Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1391

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
200.118.114/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.118.114/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 1157995 / 12-9450

Arrest d.d. 9 juni 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. L. Alberts te Hardinxveld-Giessendam,

tegen

de stichting STICHTING VASTGOED BEHEER NEDERLAND,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: SVBN,

advocaat: mr. J.H. Pelle te 's Gravenhage.

Het verdere geding

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 15 januari 2013. Bij dit arrest is een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op 22 februari 2013 plaatsgehad. Een minnelijke regeling is toen niet tot stand gekomen. De zaak is verwezen naar de rol van 9 april 2013. [appellant] heeft vervolgens bij memorie van grieven tegen het vonnis van de rechtbank 's Gravenhage van

6 september 2012 grieven aangevoerd. [appellant] heeft daarbij tevens met aanvulling van de grondslag zijn eis gewijzigd. SVBN heeft zich bij memorie van antwoord verzet tegen de wijziging van eis bij memorie van grieven en subsidiair de grieven van [appellant] bestreden. Tot slot hebben partijen stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

a. [appellant] is eigenaar van de onroerende zaak plaatselijk bekend als [adres] (hierna: [het pand I]). SVBN is eigenaar van de onroerende zaak plaatselijk bekend als [woonplaats 2] (hierna: [het pand II]).

b. [appellant] heeft op 22 juni 2009 bij de gemeente 's Gravenhage een aanvraag tot het verlenen van een bouwvergunning ingediend voor het in- en uitwendig veranderen en vergroten van de tweede etagewoning van [het pand I]. Op 13 november 2009 is de verzochte bouwvergunning aan [appellant] verleend.

c. Stero Aannemers- en Constructiebedrijf (hierna: Stero) heeft in opdracht van SVBN werkzaamheden verricht aan [het pand II].

d. [appellant] heeft aan ZNEB Expertise en Taxatie BV (hierna: ZNEB) opdracht gegeven tot het verrichten van onderzoek naar door [appellant] “als opstaleigenaar geleden dakschade ten gevolge van belendende dakrenovatiewerkzaamheden”. ZNEB heeft op 3 november 2011 haar rapport uitgebracht. Daarin zijn als partijen genoemd enerzijds [appellant] en anderzijds Stero.

e. ZNEB heeft de door [appellant] gestelde schade begroot op een bedrag van

€ 9.378,05.

f. SVBN heeft ondanks aanmaning het door [appellant] gestelde schadebedrag van

€ 9.378,05 niet betaald.

2. In hoger beroep gaat het allereerst om de vraag of SVBN aansprakelijk is voor de door [appellant] gestelde schade aan het dak van [het pand I] en in de daaronder gelegen etagewoning in dit pand.

3. Aan zijn vordering tot vergoeding van schade legt [appellant] de stelling ten grondslag dat SVBN jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door medio 2009 werkzaamheden aan [het pand II] te laten verrichten waarbij werklieden van Stero het dak van [het pand I] zonder het treffen van voorzorgmaatregelen en zonder overleg met en toestemming van [appellant] hebben betreden en daarbij het dak als werkplaats en opslagplaats voor bouwmaterialen en/of bouwafval hebben gebruikt als gevolg waarvan het dak van [het pand I] is beschadigd en diverse lekkages in de onder het dak van [het pand I] gelegen etagewoning zijn ontstaan.

4. Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat het aan SVBN is te bewijzen dat de door [appellant] gestelde lekkages zijn veroorzaakt door de in opdracht van [appellant] verrichte werkzaamheden in [het pand I]. Anders dan [appellant] betoogt, betreft het verweer van SVBN inhoudende dat [appellant] zelf werkzaamheden in [het pand I] heeft verricht, geen bevrijdend verweer, maar een betwisting van de stelling van [appellant] dat de werkzaamheden van Stero aan [het pand II] de oorzaak zijn van de gestelde schade. Ter onderbouwing van dit verweer heeft SVBN een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd, onder meer de – niet door [appellant] betwiste – omstandigheid dat [appellant] met gebruikmaking van de bouwvergunning van

13 november 2009 bij het in- en uitwendig veranderen en vergroten van de etagewoning werkzaamheden in [het pand I] heeft verricht. Ter zake van deze feiten en omstandigheden rust derhalve niet de bewijslast op SVBN.

5. Het hof volgt [appellant] evenmin in zijn standpunt dat het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige handelingen van SVBN en de ontstane schade in beginsel is gegeven doordat deze handelingen een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven hebben geroepen en dit risico zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Het enkele feit dat het betreden van een dak onder omstandigheden schade kan veroorzaken, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de norm inhoudende zich van het betreden te onthouden, de eigenaar van het dak beoogt te beschermen tegen het specifieke risico van beschadiging.

