Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:139

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
200.136.758-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet. Hof is van oordeel dat dringende reden voor ontslag ontbreekt. Betekenis van een uitspraak van de Commissie van Beroep voor het Christelijk Voortgezet Onderwijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/644
AR 2016/835
AR-Updates.nl 2016-0295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

zaaknummer : 200.136.758/01

zaaknummer rechtbank : 1231351 CV EXPL 13-11386

arrest van 10 februari 2015

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.A. Keijser te Den Haag,

tegen

Stichting Unicoz Onderwijsgroep,

gevestigd te Zoetermeer,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Unicoz,

advocaat: mr. J.W. Janse-Velema te Woerden.

1 Het verloop van het geding

1.1

Bij exploot van 25 september 2013 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Delft (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnis van 27 juni 2013. Bij arrest van 24 december 2013 heeft het hof een comparitie van partijen gelast, welke is gehouden op 18 maart 2014. Ten behoeve van deze comparitie heeft Unicoz stukken overgelegd, welke zich in het procesdossier bevinden.

1.2

Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht en producties overgelegd.

1.3

Bij memorie van antwoord heeft Unicoz onder overlegging van producties de grieven bestreden.

1.4

Vervolgens hebben partijen op 19 december 2014 de zaak doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van overgelegde pleitnotities. Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.5

Ten slotte is arrest gevraagd op het voor het pleidooi ingediende kopiedossier, alsmede op het door Unicoz ter zitting overgelegde kopiedossier.

2. Beoordeling van het hoger beroep

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.11 een aantal feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [appellant] , geboren op [datum] 1953, is op 1 augustus 2010 bij Unicoz in dienst getreden als [functie] op het Oranje Nassau College te Zoetermeer (hierna: de school). Aanvankelijk ging het om een aanstelling voor een jaar. Per 1 augustus 2011 heeft [appellant] een contract voor onbepaalde tijd gekregen.

( ii) Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs (hierna: de CAO) van toepassing.

( iii) Het laatstelijk aan [appellant] toekomende salaris bedroeg € 3.739,- per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

( iv) In maart 2012 heeft een beoordelingsgesprek met [appellant] plaatsgevonden. Dit resulteerde in een B-beoordeling, dat wil zeggen “voldoet nog niet aan de eisen”.

( v) Op 20 april 2012 en op 20 mei 2012 heeft Unicoz [appellant] nogmaals aangesproken op zijn, in de ogen van Unicoz, tekortschietende functioneren.

( vi) Tijdens een gesprek op 6 juni 2012 heeft Unicoz aan [appellant] haar voornemen kenbaar gemaakt hem wegens plichtsverzuim te berispen. Deze berisping heeft plaatsgevonden bij brief van 28 juni 2012.

( vii) De school heeft [appellant] op 29 juni 2012 een dienstopdracht gegeven om naar school te komen om schriftelijk werk (een groepsverslag en een toets) dat door klas B2B was gemaakt, in te leveren. [appellant] heeft hierop de bedoelde verslagen ingeleverd, maar niet de toets.

( viii) Op 2 juli 2012 heeft [appellant] een gesprek gehad met de heer [X] (algemeen directeur van de school), de heer [Y] (vestigingsdirecteur) en de heer [Z] (directeur P&O) over onregelmatigheden in de becijfering van schriftelijk werk in de klassen M3B en B2B.

( ix) Bij brief van 4 juli 2012 heeft Unicoz [appellant] op staande voet ontslagen. In deze brief schrijft [X] , voor zover relevant:

Op 2 juli jl. heb u (…) het volgende erkend ten aanzien van de wijze waarop u voor uw klas M3B cijfers hebt gegeven voor uw vak natuurkunde welke mede bepalend zijn voor het cijfer van de overgangsrapporten van uw leerlingen:

de becijfering door u van het gemaakte werk komt niet overeen met de inhoud van het werk;

de cijfers op de toetsen komen niet overeen met de cijfers die u daarvoor heeft ingevoerd in het leerlingadministratiesysteem (Magister);

u hebt voor leerlingen cijfers in Magister ingevoerd waar geen werk tegenover stond; o.a. een uit de klas verwijderde leerling heeft voor een toets, zonder deze te maken een cijfer gekregen in Magister.

