Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1424

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
22-001965-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte, die tevoren alcohol en drugs had gebruikt, heeft zwaar vuurwerk, te weten een 5 inch mortierbom, voor de voordeur van de woning uit de buurt gelegd en afgestoken waarbij er een ontploffing is veroorzaakt met ernstige gevolgen.

Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander ingebroken bij zijn moeder, terwijl zij op vakantie was.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren. Het hof stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte na zijn invrijheidstelling zich zal melden bij GGZ Reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001965-14

Parketnummer: 09-857003-14

Datum uitspraak: 20 mei 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 april 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1980,

thans gedetineerd in de PI Haaglanden - HvB Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 6 mei 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden als vermeld in het vonnis. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en zijn schadevergoedingsmaatregelen opgelegd als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 januari 2014 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een (mortier)bom, althans een stuk vuurwerk met knaleffect, in elk geval enig vuurwerk, voor de voordeur, althans in de omgeving, van een woning gelegen aan het [straatnaam] 9 te plaatsen en/of daarna die (mortier)bom, althans dat vuurwerk aan te steken waardoor die (mortier)bom, althans dat vuurwerk, tot ontploffing is gekomen/gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning aan het [straatnaam] 9 en/of de inventaris van die woning en/of voor de in de nabijheid gelegen woning(en) (te weten [straatnaam] 5 en/of 6 en/of 7 en/of 8 en/of 10 en/of 11), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de woning [straatnaam] 9 en/of de in de nabijheidgelegen woning(en) (te weten [straatnaam] 5 en/of 6 en/of 7 en/of 8 en/of 10 en/of 11) bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2:

hij op of omstreeks de periode van 31 december 2013 tot en met 1 januari 2014 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten:

- mortierbom(men) te weten twee, althans één of meer mortierbom(men), althans een vuurwerkbom, met thans nog onbekende samenstelling, terwijl dat bestemd was voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 14 september 2013 tot en met 25 september 2013 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning [adres] heeft weggenomen een Imac en/of

een playstation en/of een fotocamera en/of een desktop pc en/of een mp3-speler en/of (twee) telefoon(s) en/of (twee) blu-ray speler(s) en/of een ipod en/of

een cameratas en/of (drie) televisie(s) en/of een Xbox en/of een laptop en/of een Ipad en/of een koffiemachine en/of een harde schijf en/of een cinemaset en/of een speakerset en/of een klopboormachine en/of een accuboormachine en/of een tablet en/of een printer en/of een monitor en/of (een) siera(a))d(en) (te weten (een) ketting(en) en/of ring(en) en/of armband(en)) en/of

horloge(s) en/of een of meer ander(e) goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het openbreken van een raam van voornoemde woning en door de aldus ontstane opening naar binnen te klimmen en/of door middel van een valse sleutel, te weten de sleutel van de bewoner.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1:

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen vaststellen dat er door rondvliegend glas sprake is geweest van levensgevaar voor de zich in de woning aan het [straatnaam] 9 bevindende personen, zodat de verdachte van dit onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 1 januari 2014 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een (mortier)bom, althans een stuk vuurwerk met knaleffect, in elk geval enig vuurwerk, voor de voordeur, althans in de omgeving, van een woning gelegen aan het [straatnaam] 9 te plaatsen en/of daarna die (mortier)bom, althans dat vuurwerk aan te steken waardoor die (mortier)bom, althans dat vuurwerk, tot ontploffing is gekomen/gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning aan het [straatnaam] 9 en/of de inventaris van die woning en/of voor de in de nabijheid gelegen woning(en) (te weten [straatnaam] 5 en/of 6 en/of 7 en/of 8 en/of 10 en/of 11), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de woning [straatnaam] 9 en/of de in de nabijheidgelegen woning(en) (te weten [straatnaam] 5 en/of 6 en/of 7 en/of 8 en/of 10 en/of 11) bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

hij in op of omstreeks de periode van 31 december 2013 tot en met 1 januari 2014 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, te weten:

