Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:140

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
22-04-2015
Zaaknummer
200.144.431-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

borgtocht; uitleg overeenkomst; verschuldigdheid wettelijke (handels)rente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/716
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.144.431

Zaaknummer rechtbank : C/11/100993 / HA ZA 12-2296

arrest van 17 februari 2014

inzake

Eurovite Nederland B.V.,

gevestigd te Ede,

Gebo B.V.,

gevestigd te Ede

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

hierna respectievelijk te noemen: Eurovite en Gebo en gezamenlijk Eurovite c.s.,

advocaat: mr. H.C.W. Geffroy te Ede,

tegen

[M],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [M],

advocaat: mr. A.G.W. van Kessel te Woudrichem.

Het geding

Bij exploot van 6 december 2013 is Eurovite c.s. in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, zittingsplaats Dordrecht, tussen partijen gewezen vonnissen van 22 mei 2013 respectievelijk 9 oktober 2013. Bij memorie van grieven (met productie) heeft Eurovite c.s. één grief aangevoerd. Bij memorie van antwoord tevens memorie houdende incidenteel appel (met producties) heeft [M] de grieven bestreden en in incidenteel appel vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft Eurovite c.s. de incidentele grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank in het bestreden tussenvonnis van 22 mei 2013 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[M] was (middellijk) bestuurder van [M] Marmer en Tegels B.V. (verder: [M] Marmer).

2.2

Eurovite c.s. heeft goederen verkocht en gefactureerd aan [M] Marmer. Er zijn achterstanden ontstaan in de betalingen van de facturen.

2.3

Bij e-mail van 20 september 2011 schreef de heer Van de Beek van Eurovite aan [M]:

"Beste [M],

We zijn bereid je per 1 oktober uitstel van betaling te geven t/m 1 oktober 2012voor het dan openstaande bedrag.

Nieuwe leveringen gaan vanaf dan op 60 dagen betaald worden We willen dan voor de schuld per 1/10 een helder aflosschema en zullen daar een voorstel voor doen (…)

We willen dat je prive meetekent voor die 2 schulden (Eurovite en Gebo) en dat je vanaf dan Eurovite als exclusief lijmleverancier gebruikt; (…)"

2.4

Door partijen is op 29 september 2011 een overeenkomst getekend (verder te noemen: de overeenkomst), inhoudende:

" Openstaand saldo Wekelijkse betaling

Eurovite Nederland B.V. € 23.537,67 € 675,00

Gebo B.V. € 22.457,22 € 475,00

(…)

Totaal weekbedrag € 1.150,00

Deze weekbedragen zijn te betalen m.i.v. week 40 (03-10-2011)

De leveringen die na 01-10-2011 worden gedaan, dienen binnen 60 dagen voldaan te worden.

Bovenstaande afspraken worden gemaakt onder voorbehoud van privé meetekenen voor de schulden en dat Eurovite als exclusief lijmleverancier zal worden gebruikt (…)"

2.5

[M] heeft de overeenkomst van twee handtekeningen voorzien, éénmaal namens [M] Marmer en éénmaal voor zichzelf, in privé.

2.6

[M] Marmer is op 15 mei 2012 in staat van faillissement verklaard.

2.7

Eurovite c.s. heeft conservatoir beslag doen leggen op onroerende zaken van [M].

2.8

In eerste aanleg vorderde Eurovite c.s. – zakelijk weergegeven – de veroordeling van [M] tot betaling aan haar van de bij [M] Marmer openstaande factuurbedragen van respectievelijk € 73.067,56 en € 40.246,62, vermeerderd met wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten, waaronder beslagkosten en nakosten.

2.9

In reconventie vorderde [M] de opheffing van de door Eurovite c.s. gelegde beslagen, met veroordeling van Eurovite c.s. in de kosten.

2.10

Bij het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank Eurovite c.s. opgedragen om te bewijzen dat de borgstelling door [M] ook geldt voor – ten tijde van het sluiten van de borgstellingsovereenkomst – toekomstige schulden.