Een zelfde patroon, zo hebt u erkend, doet zich voor in klas B2B. Er zijn in Magister cijfers ingevoerd voor een verslag en een zelftest. Voor het verslag hebt u geen correctievoorschrift kunnen overleggen waarop de beoordeling gebaseerd is. De cijfers op de aangeleverde verslagen corresponderen in minimaal twee gevallen niet met de in Magister ingevoerde cijfers. Van de zelftest is geen gemaakt werk en geen correctievoorschrift door u aangeleverd. Ook is het werk niet bij leerlingen beschikbaar. Tevens staat vast, dat u toetsen had moeten geven en becijferen en leerlingen geen plaatsvervangende opdrachten had mogen opdragen.

(…)

Wij achten uw wijze van handelen zeer ernstig. Vandaar dat wij u aan het eind van het gesprek kenbaar hebben gemaakt dat u in de ontstane situatie geen werkzaamheden kunt verrichten en dat wij juridisch advies zouden inwinnen.

Dat hebben wij inmiddels gedaan.

Naast bovenstaande ernstige onregelmatigheden in de wijze waarop u met het werk van leerlingen omgaat en uw grote onzorgvuldigheid ten aanzien van becijfering van toetsen zijn al eerder met u gesprekken gevoerd vanwege:

(…)

Op grond van deze klachten heeft u op 28 juni 2012 een berisping ontvangen (…).

Thans moeten wij constateren dat u cijfers van leerlingen fingeert en cijfers in Magister invoert die niet met de werkelijke cijfers overeenkomen. Door u op deze wijze te gedragen hebt u de verplichtingen die de arbeidsovereenkomst u oplegt grovelijk veronachtzaamd. Tevens hebt u ons vertrouwen in u onherstelbaar beschadigd. Als onderwijsinstelling is het onze taak onderwijs te verzorgen aan leerlingen in een veilige omgeving en een opbouwend onderwijsklimaat. Bij die vervulling van die taak maken wij gebruik van onze medewerkers op wie wij onvoorwaardelijk moeten kunnen vertrouwen. U hebt cijfers gefingeerd en cijfers ingevoerd die niet overeenkomen met de werkelijke waardering voor het werk van uw leerlingen. Met uw gedrag brengt u schade toe aan de kwaliteit van het onderwijs waarvoor wij dienen in te staan.

( x) Bij brief van 9 juli 2012 heeft [appellant] onder meer protest aangetekend tegen het hem gegeven ontslag op staande voet en zich beschikbaar gehouden om zijn werkzaamheden op eerste afroep te verrichten.

( xi) Bij beroepsschrift van 8 augustus 2012 heeft [appellant] beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep voor het Christelijk Voortgezet Onderwijs en Hoger Beroepsonderwijs (hierna: de Commissie van Beroep), als bedoeld in artikel 19 CAO jo. artikel 52 Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), tegen de hem gegeven berisping en tegen het gegeven ontslag op staande voet.

( xii) De Commissie van Beroep heeft in haar uitspraak van 26 september 2012 het beroep op beide onderdelen gegrond verklaard.

( xiii) Bij beschikking van 19 september 2012 heeft de kantonrechter te Delft de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk, voor het geval het ontslag op staande voet geen stand zou houden, ontbonden tegen 1 oktober 2012, zonder ontbindingsvergoeding voor [appellant] .

2.3

In deze procedure vordert [appellant] :

  • -

    betaling van achterstallig loon ten bedrage € 4.486,08 over de schooljaren 2010-2011 en 2011-2012, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente;

  • -

    een verklaring voor recht

o primair: dat het ontslag van 4 juli 2012 nietig is, althans is vernietigd, althans dat de arbeidsovereenkomst is blijven bestaan tot aan de datum van de ontbinding;

o subsidiair: (i) dat aan het ontslag geen dringende reden ten grondslag ligt, (ii) dat het ontslag onregelmatig is gegeven, en (iii) dat het ontslag kennelijk onredelijk is vanwege een valse c.q. voorgewende reden en/of omdat de gevolgen van het ontslag voor [appellant] te ernstig zijn in verhouding tot het belang van Unicoz bij het ontslag;

