Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1529

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
BK-14-00340
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:3129, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3340, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur de herinvesteringsreserve terecht heeft toegevoegd aan de winst van belanghebbende over het jaar 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1308
FutD 2015-1465
NTFR 2015/1820
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00340

Uitspraak d.d. 19 mei 2015

in het geding tussen:

[X] B.V., statutair gevestigd te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2014, nummer SGR 13/637, betreffende na te vermelden aanslag en beschikkingen.

Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.742.247. Met die aanslag is een verliesverrekeningsbeschikking gegeven voor een bedrag van € 547.474, en is bij beschikking een bedrag van € 71.769 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking inzake de heffingsrente een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur.

1.3.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank te Den Haag. Een griffierecht is geheven van € 310. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep, in cassatie en na verwijzing

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 april 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende is opgericht in 1994. Vanaf 1 september 2001 is [Y] te [Z] (hierna: [Y]) bestuurder en vanaf 26 november 2009 ook enig aandeelhouder van belanghebbende.

3.2.

Vanaf 1 januari 1995 vormde belanghebbende met haar dochtermaatschappij [A] B.V. te [Z] (hierna: de dochtervennootschap) een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).

3.3.

In 2006 zijn tot het vermogen van de dochtervennootschap behorende onroerende zaken verkocht. Van de daarmee behaalde boekwinst is een herinvesteringsreserve gevormd van € 4.564.998. In 2007 is € 240.670 van de reserve afgeboekt, waarna die ultimo 2007 en ultimo 2008 nog € 4.324.328 bedroeg. In de jaarstukken 2009 bedraagt de herinvesteringsreserve € 4.533.426 wegens een tweetal debiteringen van de winstreserves.

3.4.

De verkoopopbrengst ter zake van de verkoop van de onroerende zaken heeft de dochtervennootschap uitgeleend aan belanghebbende, en belanghebbende heeft dat uitgeleend aan [Y]. Belanghebbende heeft op 21 december 2009 een schuld in rekening courant bij haar dochtervennootschap ten bedrage van € 3.964.940.

3.5.

Aan het begin van het boekjaar 2009 bestonden de bezittingen van de dochtervennootschap voor meer dan de helft uit beleggingen. De bezittingen bestonden uit:

Inventaris € 4.412

Overige materiele vaste activa € 351.759

Vordering op belanghebbende € 3.354.259

Overige vorderingen € 50.000

Overige financiële vaste activa € 185.508

Overige liquide middelen € 2.979

Totale activa € 3.948.917

3.6.

Ten tijde van na te melden aandelenoverdracht bestond het activum van de dochtervennootschap uit vorderingen van in totaal € 3.964.940.

3.7.

Op 21 december 2009 is een algemene vergadering van aandeelhouders van de dochtervennootschap gehouden. In de notulen van die vergadering is het volgende vermeld:

“Aanwezig

[[Y]], te dezen handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [belanghebbende], deze vennootschap enig aandeelhouder en enig bestuurder van [de dochtervennootschap].

De vergadering wordt geopend en geleid door [[Y]]. De voorzitter, constateert, dat (…) rechtsgeldig besluiten kunnen worden genomen, mits met algemene stemmen.

Overwegende:

  • -

    dat [belanghebbende] een schuld in rekening courant heeft bij [de dochtervennootschap] ten bedrage van 3.964.940 euro:

  • -

    dat [belanghebbende] voornemens is deze schuld over te dragen aan [koper];

  • -

    dat [de dochtervennootschap] met voormelde schuldovername in dient te stemmen en dat dit mogelijk een tegenstrijdig belang teweeg brengt tussen [de dochtervennootschap] en [belanghebbende], casu quo genoemde heer [[Y]] als bestuurder van [de dochtervennootschap].

De voorzitter stelt aan de orde de enige punten van de agenda, te weten:

  • -

    de instemming met de overname van de gemelde rekening courant schuld door [koper];

  • -

    de aanwijzing van [[Y]] als vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 2:256 BW in dezen om namens [de dochtervennootschap] op te treden.

De voorstellen worden met algemene stemmen aangenomen.

De notulen van deze vergadering worden vervolgens gelezen, met algemene stemmen goedgekeurd en ondertekend.

