Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1545

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
22-001644-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 141 Sr. Aan de verdachte is ten laste gelegd openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (art. 141, lid 2, Sr).

Hof: Uit de rechtspraak van de HR (6 maart 1990, NJ 1990/637) volgt dat lid 2 van 141 Sr. aldus is te verstaan dat de daarin vermelde zwaardere strafbedreigingen uitsluitend betrekking hebben op de dader van het in het in lid 1 omschreven misdrijf van wie komt vast te staan dat het door hemzelf gepleegde geweld enig dan wel zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

Niet wettig en overtuigend bewezen dat het door de verdachte (zelf) gepleegde geweld het ten laste legde letsel tot gevolg heeft gehad, nu onvoldoende duidelijk is geworden of de verdachte daarin een rol heeft gehad en, zo ja, welke rol.

Vrijspraak van het tenlastegelegde voor zover dat ziet op het strafverzwarende onderdeel betreffende het zwaar lichamelijk letsel althans enig lichamelijk letsel als bedoeld in art. 141 lid 2 Sr.

Veroordeling ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen (141, lid 1, Sr.) tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 19 dagen voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en voorts tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001644-14

Parketnummer: 10-681402-13

Datum uitspraak: 12 juni 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 7 april 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

29 mei 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 19 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij Bouman GGZ, afdeling reclassering, alsmede een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 september 2013 te Oud-Beijerland, op of aan de openbare weg, het Vierwieckenplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- slaan en/of stompen in het gezicht, in ieder geval op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2], en/of

- ten val brengen/laten vallen van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3], en/of

- ( vervolgens) (met een riem) slaan van die (op de grond liggende) [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3], en/of

- schoppen/trappen tegen het hoofd en/of op/in de rug van die (op de grond liggende) [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3], terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel (te weten een of meer gebroken tand(en) en/of een (snij)wond op de wang en/of diverse schaafwonden en /of kneuzingen aan het gelaat en/of op de rug voor die [slachtoffer 1] en/of een of meer gebroken tand(en) en/of een gezwollen kaak voor die [slachtoffer 2] en/of een gekneusde hand en/of een wond op de rug voor die [slachtoffer 3]) ten gevolge heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraken

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad van 6 maart 1990, NJ 1990/637 volgt dat het tweede lid van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht aldus is te verstaan dat de daarin vermelde zwaardere strafbedreigingen uitsluitend betrekking hebben op de dader van het in het eerste lid omschreven misdrijf van wie komt vast te staan – voor zover in de onderhavige zaak van belang - dat het door hemzelf gepleegde geweld enig dan wel zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de stukken van het geding kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het door de verdachte (zelf) gepleegde geweld het ten laste legde letsel tot gevolg heeft gehad. Het is namelijk onvoldoende duidelijk geworden of de verdachte daarin een rol heeft gehad en, zo ja, welke rol.

Op grond van het voorgaande spreekt het hof de verdachte derhalve vrij van het tenlastegelegde voor zover dat ziet op het strafverzwarende onderdeel betreffende het zwaar lichamelijk letsel althans enig lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 141, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts is het hof - met de politierechter - van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het door de verdachte in vereniging gepleegde geweld zich mede heeft gericht tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], zodat de verdachte ook in zoverre zal worden vrijgesproken.

Met de raadsvrouw en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld gepleegd tegen het slachtoffer Vinke, op de wijze als neergelegd in artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 07 september 2013 te Oud-Beijerland, op de openbare weg, het Vierwieckenplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal,