2.11

Eurovite c.s. heeft afgezien van het laten horen van getuigen. De rechtbank is er vervolgens in het eindvonnis van uitgegaan dat [M] zich uitsluitend borg heeft gesteld voor de ten tijde van het sluiten van de borgstellingsovereenkomst bestaande schulden. [M] werd in conventie veroordeeld tot betaling aan Eurovite van een bedrag van € 7.886,67, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 6.067,67 met ingang van 29 september 2011 en tot betaling aan Gebo van een bedrag van € 11.525,22, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over een bedrag € 10.502,22 met ingang van 29 september 2011. Voorts werd [M] veroordeeld in de proceskosten, waaronder de beslagkosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na betekening van het vonnis. De vorderingen in reconventie werden afgewezen, met veroordeling van [M] in de proceskosten.

3.1

In het principaal hoger beroep vordert Eurovite c.s. – zakelijk weergegeven – de vernietiging van het bestreden eindvonnis in conventie voor zover daarbij haar vorderingen zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende alsnog integrale toewijzing van haar vorderingen, onder aftrek van de bedragen die [M] reeds uit hoofde van het bestreden eindvonnis heeft voldaan.

3.2

In het incidenteel hoger beroep vordert [M] – na wijziging van eis en zakelijk weergegeven – de vernietiging van het bestreden eindvonnis (het hof begrijpt: in conventie) en de veroordeling van Eurovite c.s. tot terugbetaling aan hem van de ter uitvoering van het bestreden vonnis (volgens hem onverschuldigd) betaalde proceskosten in conventie, beslagkosten en te veel betaalde rente, alsmede een verklaring voor recht dat Eurovite c.s. niets meer van [M] heeft te vorderen, met veroordeling van Eurovite in de kosten van het hoger beroep.

3.3

Het hof stelt vast dat geen grieven zijn gericht tegen het in het bestreden eindvonnis toegewezen deel van de hoofdsom en tegen het vonnis in reconventie, zodat het hoger beroep zich hierover niet uitstrekt.

toekomstige schulden

3.4

De principale grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de borgstelling niet ziet op toekomstige schulden. Volgens Eurovite c.s. wijst het feit dat in de overeenkomst de zin "Bovenstaande afspraken worden gemaakt onder voorbehoud van privé meetekenen voor de schulden" direct volgt op de bepaling dat een verlengde betalingstermijn geldt voor de leveringen die na 1 oktober 2011 plaatsvinden erop, dat de borgstelling ook geldt voor de leveringen van na 1 oktober 2011. Deze uitleg is volgens Eurovite c.s. ook het meest logisch. Het ligt gelet op de op dat moment reeds bestaande flinke betalingsachterstand immers in de rede dat Eurovite c.s. alleen zou willen instemmen met een langere dan de tot dan toe gebruikelijke betalingstermijn als daar een extra zekerheid tegenover stond, aldus Eurovite c.s..

3.6

Het hof overweegt als volgt.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dient de betekenis van de borgstellingsclausule te worden vastgesteld aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Het hof stelt vast dat in de overeenkomst niet expliciet staat dat de borgstelling ook voor toekomstige schulden geldt. Op grond van uitsluitend de tekst kan daarom niet worden geoordeeld dat de borgstelling ook toekomstige schulden betreft. Het hof is voorts van oordeel dat [M] uit de enkele omstandigheid dat de clausule omtrent het privé meetekenen direct volgt op een zin over toekomstige leveringen, niet had hoeven te begrijpen dat Eurovite c.s. ook toekomstige leveringen onder de borgstelling wilde laten vallen. Dit geldt temeer nu het e‑mailbericht van 20 september 2012 dat aan de borgstellingsovereenkomst is voorafgegaan, zo kan worden gelezen dat het Eurovite c.s. ging om de per 1 oktober 2011 bestaande twee schulden. Eurovite c.s. heeft niets anders gesteld waaruit volgt dat [M] in redelijkheid had moeten begrijpen dat het haar bedoeling was dat ook de toekomstige schulden onder de borgstelling zouden vallen. Ter comparitie in eerste aanleg heeft Eurovite c.s. weliswaar verklaard dat "meerdere mensen van ons kunnen verklaren dat zij er bij zijn geweest dat tussen 20 en 29 september 2011 aan [M] is medegedeeld dat hij in privé ook voor toekomstige schulden moest meetekenen", maar dat is door [M] gemotiveerd betwist. Nu Eurovite c.s. in eerste aanleg heeft afgezien van bewijslevering, zij haar stelling dat expliciet aan [M] is medegedeeld dat "het meetekenen" ook toekomstige schulden zou betreffen in haar memorie van grieven niet met zoveel woorden heeft herhaald, terwijl zij bovendien geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Het aanbod al haar stellingen te bewijzen, door alle middelen rechtens, voldoet in deze omstandigheden niet. Er kan dus niet van worden uitgegaan dat aan [M] een dergelijke mededeling is gedaan. Dit betekent dat de principale grief en daarmee het principale hoger beroep faalt.

