Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1524

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
BK-14-01375
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil is of het hoger beroep ontvankelijk is en zo ja, of aan belanghebbende een vergoeding voor het taxatierapport en het verschijnen op hoorzitting toegekend moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1295
Belastingblad 2015/360
V-N Vandaag 2015/1782
V-N 2015/39.3 met annotatie van Redactie
FutD 2015-1484
NTFR 2015/2055
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/01375

Uitspraak d.d. 26 mei 2015

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hellevoetsluis, de Heffingsambtenaar,

tegen de vastlegging in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 17 juli 2014 van de Rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank), nummer ROT 14/580.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) heeft de Heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [Y] te [Z], voor het kalenderjaar 2013 (waardepeildatum 1 januari 2012) vastgesteld op € 148.000, onder gelijktijdige oplegging van een daarmee corresponderende aanslag in de onroerendezaakbelastingen.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de waarde gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Een griffierecht van € 45 is geheven.

1.4.

Het onderzoek ter zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal is vastgelegd dat de gemachtigde van belanghebbende het beroep ter zitting heeft ingetrokken.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de hiervoor vermelde vastlegging in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 april 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan:

3.1.

Het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank gehouden op 17 juli 2014 (hierna: het proces-verbaal) bevat de volgende passages:

"Gemachtigde van verweerder:

Verweerder is bereid de WOZ-waarde van de woning van eiser per waardepeildatum 1 januari 2012 nader vast te stellen op € 141.000. Voorts zal verweerder het griffierecht en de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoeden.

Gemachtigde van eiser:

Ik ben, gelet op het aanbod van verweerder, bereid om mijn beroep in te trekken en ga akkoord met de nadere vaststelling van de WOZ-waarde van € 141.000 per waardepeildatum. Met betrekking tot de proceskosten ben ik ook van mening dat deze volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht dienen te worden vergoed.

De rechtbank:

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

  • -

    verweerder stelt de WOZ-waarde van de woning […] per waardepeildatum nader vast op € 141.000,- ;

  • -

    verweerder vergoedt de proceskosten die zijn begroot op € 1.217 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 243,- en wegingsfactor 1, alsmede 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1);

  • -

    verweerder vergoedt het griffierecht ten bedrage van € 45;

  • -

    eiser trekt het beroep in.

(…)"

3.2.

Bij brief van 30 juli 2014 heeft de rechtbank het proces-verbaal aan partijen verzonden.

3.3.

Op 1 september 2014 heeft belanghebbende een faxbericht aan de rechtbank gezonden waarin hij de rechtbank verzoekt alsnog uitspraak op zijn beroep te doen. In het faxbericht is het volgende vermeld:

"Op 30 juli 2014 heb ik van u een procesverbaal ontvangen. (..) Tijdens die zitting is gezegd dat we het beroep intrekken en dat de rechtbank uitspraak moet doen over de proceskostenvergoeding. Dat laatste is evident fout gegaan.

Kunt u mij de uitspraak opsturen zodat ik hiertegen in beroep kan. Tegen enkel een procesverbaal staan geen rechtsmiddelen open."

3.4.

Bij brief van 3 september 2014 heeft de rechtbank gereageerd op het faxbericht van belanghebbende. In deze brief heeft de rechtbank bericht:

"Over het beroep met zaaknummer ROT 14/580 WOZ deel ik u het volgende mee.

In antwoord op uw faxbericht van 1 september jongstleden deel ik u mede dat het proces-verbaal in de zaak met nummer ROT 14/580 WOZ RU01 van de zitting van de rechtbank van donderdag 17 juli 2014 de afspraken die tussen partijen ter zitting zijn gemaakt, kort en zakelijk weergegeven, vermeldt.

Dit proces-verbaal kan worden beschouwd als een vaststellingsovereenkomst, die partijen bindt.

De in dit proces-verbaal opgenomen proceskosten vergoeding is de gebruikelijke forfaitaire vergoeding, gebaseerd op artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht in samenhang met het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht (en de bijlage bij dit Besluit).

