Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1390

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
200.112.524/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.112.524/01

Zaaknummer rechtbank: 1096529 CV EXPL 10-15562

Arrest van 9 juni 2015

in de zaak van

[appellant] hodn [appellant] Tropic Center,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E.H.P. Dingenouts te Rotterdam,

tegen

Firma [geïntimeerde] Tropic Center,

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.L. van der Eerden te Rotterdam.

Het geding

Voor de loop van het geding tot 20 januari 2015 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum. Bij dat tussenarrest heeft het hof overwogen dat de grief van [appellant] dat [geïntimeerde] zowel ter zake van de huurovereenkomst als de koopovereenkomst geen contractante is, dat [geïntimeerde] zijn wederpartij is en dat [geïntimeerde] derhalve niets te vorderen heeft en het verweer hiertegen van [geïntimeerde] eerst goed beoordeeld kunnen worden nadat nadere inlichtingen zijn verschaft. Het hof heeft vervolgens de zaak naar de rol van 17 februari 2015 verwezen opdat [geïntimeerde] een akte kan nemen waarin zij voor het hof uiteen kan zetten wat de precieze gang van zaken is geweest bij de totstandkoming van beide overeenkomsten waarop zij zich beroept, en de eventuele rol van de medevennoten of medevennoot van [geïntimeerde] hierbij.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] akte uitlaten na tussenarrest gevraagd en gekregen. [appellant] heeft hierop gereageerd bij antwoordakte.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op de stukken die het hof reeds in bezit heeft.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellant] in eerste aanleg weliswaar verweer heeft gevoerd met betrekking tot de persoon van de partij, maar dat dit niet meer inhield dan dat naast de personenvennootschap ook de onderscheiden vennoten individueel aan het proces zouden moeten deelnemen. Dit verweer is door de kantonrechter verworpen en hiertegen is geen grief gericht. [geïntimeerde] ziet de stellingname van [appellant], dat hij slechts met [geïntimeerde] gehandeld zou hebben, niet als voortzetting van de eerdere discussie, maar als een totaal nieuw verweer, dat – zo begrijpt het hof – alsnog tardief moet worden geacht.

2.2.

Deze stelling wordt verworpen. Ook indien het bezwaar van [appellant] dat [geïntimeerde] en niet [geïntimeerde] zijn contractspartij was, niet kan worden gezien als een voortzetting van het debat in eerste aanleg, brengt de functie van het appel als mogelijkheid om verzuimen te herstellen mee, dat een verweer, zoals het onderhavige, dat in eerste aanleg niet gevoerd is, in hoger beroep bij wege van grief aan de orde kan worden gesteld. Ofschoon [appellant] dit bezwaar niet de noemer grief heeft meegegeven, begrijpt het hof een en ander redelijkerwijs aldus dat sprake is van een zwaarwegende grond (dus grief) waarop tot een ander – voor [appellant] gunstiger – dictum dient te worden gekomen..
Een en ander zou alleen tardief kunnen zijn indien sprake is van strijd met een goede procesorde. Dat heeft [geïntimeerde] niet gesteld en daarvan is het hof ook niet gebleken.

2.3.

Bij de beoordeling van de grief van [appellant] gaat het erom of [appellant] begreep of behoorde te begrijpen dat hij destijds met de vennootschap onder firma die thans procespartij is, heeft gecontracteerd. Daarbij is uitgangspunt dat [geïntimeerde] en [geïntimeerde] als afzonderlijke entiteiten aan het rechtsverkeer kunnen deelnemen en niet zonder meer vereenzelvigd kunnen worden.

2.4.

Hiervan uitgaande geldt het volgende.

Zowel het document met de naam “Huurcontract” als het document met de naam “Winkelovername contract” is ondertekend door [geïntimeerde], zonder dat enige betrokkenheid blijkt van de vennootschap onder firma of andere partijen (mede-vennoten). Afgaande op deze documenten behoefde [appellant] niet te begrijpen dat hij met een andere partij handelde dan [geïntimeerde] in persoon. In de akte na tussenarrest beroept [geïntimeerde] zich op betalingen aan haar, [geïntimeerde] Tropic Center, maar op de overgelegde producties 10 en 11 vermeldt alleen productie 10 [geïntimeerde] als degene aan wie de betaling wordt overgemaakt. Productie 11 vermeldt als begunstigde “[geïntimeerde]>Rotterdam”. Uit de overgelegde kwitantie lijkt te volgen dat [geïntimeerde] heeft getekend voor de ontvangst van de betaling. Ook in onderlinge samenhang bezien is dit onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] heeft moeten begrijpen dat [geïntimeerde] zijn contractspartij was. Een schuld kan immers (op verzoek van de schuldeiser) aan een derde worden voldaan en duidelijk is dat het belang van [geïntimeerde] Tropic Center nauw is verbonden met dat van [geïntimeerde] in persoon.

