Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1454

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
22-005924-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artt. 51, 57, 225, 326 en 420ter Sr. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van: 1 primair: oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd, 2; van het plegen van witwassen een gewoonte maken, en 3: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdachte verkocht spaarproducten aan de inleggers die veelal nadrukkelijk hadden aangegeven dat zij geen financieel risico met hun geld wilden lopen, terwijl het ingelegde geld in werkelijkheid werd uitgeleend aan en/of geïnvesteerd in bedrijven, hetgeen een risicovolle belegging was. De verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, door de ingelegde, door oplichting verkregen, gelden te gebruiken en over te dragen. Behalve dat de gelden werden belegd, werden er ook rentes aan andere inleggers mee betaald en werden er privébetalingen mee verricht. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het gebruikmaken van valse geschriften, te weten een werkgeversverklaring, een loonstrook en een taxatierapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005924-12

Parketnummers: 11-993002-10 en 11-992004-11

Datum uitspraak: 10 juni 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 21 december 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

13 en 20 mei 2015. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 27 mei 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. primair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, zoals nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

(Parketnummer 11-993002-10)

1.
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of een of meer aanverwante rechtsperso(o)n(en), in elk geval een rechtspersoon, op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 15 september 2004 tot en met 26 januari 2010, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

(telkens) een (groot aantal) perso(o)n(en) althans een of meer van onderstaande perso(o)n(en) heeft bewogen en/of door (een) ander(en) heeft doen bewegen tot de (girale) afgifte van een of meer (na te noemen) geldbedrag(en), waaronder althans te weten

A) [slachtoffer 1] (D111) tot een bedrag van euro 20.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

B) [slachtoffer 2] (D171) tot een bedrag van euro 20.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

C) [slachtoffer 3] (D150) tot een bedrag van euro 175.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

D) [slachtoffer 4] (D145) tot een bedrag van euro 152.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

E) [slachtoffer 5] (D118) tot een bedrag van euro 100.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

F) [slachtoffer 6] (D77) tot een bedrag van euro 90.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

G) [slachtoffer 7] (bijlage(n) G6) tot een bedrag van euro 692.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

H) [slachtoffer 8] (D62 en/of D63 en/of D64) tot een bedrag van euro 915.020,25, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed,

immers heeft/hebben [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of een of meer aanverwante rechtsperso(o)n(en), in elk geval (een) rechtsperso(o)n(en) en/of één (of meer) mededader(s) met voornoemd oogmerk

-zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een groot aantal personen waaronder althans een of meer van voornoemde perso(o)n(en)

- benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan en/of het storten van een of meer geldbedrag(en) op een of meer (deposito)- en/of (spaar)rekening(en),

bij welke gelegenhe(i)d(en) verdachte en of zijn mededader(s) heeft/hebben voorgewend dat

-het geld zou worden gestort op een (deposito) en/of (spaar)rekening(en) en/of

-er een gegarandeerde dagrente was en/of

-het ingelegde bedrag 30 dagen na einddatum polis zou worden teruggestort op de tegenrekening,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feiten verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 15 september 2004 tot en met 26 januari 2010, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of een of meer (aanverwante) rechtsperso(o)n(en) en/of (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

(telkens) een (groot aantal) perso(o)n(en) althans een of meer van onderstaande perso(o)n(en) heeft bewogen en/of door (een) ander(en) heeft doen bewegen tot de (girale) afgifte van een of meer (na te noemen) geldbedrag(en), waaronder althans te weten

A) [slachtoffer 1] (D111) tot een bedrag van euro 20.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

B) [slachtoffer 2] (D171) tot een bedrag van euro 20.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

C) [slachtoffer 3] (D150) tot een bedrag van euro 175.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

D) [slachtoffer 4] (D145) tot een bedrag van euro 152.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

E) [slachtoffer 5] (D118) tot een bedrag van euro 100.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

D) [slachtoffer 6] (D77) tot een bedrag van euro 90.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

E) [slachtoffer 7] (bijlage(n) G6) tot een bedrag van euro 692.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

F) [slachtoffer 8] (D62 en/of D63 en/of D64) tot een bedrag van euro 915.020,25, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met voornoemd oogmerk -zakelijk weergegeven –

opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een groot aantal personen waaronder althans een of meer van voornoemde perso(o)n(en)

- benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan en/of het storten van een of meer gelbedrag(en) op een of meer (deposito)- en/of (spaar)rekening(en)

bij welke gelegenhe(i)d(en) verdachte en of zijn mededader(s) heeft/ hebben voorgewend dat

-het geld zou worden gestort op een (deposito)- en/of (spaar)rekening(en) en/of

-er een gegarandeerde dagrente was en/of

-het ingelegde bedrag 30 dagen na einddatum polis zou worden teruggestort op de tegenrekening;


2.
hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 15 september 2004 tot en met 26 januari 2010, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of een of meer (aanverwante) rechtsperso(o)n(en) en/of (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) (een) voorwerp(en), te weten een (of meer) geldbedrag(en), tot een totaal van (ongeveer) € 2.164.020,00, althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

hebbende hij, verdachte en of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt;


(Parketnummer 11-992004-11)

3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007 te Dordrecht en/of Nieuwe Tonge en/of Utrecht en/of Geleen en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of vervalste geschriften, als ware dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, te weten

A) een werkgeversverklaring d.d.12 april 2007 (3-D-04) en/of

B) een loonstrook over de periode juni 2007 (3-D-05) en/of

C) een taxatierapport van [bedrijf 3] d.d. 11 december 2006 met betrekking tot object Kees Pijlstraat [nummer] te Rotterdam (3-D-07),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen –

bestaande dat gebruik maken (telkens) hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde werkgeversverklaring en/of loonstrook en/of taxatierapport heeft/hebben ingediend bij SNS Bank en/of BGL Hypotheekbank N.V. ter verkrijging van een lening,

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

ad A) in/op die werkgeversverklaring is vermeld/opgenomen dat [medewerker] sedert 1 december 2005 in dienst is bij [bedrijf 4] te Nieuwe Tonge in de functie van Accountmanager en/of een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij [bedrijf 4] en/of is aangesteld in vaste dienst bij [bedrijf 4] terwijl [medewerker] in werkelijkheid nooit heeft gewerkt voor [bedrijf 4] en/of

ad B) in/op die loonstrook is vermeld/opgenomen dat [medewerker] 21 dagen heeft gewerkt bij [bedrijf 4] te Nieuwe Tonge en/of een netto loon heeft ontvangen van euro 3206,07 op rekeningnummer [rekeningnummer] terwijl [medewerker] in werkelijkheid nooit heeft gewerkt voor [bedrijf 4] en/of geen rekeningnummer [rekeningnummer] heeft en/of

ad C) in/op het taxatierapport is vermeld/opgenomen dat de woning is geïnspecteerd en gewaardeerd op een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van euro 395.000,00 en/of een executiewaarde vrij van huur en gebruik van euro 355.000,00 terwijl de woning volgens een taxatierapport van Koophuis Makelaars (opgesteld in opdracht van BLG Hypotheken) d.d. 29 juni 2010 een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van euro 260.000,00 en/of executiewaarde vrij van huur en gebruik van euro 210.000,00 heeft.

Geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman

-overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen- ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd – kort gezegd - dat

het onderdeel ‘een groot aantal personen’ in de tenlastelegging te ondefinieerbaar is;

de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is, nu er zeven personen [het hof begrijpt: acht] in de tenlastelegging worden genoemd en dit geen groot aantal is;

de woorden ‘deposito’ en ‘spaar’ telkens tussen haakjes zijn geplaatst, zodat deze woorden weggestreept moeten kunnen worden en er dan slechts overblijft dat het geld zou worden gestort op een rekening. Daarmee is de tenlastelegging op dat onderdeel, alsmede op de daaropvolgende onderdelen dat er een gegarandeerde dagrente was en het ingelegde geld na einddatum polis zou worden teruggestort op de tegenrekening, onduidelijk en onvoldoende feitelijk;

er sprake is van een open einde van de tenlastelegging, nu er na het woord ‘immers’ niet is opgenomen dat de vermeende slachtoffers door de oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot afgifte van het geld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad I, II en III.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het procesdossier en het geheel van de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten, in onderlinge samenhang bezien, voldoende duidelijk is wat de verdenking tegen de verdachte inhoudt. De verdachte moet in staat worden geacht de tekst van de tenlastelegging te begrijpen. Meer in het bijzonder heeft de verdachte tijdens zijn verhoren bij de politie, de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg blijk gegeven te hebben begrepen wat hem onder 1 primair en subsidiair is tenlastegelegd. De tenlastelegging is naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk; zij is begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig. Dit geldt ook ten aanzien van het onderdeel ‘een groot aantal’, waarbij het hof opmerkt dat het opnemen van dergelijke woorden in de tenlastelegging niet zonder meer leidt tot nietigheid van de dagvaarding (vgl. ook Hoge Raad 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5074).

