Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1428

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
22-001922-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan de mishandeling van een supermarktmedewerker.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001922-13

Parketnummer: 11-245078-12

Datum uitspraak: 21 mei 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 april 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1991,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 23 juni 2014 en 7 mei 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 600,--, subsidiair 12 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 november 2012 te Zwijndrecht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij]), (meermalen) op/tegen/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De verdediging heeft overeenkomstig haar pleitnotities betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte behoort te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd – verkort en zakelijk weergegeven – dat de politie heeft verzuimd aanstonds een gedegen onderzoek in te stellen naar het bestaan van camerabeelden die de verklaring van de verdachte zouden kunnen verifiëren. Aldus is door met opsporing en vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt te dien aanzien het volgende.

Het hof constateert met de raadsvrouw dat de politie niet aanstonds een zelfstandig onderzoek heeft verricht naar het bestaan van de camerabeelden, doch in dezen heeft volstaan met een telefonische navraag bij de desbetreffende supermarkt. Het hof is evenwel van oordeel dat hieruit niet volgt dat de betrokken opsporingsambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Ook overigens zijn naar het oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit dit volgt, dan wel waaruit volgt dat sprake is van een fundamentele schending waardoor de integriteit van het strafproces in de kern is geraakt.

Gelet op het vorenstaande is het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 29 november 2012 te Zwijndrecht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij]), (meermalen) op/tegen/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich om redenen als verwoord in haar pleinotities op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangever [benadeelde partij] en de getuige [getuige] onbetrouwbaar zijn en om die reden dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof acht dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Ook overigens zijn op grond van het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan de onbetrouwbaarheid van de aangever en de getuige afgelegde verklaringen moet worden aangenomen. In dit verband is van belang dat deze voor het bewijs gebezigde verklaringen op belangrijke onderdelen steun vinden in andere wettige bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen dan ook betrouwbaar en kunnen derhalve voor het bewijs van het de verdachte ten laste gelegde worden gebezigd.

Het verweer ter zake wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnotities bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit (putatief) noodweer, dan wel dat hem een beroep op noodweerexces toekomt. De raadsvrouw heeft daartoe gesteld dat – verkort weergegeven - de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn moeder en zichzelf door supermarktmedewerkers. Omdat zijn moeder in een wurggreep was vastgepakt en hij haar hoorde schreeuwen van de pijn, heeft de verdachte begrijpelijkerwijs getracht een van de supermarktmedewerkers van zijn moeder weg te duwen om haar te beschermen tegen de aanval. Tevens was bij de verdachte sprake van een dermate hevige gemoedstoestand, dat het door hem gebruikte geweld hem niet kan worden toegerekend. Voor zover de moeder van de verdachte niet werd mishandeld, heeft de verdachte ter zake van die veronderstelling gedwaald.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de raadsvrouw aan het verweer ten grondslag heeft gelegd op basis van het procesdossier en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Het hof is van oordeel dat de door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen wordt uitgesloten door de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Op 29 november 2012 kwam de verdachte op telefonisch verzoek van zijn moeder naar de supermarkt, waar zij zich op dat moment bevond. Zijn moeder had geweigerd in haar tas te laten kijken, waarop de aangever haar had verzocht mee te lopen naar de kantine om de procedure uit te leggen in een rustige situatie. De moeder, die kennelijk onvoldoende Nederlands sprak en verstond, werkte niet mee. Op de groente-afdeling verzette de vrouw zich hevig, waarbij zij luid gilde. De aangever pakte de moeder bij haar polsen beet, teneinde haar mee te trekken naar het kantoor. Nadat de moeder zich losrukte, heeft hij haar opnieuw beetgepakt. Op dat moment kwamen de verdachte en zijn broer de winkel binnen. Bij aankomst zag de verdachte dat zijn moeder was vastgepakt door een supermarktmedewerker. De verdachte sprong vervolgens op de medewerker af, pakte hem bij zijn nek beet en sloeg hem direct meermalen met gebalde vuist in zijn gezicht.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gedragingen van de aangever niet kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte’s moeder of van de verdachte. De moeder van de verdachte weigerde immers mee te gaan naar de kantine, waarop de supermarktmedewerker haar had vastgepakt teneinde de orde in de winkel te bewaken. Derhalve kan niet worden gesteld dat de aanranding van de moeder van de verdachte wederrechtelijk was.

De verdachte heeft zich niet van de toedracht van de situatie vergewist, maar ervoor gekozen als eerste direct te slaan. Zo dan ook sprake was van dwaling omtrent de situatie, dan is deze dwaling niet verschoonbaar.

Mitsdien is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een (putatieve) noodweersituatie, zodat het beroep op (putatief) noodweer(exces) niet slaagt.

De verweren worden derhalve verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 600,--, subsidiair 12 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan de mishandeling van een supermarktmedewerker. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat in beginsel een voorwaardelijke geldboete van € 320,--, subsidiair 160 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren een passende en geboden reactie vormt.

Het hof stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de termijn voor inzending van de stukken in hoger beroep alsmede de termijn voor de berechting in hoger beroep met ongeveer een maand is overschreden.

Het hof zal de overschrijding van deze termijnen verdisconteren in de strafmaat en in plaats van de hiervoor overwogen voorwaardelijke geldboete een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte opleggen.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. H.A. van Brummen, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 mei 2015.

Mr. H.A. van Brummen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.