- veroordeling van Unicoz tot betaling van

o primair: achterstallig loon over de periode 4 juli 2012 tot 1 oktober 2012, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente;

o subsidiair: (i) de gefixeerde schadevergoeding als bedoel in artikel 7:677 lid 4 jo. artikel 7:680 lid 1 BW, te vermeerderen met (ii) de wettelijke rente hierover, conform artikel 7:680 lid 7 BW vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, en voorts (iii) een (aanvullende) schadevergoeding op te maken bij staat wegens kennelijk onredelijk ontslag;

o primair en subsidiair: buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

2.4

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. In hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Unicoz in de kosten van beide instanties. Unicoz heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

Ontslag op staande voet

3.1

Het hof zal allereerst de vraag behandelen of het aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. Onderzocht moet worden of sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW. Uit artikel 7:678 volgt dat als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2

Unicoz heeft, onder verwijzing naar haar brief van 4 juli 2012, aangevoerd dat [appellant] zijn plichten grovelijk heeft veronachtzaamd en dat [appellant] dit ook heeft erkend in de kort daarvoor met hem gevoerde gesprekken. Ter nadere toelichting heeft Unicoz nog het volgende naar voren gebracht.

3.2.1

Ter zake van klas M3B voert Unicoz aan dat [appellant] bij e-mailbericht van 20 juni 2012 is opgedragen de toetsen van elf met name genoemde leerlingen in te leveren, omdat deze leerlingen hun werk nog niet retour hadden ontvangen. Aan dit verzoek heeft [appellant] niet voldaan; evenmin heeft [appellant] de toetsvragen en het correctiemodel kunnen overleggen. Unicoz beroept zich mede op een schriftelijke verklaring van 8 februari 2013 van docent [L] , die aan het eind van het schooljaar 2011-2012 de klas van [appellant] heeft overgenomen. Daarin schrijft [L] dat er elf toetsen ontbraken, dat er slordig was nagekeken en dat er in één geval een cijfer in Magister was ingevoerd terwijl daar (volgens de desbetreffende leerling) geen werk tegenover had gestaan.

3.2.2

Ter zake van klas B2B is gebleken dat het cijfer voor de groepsopdracht (een verslag van een practicum) in Magister in een aantal gevallen niet correspondeerde met het cijfer op het schriftelijk werk. In twee gevallen (bij de leerlingen [naam] en [naam] ) is er wel een cijfer ingevoerd, terwijl er geen schriftelijk werk tegenover stond. De verslagen bevatten geen correcties zodat ook niet is te verifiëren hoe [appellant] tot de becijfering is gekomen. Bij de zelftest heeft [appellant] geen schriftelijk werk en geen correctiemodel kunnen overleggen.

3.3

[appellant] heeft bestreden dat de in de brief van 4 juli 2012 genoemde feiten en omstandigheden een dringende reden opleveren. Hij betwist ook dat hij deze feiten en omstandigheden destijds zou hebben erkend.

3.3.1

Ter zake van klas M3B heeft [appellant] onder meer aangevoerd dat deze klas bekend stond als moeilijk. [appellant] heeft alle toetsen van deze klas steeds netjes nagekeken aan de hand van het standaard correctiemodel, de cijfers in Magister ingevoerd en het werk aan de klas teruggegeven. Sommige leerlingen hebben hun (nagekeken) werk in de klas achtergelaten, waarna het is weggegooid, zodat dit werk nu niet meer beschikbaar is. Het is dus onjuist dat er leerlingen zijn die hun toetsen niet hebben teruggekregen. Ook is onjuist dat er cijfers in Magister zijn ingevoerd, waar geen schriftelijk werk tegenover stond.

3.3.2.

Wat betreft klas B2B voert hij aan dat er voor het verslag en de zelftest geen correctiemodel bestond. De wijze waarop het verslag moest worden ingericht, was gewoon terug te vinden in het boek. Dat de op de verslagen vermelde cijfers in bepaalde gevallen niet stroken met de cijfers in Magister valt eenvoudig te verklaren. [appellant] heeft namelijk de verslagen in digitale vorm nagekeken, de cijfers direct in Magister ingevoerd en pas veel later, toen hij door de school werd gesommeerd de verslagen over te leggen, de verslagen uitgeprint en de cijfers daarop genoteerd. Dat heeft hij in de haast gedaan, zodat het mogelijk is dat hij daarbij fouten heeft gemaakt. Van fingeren van cijfers in Magister is evenwel geen sprake. Ook voor cijfers van de leerlingen Zech en Cammeraat kan volgens [appellant] een verklaring worden gegeven: omdat beide leerlingen bij het practicum afwezig waren, maar [appellant] ze toch mee wilden laten doen, heeft hij het goedgevonden dat zij zich bij een groepje zouden aansluiten om een verslag te maken. [appellant] is ervan uitgegaan dat zij zich bij hun vaste groepje zouden aansluiten, maar dat is mogelijk niet gebeurd.