Ad IV.

Het hof stelt vast dat in het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde alle bestanddelen van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht zijn opgenomen en dat het gedeelte dat na het woord ‘immers’ is opgenomen een verfeitelijking betreft van de wijze waarop de benadeelden zouden zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen. Het hof is van oordeel dat het bestanddeel ‘heeft bewogen en/of heeft doen bewegen’ in de tenlastelegging voldoende feitelijk is en dat dit bestanddeel na het woord ‘immers’ niet herhaald behoeft te worden, zodat de dagvaarding op dat punt evenmin nietig is.

Het hof is derhalve van oordeel dat de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet en verwerpt het beroep op nietigheid van de dagvaarding.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweren met betrekking tot bewijsuitsluiting

Laptop

Door de raadsman is ter terechtzitting betoogd dat de informatie die afkomstig is van de laptop van de verdachte, alsmede het nadien verkregen bewijs als verboden vrucht daarvan, onrechtmatig is verkregen en voor het bewijs dient te worden uitgesloten. Hiertoe is aangevoerd –kort gezegd- dat er nimmer sprake is geweest van inbeslagname van de laptop onder de verdachte. In dit kader heeft de raadsman tevens voorwaardelijk verzocht om de heer De Witte, FIOD-ambtenaar, dan wel de persoon die aanwezig was bij de inbeslagname van de laptop onder de heer [persoon], als getuige te horen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De stelling van de verdediging dat de in een andere zaak in beslag genomen laptop van de verdachte en de daaruit verkregen informatie (de image) op het moment dat het strafvorderlijk belang in de andere zaak ophield te bestaan, opnieuw in beslag genomen had moeten worden en/of dat de image vernietigd had moeten worden, kan, indien al juist, niet de gevolgtrekking dragen dat zulks een vormverzuim oplevert dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering naar de in de onderhavige zaak tenlastegelegde feiten waardoor in de onderhavige strafprocedure een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in zodanige mate is geschonden dat de informatie die verkregen is uit de laptop en de vruchten daarvan van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten. Het verweer wordt dan ook verworpen. Gelet op het voorgaande is de noodzaak tot het horen van de heer De Witte dan wel een andere persoon die bij de inbeslagname aanwezig was niet gebleken, zodat dit voorwaardelijke getuigenverzoek wordt afgewezen.

Bescheiden van benadeelde partijen

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte enkele bescheiden die benadeelde partijen ter onderbouwing van hun vorderingen hebben ingezonden voor het bewijs heeft gebezigd, nu deze stukken geen onderdeel van het procesdossier uitmaken. Wat er ook zij van hetgeen de raadsman hieromtrent heeft betoogd, het hof zal bescheiden die alleen op enig moment bij de voegingsformulieren van de benadeelde partijen zijn gevoegd en zich niet anderszins bij de stukken bevinden, niet voor het bewijs bezigen, zodat dit verweer geen nadere bespreking behoeft.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of een of meer aanverwante rechtsperso(o)n(en), in elk geval een rechtspersoon, op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 15 september 2004 tot en met 26 januari 2010, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

(telkens) een (groot aantal) perso(o)n(en) althans een of meer van onderstaande perso(o)n(en) heeft bewogen en/of door (een) ander(en) heeft doen bewegen tot de (girale) afgifte van een of meer (na te noemen) geldbedrag(en), waaronder althans te weten

A) [slachtoffer 1] (D111) tot een bedrag van euro 20.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

B) [slachtoffer 2] (D171) tot een bedrag van euro 20.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

C) [slachtoffer 3] (D150) tot een bedrag van euro 175.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

D) [slachtoffer 4] (D145) tot een bedrag van euro 152.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

E) [slachtoffer 5] (D118) tot een bedrag van euro 100.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

F) [slachtoffer 6] (D77) tot een bedrag van euro 90.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

G) [slachtoffer 7] (bijlage(n) G6) tot een bedrag van euro 692.000,00, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed en/of

