Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1385

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
200.164.649/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

De moeder wordt van het gezag ontheven. Geen aanleiding voor een contra-expertise, nu dat niet mede tot beslissing van de zaak kan leiden. Belangen van de minderjarige bij voortzetting van een ongestoord hechtingsproces wegen zwaarder dan die van de moeder om met het gezag te blijven belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 27 mei 2015

Zaaknummer : 200.164.649/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 14-1894

Zaaknummer rechtbank : C/10/452992

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.B.J. Dekker te Tilburg,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de pleegmoeder],

wonende op een bij de gecertificeerde instelling bekend adres,

hierna te noemen: de pleegmoeder;

2. de stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Midden te Gouda,

thans de Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 12 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 november 2014 van de rechtbank Rotterdam.

De gecertificeerde instelling heeft op 12 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 29 april 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de pleegmoeder;

  • -

    mevrouw [naam] namens de raad;

  • -

    de heer [naam] en mevrouw [naam] namens de gecertificeerde instelling.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden

beschikking.

Bij die beschikking is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige). De gecertificeerde instelling is benoemd tot voogdes over de minderjarige. De moeder is veroordeeld aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van de minderjarige te doen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de minderjarige staat sinds 10 oktober 2011 onder toezicht;

  • -

    de minderjarige verblijft sinds 1 april 2012 bij de pleegmoeder;

  • -

    de minderjarige is erkend door [de vader].

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, althans de zaak aan te houden en te bepalen dat een contra-expertise zal plaatsvinden naar de pedagogische vaardigheden en mogelijkheden van de moeder en de mogelijkheden betreffende terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder, kosten rechtens.

3. De raad en de gecertificeerde instelling verweren zich daartegen en verzoeken het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen.

Ontheffing

4. De moeder stelt dat in diverse rapportages feitelijke onjuistheden zijn opgenomen, waardoor de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de moeder niet in staat was te voldoen aan de behoeften en belangen van de minderjarige en dat zij steeds meer haar eigen gang ging en de minderjarige aan het zicht van de gecertificeerde instelling onttrok. De moeder stelt dat zij steeds al haar keuzes in overleg met de toenmalige gezinsvoogd heeft gemaakt en van die gezinsvoogd steeds toestemming heeft verkregen voor haar beslissingen. De moeder stelt voorts dat er door de gecertificeerde instelling te weinig aan is gedaan om de minderjarige terug te kunnen plaatsen, ondanks het feit dat de moeder steeds aan alle verzoeken van de gecertificeerde instelling heeft voldaan. De moeder heeft in dat kader aangevoerd dat de kinderrechter bij beschikking van 7 oktober 2014 zijn vraagtekens bij het optreden van de gecertificeerde instelling heeft gezet. De rechtbank heeft de vraag of de gecertificeerde instelling voldoende inspanningen heeft geleverd om tot thuisplaatsing van de minderjarige te komen, ten onrechte inhoudelijk niet getoetst of beantwoord.

5. De raad verweert zich daartegen als volgt. De raad is op de hoogte van de klachtenprocedure bij de gecertificeerde instelling en die procedure is aan de orde geweest tijdens het raadsonderzoek. De raad betwist dat door de gecertificeerde instelling niet gewerkt zou zijn aan thuisplaatsing. De raad voert voorts aan dat de minderjarige inmiddels vier jaar oud is en nu al drie jaar uit huis geplaatst is en zich in die periode heeft gehecht aan de pleegouders. De periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing was rumoerig en instabiel en ontbeerde structuur. De raad is van mening dat de gronden voor de ontheffing nog immer aanwezig zijn, gelet op de termijn van de ondertoezichtstelling, het feit dat de moeder naar mening van de raad niet voor de minderjarige kan zorgen en de belangen van de minderjarige bij het in stand houden van de huidige opvoedingssituatie.

