Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1382

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
200.169.291/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:4504
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Bekrachtiging in hoger beroep en kostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 3 juni 2015

Zaaknummer : 200.169.291/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-1734

Zaaknummer rechtbank : C/09/484326

[De vader],

wonende te [woonplaats], gemeente[naam gemeente],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht,

tegen

[de moeder],

wonende te[woonplaats], [naam land],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 6 mei 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 april 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.

De moeder heeft op 12 mei 2015 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De zaak is op 19 mei 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door mr. J. Schuttkowski, kantoorgenoot van mr. Van den Branden;

- mevrouw [naam gemachtigde] namens de raad.

De beide advocaten hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is:

- de terugkeer gelast van de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in] 2009 te [geboorteplaats] ([naam land A]), hierna te noemen: de minderjarige, naar [naam land] uiterlijk op 6 mei 2015, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar [naam land];

- bevolen, indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen naar [naam land], dat de vader de minderjarige met de benodigde reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 6 mei 2015, opdat de moeder de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar [naam land];

- bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de teruggeleiding van de minderjarige naar [naam land].

2. De vader verzoekt bij beschikking het inleidende verzoek van de moeder af te wijzen.

3. De moeder verzoekt het beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling van gronden. In incidenteel appel verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen voor zover haar verzoek, om de vader te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg, is afgewezen. De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader alsnog te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg, alsmede in de kosten van het hoger beroep, te weten een bedrag van in totaal € 5.573,14, dan wel een bedrag als het hof vermeent te behoren.

(On)geoorloofde overbrenging

4. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn stelling, dat het de bedoeling van partijen was zich in mei 2014 in Nederland te vestigen, onvoldoende heeft onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank volgens de vader ten onrechte overwogen dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de verhuizing van de minderjarige naar Nederland en dat niet is komen vast te staan dat de ouders ooit overeenstemming hebben bereikt over de verplaatsing van de gewone verblijfplaats van de minderjarige van [naam land] naar Nederland, alsmede dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige aldus in Nederland was gelegen. De vader voert daartoe het volgende aan. Partijen hebben samengewoond in [naam land] en waren voornemens om in juni 2014 naar Nederland te verhuizen. Partijen zouden per 1 juni 2014 een woning huren en de vader had reeds een basisschool bezocht om te informeren of er plaats was voor de minderjarige voor het schooljaar 2014/2015. Vanwege de verlenging van zijn paspoort is de vader van eind april 2014 tot en met 21 mei 2014 naar [naam land B] geweest en na terugkomst bleek de moeder niet van plan mee te verhuizen naar Nederland. Partijen hebben toen de oorspronkelijke uitspraak van [een datum in] 2012 van het Hof van Beroep te [plaats] weer als uitgangspunt genomen voor de verblijfsregeling. De minderjarige had haar gewone verblijfplaats bij de vader. Om die reden is de minderjarige in Nederland bij hem komen wonen. Na een tia van de vader (op 9 juni 2014) is de minderjarige voor een paar weken naar de moeder gegaan (tot eind juni 2014). De minderjarige had op 17 juli 2014 een afspraak in een ziekenhuis in [naam land] en omdat die afspraak nog niet naar een Nederlands ziekenhuis was verplaatst, heeft de vader de minderjarige op 17 juli 2014 bij de moeder gebracht. Vanaf dat moment is elk contact tussen de vader en de minderjarige verbroken. De vader heeft aangifte gedaan van ontvoering en uiteindelijk is de minderjarige door tussenkomst van de politie op 8 september 2014 bij de vader teruggekeerd. De [buitenlandse] politie heeft terecht geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij de vader was en om die reden heeft de politie de minderjarige met de vader mee naar Nederland laten gaan.

De vader meent derhalve dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in mei 2014 van [naam land] naar Nederland is verplaatst en dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in september 2014 dus in Nederland was gelegen.

Ter terechtzitting van het hof heeft de vader zijn stelling, dat het de bedoeling was om met het hele gezin naar Nederland te verhuizen, gehandhaafd. Volgens de vader heeft de moeder daar uiteindelijk van afgezien maar wel meegewerkt aan een verhuizing van de minderjarige naar Nederland. Van ongeoorloofde overbrenging in de zin van het Haags Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag) naar Nederland is volgens de vader geen sprake.