proceskostenveroordeling

3.7

Met zijn eerste twee incidentele grieven komt [M] op tegen de proceskostenveroordeling in conventie. Naar zijn mening heeft de rechtbank hem ten onrechte aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en hem in de proceskosten veroordeeld. [M] wijst erop dat door Eurovite c.s. een hoofdsom van in totaal € 123.027,50 werd gevorderd, waarvan (slechts) een bedrag van € 19.411,89 is toegewezen. Voorts is [M] van mening dat de rechtbank – gelet op het toegewezen bedrag – is uitgegaan van een foutief (want te hoog) liquidatietarief.

3.8

Het hof overweegt als volgt.

Zoals door Eurovite c.s. terecht is opgemerkt dient de mate waarin een partij in het (on)gelijk is gesteld, niet alleen te worden bepaald door vergelijking van de geldelijke waarde van het petitum van de dagvaarding, met het dictum van het vonnis. Dit neemt niet weg dat in de onderhavige zaak [M] bezwaarlijk als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij kan worden aangemerkt, nu beide partijen op relevante punten in het ongelijk zijn gesteld. Dit betekent dat het hof aanleiding ziet de kosten van de conventie te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

beslagkosten

3.9

De vijfde incidentele grief is gericht tegen de toegewezen beslagkosten. Volgens [M] zijn de door Eurovite c.s. gelegde beslagen vexatoir, omdat zij gelegd zijn op een vijftal onroerende goederen met een waarde van tenminste € 1,5 miljoen. De hoogte van de beslagen (tot een bedrag van maximaal € 149.000,--) staat niet in verhouding tot het toegewezen bedrag. Er is sprake van onnodig hoge kosten, die in redelijkheid niet voor zijn rekening dienen te komen, aldus [M].

3.10

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 706 Rv kunnen de beslagkosten van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Nu een deel van de vordering van Eurovite c.s. door de rechtbank is toegewezen, kan niet worden geoordeeld dat het beslag onnodig of onrechtmatig is gelegd. Dat sprake is van een nietig beslag is noch gesteld, noch gebleken. Voor zover [M] zich op het standpunt stelt dat slechts beslag kan worden gelegd op goederen die een waarde vertegenwoordigen vergelijkbaar met de gevorderde (of toegewezen) hoofdsom, geldt dat dit standpunt geen steun vindt in het recht. Er moet immers rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de beslaglegger de opbrengst na uitwinning moet delen met anderen, zoals (latere) beslagleggers. Dat sprake is van onnodig hoge beslagkosten is onvoldoende toegelicht. Dit betekent dat de vijfde incidentele grief faalt.

wettelijke (handels)rente

3.9

Met zijn derde incidentele grief richt [M] zich tegen de toewijzing van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsommen. Nu [M] een particulier is die zich in privé borg heeft gesteld jegens Eurovite c.s., meent [M] op grond van artikel 6:119 BW (slechts) de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd te zijn. Voorts richt [M] zich met zijn vierde grief tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente. Volgens [M] heeft de rechtbank de aanvangsdatum voor de betaling van de wettelijke handelsrente een jaar eerder gesteld dan door Eurovite c.s. was gevorderd.