6. De gecertificeerde instelling verweert zich als volgt tegen het hoger beroep van de moeder. Begin 2013 zijn diverse rapportages met de moeder nagelopen, zijn de onjuistheden daaruit weggenomen en is de mening van de moeder weergegeven. De wijzigingen zijn ook doorgevoerd in alle latere rapportages. Ook uit e-mail contact in juli 2014 tussen de gecertificeerde instelling en de moeder blijkt dat er wel degelijk gesprekken met de moeder over de rapportages zijn gevoerd, dat de stukken zijn aangepast en dat dit afdoende was voor de moeder. De gecertificeerde instelling is dan ook van mening dat de rechtbank op basis van juiste en volledige informatie heeft beslist. De gecertificeerde instelling betwist dat zij onvoldoende zouden hebben toegewerkt naar een thuisplaatsing. Kort na de uithuisplaatsing van de minderjarige zijn de mogelijkheden voor een netwerkplaatsing onderzocht. In augustus 2012 heeft de moeder aangegeven dat zij haar relatie heeft beëindigd, een eigen woning heeft gevonden en begeleiding ontvangt van ASVZ en dat zij wil dat de minderjarige thuis geplaatst wordt. De gecertificeerde instelling heeft de moeder daarop een termijn van zes maanden gegeven om te laten zien dat zij stabiliteit kon bieden en basale zorg op zich kon nemen. In december 2013 heeft de gecertificeerde instelling vervolgens – omdat de moeder in de voorliggende anderhalf jaar had laten zien een vaste woning te hebben, voor duidelijkheid in haar relatie te hebben gekozen en gewerkt te hebben aan haar persoonlijke problematiek – een onderzoek naar het toekomstperspectief van de minderjarige aangevraagd bij het NIFP. Het advies van het NIFP is om de minderjarige niet terug te laten keren naar huis, zulks in verband met de geconstateerde persoonlijke problematiek van zowel de moeder als de minderjarige.

7. Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:266 BW een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen kan worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Een ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de moeder niet instemt met een ontheffing van het gezag, ligt ter toetsing aan het hof de vraag voor of er gegronde vrees bestaat dat, na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden, deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige af te wenden.

8. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Naar het oordeel van het hof zijn door de moeder in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld die een andere beslissing rechtvaardigen. Het hof neemt daartoe het volgende in aanmerking. Ten tijde van het verzoek tot uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling werd de minderjarige wegens problematiek in de opvoedingssituatie bij de moeder ernstig in zijn geestelijke en lichamelijke belangen bedreigd. Hoewel de moeder zich inzet om op termijn weer voor de minderjarige te kunnen zorgen en haar situatie thans stabieler is dan ten tijde van de uithuisplaatsing van de minderjarige, is het hof van oordeel dat op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting vast is komen te staan dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. Het hof overweegt daartoe dat de moeder een belaste voorgeschiedenis heeft, beperkte cognitieve vermogens, een (nog) beperkt ondersteunend netwerk, een krappe financiële situatie en zorgelijke persoonsfactoren. De moeder wil meer tijd om te laten zien dat zij in staat is haar positieve ontwikkelingen door te zetten, maar zij gaat met die wens voorbij aan het belang dat de minderjarige heeft aan duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief. Uit het door het Haags Ambulatorium verrichte onderzoek naar mogelijkheden tot thuisplaatsing is gebleken dat de minderjarige zich goed heeft gehecht aan zijn pleegouders en dat verlies van zijn primaire hechtingsfiguren – de pleegouders – gelet op de kwetsbaarheid en jonge leeftijd van de minderjarige zeer schadelijk voor hem zal zijn. De minderjarige heeft bovendien behoefte aan voorspelbaarheid, duidelijkheid en stabiliteit, en zijn pleegouders zijn in staat in die behoefte te voorzien. Een eventuele thuisplaatsing zal – ook indien daartoe niet direct wordt overgegaan, maar enkel het vooruitzicht daarop blijft bestaan – een bedreiging vormen van de voorspelbaarheid, duidelijkheid en stabiliteit die de minderjarige thans in het pleeggezin worden geboden.

Het hof is voorts van oordeel dat gegronde vrees bestaat dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de bedreiging van de lichamelijke en geestelijke belangen van de minderjarige af te wenden. Het hof overweegt daartoe als volgt. Wanneer een kind, zoals in het onderhavige geval, vanaf jeugdige leeftijd in een perspectiefbiedend pleeggezin verblijft en er geen of onvoldoende zicht is op terugplaatsing, acht het hof het in het belang van het kind dat het zich in dit pleeggezin volledig en harmonieus kan ontwikkelen. Om hieraan te voldoen dient er duidelijkheid omtrent het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind te bestaan.

Zolang er nog reële mogelijkheden tot thuisplaatsing aanwezig zijn brengt het in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de vrijheden van de mens en de fundamentele vrijheden verankerde recht van ouder(s) en kind op respect van het tussen hen bestaande familie- en gezinsleven mee dat de toepassing van een kinderbeschermingsmaatregel gericht is op een uiteindelijke hereniging met de ouders. De ouders hebben er in beginsel recht op zelf hun kind te verzorgen en op te voeden en over het kind het gezag uit te oefenen. Door de staat dienen in die situatie in het kader van de maatregel van kinderbescherming passende maatregelen genomen te worden om in het belang van ouders en kind een hereniging te bewerkstelligen.