5. De moeder stelt dat sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige door de vader naar Nederland in de zin van artikel 3 van het Verdrag, zodat teruggeleiding van de minderjarige naar [naam land] dient te volgen. Kort weergegeven voert de moeder daartoe aan dat partijen het gezamenlijk gezag over de minderjarige hebben, dat de minderjarige haar gewone verblijfplaats in [naam land] heeft en dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor het meenemen van de minderjarige naar Nederland. De moeder betwist dat partijen de bedoeling hebben gehad om op enig moment in Nederland te gaan wonen. Als al wordt aangenomen dat partijen die bedoeling wel hadden dan staat voor de moeder vast dat de plannen nimmer zijn uitgevoerd en dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige derhalve nimmer is gewijzigd. De moeder stelt dat de vader op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat zij toestemming heeft verleend dan wel heeft berust in een verhuizing van de minderjarige naar de vader.

Weigeringsgrond ex artikel 13, eerste lid, sub b van het Verdrag

6. Ingeval het hof tot het oordeel komt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van de overbrenging in [naam land] is gelegen, stelt de vader dat desondanks de terugkeer van de minderjarige niet moet worden gelast omdat sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. De vader komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag geen sprake is, ten eerste niet omdat niet gebleken is dat de minderjarige fysiek en psychisch door de moeder is mishandeld en ten tweede niet omdat de rechtbank van oordeel is dat de vader samen met de minderjarige naar [naam land] kan terugkeren. Ten derde niet omdat de door de vader gestelde posttraumatische stress-stoornis (hierna PTSS) aan de teruggeleiding niet in de weg staat en de noodzakelijke hulp ook in [naam land] kan worden geboden en ten vierde niet omdat de vader zijn stelling, dat een terugkeer naar [naam land] de klachten zal verergeren, niet heeft onderbouwd.

Voorts komt de vader op tegen de beslissing van de rechtbank om geen onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (de raad) te gelasten. Ter onderbouwing van zijn stelling voert de vader het volgende aan.

De vader meent dat de minderjarige bij een terugkeer in een ondragelijke toestand komt te verkeren, dan wel dat het risico bestaat dat zij in een ondragelijke toestand komt te verkeren op grond van de volgende omstandigheden:

a. de verklaring van de minderjarige waaruit blijkt dat zij door de moeder psychisch en fysiek is mishandeld (productie 8 bij het verweerschrift eerste aanleg);

b. de minderjarige lijdt aan een PTSS , gezien de verklaring van de huisarts (productie 6 bij het verweerschrift eerste aanleg) en de brief van 30 april 2015 van [naam hulpverleningsinstantie];

c. de vader kan niet terugkeren naar [naam land] omdat hij daar de financiën niet voor heeft (productie 9 en 10 bij het verweerschrift eerste aanleg).

De vader meent dat terugkeer naar de moeder niet in het belang van de minderjarige is omdat zij van gevaar voor mishandeling gevrijwaard dient te worden. Bovendien zou een verhuizing betekenen dat aan de bestaande stress situatie van de minderjarige een extra stressor wordt toegevoegd, nog afgezien van het feit dat de vader geen financiële middelen heeft voor een verhuizing. Indien de minderjarige uit haar vertrouwde omgeving wordt weggehaald zal haar trauma verergeren.

Vanwege de PTSS dan wel vroegkinderlijke chronische traumatisering meent de vader dat teruggeleiding de minderjarige in een ondragelijke situatie als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zal brengen en om die reden dient te worden afgewezen. De vader acht een advies van de raad van belang alvorens teruggeleiding wordt gelast, teneinde na te gaan of een verhuizing de PTSS van de minderjarige kan doen verergeren en voor haar een ondragelijke toestand doet ontstaan. De vader realiseert zich dat dat deze procedure zich strikt genomen niet leent voor onderzoek maar meent dat onderzoek wel mogelijk is nu het welzijn van de minderjarige objectief gezien gevaar kan lopen.

Artikel 11 lid 4 Brussel II bis bepaalt dat een terugkeer niet kan worden geweigerd “wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te verzekeren”. Aangezien er in [naam land] nog geen voorzieningen zijn getroffen kan de terugkeer op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag geweigerd worden.