Dat uit de inschrijving in het handelsregister blijkt dat [geïntimeerde] op 1 januari 2000 is gesticht en nog steeds actief is, kan er - zonder toelichting (die ontbreekt) - ook niet toe leiden dat [appellant] had moeten begrijpen dat hij contracteerde met [geïntimeerde] en niet met [geïntimeerde] in persoon. De verklaring van de echtgenote van [geïntimeerde] (productie 13) maakt dit niet anders. Deze verklaring beschrijft waarom het tussen de vennoten ([geïntimeerde] en zijn vrouw) zo is gelopen dat alleen [geïntimeerde] getekend heeft. Het gaat er echter om wat [appellant] omtrent de persoon van zijn wederpartij heeft kunnen en moeten begrijpen. Voor de beantwoording van de vraag of [appellant] moest begrijpen of zijn wederpartij [geïntimeerde] in persoon was dan wel de vennootschap onder firma, biedt de verklaring onvoldoende aanknopingspunten. Ook als [appellant] uit het verleden (2001) op de hoogte was dat de zaken van de familie [geïntimeerde] in vennootschapsverband werden gevoerd en ook wist dat de gezondheidstoestand van de echtgenote van [geïntimeerde] de reden was de winkel te verkopen, is dat onvoldoende om – tegenover de tenaamstelling van de overeenkomsten op naam van [geïntimeerde] – te concluderen dat [appellant] in 2006 redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij contracteerde met de vennootschap onder firma. Ook het feit dat het door [appellant] gehuurde pand onverdeelde eigendom is van [geïntimeerde] en zijn echtgenote is ontoereikend om aan te nemen dat het [appellant] duidelijk moest zijn dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de huurovereenkomst handelde namens de vennootschap onder firma [geïntimeerde] Tropic Center. Ook in onderlinge samenhang bezien kunnen de genoemde omstandigheden die gevolgtrekking niet dragen. Overigens heeft [geïntimeerde] geen feiten of omstandigheden gesteld, die zo zij zouden worden bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden. Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] wordt daarom gepasseerd.

2.5.

Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde] hadden moeten worden afgewezen omdat zij niet de contractspartij is geweest van [appellant]. De desbetrefffende (ongenummerde) grief van [appellant] slaagt. De overige grieven behoeven in het licht hiervan geen bespreking meer.

Het vonnis van de kantonrechter van 26 augustus 2011 dient vernietigd te worden evenals de hierop volgende vonnissen van 22 juni 2012 en 27 juli 2012. Voor vernietiging van het vonnis van 31 december 2010 bestaat geen aanleiding nu dit vonnis slechts een uitwerking is van een door partijen ter eerdere comparitie voor de rechtbank gesloten vaststellingsovereenkomst en niet is gesteld of gebleken dat [appellant] deze ter discussie heeft gesteld.

2.6.

De vorderingen van [geïntimeerde] dienen alsnog te worden afgewezen. De vordering van [appellant] tot veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen op grond van de bestreden vonnissen is voldaan, is toewijsbaar. [geïntimeerde] heeft de gevorderde handelsrente niet betwist, zodat ook deze toewijsbaar is. Hoewel het hoger beroep slaagt, bestaat geen aanleiding voor een kostenveroordeling van [geïntimeerde] in eerste aanleg, maar wel voor [appellant]. Het verweer van [appellant] dat leidt tot vernietiging van de hiervoor genoemde vonnissen is immers in eerste aanleg niet gevoerd, terwijl daarvoor geen beletsel bestond en in zoverre is sprake van een nodeloze procedure. In eerste aanleg is [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de kosten van de deskundige. Nu in hoger beroep aan een inhoudelijk oordeel over de vraag of sprake is van achterstallig onderhoud niet wordt toegekomen, bestaat, na de vernietiging van het vonnis van 27 juli 2012, geen aanleiding een voorziening voor de kosten van de deskundige uit te spreken. Dit zelfde geldt voor buitengerechtelijke incassokosten.

Wel bestaat aanleiding [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 31 december 2010;

  • -

    vernietigt de vonnissen van de kantonrechter van 26 augustus 2011, 22 juni 2012 en 27 juli 2012;

opnieuw rechtdoende:

  • -

    wijst de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen deze mocht hebben voldaan op grond van de bestreden vonnissen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot aan het eindvonnis van 27 juli 2012 aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 281,89 aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris advocaat;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 367,17 aan verschotten en € 1.737,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart de veroordeling tot terugbetaling en de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.C.M. van Dijk en C.J.J.C. van Nispen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.