H) [slachtoffer 8] (D62 en/of D63 en/of D64) tot een bedrag van euro 915.020,25, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed,

immers heeft/hebben [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of een of meer aanverwante rechtsperso(o)n(en), in elk geval (een) rechtsperso(o)n(en) en/of één (of meer) mededader(s) met voornoemd oogmerk

-zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een groot aantal personen waaronder althans een of meer van voornoemde perso(o)n(en)

- benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan en/of het storten van een of meer geldbedrag(en) op een of meer (deposito)- en/of (spaar)rekening(en),

bij welke gelegenhe(i)d(en) verdachte en of zijn mededader(s) heeft/hebben voorgewend dat

-het geld zou worden gestort op een (deposito)- en/of (spaar)rekening(en) en/of

-er een gegarandeerde dagrente was en/of

-het ingelegde bedrag 30 dagen na einddatum polis zou worden teruggestort op de tegenrekening,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feiten verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.
hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 15 september 2004 tot en met 26 januari 2010, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of een of meer (aanverwante) rechtsperso(o)n(en) en/of (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) (een) voorwerp(en), te weten een (of meer) geldbedrag(en), tot een totaal van (ongeveer) € 2.164.020,00, althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

hebbende hij, verdachte en of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt;


3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007 te Dordrecht en/of Nieuwe Tonge en/of Utrecht en/of Geleen en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of vervalste geschriften, als waren dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, te weten

A) een werkgeversverklaring d.d.12 april 2007 (3-D-04) en/of

B) een loonstrook over de periode juni 2007 (3-D-05) en/of

C) een taxatierapport van [bedrijf 3] d.d. 11 december 2006 met betrekking tot object Kees Pijlstraat [nummer] te Rotterdam (3-D-07),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen –

bestaande dat gebruik maken (telkens) hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde werkgeversverklaring en/of loonstrook en/of taxatierapport heeft/hebben ingediend bij SNS Bank en/of BGL Hypotheekbank N.V. ter verkrijging van een lening,

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

ad A) in/op die werkgeversverklaring is vermeld/opgenomen dat [medewerker] sedert 1 december 2005 in dienst is bij [bedrijf 4] te Nieuwe Tonge in de functie van Accountmanager en/of een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij [bedrijf 4] en/of is aangesteld in vaste dienst bij [bedrijf 4] terwijl [medewerker] in werkelijkheid nooit heeft gewerkt voor [bedrijf 4] en/of

ad B) in/op die loonstrook is vermeld/opgenomen dat [medewerker] 21 dagen heeft gewerkt bij [bedrijf 4] te Nieuwe Tonge en/of een netto loon heeft ontvangen van euro 3206,07 op rekeningnummer [rekeningnummer] terwijl [medewerker] in werkelijkheid nooit heeft gewerkt voor [bedrijf 4] en/of geen rekeningnummer [rekeningnummer] heeft en/of

ad C) in/op het taxatierapport is vermeld/opgenomen dat de woning is geïnspecteerd en gewaardeerd op een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van euro 395.000,00 en/of een executiewaarde vrij van huur en gebruik van euro 355.000,00 terwijl de woning volgens een taxatierapport van Koophuis Makelaars (opgesteld in opdracht van BLG Hypotheken) d.d. 29 juni 2010 een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van euro 260.000,00 en/of executiewaarde vrij van huur en gebruik van euro 210.000,00 heeft.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft ter terechtzitting bepleit dat er geen sprake was van noodzakelijkheidsbewustzijn dan wel voorwaardelijk opzet bij de verdachte op de oplichtingshandelingen, noch dat er sprake was van het feitelijke leiding geven aan de verboden gedragingen door de verdachte. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte altijd te goeder trouw spaarproducten verkocht, dat hij volledig vertrouwde op zijn compagnon, medeverdachte [medeverdachte], die verantwoordelijk was voor de betalingen en de administratie en dat hij niet wist dat [medeverdachte] de ingelegde geldbedragen – in strijd met de afspraken die gemaakt waren met de kopers van de spaarproducten - feitelijk inzette als obligaties. Volgens de verdediging dient hij dan ook van het onder 1 primair en subsidiair en 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat het door de verdediging geschetste beeld niet strookt met hetgeen uit de bewijsmiddelen naar voren komt. In de eerste plaats is er namens [bedrijf 1] op 24 oktober 2007 – naar aanleiding van door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) gestelde vragen over het product [product] – een brief verstuurd aan de AFM waarin is aangegeven dat [bedrijf 1] middels [product] zelf obligaties uitgeeft, welke in het bedrijf of bij [bedrijf 2] worden uitgezet. De betreffende brief is door de verdachte ondertekend. Voorts is in een brief van 28 februari 2008 namens [bedrijf 1] aan de Nederlandse Bank geschreven dat zij obligaties uitgeeft. Deze brief is ook door de verdachte ondertekend. Het hof acht de stelling van de verdediging dat [medeverdachte] de brieven opstelde en dat de verdachte deze vervolgens ‘blind’ heeft ondertekend en niets over de beleggingen wist, onaannemelijk, nu er, gelet op de verklaringen van de bestuurders [bestuurder 1] en [bestuurder 2], naar aanleiding van de brief van de AFM een overleg heeft plaatsgevonden waar de verdachte zelf heeft aangegeven dat het om bedrijfsobligaties ging. De stelling van de verdediging dat de verdachte het verschil tussen een spaarproduct en een obligatie niet kende acht het hof op grond van zijn werkzaamheden, opleiding en arbeidsverleden onaannemelijk.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte wist dat de gelden die hij zelf en enkele anderen namens [bedrijf 1] aantrokken, niet op een deposito- en/of spaarrekening werden gezet.