Indien het hof teruggeleiding gelast verzoekt de vader, teneinde een mogelijke dubbele verhuizing te voorkomen, onder verwijzing naar een uitspraak van 26 januari 2015 van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2015:1481), zulks op termijn te laten plaatsvinden, omdat op 5 juni 2015 in [naam land] een zitting plaatsvindt over het hoofdverblijf van de minderjarige, zodat de teruggeleiding dient te worden uitgesteld tot na de uitspraak in die procedure en niet eerder dan in een vakantie dient plaats te vinden (per 1 januari 2016 dan wel op 1 augustus 2015).

7. Volgens de moeder doet de vader ten onrechte een beroep op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag, mede vanwege het feit dat een dergelijke grond blijkens vaststaande jurisprudentie zeer restrictief moet worden uitgelegd. De moeder heeft nooit problemen gehad met de minderjarige, betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van de minderjarige en volgens de moeder staat niet vast dat de minderjarige PTSS heeft dan wel dat sprake is van een vroegkinderlijk trauma. Zelfs indien vast zou staan dat de minderjarige PTSS heeft of dat sprake zou zijn van een vroegkinderlijk trauma dan zijn er voldoende instanties in [naam land] die hulp kunnen bieden, zodat dat een teruggeleiding niet in de weg staat. De moeder meent derhalve dat de minderjarige bij een terugkeer naar [naam land] niet in een ondragelijke toestand komt te verkeren, dan wel dat het risico daartoe bestaat. Een onderzoek van de raad past volgens de moeder evenmin binnen de restrictieve uitleg van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag, aangezien als uitgangspunt van het Verdrag geldt een zo snel mogelijk herstel van de status quo, de situatie waarin de minderjarige zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering.

De moeder verzet zich mede om die reden tegen een mogelijke teruggeleiding per 1 januari 2016 dan wel 1 augustus 2015. Weliswaar loopt in [naam land] een procedure over het hoofdverblijf van de minderjarige die op 5 juni 2015 ter terechtzitting wordt behandeld, maar de moeder sluit niet uit dat een uitspraak nog enige tijd op zich zal laten wachten omdat de verwachting is dat de [buitenlandse] Raad voor de Kinderbescherming eerst nog onderzoek zal doen. Indien het hof aan de teruggeleiding een termijn verbindt dan verzoekt de moeder de teruggeleiding uiterlijk op 18 juli

2015 te laten plaatsvinden, zodat de minderjarige dan in alle rust weer kan starten op de school in [plaats].

8. De raad heeft ter terechtzitting medegedeeld dat, indien de minderjarige getraumatiseerd is, zulks is te wijten aan de strijd tussen de ouders. De raad geeft aan dat in een onderzoek geen diagnose kan worden gesteld maar kunnen er uitsluitend kenmerken worden benoemd maar de raad heeft geen kenmerken gehoord. Alvorens onderzoek te kunnen doen moet vast staan dat sprake is van een trauma. De raad acht een verhuizing van een minderjarige in dit soort zaken altijd stresserend maar is ervan overtuigd dat de minderjarige vooral stress heeft als gevolg van de vechtscheiding tussen de ouders. De raad stelt dat de ouders systeemtherapie is geadviseerd en beide ouders doen er verstandig aan om die therapie in het belang van de minderjarige te volgen.

Oordeel hof

9. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op de juiste gronden geoordeeld dat sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige naar Nederland zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn naar het oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel en een andere beslissing zouden moeten leiden. De minderjarige had ten tijde van de overbrenging haar gewone verblijfplaats in [naam land] en naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de moeder heeft ingestemd met een verhuizing van de minderjarige naar Nederland. Nog in het midden gelaten of de minderjarige PTSS heeft dan wel sprake is van een vroegkinderlijk trauma, kan het niet anders zijn dan dat de minderjarige veel stress ondervindt van de huidige situatie. Naar het oordeel van het hof is dat echter geen reden om niet over te gaan tot een teruggeleiding, aangezien de teruggeleiding op zich niet de stress verhogende factor is maar de strijd tussen de ouders, die het hof zowel uit de stukken maar ook ter zitting heeft waargenomen. Partijen hebben ieder een eigen visie die op nagenoeg alle fronten geheel uiteenloopt, zij vertrouwen elkaar niet en maken elkaar over en weer ernstige verwijten. In het belang van de minderjarige doen de ouders er verstandig aan om alsnog het advies van de raad op te volgen en in systeemtherapie te gaan. Vaststaat dat de moeder de minderjarige sinds september 2014 niet meer heeft gezien en ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er vorige maand voor het eerst weer één contactmoment is geweest tussen de moeder en de minderjarige. De vader heeft geen enkele poging ondernomen om contact tussen de moeder en de minderjarige tussentijds mogelijk te maken en om de verhoudingen tussen partijen te normaliseren. Dit heeft mede tot gevolg gehad dat de minderjarige haar zusje, dat tussentijds geboren is, nog nooit heeft gezien. Dit alles acht het hof zeer zorgelijk.