6. Om tot de conclusie te kunnen komen dat SVBN jegens [appellant] aansprakelijk is voor de door [appellant] gestelde schade op grond van het – door [appellant] gestelde en op zichzelf niet door SVBN betwiste – doen betreden van het dak van [het pand I] zonder overleg met [appellant] en zonder een vooropname te maken, moet [appellant] derhalve feiten en omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen waaruit kan volgen dat de aan SVBN toegerekende gedragingen van Stero hebben geleid tot de gestelde schade.

7. SVBN heeft betwist dat Stero het dak van [het pand I] heeft beschadigd en betwist daarmee dat schade is ontstaan waarvoor SVBN aansprakelijk is. Voorts heeft SVBN de stelling van [appellant] betwist dat SVBN het dak van [het pand I] heeft laten gebruiken als opslagplaats voor bouwmaterialen en/of (zeer) zwaar afvalmateriaal, waaronder asbest, waardoor spijkers, schroeven, scherven en gereedschapsdelen in de bitumen dakbedekking van [het pand I] zouden zijn gelopen.

8. Ten bewijze van zijn stellingen heeft [appellant] verwezen naar het onderzoek van ZNEB. Volgens [appellant] heeft dit onderzoek uitgewezen dat de beschadigingen zijn veroorzaakt door werknemers van Stero. Het hof volgt [appellant] hierin niet. Niet alleen berust de conclusie van ZNEB dat het belopen van het dak van 32b tot zodanige beschadigingen hebben geleid dat lekkages daarvan een gevolg waren, uitsluitend op mededelingen namens [appellant] die ZNEB zonder enige toelichting als feiten in het rapport heeft overgenomen, maar ook is het door ZNEB aangenomen causaal verband tussen het betreden van het dak en de lekkages niet onderbouwd. Ditzelfde geldt voor de conclusie van ZNEB dat Stero en/of SVBN “ten volle” aansprakelijk is te achten.

9. [appellant] heeft voorts verwezen naar het door hem in eerste aanleg overgelegde fotomateriaal waarop volgens [appellant] te zien is dat medewerkers van Stero bezig zijn met de bouw van een dakkapel van [het pand II] en dat deze medewerkers, om die dakkapel te bouwen, “er bijna niet aan” ontkwamen gebruik te maken van het “platte met dakleer bedekte dak” van [het pand I]. [appellant] betwist niet dat SVBN niet bij het onderzoek door ZNEB of het opmaken van het rapport betrokken is geweest en dat het rapport is opgemaakt aan de hand van alleen de gegevens van de partner van [appellant], maar dat doet volgens [appellant] niets af aan het karakter van het rapport, namelijk een rapport van een partijdeskundige. [appellant] stelt zich op het standpunt dat een expertiserapport ook gebaseerd kan zijn op fotomateriaal.

10. Het hof overweegt als volgt. [appellant] stelt op zichzelf terecht dat aan fotomateriaal ter onderbouwing van een expertiserapport onder omstandigheden betekenis kan worden toegekend, doch hieruit volgt niet dat aan fotomateriaal zonder meer het bewijs kan worden ontleend van een causaal verband tussen de gestelde schade en de gedragingen van Stero.

11. In hoger beroep heeft [appellant] voorts verwezen naar een rapport van de Bezaan van

6 augustus 2013, opgesteld na op verzoek van [appellant] verricht onderzoek “naar de verrichte werkzaamheden en wijze van aanpak van Stero”. Volgens dit rapport had het onderzoek ten doel vast te stellen “wie wat veroorzaakt heeft aan schade” aan [het pand I]. In dit rapport komt de Bezaan tot de conclusie dat Stero “geen hoogstaande eisen aan de kwaliteit stelde, geen regelgeving wilde volgen en met andere belanghebbenden, zoals de eigenaren van [nummer] [bedoeld is, naar het hof begrijpt, [het pand I]], geen rekening heeft willen houden” en verbindt daaraan het gevolg dat “door het onzorgvuldig/slordig inrichten van de werkplek op het dak” van [het pand I] het niet anders kan dan dat Stero dit dak heeft beschadigd en dat de ervaren wateroverlast en lekkages in [het pand I] als een normaal gevolg daarvan te beschouwen zijn.