Dit is echter anders indien thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort. In dat geval blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. De mogelijkheid tot hereniging met de ouder(s) en de onzekerheid hieromtrent kunnen dan het hechtingsproces in het pleeggezin verstoren, hetgeen in die situatie een niet gerechtvaardigde inbreuk vormt op het recht van het kind op respect van het inmiddels tussen hem en de pleegouders ontstane familie- en gezinsleven. Zeker wanneer het, zoals in onderhavige zaak, een jong kind betreft en er reeds sterke banden met de pleegouders bestaan, dient naar het oordeel van het hof aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend. Het recht van het kind op duidelijkheid omtrent het opvoedingsperspectief en een ongestoorde hechting in het pleeggezin vloeit tevens voort uit artikel 3 lid 1 en artikel 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin aan het kind dat blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort, moet missen, recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege wordt toegekend. Dit recht van het kind weegt zwaarder dan het hierboven weergegeven recht van de ouder(s) op hereniging met het kind. Met betrekking tot het laatste geldt overigens dat de ontheffing van het gezag geen onherroepelijk karakter heeft en herstel in het gezag van de ouder(s) open laat in de situatie dat het alsnog verantwoord zou worden het kind wederom aan de ouder(s) toe te vertrouwen (art. 1:277 lid l BW).

Indien zoals in de onderhavige zaak er redelijkerwijs voor terugplaatsing van de op jeugdige leeftijd in het pleeggezin geplaatste en inmiddels gehechte kind naar de ouder geen redelijk perspectief bestaat acht het hof de bereidheid van de ouder – nog daargelaten de vraag of en, zo ja, in hoeverre die bestendig en stabiel zal blijken te zijn in de toekomst – op zich niet voldoende om, gelet op de voornoemde in het geding zijnde rechten van het kind, de ontheffing niet uit te spreken. Immers doet zich ook dan, door de impasse die ontstaat doordat geen inhoud kan worden gegeven aan de in art. 1:257 lid 2 BW gegeven doelstelling van de ondertoezichtstelling, terwijl de ondertoezichtstelling wel blijft doorlopen, de situatie voor dat na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden van een onder toezicht gesteld kind gegronde vrees bestaat dat de maatregel van ondertoezichtstelling – door een onveranderde onmacht of ongeschiktheid van de ouder om het kind zelf op te voeden – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

9. In de gegeven omstandigheden dient aan de belangen van de minderjarige bij continuering van de huidige opvoedingssituatie en voortzetting van een ongestoord hechtingsproces een zwaarder wegende betekenis te worden toegekend dan aan het recht van de moeder om met het gezag te blijven belast.

Contra-expertise ex artikel 810a Rv

10. De moeder voert het volgende aan. De moeder wenst middels onderzoek dan wel een observatieperiode met de minderjarige aan te tonen dat zij niet ongeschikt en onmachtig is de minderjarige zelf op te voeden en te verzorgen. De persoonlijke situatie van de moeder is de afgelopen periode gewijzigd en gestabiliseerd. De moeder is op 5 september 2014 bevallen van een dochter en zowel zij als haar partner is in staat haar een veilig opvoedingsklimaat te bieden en uit onderzoek van de raad zijn geen gronden naar voren gekomen voor het opleggen van een beschermingsmaatregel. Voorts voert de moeder aan dat zij ten tijde van het onderzoek door het Haags Ambulatorium niet was voorbereid en geen idee had wat zij kon verwachten van het onderzoek, hetgeen het onderzoek mogelijk heeft beïnvloed. Daarnaast voert de moeder aan dat een nieuw onderzoek ook ten aanzien van de minderjarige tot een andere conclusie zou kunnen leiden, omdat de contactregeling na de vorige contra-expertise is uitgebreid en daarmee wellicht ook de hechting tussen de moeder en de minderjarige is veranderd. Tot slot voert de moeder aan dat ten onrechte is geoordeeld dat een contra-expertise niet opportuun zou zijn omdat ook een eventuele positieve uitkomst van de pedagogische vaardigheden van de moeder niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden.

11. De gecertificeerde instelling stelt dat een nieuw onderzoek dan wel een observatieperiode niet in het belang van de minderjarige is. De gecertificeerde instelling meent dat uitdrukkelijk is onderbouwd dat het perspectief van de minderjarige in het pleeggezin dient te liggen en dat het in zijn belang is dat hij zich daar volledig en harmonieus kan ontwikkelen. De gecertificeerde instelling stelt dat een wijziging van zijn verblijfplaats een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige zou betekenen. De gecertificeerde instelling betwist voorts dat de persoonlijke situatie van de moeder stabiel is.

12. Het hof overweegt als volgt. Gelet op het hiervoor onder 8 overwogene, is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat een onderzoek op de voet van artikel 810a Rv in onderhavige zaak niet mede tot de beslissing van de zaak zal kunnen leiden. Het hof zal het verzoek van de moeder om nader onderzoek te gelasten dan ook afwijzen.

13. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

14. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Obbink-Reijngoud, Van Nievelt en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2015.