Gezien het uitgangspunt van het Verdrag leent de onderhavige procedure, zoals de vader zelf al stelt in zijn beroepschrift, zich niet voor een onderzoek van de raad, nog afgezien van het feit dat de raad – naar het hof begrijpt – daar ook geen mogelijkheden toe ziet. Bovendien is het hof van oordeel dat, indien onderzoek geïndiceerd is, zulks in [naam land] plaats kan vinden. Daarnaast zijn er ook andere instanties die – zo nodig – hulp kunnen bieden. Het hof ziet derhalve geen reden om een onderzoek van de raad te gelasten en zal het verzoek van de vader derhalve op dat punt afwijzen.

Aan het beroep van de vader op artikel 11 lid 4 van de Verordening Brussel II bis komt het hof niet toe, aangezien geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Het hof ziet evenmin reden om de teruggeleiding uit te stellen. Nog afgezien van het feit dat de onderhavige procedure een ordemaatregel betreft, is – naar het hof heeft begrepen - de kans groot dat de raad in [naam land] onderzoek zal gaan doen in de daar tussen partijen aanhangige procedure over het hoofdverblijf van de minderjarige. De uikomst van die procedure afwachten, zoals door de vader wordt bepleit, staat op gespannen voet met de bedoeling van het Verdrag. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de teruggeleiding per direct zal bevelen. Overigens heeft de vader, hoewel hij in zijn beroepschrift heeft gesteld dat hij niet kan terugkeren naar [naam land] omdat hij daar de financiën niet voor heeft, daarnaar gevraagd ter zitting, meegedeeld dat hij de minderjarige niet zal loslaten en met haar mee gaat naar [naam land] indien het hof de bestreden beschikking bekrachtigt.

Conclusie

10. Nu geen sprake is van een in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgrond, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in zoverre bekrachtigen, met dien verstande dat het hof, nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding vanwege dit hoger beroep is achterhaald, de teruggeleiding van de minderjarige naar haar gewone verblijfplaats in [naam land] op uiterlijk 10 juni 2015 zal gelasten.

Kostenveroordeling

11. De moeder verzoekt de vader te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, begroot op in totaal € 5.573,14.

12. Het hof overweegt dat ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, voor zover hier van belang, de rechter desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk of mede verantwoordelijk is, kan veroordelen tot betaling aan de centrale autoriteit, of aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.

13. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder de door haar gemaakte kosten met bewijsstukken gestaafd en de vader heeft haar verzoek en het door de moeder verzochte bedrag van € 5.573,14 niet weersproken. Gelet hierop zal het hof conform het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering de vader veroordelen tot betaling van de door de moeder gemaakte kosten van het geding in beide instanties, totaal begroot op € 5.573,14.

14. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover de terugkeer van de minderjarige is gelast met dien verstande dat ten aanzien van de datum van teruggeleiding wordt beslist als volgt:

gelast de onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in]2009 te [geboorteplaats] ([naam land A]), naar [naam land], uiterlijk op 10 juni 2015, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar [naam land] en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen naar [naam land], dat de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 10 juni 2015, opdat de moeder de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar [naam land];

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het verzoek van de moeder, om de vader in de kosten van het geding in eerste aanleg te veroordelen, is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de vader tot betaling aan de moeder van de door haar gemaakte kosten in het geding in beide instanties in verband met de ontvoering en teruggeleiding ter hoogte van € 5.573,14 (vijfduizend vijfhonderd drieënzeventig euro en veertien eurocent);

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Warnaar, van Nievelt en Obbink-Reijngoud, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2015.