Ter zake van de zelftest geldt dat [appellant] deze in de laatste lesuren van het schooljaar heeft laten maken. De test stond in het boek en was eenvoudig na te kijken, hetgeen [appellant] ook direct heeft gedaan. [appellant] bestrijdt dat de cijfers die in Magister zijn opgenomen, en die de basis vormen voor de rapportcijfers, onjuist zouden zijn.

3.4

Het hof overweegt als volgt. Van een docent mag worden verwacht dat hij bij de becijfering van toetsen, verslagen en dergelijke zorgvuldig te werk gaat en daarbij de door Unicoz voorgeschreven richtlijnen in acht neemt. Het behoort tot de kerntaken van de school dat zij aan leerlingen, ouders en de inspectie op een betrouwbare manier verantwoording kan afleggen over de wijze waarop de leerlingen getoetst worden. Naar het oordeel van het hof kon Unicoz zich terecht op het standpunt stellen dat zij het vertrouwen in [appellant] heeft verloren. Er hebben zich te veel incidenten voorgedaan bij de becijfering van toetsen en verslagen, zoals het zoekraken van elf toetsen in klas M3B en de wijze waarop de becijfering van het groepsverslag van klas B2B heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft weliswaar bestreden dat hij op de hem verweten punten onzorgvuldig heeft gehandeld, maar die betwisting overtuigt niet in alle gevallen. Zo blijft het opmerkelijk dat [appellant] zonder meer heeft aangenomen dat de leerlingen [naam] en [naam] zich bij een groepje leerlingen hebben aangesloten om een verslag te maken van een practicum dat zij niet zelf hebben gedaan en is ook niet (afdoende) opgehelderd volgens welke maatstaven [appellant] de verslagen heeft becijferd. Evenmin valt goed te begrijpen dat er – kennelijk – in klas M3B leerlingen zijn die hebben geklaagd over het niet terugkrijgen van schriftelijk werk, terwijl dit werk al wel zou zijn teruggeven. Het is achteraf niet goed meer vast te stellen in hoeverre de cijfers die [appellant] in Magister heeft ingevoerd, correct zijn, en in hoeverre daar steeds schriftelijk werk tegenover heeft gestaan. De discussie die daarover is ontstaan is in overwegende mate te wijten aan de handelwijze van [appellant] , die geen correctiemodellen heeft kunnen overleggen en weinig adequaat heeft gereageerd op vragen en verzoeken van de school. Dit klemt te meer nu vaststaat dat [appellant] kort daarvoor ook al op soortgelijke incidenten was aangesproken, zoals op het zoekraken van schriftelijk werk, dat overigens uiteindelijk wel weer boven water is gekomen. Dat Unicoz de arbeidsovereenkomst met [appellant] wenste te beëindigen, acht het hof dan ook gerechtvaardigd.

3.5

Daarmee is echter nog niet gezegd dat ook het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. Daarvoor is meer nodig dan dat [appellant] onder de maat functioneerde en aldus het vertrouwen van Unicoz heeft verloren. [appellant] heeft gemotiveerd betwist dat daarvan sprake is; meer in het bijzonder heeft hij betwist dat hij bewust onjuiste cijfers in Magister heeft ingevoerd, bewust cijfers aan leerlingen heeft gegeven, terwijl hij wist dat daar geen werk tegenover stond dan wel op andere wijze opzettelijk essentiële regels voor het beoordelen van schriftelijk werk heeft overtreden. Naar het oordeel van het hof heeft Unicoz onvoldoende heeft onderbouwd dat een dergelijk bewustzijn bij [appellant] wel aanwezig was. Gelet hierop en is het hof in de gegeven omstandigheden van oordeel dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en dat de grieven III en IV, die hierop betrekking hebben, slagen. De desbetreffende subsidiaire vordering is dus toewijsbaar.

