaaknummer : 200.137.910/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 424946 HA /ZA 2012/967

arrest in het incident van de familiekamer d.d. 16 juni 2015

inzake

1. [de vader],

wonende te [woonplaats]),

2. [de moeder],

wonende te [woonplaats]),

appellanten,

advocaat: mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

tegen

De publiekrechtelijke rechtspersoon STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

hierna te noemen: de Staat,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

.

Het geding

Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 7 november 2013.

Appellanten hebben ter rolzitting van 24 februari 2015 bij akte uitlating na wrakingsincident inhoudende het treffen van een spoedvoorziening en akte overlegging van stukken, verzocht spoedvoorzieningen te treffen.

Ter rolzitting van 17 maart 2015 heeft de Staat bij akte geconcludeerd tot afwijzing van de verzochte voorzieningen.

Partijen hebben ter rolzitting van 31 maart 2015 aanvullende aktes gefourneerd en arrest gevraagd in het incident.

Beoordeling van het incident

Appellanten hebben in dit incident verzocht om, naar het hof begrijpt, een drietal spoedvoorzieningen te treffen te weten:

1. het in vrijheid stellen van appellanten;

2. de minderjarigen [naam] bij appellanten thuis te laten;

3. benoeming van de gedragsdeskundige [naam].

Appellanten leggen naar het hof begrijpt aan hun verzoek tot het treffen van spoedvoorzieningen krachtens artikel 223 Rechtsvordering ten grondslag dat er door het optreden van de Staat en Stichting Bureau Jeugdzorg Groningen (thans genaamd Stichting Jeugdbescherming Noord-Groningen, hierna: JBN) sprake is van een dermate ernstige schending van het EVRM, het IVRK en het handvest van de grondrechten van de EU dat aan de situatie waarbij appellanten in voorarrest verblijven en de minderjarigen niet bij hen thuis wonen en niet de door hen genoemde gedragsdeskundige is benoemd, onmiddellijk een einde moet worden gemaakt.

In het kader van een aanhangige bodemprocedure kan een partij een ordemaatregel vorderen, die bestaat in een bevel een handeling te verrichten, dan wel na te laten. Daarbuiten valt een declaratoir. (HR 22 januari 2010, LJN BK 1639).

Door geïntimeerde is gemotiveerd verweer gevoerd. Geïntimeerde stelt onder meer dat appellanten niet toelichten waarom er een reden zou zijn een voorlopige voorziening te treffen. Gezien het feit dat appellanten inmiddels in vrijheid zijn gesteld is de spoedvoorziening strekkende tot invrijheidstelling achterhaald. Ook hebben appellanten geen belang aan herstel van de oude toestand met betrekking tot de kinderen aangezien de kinderen al thuis zijn.

Het hof is van oordeel dat appellanten geen spoedeisend belang bij hun vordering hebben. Daarbij heeft ten aanzien van het in vrijheid stellen van appellanten te gelden dat het belang bij het verzoek ontbreekt nu appellanten op 13 maart 2015 in vrijheid zijn gesteld. Ten overvloede merkt het hof hierbij op dat het schorsen of opheffen van de voorlopige hechtenis van appellanten is voorbehouden aan de strafrechter zodat hier voor het hof geen rol is weggelegd. Ten aanzien van het thuis laten van de minderjarigen oordeelt het hof dat ook aan dat verzoek het spoedeisend belang ontbreekt nu de minderjarigen sinds 13 maart 2015 weer bij de ouders verblijven. Ten aanzien van de benoeming van de deskundige om de minderjarigen te begeleiden en te rapporteren over de omstandigheden van de minderjarigen en de gevolgen voor het gezin en de omstandigheden waarin het gezin sinds december 2011 heeft verkeerd, is het hof van oordeel dat appellanten het spoedeisend belang van dit verzoek niet hebben onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het verzoek tot het treffen van spoedvoorzieningen afwijzen.

Beslissing in het incident

Het hof:

wijst af de vordering van appellanten tot het treffen van spoedvoorzieningen;

verwijst de zaak naar de rol van 30 juni 2015 voor uitlating;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees, en C.M. Warnaar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.