12. Op grond van dit rapport kan het hof niet, ook niet indien dit rapport in samenhang wordt beschouwd met het rapport van ZNEB, als vaststaand aannemen dat de door [appellant] gestelde gedragingen van SVBN de oorzaak zijn van de in geding zijnde schade. In dit verband acht het hof van belang dat [appellant] weliswaar stelt dat er sprake was van lekkages in [het pand I], maar dat onduidelijk is gebleven in hoeverre deze lekkages in verband kunnen staan met werkzaamheden aan [het pand II]. Volgens [appellant] zijn de werkzaamheden in opdracht van SVBN medio 2009 verricht, terwijl volgens het rapport van ZNEB namens [appellant] is verklaard dat in december 2009 lekkage is ontstaan en wel veroorzaakt door een verstopping van de hemelwaterafvoer. Een toelichting omtrent een mogelijk verband tussen een gebruik door Stero van het platte dak van [het pand I] en een verstopping van de hemelwaterafvoer van dat dak ontbreekt. Ook de stelling van [appellant] dat hij de schade aan het dak niet zelf kan hebben veroorzaakt, daar [appellant] voorafgaand aan de werkzaamheden van SVBN verbouwd heeft, is niet met concrete data, feiten of omstandigheden onderbouwd.

13. Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat het verband tussen het gestelde onrechtmatig handelen van SVBN en de door [appellant] gestelde schade door lekkages, bestaande uit kosten wegens lekdetectie en ontstoppen hemelwaterafvoer, kosten wegens partieel herstel dakbedekking en partieel herstel van de woning, zoals schilder- en sauswerk, en bestaande in gederfde huuropbrengst niet is komen vast te staan. De stellingen van [appellant] die betrekking hebben op de hoogte van de schade en derhalve op de gemaakte kosten van door derden uitgevoerde herstelwerkzaamheden, behoeven geen bespreking. De gestelde kosten van de deskundigen zijn niet toewijsbaar op de grond dat deze kosten niet zijn te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

14. Ten aanzien van de wijziging van eis van [appellant] stelt het hof het volgende vast. Onder verwijzing naar het rapport van de Bezaan stelt [appellant] zich in hoger beroep tevens op het standpunt dat SVBN in strijd heeft gehandeld met de artikelen 5:50 en 5:51 BW en dat SVBN dient te worden veroordeeld tot het in overeenstemming brengen van de situatie met datgene dat wettelijk is toegestaan. Voor de onderbouwing van het standpunt dat SVBN in strijd met de wet heeft gehandeld, verwijst [appellant] naar bouwtekeningen die volgens de Bezaan ten grondslag hebben gelegen aan de bouwvergunning van SVBN en naar de tekst van de bouwvergunning.

15. SVBN heeft zich primair verzet tegen de wijziging van eis. Volgens SVBN heeft [appellant] op ontoelaatbare wijze de feitelijke grondslag van zijn oorspronkelijke vordering verlaten. Het hof acht, anders dan SVBN, de wijziging van eis niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Wel mocht van [appellant] verwacht worden dat hij de stellingen die aan de gewijzigde eis ten grondslag liggen, met voldoende concrete feiten en omstandigheden had onderbouwd.

16. Op dit punt overweegt het hof als volgt. Tegenover de stelling van [appellant], onder verwijzing naar het rapport van de Bezaan, dat SVBN in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in de artikelen 5:50 en 5:51 BW en de bouwvergunning niet correct heeft nageleefd, staat de betwisting door SVBN dat gehandeld is in strijd met voormelde artikelen en dat de bouw niet in overeenstemming met de bouwvergunning is uitgevoerd. Verder voert SVBN aan dat nooit eerder enige klacht is ontvangen en dat de gemeente evenmin ooit enige reden heeft gezien om op te treden tegen een vermeend niet-nakomen van de vergunningsvoorwaarden.

17. [appellant] heeft zijn andersluidend standpunt door enkel te verwijzen naar het rapport van de Bezaan en niet nader toegelichte stukken, behorende bij een besluit van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2009, in het licht van deze betwisting door SVBN onvoldoende onderbouwd. Hij heeft voorts geen bewijs aangeboden van zijn stelling dat door SVBN in strijd is gehandeld met de vergunningsvoorwaarden, zodat het hof aan bewijslevering niet toekomt. Aldus is niet komen vast te staan dat SVBN niet aan de wettelijke eisen heeft voldaan of de bouwvergunning niet correct heeft nageleefd. Dit onderdeel van de vordering is derhalve niet toewijsbaar.

18. Uit het vorenstaande volgt dat grief 2 faalt en dat grief 1 niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden. Dit vonnis zal derhalve worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten aan de zijde van SVBN worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank ’s Gravenhage, sector kanton, locatie 's Gravenhage, van 6 september 2012;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van SVBN en begroot deze kosten tot aan deze uitspraak op € 1.815,= aan vast recht en op € 1.788,= salaris advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.C.M. van Dijk en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.