Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1408

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
22-005455-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte was bezig met het overbrengen van drie containers met afvalstoffen van Duitsland, via Nederland naar Singapore, zonder kennisgeving aan (en daarop de toestemming van) de bevoegde autoriteiten.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van

€ 10.000,00 (tienduizend euro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005455-10

Parketnummer: 10-994768-09

Datum uitspraak: 6 mei 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[naam],

gevestigd te [adres, land]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

14 januari 2015 en 22 april 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 30.000,-, waarvan € 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van het hof van 28 januari 2015 is - naar aanleiding van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2015 – het onderzoek heropend en geschorst teneinde de advocaat-generaal te laten onderzoeken wanneer de schriftelijke reactie van Singapore op de “Questionnaire relating to amendments to Commission Regulation 1418/2007” (hierna: de Questionnaire) door de Europese Commissie is ontvangen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 15 februari 2008 tot en met 24 maart 2008

te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en/of b van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen,

immers, was/waren zij en/of (een of meer van) haar mededader(s) doende drie, in ieder geval een of meer, container(s) waarvan de inhoud bestond uit snippers landbouwfoliën (verontreinigd met grond en/of knollen en/of wortels), in ieder geval vast plastic afval van polyethyleen als genoemd onder code B3010 in Bijlage IX van het Verdrag van Basel en/of Bijlage III van voornoemde Verordening,

over te brengen van Duitsland via Nederland naar Singapore,

terwijl die overbrenging geschiedde zonder voorafgaande kennisgeving aan en/of met schriftelijke toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig voornoemde Verordening.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 30.000,-, waarvan € 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweren van de raadsman

Ter terechtzitting zijn door de raadsman diverse verweren gevoerd, zoals nader vermeld in zijn pleitnota’s.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het bestanddeel opzet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Vooropgesteld dient te worden dat in het economisch strafrecht het begrip “opzet” in beginsel dient te worden uitgelegd als “kleurloos opzet”. Dit houdt in dat het opzet van de verdachte slechts behoeft te zijn gericht op de tenlastegelegde gedraging (in deze zaak: een handeling als bedoeld in art. 2 onder 35 sub a en/of b van de Verordening verrichten) en niet op de wederrechtelijkheid daarvan. Gelet op de onderhavige tenlastelegging dient de opzet van de verdachte derhalve enkel gericht te zijn op het overbrengen van de drie containers met inhoud, terwijl die overbrenging geschiedt zonder kennisgeving hiervan aan of toestemming hiervoor van de bevoegde autoriteiten. Het verweer wordt verworpen.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat de Questionnaire door Singapore ten tijde van het ten laste gelegde in 2008 al zou zijn beantwoord. Uit de aangeleverde gegevens door de advocaat-generaal - naar aanleiding van het verzoek van het hof in het tussenarrest van 28 januari 2015 - blijkt dit niet het geval te zijn. Ook dit verweer wordt dan ook verworpen. Het verweer dat erop ziet dat de advocaat-generaal het hiervoor bedoelde verzoek van het hof onvoldoende zorgvuldig heeft opgevolgd door geen navraag te doen bij de Europese Commissie zelf, treft geen doel. Verzocht was immers om onderzoek te doen; dit kon op andere wijze plaatsvinden dan door navraag bij de Europese Commissie te doen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 15 februari 2008 tot en met 24 maart 2008

te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,

opzettelijk ,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen,

immers, was zij doende drie containers waarvan de inhoud bestond uit snippers landbouwfoliën, in ieder geval vast plastic afval van polyethyleen als genoemd onder code B3010 in Bijlage IX van het Verdrag van Basel en/of Bijlage III van voornoemde Verordening,

over te brengen van Duitsland via Nederland naar Singapore,

terwijl die overbrenging geschiedde zonder voorafgaande kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig voornoemde Verordening.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte was bezig met het overbrengen van drie containers met afvalstoffen van Duitsland, via Nederland naar Singapore, zonder kennisgeving aan (en daarop de toestemming van) de bevoegde autoriteiten. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op regels die gegeven zijn ter bescherming van het milieu.

Het hof is van oordeel dat een geldboete van € 10.000,- jegens de verdachte in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof constateert evenwel dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hierbij neemt het hof met name de inzendtermijn van de stukken van het geding na het instellen van het hoger beroep in aanmerking. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn zal het hof – in plaats van de hiervoor overwogen geldboete – aan de verdachte een geldboete van € 10.000,-, waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren opleggen.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de financiële omstandigheden waarin de verdachte verkeert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 10.60 van de Wet milieubeheer en artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,00 (tienduizend euro);

bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot

€ 5.000,00 (vijfduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Reinking, mr. G. Dulek-Schermers en mr. E. van Die, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2015.