Getekend te Den Haag op 21 december 2009”

3.8.

Bij akte van 21 december 2009 (hierna: de akte van aandelenoverdracht) heeft belanghebbende haar aandelen in de dochtervennootschap voor € 3.964.940 verkocht aan [B] B.V. te [C] (hierna: koper). Enig aandeelhouder van koper is [D] te [E] (hierna: [D]). In die akte is onder meer het volgende vermeld:

SCHULDOVERNAME.

Koper neemt de schuld in rekening courant bestaande tussen [belanghebbende] en [de dochtervennootschap] over en zal deze als eigen schuld voldoen en wel tot een bedrag van (...) (€ 3.964.940,00). De som van deze rekening courant vordering is gelijk aan de na te noemen koopsom.

(...)

KOOPSOM.

De koopsom voor de aandelen [in de dochtervennootschap] bedraagt in totaal: (...) (€ 3.964.940,00).

(...)

BETALING KOOPSOM.

1. De koopsom is door koper aan [belanghebbende] voldaan door middel van de overname van gemelde schuld van [belanghebbende] aan [de dochtervennootschap] in rekening-courant ad (..) (EUR 3.964.940,00).

2. [ Belanghebbende] verleent koper bij deze kwitantie voor de betaling van de koopsom.

(...)

ONDERNEMING IN DE VENNOOTSCHAP.

Met door [de dochtervennootschap] gedreven onderneming is koper algeheel bekend.

Partijen hebben zich ten aanzien van de (fiscale) situatie van de vennootschap door derden laten adviseren.

Koper is bekend met de herinvesteringsreserve ad (..) (EUR 4.533.426,00).

Koper heeft volgens haar verklaring onherroepelijk de intentie om door middel van [de dochtervennootschap] in het jaar (..) (2009) een vergelijkbaar bedrag te investeren in [een met name genoemde object in Rijswijk].”

3.9.

Het in de akte vermelde object in Rijswijk is eigendom van de gemeente Rijswijk. Het object is noch door belanghebbende noch door de dochtervennootschap in eigendom verworven.

3.10.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2009 een belastbare winst aangegeven van € 34.627 negatief. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de hiervoor genoemde de herinvesteringsreserve aan de winst van belanghebbende over 2009 moet worden toegevoegd. Na verrekening van € 547.454 aan verliezen uit andere jaren, heeft de Inspecteur de aanslag vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 3.742.247 (= -/- € 34.627 + € 4.324.328 -/- € 547.454).

3.11.

Op 26 juli 2012 heeft [D] schriftelijk verklaard:

"dat hij op 21 december 2009 in zijn hoedanigheid van toenmalig directeur van [koper] heeft opgetreden bij de levering van de aandelen in [de dochtervennootschap] aan [koper]. Op diezelfde dag is ook de directie van [de dochtervennootschap], en wel zodanig dat [koper] per datum levering de nieuwe directie werd. Een afschrift van de akte van levering is aan deze verklaring aangehecht.

De koopovereenkomst van de aandelen is reeds geruime tijd voor datum levering mondeling gesloten. Wanneer precies weet ik niet meer. Met de uiteindelijke koper c.q. belanghebbende waarvoor ik optrad, heb ik geen contact meer. Het was zijn bedoeling om het in de akte van levering genoemde object te ontwikkelen. Vanwege de neergang in de economie en in het speciaal van de onroerend goed sector is daar niets van gekomen. Zijn genoemde intentie heeft hij tegen mij persoonlijk verklaard".

3.12.

Met dagtekening 18 september 2013 heeft [F] te [G], Frankrijk, de volgende schriftelijke verklaring afgegeven:

“Bij deze verklaar ik dat [[Y]], bestuurder van [de dochtervennootschap] in de jaren 2008 en 2009 verschillende keren kontakt met mij opgenomen heeft en verschillende objecten bezocht heeft ten behoeve van een investering door [de dochtervennootschap] in het zuiden van Frankrijk.”

3.13.