3.6

Nu het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, daar een dringende reden ontbreekt, volgt uit artikel 7:677 lid 1 en 2 BW dat Unicoz de arbeidsovereenkomst onregelmatig, namelijk niet in overeenstemming met de geldige opzegtermijn, heeft opgezegd en dus schadeplichtig is. Ook dat deel van de subsidiaire vordering is dus toewijsbaar is; grief V, dat onder meer hierop ziet, is in zoverre gegrond. Het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) is, gegeven het bepaalde in artikel 2 lid 1 sub b van dit Besluit, op de onderhavige arbeidsverhouding niet van toepassing. De opzegging van de arbeidsovereenkomst door Unicoz is derhalve ook niet vernietigbaar op grond van artikel 9 BBA wegens het ontbreken van de voorafgaande toestemming van het UWV als bedoeld in artikel 6 BBA. Unicoz kon [appellant] in beginsel ontslaan, behoudens de ontslagverboden van artikel 7:670 en 7:670a BW. [appellant] heeft in deze procedure niet aangevoerd dat zich in zijn geval een van de ontslagverboden voor doet.

3.7

Ten aanzien van de omvang van de schade geldt het volgende. [appellant] maakt, naar uit nr. 13 van de inleidende dagvaarding volgt, aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 4 BW jo. artikel 7:680 BW, dat wil zeggen een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging, conform de van toepassing zijnde opzegtermijn, had behoren voort te duren. Op grond van de CAO geldt volgens [appellant] een opzegtermijn van drie maanden. Ervan uitgaande dat het ontslag op 4 juli 2012 zou zijn gegeven, zou het ontslag op zijn vroegst per 1 november 2012 kunnen zijn ingegaan. [appellant] maakt daarom aanspraak op een schadevergoeding van vier bruto maandsalarissen, met de daarover verschuldigde toeslagen en emolumenten. Nu Unicoz het vorenstaande niet heeft bestreden, is deze vordering toewijsbaar. Evenmin heeft Unicoz bestreden dat de wettelijke rente over dit bedrag is gaan lopen vanaf de datum dat het ontslag is gegeven.

[appellant] heeft niet nader becijferd welk bedrag hij van Unicoz te vorderen heeft en heeft evenmin toegelicht welke toeslagen en/of emolumenten niet in het bruto maandsalaris zijn inbegrepen, maar wel bij wijze van schadevergoeding door Unicoz dienen te worden betaald. Het hof zal daarom volstaan met toewijzing van een schadevergoeding bestaande uit een bedrag gelijk aan het salaris over de periode 4 juli tot 1 november 2012, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2012.

3.8

Uit het vorenstaande volgt dat geen bespreking behoeft de in de grieven I en II aan de orde gestelde kwestie of Unicoz gebonden is aan de uitspraak van de Commissie van Beroep. Aangenomen dat de uitspraak bindend is, zoals [appellant] bepleit, zou dit niet ertoe leiden dat de primaire vordering van [appellant] toewijsbaar is. Een uitspraak van de Commissie van Beroep kan immers niet tot gevolg hebben dat het in het arbeidsrecht – in beginsel – bestaande gesloten stelsel van opzeggings- en beëindigingsmogelijkheden wordt opengebroken. Voor zover [appellant] met grief I zou hebben willen betogen dat de uitspraak van de Commissie van Beroep ertoe leidt dat het ontslag op staande voet nietig of vernietigbaar is, althans tot gevolg heeft dat de arbeidsovereenkomst niet op 4 juli 2012 is geëindigd, is de grief dus ongegrond.

Kennelijk onredelijk ontslag

4.1

Met grief V komt [appellant] mede op tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake was van een kennelijk onredelijk ontslag. [appellant] heeft in hoger beroep terzake (uitsluitend) aangevoerd dat een dringende reden voor ontslag ontbrak, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat het ontslag op een valse reden is gegrond en dus kennelijk onredelijk is.