3.10

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:856 BW is de borg alleen gehouden tot vergoeding van de vertragingsschade van de schuldeiser die hij, de borg zelf, verschuldigd is omdat hijzelf in verzuim is, tenzij de borg de verbintenis van borgtocht is aangegaan voor een opeisbare verbintenis tot schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad. Door Eurovite c.s. is niet, althans niet voldoende gemotiveerd, gesteld dat de borgstelling ook is overeengekomen voor de verbintenis tot schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming door [M] Marmer. Naar het oordeel van het hof volgt dit ook niet uit de tekst van de overeenkomst. Dit betekent dat [M] slechts rente verschuldigd is vanaf het moment dat hijzelf in verzuim is. Nu partijen hierover niets hebben gesteld, maar [M] gelet op het gestelde in zijn memorie van antwoord niet bestrijdt dat de wettelijke rente is gaan lopen op 14 november 2012, terwijl deze datum eerder ligt dan de datum van de inleidende dagvaarding, gaat het hof ervan uit dat sprake is van verzuim op eerstgenoemde datum. De tussen [M] en Eurovite c.s gesloten overeenkomst van borgtocht is geen handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, hetgeen meebrengt dat [M] niet de wettelijke handelsrente verschuldigd is, maar de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. Dit betekent dat de derde incidentele grief in zoverre slaagt.

Slotsom

3.11

De slotsom is dat het bestreden eindvonnis niet in stand kan blijven met betrekking tot de veroordeling tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsommen en de veroordeling in de proceskosten in conventie. Opnieuw rechtdoende dienen de kosten van de conventie te worden gecompenseerd en dient [M] te worden veroordeeld om aan Eurovite te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 6.067,67 vanaf 14 november 2012 tot aan de dag van voldoening en aan Gebo de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 10.502,22 vanaf 14 november 2012 tot aan de dag van voldoening. Uit de vernietiging volgt dat [M] hetgeen hij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan proceskosten in conventie en wettelijke handelsrente heeft voldaan onverschuldigd heeft voldaan, zodat hij in beginsel recht heeft op terugbetaling van dit bedrag. [M] vordert echter slechts het verschil tussen de wettelijke handelsrente en de wettelijke rente over de hoofdsommen, alsmede de proceskosten. Het hof begrijpt hieruit dat [M] de betaalde wettelijke handelsrente met de verschuldigde wettelijke rente wenst te verrekenen. Onder deze omstandigheden ziet het hof aanleiding te volstaan met toekenning aan [M] van het gevorderde verschil van € 2.528,77 (te weten € 926,-- door Eurovite en € 1.602,77 door Gebo), nu deze bedragen als zodanig niet zijn weersproken, en af te zien van de opname van een veroordeling tot betaling van de wettelijke rente in het dictum. Door de verrekening is de wettelijke rente immers reeds voldaan. De vordering tot terugbetaling van € 2.918,17 aan proceskosten in conventie ligt voor toewijzing gereed. Hetzelfde geldt voor de door [M] gevorderde verklaring voor recht. Eurovite c.s. heeft weliswaar in haar memorie van antwoord in incidenteel appel (onder 22) gesteld dat "Eurovite nog immer een vordering op gedaagde heeft", maar heeft dat op geen enkele wijze nader toegelicht, hetgeen onder de gegeven omstandigheden wel van haar had mogen worden verwacht. Bij deze uitkomst past dat Eurovite c.s. als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep wordt veroordeeld in de kosten.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen in conventie gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, zittingsplaats Dordrecht van 9 oktober 2013, voor zover het betreft de veroordeling tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a over de hoofdsommen en de veroordeling in de proceskosten in conventie.

en opnieuw rechtdoende:

- compenseert de kosten van de eerste aanleg in conventie in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

- veroordeelt Eurovite c.s. tot terugbetaling aan [M] van een bedrag van € 2.918,17 aan proceskosten in conventie;

- veroordeelt Eurovite tot terugbetaling aan [M] van een bedrag van € 926,-- aan te veel betaalde rente;

- veroordeelt Gebo tot terugbetaling aan [M] van een bedrag van € 1.602,77 aan te veel betaalde rente;

- verklaart voor recht dat Eurovite c.s. niets meer van [M] heeft te vorderen;

- veroordeelt Eurovite c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [M] tot op heden begroot op € 1.553,-- aan griffierecht, € 2.632,-- aan salaris advocaat in het principale hoger beroep en € 1.316,-- aan salaris advocaat in het incidentele hoger beroep;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, D.A. Schreuder en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2015 in aanwezigheid van de griffier.