Gelet op het voorgaande worden de verweren van de verdediging verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan het feitelijke leiding geven aan het door [bedrijf 1] begaan van oplichting van diverse personen. De verdachte verkocht spaarproducten aan de inleggers die veelal nadrukkelijk hadden aangegeven dat zij geen financieel risico met hun geld wilden lopen, terwijl het ingelegde geld in werkelijkheid werd uitgeleend aan en/of geïnvesteerd in bedrijven, hetgeen een risicovolle belegging was. De verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, door de ingelegde, door oplichting verkregen, gelden te gebruiken en over te dragen. Behalve dat de gelden werden belegd, werden er ook rentes aan andere inleggers mee betaald en werden er privébetalingen mee verricht.

Als gevolg van het handelen van de verdachte zijn de inleggers hun geld kwijtgeraakt, waarbij de totale schade in de miljoenen loopt. Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen van de inleggers. Hij heeft geen enkele rekening gehouden met de mogelijke gevolgen die zijn handelen voor anderen zou (kunnen) hebben, hetgeen het hof de verdachte zwaar aanrekent.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het gebruikmaken van valse geschriften, te weten een werkgeversverklaring, een loonstrook en een taxatierapport. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen beschaamd dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van dergelijke geschriften.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt. De door de advocaat-generaal gevorderde straf acht het hof te zwaar, gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd en in aanmerking genomen de omstandigheid dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof stelt evenwel ambtshalve vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu de berechting in hoger beroep ruim twee jaren en vijf maanden heeft geduurd. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin, dat in plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, een gevangenisstraf van 23 maanden zal worden opgelegd.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De hierna te noemen benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep in het geding gevoegd en hebben vergoeding van de door hen geleden schade als gevolg van het onder

1. ten laste gelegde gevorderd:

 [ [benadeelde partijen 1 t/m 58]

Het hof merkt op dat een aantal vorderingen tot schadevergoeding, waaronder die van de curator in het faillissement van de verdachte, thans niet meer aan de orde zijn, nu deze benadeelde partijen zich in hoger beroep niet meer in het geding hebben gevoegd.

De verdachte is bij vonnis van 21 juni 2011 in staat van faillissement verklaard en dit is tot op heden onveranderd gebleven. Op grond van artikel 26 van de Faillissementswet kunnen rechtsvorderingen tegen de gefailleerde, die strekken tot het verrichten van betalingen ten laste van de failliete boedel, op geen andere wijze worden ingesteld dan door die vorderingen ter verificatie aan te melden bij de curator in het faillissement. Dit brengt mee dat een eiser die zijn vordering op een andere wijze instelt, daarin niet ontvangen kan worden. Gelet op het voorgaande dienen de benadeelde partijen in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 51, 57, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drieëntwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart de hierna te noemen benadeelde partijen in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk:

 [benadeelde partijen 1 t/m 58].

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Reinking,

mr. G. Dulek-Schermers en mr. J.W. Klein Wolterink, in bijzijn van de griffier mr. J. van der Vegte.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2015.