Met dagtekening 6 juni 2014 heeft [H] aan [Y] het volgende verklaard:

"Hierbij bevestig ik u dat u mij in uw hoedanigheid als indirect directeur van [de dochtervennootschap] een mondelinge zoekopdracht hebt verstrekt op basis van no cure no pay om een vervangingsinvestering te zoeken zijnde commercieel vastgoed in de orde van grootte van circa € 4.000.000. Het bedoelde bedrag was nodig omdat [de dochtervennootschap] een herinvesteringsverplichting van deze grootte had. Ondanks dat ik enkele geschikte, potentiele objecten heb aangedragen, is het helaas niet tot een succes kunnen komen in verband met zeker niet in de laatste plaats, door de economische ontwikkeling in 2009, er waren regelmatig dermate onzekerheden van aflopende en/of expirerende huurovereenkomsten van deze objecten dat er geen verantwoorde investering bijzat. Tegen het einde van het jaar heeft u aangegeven dat ik er maar mee moest stoppen en heeft u hiermee de opdracht ingetrokken."

3.14.

Met dagtekening 9 maart 2015 heeft [Y] de volgende schriftelijke verklaring afgegeven.

"Hier bevestig ik [dat op] 21 december 2009 de aandelen [in de dochtervennootschap] [zijn] overgedragen. Tot die tijd was aan verschillende makelaars opdracht gegeven om voor de vennootschap vervangend onroerend goed aan te kopen. Deze zoekopdracht was niet beperkt tot Nederland. Na de overdracht van de aandelen heb ik de makelaars mede gedeeld dat hun zoekopdracht werd beëindigd omdat de vennootschap een investering in vastgoed had gedaan."

Geschil en standpunten van partijen in hoger beroep

4.1.

In geschil is of de Inspecteur de herinvesteringsreserve terecht heeft toegevoegd aan de winst van belanghebbende over het jaar 2009.

4.2.1

Belanghebbende stelt primair dat ten tijde van de overdracht van de aandelen in de dochtervennootschap aan koper het herinvesteringsvoornemen nog bestond. Ter onderbouwing van haar stelling heeft belanghebbende aangevoerd dat het herinvesteringsvoornemen blijkt uit de akte van aandelenoverdracht en uit de onder 3 weergegeven verklaringen. In het verlengde hiervan heeft belanghebbende aangevoerd dat artikel 12a Wet Vpb toepassing mist omdat geen herinvesteringsreserve meer aanwezig was ten tijde van de aandelenoverdracht. Er zijn immers – aldus belanghebbende – verplichtingen aangegaan met betrekking tot de koop van een vervangende onroerende zaak, zodat – aldus nog steeds belanghebbende – aanwending van de herinvesteringsreserve voorafgaand aan de aandelenoverdracht heeft plaatsgevonden.

4.2.2

Subsidiair betoogt belanghebbende dat toepassing van de ruilarresten met zich brengt dat een mutatie in het aandeelhoudersbelang niet leidt tot vrijval van de herinvesteringsreserve.

4.2.3.

Meer subsidiair is belanghebbende de mening toegedaan dat indien het Hof van oordeel is dat de herinvesteringsreserve op grond van artikel 12a Wet Vpb dient vrij te vallen, deze vrijval – gelet op het bepaalde in artikel 15aj Wet Vpb – bij de dochtermaatschappij belast moet worden.

4.3.

De Inspecteur weerspreekt het bestaan van een herinvesteringsvoornemen ten tijde van de aandelenoverdracht. Indien het herinvesteringsvoornemen wel aanwezig moet worden geacht, neemt hij subsidiair het standpunt in dat de herinvesteringsreserve met toepassing van artikel 12a, eerste lid, van de Wet Vpb moet worden toegevoegd aan de winst van belanghebbende over 2009. Aangezien de herinvesteringsreserve in het onderhavige jaar nog ten onrechte ten laste van de winstreserve is verhoogd en dit niet is meegenomen in de correctie, is de aanslag eerder te laag dan te hoog. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vermindering van de belastingaanslag tot nihil, herroeping van de heffingsrentebeschikking en van de verliesverrekeningsbeschikking en – naar het Hof begrijpt – tot het nemen van een beschikking tot vaststelling van een verlies van € 34.627 conform de aangifte.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.1.