4.2

Het hof overweegt als volgt. Hoewel hiervoor is geoordeeld dat er geen sprake was van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigde, is daarmee nog niet gezegd dat het ontslag op een valse reden is gegrond. Immers, zoals hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat Unicoz zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij het vertrouwen in [appellant] heeft verloren en dat er dus voldoende aanleiding was hem te ontslaan, zij het niet zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn. In zoverre faalt dus grief V.

Achterstallig loon in de schooljaren 2010-2011 en 2011-2012

5.1

Met grief VI voert [appellant] aan dat de vordering wegens achterstallig loon in de schooljaren 2010-2011 en 2011-2012 ten onrechte is afgewezen. Het gaat hier om een vordering uit overwerk. De vordering is door Unicoz bestreden onder verwijzing naar de door haar overgelegde jaartaakbrieven, waarin nauwkeurig is omschreven welke werkzaamheden [appellant] in de desbetreffende schooljaren zou verrichten en waaruit volgens Unicoz blijkt dat [appellant] niet te veel uren heeft gewerkt.

5.2

[appellant] heeft niet bestreden dat hij deze jaartaakbrieven bij aanvang van het schooljaar heeft ontvangen en evenmin dat hierin de werkzaamheden voor het komende schooljaar staan beschreven. Hij voert in hoger beroep aan dat hij geen keuzevrijheid had ter zake van de verhouding lesuren / overige taken. Daarmee is echter niet gegeven dat [appellant] overuren heeft gemaakt. Het gebrek aan keuzevrijheid leidt dus niet tot toewijzing van de onderhavige vordering.

5.3

Voorts voert [appellant] aan dat in de jaartaakbrieven een aantal werkzaamheden niet is meegenomen: de wekelijkse surveillance in de grote pauze, het bijmaken van extra projecten voor projectlessen, deelname aan havo/vwo-dagen en extra vergaderingen voor beginnend docenten.

5.4

Unicoz heeft reeds in eerste aanleg toegelicht dat deze werkzaamheden in de jaartaakbrieven zijn verdisconteerd. Uit productie 37, overgelegd bij akte na comparitie, blijkt onder meer dat er in de jaartaakbrieven een zogeheten “vaste voet” is opgenomen (in de jaartaakbrieven van [appellant] : 70 uur) waaronder taken worden gerekend die voor alle docenten van toepassing zijn ongeacht de omvang van hun betrekking. Onder die vaste voet valt onder meer “surveillance tijdens pauzes”. Ter zake van het maken van extra projecten, deelname aan havo/vwo-dagen en extra vergaderingen voor beginnend docenten heeft Unicoz in de akte na comparitie aangevoerd dat dit in de jaartaakbrieven is opgenomen onder deskundigheidsbevordering (in de jaartaakbrieven van [appellant] : 135 uur) en/of onder de opslagfactor voor- en nawerk valt.

5.5

[appellant] heeft deze stellingen van Unicoz niet (gemotiveerd) weersproken. Naar het oordeel van het hof is daarom niet komen vast te staan dat [appellant] meer uren heeft gewerkt dan in zijn jaartaakbrieven staat vermeld. De kantonrechter heeft de desbetreffende vordering dan ook terecht afgewezen.

Slotsom

6.1

De grieven III, IV en V (deels) slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Het hof zal voor recht verklaren (i) dat aan het ontslag geen dringende reden ten grondslag ligt en (ii) dat het ontslag onregelmatig is gegeven. Voorts zal Unicoz worden veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding als bedoel in artikel 7:677 lid 4 jo. artikel 7:680 lid 1 BW, zijnde een bedrag gelijk aan het salaris over de periode 4 juli tot 1 november 2012, plus vakantietoeslag en emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2012 (de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd).

6.2

Voor het overige falen de grieven. De overige vorderingen van [appellant] komen dus niet voor toewijzing in aanmerking.

6.3

Nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de kosten te compenseren, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

7 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, en in zoverre opnieuw recht doende:

- verklaart voor recht:

(i) dat aan het aan [appellant] gegeven ontslag geen dringende reden ten grondslag ligt;

(ii) dat het aan [appellant] gegeven ontslag onregelmatig is;

- veroordeelt Unicoz tot betaling van een bedrag gelijk aan het bruto-salaris over de periode 4 juli 2012 tot 1 november 2012 (inclusief vakantietoeslag en emolumenten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, V. Disselkoen en C.J. Loonstra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015 in aanwezigheid van de griffier.