- mortierbom(men) te weten twee, althans één of meer mortierbom(men), althans een vuurwerkbom, met thans nog onbekende samenstelling, terwijl dat bestemd was voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 14 september 2013 tot en met 25 september 2013 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning [adres] heeft weggenomen een Imac en/of

een playstation en/of een fotocamera en/of een desktop pc en/of een mp3-speler en/of (twee) telefoon(s) en/of (twee) blu-ray speler(s) en/of een ipod en/of

een cameratas en/of (drie) televisie(s) en/of een Xbox en/of een laptop en/of een Ipad en/of een koffiemachine en/of een harde schijf en/of een cinemaset en/of een speakerset en/of een klopboormachine en/of een accuboormachine en/of een tablet en/of een printer en/of een monitor en/of (een) siera(a))d(en) (te weten (een) ketting(en) en/of ring(en) en/of armband(en)) en/of

horloge(s) en/of een of meer ander(e) goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het openbreken van een raam van voornoemde woning en door de aldus ontstane opening naar binnen te klimmen en/of door middel van een valse sleutel, te weten de sleutel van de bewoner.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Uit het dossier blijkt dat tijdens de ontploffing aangeefster [benadeelde 2] samen met haar zoontje lag te slapen op de bank in de woonkamer van de woning aan het [straatnaam] 9. De bank stond in de directe nabijheid van één van de ramen die door de ontploffing vernield is.

[benadeelde 2] zag en voelde dat zij na de ontploffing glas-scherven in haar haar had. De deken van haar zoontje lag vol met glasscherven. De man van [benadeelde 2], [benadeelde 1] genaamd, en haar dochter lagen op de eerste etage van deze woning te slapen en ook hun bed stond in de

directe nabijheid van een raam dat door de ontploffing is vernield. Na de ontploffing voelde Femandes glas over zich heen. Voorts lag het rolgordijn van het raam op hem. Een andere zoon van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] lag op de tweede etage te slapen. Hij zat na de ontploffing ook onder het glas. Alle genoemde personen sliepen in vertrekken die gelegen waren aan de voorzijde van de woning, waar zich de ontploffing heeft voorgedaan.

Gelet op de vorenstaande omstandigheden was er naar het oordeel van het hof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten voor de personen die zich in de woning aan het [straatnaam] 9 bevonden.

Het verweer van de raadsvrouw hieromtrent wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van feit 2

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de geoofwaardigheid van verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Gelet op de verklaringen van Woeltjes, en F. en [getuige 2] concludeert het hof dat de medeverdachte [medeverdachte] (de vriendin van de verdachte) op de hoogte was van het feit dat de verdachte twee mortierbommen in hun woning voorhanden had en daar in zoverre over kon beschikken.

Hieruit volgt dat er ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte].

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat er geen sprake is geweest van een doelbewuste aanslag:

De verdachte heeft verklaard (p. 195 van het proces-verbaal) dat hij die avond op een veilige plek (op een stenen korf bij een hangplek)een 3 inch mortierbom had afgestoken, dat de klap veel harder was dan “een nitraat”, het was “echt een klap van een granaat”, en de verdachte was blij dat hij die bom niet voor zijn huis had neergegooid. In die wetenschap heeft hij vervolgens een veel zwaardere mortierbom, te weten een 5 inch mortierbom, voor de voordeur bij een gezin met drie jonge kinderen gelegd -een gezin dat hij goed kent- op een tijdstip dat zelfs in de Nieuwjaarsnacht verwacht kan worden dat iedereen ligt te slapen. Voornoemde gedragingen moeten worden aangemerkt als een doelbewuste aanslag op het gezin in de vorm van het teweegbrengen van een ontploffing waarbij onder meer gevaar voor lichamelijk letsel van dat gezin te duchten is.

Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

1: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

2: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;

3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, die tevoren alcohol en drugs had gebruikt, heeft zwaar vuurwerk, te weten een 5 inch mortierbom, voor de voordeur van de woning uit de buurt gelegd en afgestoken waarbij er een ontploffing is veroorzaakt met ernstige gevolgen. In die woning lagen de bewoners te slapen. Met dit gezin hadden de verdachte en zijn partner al gedurende langere tijd een conflict. Het illegale vuurwerk was zodanig zwaar, dat door het afsteken daarvan de woning zwaar is beschadigd. Ook de ruiten van een groot aantal woningen in de directe nabijheid van die woning zijn vernield.

Dat niemand door de glasscherven van de vernielde ruiten (ernstig) letsel heeft opgelopen mag een wonder worden genoemd en is geenszins aan de verdachte te danken maar berust op toeval.