De rechtbank heeft geoordeeld:

"12. Op grond van artikel 3.54, eerste lid, van de Wet IB 2001 kan van de winst die wordt behaald bij vervreemding van een bedrijfsmiddel een herinvesteringsreserve worden gevormd, welke op grond van het tweede lid van dit artikel kan worden afgeboekt op de aanschaffings- en voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen waarin wordt geherinvesteerd. Op grond van het eerste lid kan de verkoopwinst gereserveerd blijven zolang het herinvesteringsvoornemen bestaat. Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt een herinvesteringsreserve, bijzondere omstandigheden daargelaten, uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] aan de akte van aandelenoverdracht, meer in het bijzonder aan hetgeen daarin is overeengekomen onder “SCHULDOVERNAME”, “KOOP-SOM” en “BETALING KOOPSOM”, en de notulen onder 5, terecht het vermoeden kunnen ontlenen dat ten tijde van de aandelenoverdracht niet langer werd voldaan aan het herinvesteringsvoornemen. [De Inspecteur] heeft in dat verband onweersproken gesteld dat vanwege de schuldovername, [A] BV een vordering verkreeg op een lege vennootschap, te weten [B] BV, zodat het [A] BV zou ontbreken aan de middelen om nog een herinvestering te kunnen verrichten. Daar vanuit gaande brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat [belanghebbende] aannemelijk maakt dat het her-investeringsvoornemen nog bestond ten tijde van de aandelenoverdracht.

14. Ter onderbouwing van haar stelling dat ook ten tijde van de aandelenoverdracht op 21 december 2009 nog steeds sprake was van een herinvesteringsvoornemen heeft [belanghebbende] gewezen op hetgeen in de akte van aandelenoverdracht is vermeld onder “ONDERNEMING IN DE VENNOOTSCHAP” (zie onder 4), op de verklaring onder 7 en de verklaring dat [Y] bij diverse Nederlandse makelaars heeft gevraagd naar interessante beleggingsobjecten voor [A] BV.

15. Met al hetgeen [belanghebbende] heeft gesteld en ter onderbouwing van die stellingen heeft aangevoerd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat ten tijde van de aandelenoverdracht nog een herinvesteringsvoornemen bestond. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Zoals door [de Inspecteur] gesteld en de rechtbank aannemelijk acht, had de aandelenverkoop waarvan de schuldovername onderdeel uitmaakte, tot gevolg dat [A] BV niet meer over de middelen beschikte om nog een herinvestering te kunnen verrichten. Voorts zijn de verklaring onder 7 en de verklaring – waarvan geen bewijs is bijgebracht – dat [Y] navraag had gedaan bij diverse Nederlandse makelaars, niet concreet genoeg om van een herinvesteringsvoornemen te kunnen spreken. Ook het door [belanghebbende] overgelegde “kadastraal bericht eigendom” (hierna: het eigendomsbericht) is daartoe onvoldoende. [De Inspecteur] heeft gesteld en de rechtbank acht aannemelijk dat [belanghebbende] het in het eigendomsbericht vermelde object, dat eigendom is van de gemeente Rijswijk, nooit heeft gekocht. Dat dit niet is gebeurd omdat naar [belanghebbende] stelt de financiering zou zijn afgewezen, heeft [belanghebbende] niet met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt.

De rechtbank overweegt daarbij dat de in artikel 3.54, vijfde lid, van de Wet IB 2001 genoemde 3-jaarstermijn afliep op 31 december 2009, zodat voor [A] BV nog slechts tien dagen restte om daadwerkelijk tot herinvestering over te gaan. Indien ten tijde van de aandelenoverdracht werkelijk het voornemen bestond om op zo korte termijn over te gaan tot aankoop van het in het eigendomsbericht genoemde object, dan had dit redelijkerwijs onderbouwd kunnen worden met stukken aangaande onderhandelingen over de koopprijs, de financiering, de datum van overdracht en dergelijke. Behalve het eigendomsbericht is echter geen enkel daartoe strekkend stuk in geding gebracht. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de herinvesteringsreserve nog vóór de aandelenoverdracht vrijvalt en daarom terecht is opgenomen in de winst van [belanghebbende] over het jaar 2009. [Belanghebbende] heeft in dit verband nog een beroep gedaan op de uitspraak van Hof Arnhem van 30 oktober 2012, nr. 11/00811, ECLI:NL:GHARN:2012:BY3249 (Zwitsers hotel). Dit beroep kan [belanghebbende] niet baten, reeds niet omdat anders dan in haar geval in de casus van de uitspraak nog vóór de aandelenoverdracht de economische eigendom van een onroerende zaak was verworven.