U heeft ter zitting ingestemd met deze gebruikelijke vergoeding en vervolgens het beroep ingetrokken.

Gesteld noch gebleken is van een nadere kostenstaat van uw zijde, zodat het proces-verbaal op dit punt de juiste uitwerking geeft van hetgeen is besproken.

Nu u het beroep heeft ingetrokken, is de beroepsprocedure beëindigd met de toezending van het proces-verbaal van de zitting. Een verdere uitspraak van de rechtbank zal achterwege blijven."

3.5.

Op 8 september 2014 heeft belanghebbende een hoger beroepschrift ingediend bij het Hof.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil is of het hoger beroep ontvankelijk is en zo ja, of aan belanghebbende een vergoeding voor het taxatierapport en het verschijnen op hoorzitting toegekend moet worden.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de vraag of het hoger beroep ontvankelijk is bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend. Zowel belanghebbende als de Heffingsambtenaar beantwoordt de vraag of belanghebbende een vergoeding voor het taxatierapport en het verschijnen op hoorzitting toekomt bevestigend. In zijn verweerschrift heeft de Heffingsambtenaar verklaard dat aan belanghebbende ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor het taxatierapport en het bijwonen van de hoorzitting en dat deze kosten alsnog worden vergoed. Belanghebbende gaat ervan uit dat deze kosten inmiddels zijn betaald en als dat niet zo is, dat alsnog zal gebeuren. Ter zitting hebben partijen verklaard daarover geen geschil meer te hebben.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten voor de procedure in hoger beroep.

5.2.

De Heffingsambtenaar concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

6. Op grond van het bepaalde in artikel 27h, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan slechts hoger beroep ingesteld worden tegen een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Aangezien een proces-verbaal van zitting niet een zodanige uitspraak vormt, kan daartegen geen hoger beroep ingesteld worden. Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve niet-ontvankelijk.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Het Hof ziet aanleiding aan belanghebbende een vergoeding toe te kennen voor de ter zake van de procedure in hogerberoep gemaakte proceskosten. Blijkens het vermelde in het hiervoor in onderdeel 3.3 genoemde faxbericht heeft belanghebbende de rechtbank verzocht haar beslissing ten aanzien de proceskostenvergoeding neer te leggen in een uitspraak, zodat daartegen hoger beroep ingesteld kan worden. De rechtbank had dit verzoek moeten opvatten als betwisting van de rechtsgeldige intrekking van het beroep, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder het beroep werd ingetrokken – te weten toekenning van een forfaitaire vergoeding van de bij nota van 27 januari 2014 in rekening gebrachte kosten voor een aan belanghebbende uitgebracht WOZ-taxatieadvies, en de kosten voor de hoorzitting - en had – indien zij van oordeel blijft dat het beroep rechtsgeldig is ingetrokken – haar constatering van die intrekking moeten neerleggen in een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, zodat degene die zich daarmee niet kan verenigen daartegen een rechtsmiddel kan aanwenden (HR 23 september 2011, nr. 11/00372, ECLI:NL:HR:2011:BT2297, BNB 2011/266). De rechtbank is ten onrechte niet aan dit verzoek tegemoetgekomen, zodat belanghebbende geen andere mogelijkheid had dan het instellen van hoger beroep tegen het proces-verbaal van zitting. Gelet daarop veroordeelt het Hof de Staat in de door belanghebbende ter zake van de procedure in hoger beroep gemaakte kosten.

7.2.

Het Hof stelt deze proceskosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 980 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 490 x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.3.

Voorts dient aan belanghebbende ten laste van de Staat het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 122 te worden vergoed.

Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    gelast dat de griffier van het Hof aan belanghebbende vergoed de door hem gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980 en;

  • -

    gelast dat de griffier van het Hof aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 122 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, W.M.G. Visser en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier N. El Allaoui. De beslissing is op 26 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.