De ontploffing heeft een grote impact gehad, niet alleen op de bewoners van de betreffende woning maar op de gehele buurt. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog lange tijd de psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat dit kennelijk een berekenende aanslag op het gezin is geweest en dat de verdachte onvoldoende heeft stil gestaan bij de algemeen bekende gevaren die het voorhanden hebben en het afsteken van illegaal zwaar vuurwerk met zich mee brengt.

Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander ingebroken bij zijn moeder, terwijl zij op vakantie was. Hij heeft daarbij op schaamteloze wijze misbruik gemaakt van zijn wetenschap over hetgeen er in die woning te halen viel en wanneer dit zonder vrees voor betrapping kon worden gestolen. Daarbij heeft hij niet geschroomd om tot driemaal toe een groot aantal, deels zeer kostbare, voorwerpen uit de woning van zijn moeder te ontvreemden.

Het hof rekent de verdachte deze grove inbreuk op het eigendomsrecht van zijn moeder ernstig aan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 april 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het rapport van Palier, forensische & intensieve zorg, d.d. 7 maart 2014, betreffende de verdachte.

De rapporteur meldt dat er bij de verdachte sprake is van middelenafhankeljkheid in gedwongen remissie.

Een interventie op dit gebied is geïndiceerd, zodat zijn levenssituatie verbetert en de kans op delictgedrag teruggedrongen kan worden. Volgens de rapporteur is

verdachte ook gemotiveerd om zijn levenssituatie daadwerkelijk een andere wending te geven. De rapporteur is van mening dat een verplicht reclasseringscontact geïndiceerd is om het recidiverisico te laten afnemen. Verdachte heeft begeleiding en ondersteuning nodig.

Gezien de vermoedens van een hoge mate van beïnvloed-baarheid en mogelijke ADHD of een andere impulscontrole-problematiek dient de verdachte tevens aangemeld te worden bij de Forensische PolikLiniek van GGZ Palier. Alhier zal diagnostiek en de geïndiceerde behandeling moeten plaatsvinden op het gebied van psychische gezondheid en middelengebruik.

In het kader van het reclasseringstoezicht dient ook aandacht te worden besteed aan het systeem en het sociale netwerk van de verdachte en zal hij aangemeld worden bij de Materieel Juridische Dienstverlening van GGZ Palier voor zijn financiële problemen. Tevens zal hij worden toegeleid naar een zinvolle dagbesteding, zodat hij meer structuur en stabiliteit in zijn leven zal hebben.

De rapporteur adviseert aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarde van een meldplicht.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof zal, gelet op voornoemd rapport en op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals gebleken ter terechtzitting in hoger beroep, aan het voorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf na te melden bijzondere voorwaarden verbinden.

Vorderingen tot schadevergoeding

1. In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg geheel toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte t.a.v. de hoogte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

2. In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.838,26.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg geheel toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte t.a.v. de hoogte van de immateriële schade betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag € 88,26 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.088,26 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

3. In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 207,98.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 207,98.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 207,98 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

4. In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 803,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg geheel toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 803,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5. In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.376,74.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.376,74.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.376,74 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieu Beheer, artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 47, 57, 157 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

1 (één) jaarniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen na zijn invrijheidstelling zal melden bij GGZ Reclassering Palier op de Witte Singel 8 te Leiden en zich daarna gedurende de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek van GGZ Palier op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.088,26 (duizend achtentachtig euro en zesentwintig cent) bestaande uit

€ 88,26 (achtentachtig euro en zesentwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.088,26 (duizend achtentachtig euro en zesentwintig cent) bestaande uit € 88,26 (achtentachtig euro en zesentwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 207,98 (tweehonderdzeven euro en achtennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 207,98 (tweehonderdzeven euro en achtennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 803,00 (achthonderddrie euro) bestaande uit € 203,00 (tweehonderddrie euro) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 803,00 (achthonderddrie euro) bestaande uit € 203,00 (tweehonderddrie euro) materiële schade en

€ 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.376,74 (duizend driehonderdzesenzeventig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 376,74 (driehonderdzesenzeventig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.376,74 (duizend driehonderdzesenzeventig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 376,74 (driehonderdzesenzeventig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, mr. I.P.A. van Engelen en mr. S.A.J. van 't Hul,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 mei 2015.

Mr. I.P.A. van Engelen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.