16. Gegeven het oordeel onder 15 behoeven de overige standpunten van partijen geen behandeling meer. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

In hoger beroep komt belanghebbende op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van de aandelenoverdracht nog een herinvesteringsvoornemen bestond, alsmede tegen de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid.

7.2.

Het voornemen tot herinvestering dient voor het eerst te bestaan op de slotbalansdatum van het jaar van vervreemding (in casus dus op 31 december 2006). Het herinvesteringsvoornemen dient vanaf de genoemde balansdatum vervolgens onafgebroken te bestaan tot het moment van herinvestering (vgl. HR 9 november 2012, nr. 11/05078, BNB 2013/21). Bij betwisting door de Inspecteur is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat het herinvesteringsvoornemen onafgebroken aanwezig is geweest.

7.3.

Belanghebbende heeft ten bewijze van het bestaan van het herinvesteringsvoornemen het hierboven weergegeven drietal verklaringen in het geding gebracht en heeft voorts erop gewezen dat het herinvesteringsvoornemen ook blijkt uit de in de akte van aandelenoverdracht opgenomen intentie van de koper. In een geval als het onderhavige mag van belanghebbende worden verwacht dat zij door het aanvoeren van feiten en omstandigheden voldoende concreet maakt dat het herinvesteringsvoornemens immer aanwezig is geweest. De in het geding gebrachte verklaringen zijn vaag en algemeen. Niet geconcretiseerd is welke objecten door [F] en [Y] zijn bezocht. Evenmin is duidelijk geworden welke objecten [H] bij [Y] onder de aandacht heeft gebracht. De verklaring van [D] kan slechts van belang zijn indien komt vast te staan dat ten tijde van de aandelenoverdracht het herinvesteringsvoornemen nog aanwezig is.

7.4.

Belanghebbende heeft in het beroepschrift in eerste aanleg betoogd dat “Uit de akte aandelenoverdracht blijkt dat er een verplichting tot aankoop van vastgoed is aangegaan”. Die stelling berust op een verkeerde lezing van de akte, aangezien daaruit niet meer blijkt dan dat de koper van de aandelen een intentie heeft om vervangend onroerend goed te kopen.

7.5.

In hoger beroep betoogt belanghebbende dat ter zake van het object in Rijswijk “Mondeling (…) een voorlopige koopovereenkomst [is] gesloten”. Die stelling wordt geenszins geconcretiseerd. Niet duidelijk wordt tussen welke personen die overeenkomst tot stand is gekomen en in welke hoedanigheid zij daarbij handelden. Evenmin is duidelijk of en zo ja, welke makelaar(s) bij de transactie betrokken was/waren. Verklaringen van de bij de overeenkomst handelende partijen zijn niet in het geding gebracht. Evenmin is geconcretiseerd wat de overeengekomen prijs is.

7.6.

De door belanghebbende ingenomen stellingen impliceren dat de volledige herinvesteringsreserve kan worden aangewend ter zake van de aanschaf van het vervangende onroerende goed. Bij een zodanige miljoeneninvestering ligt het op de weg van belanghebbende meer informatie te verschaffen over de totstandkoming van de mondelinge voorlopige koopovereenkomst en de daarbij overeengekomen voorwaarden, datum van overdracht en dergelijke. Evenzeer kan worden verwacht dat die mondeling gesloten voorlopige koopovereenkomst op enig moment is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, welke in het geding had kunnen worden gebracht, of – als dat niet is gebeurd – hoe de mondeling gesloten voorlopige overeenkomst is afgewikkeld.

7.7.

Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van de aandelenoverdracht nog een herinvesteringsvoornemen bestond.

7.8.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de herinvesteringsreserve nog vóór de aandelenoverdracht vrijvalt en daarom terecht is toegevoegd aan de winst van belanghebbende over het jaar 2009. Het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt behoeven geen behandeling meer.

7.9.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Mitsdien moet de uitspraak van de rechtbank worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof heeft geen reden voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier N. El Allaoui. De beslissing is op 19 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.

Bij afwezigheid van de voorzitter is het proces-verbaal getekend door mr. H.AJ. Kroon.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.