- ten val brengen van [slachtoffer 1] en

- vervolgens met een riem slaan van die op de grond liggende [slachtoffer 1] en

- schoppen/trappen tegen het hoofd en in de rug van die op de grond liggende [slachtoffer 1].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 19 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer. Het slachtoffer is tegen de grond gewerkt, meermalen tegen het hoofd en de rug geschopt en met riemen geslagen. Als gevolg van het toegepaste geweld zijn bij het slachtoffer onder meer enkele tanden afgebroken. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een feit als het onderhavige versterkt bovendien de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid op voor het publiek toegankelijke uitgaansplaatsen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte – zij het langer geleden en op jonge leeftijd - reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een geweldsdelict.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof onder meer acht geslagen op het beknopte reclasseringsadvies van 10 september 2013 en het Voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever van GGZ Bouman Toezicht Rotterdam d.d. 27 maart 2014, waarin mogelijkheden om verdachte verder te begeleiden worden gezien in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen, en het gegeven dat de verdachte na het plegen van het feit niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, is het hof – met de advocaat-generaal en de raadsvrouw – van oordeel dat het opleggen van bijzondere voorwaarden thans niet langer noodzakelijk is.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een vanwege de aftrek van het voorarrest geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 5.416,81 ,-- (waarvan € 3.966,81 materieel en € 1.450,-- immaterieel), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het

in eerste aanleg oorspronkelijk gevorderde bedrag van

€ 5.416,81, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte (deels) betwist.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat een deelvrijspraak van het in de tenlastelegging opgenomen (zwaar) lichamelijke letsel, zoals neergelegd in artikel 141, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing van de vordering van de benadeelde partij in zoverre.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor zover de raadsvrouw heeft willen aanvoeren dat geen sprake is van rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.), omdat het letsel van [benadeelde partij], als gevolg van de deelvrijspraak, geen deel meer uitmaakt van de bewezenverklaring en dat dit consequenties heeft voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, overweegt het hof het volgende.

Artikel 51f, eerste lid Sv. stelt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake daarvan kan voegen als benadeelde partij. Voornoemde bepaling stelt niet de eis dat de gestelde schade in de tenlastelegging dient te worden opgenomen en bewezen. Zie in dit verband HR 20 oktober 1992, NJ 1993/157.

Het hof stelt vast op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de stukken van het geding dat in het onderhavige geval de bewezenverklaarde handelingen de gestelde schade bij [benadeelde partij] hebben veroorzaakt. In zoverre is derhalve voldaan aan de in artikel 51f, eerste lid, Sv. gestelde eis van rechtstreekse schade.

Voorts wordt in de wetsgeschiedenis opgemerkt dat van rechtstreekse schade sprake is als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden bepaling wordt beschermd (Kamerstukken II, 2004/2005, 30143, p. 9).

Artikel 141 Sr. is ondergebracht in boek II, titel V getiteld ‘Misdrijven tegen de openbare orde’. Het beschermde belang is derhalve de openbare orde en daarnaast ook - gelet op de formulering van de strafbaarstelling - het recht op lichamelijke integriteit.

Artikel 141 Sr. strekt dus mede tot bescherming van de in casu door de benadeelde partij gestelde geleden schade, in zowel materiële als immateriële zin.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

De verdediging heeft voorts betwist dat de verdachte schade aan zijn kleding heeft geleden. Dit dient in de visie van de verdediging te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing van de vordering van de benadeelde partij in zoverre dan wel tot een matiging van het toe te wijzen bedrag.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond schade aan zijn kleding te hebben geleden tot een bedrag van € 169,90 gelet op de uiterst geringe tijdspanne tussen de aankoop van de kleding en het bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat tot een bedrag van € 1.276,63 materiële schade is geleden. Het hof heeft met de benadeelde partij vastgesteld dat sprake is geweest van een dubbeltelling van een tweetal kronen in het door de benadeelde partij gevorderde bedrag. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre worden afgewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel (betreffende de gevorderde kosten voor een beschadigde mobiele telefoon ad € 350,--) niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 2.340,18 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 1.450,-- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 3.790,18 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 19 (negentien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [naam]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.790,18 (drieduizend zevenhonderdnegentig euro en achttien cent) bestaande uit € 2.340,18 (tweeduizend driehonderdveertig euro en achttien cent) materiële schade en € 1.450,-- (duizend vierhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de één aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de één of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.276,63 (duizend tweehonderdzesenzeventig euro en drieënzestig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 3.790,18 (drieduizend zevenhonderdnegentig euro en achttien cent) bestaande uit € 2.340,18 (tweeduizend driehonderdveertig euro en achttien cent) materiële schade en € 1.450,00 (duizend vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 (zevenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,

mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. C. Klomp,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 juni 2015.