Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1312

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
200.130.454-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nakoming borgtochtovereenkomst. Tussenarrest. Appellant mag zich nog uitlaten over door geïntimeerde overgelegde stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.149.004/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/433603 / HA ZA 12-1475

arrest van 9 juni 2015

inzake

[appellant],

wonende te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.P.V. den Engelsman te Rotterdam,

tegen

Coöperatieve Rabobank Vlietstreek-Zoetermeer U.A.,

gevestigd te Zoetermeer,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de bank,

advocaat: mr. J.C. Meijroos te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 25 april 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van drie door de rechtbank Den Haag, Team handel, tussen partijen gewezen vonnissen van 6 februari 2013, 10 april 2013en 12 maart 2014. Bij memorie van grieven met een productie heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met vijf producties heeft de bank de grieven bestreden.

Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor zover de door de rechtbank vastgestelde feiten niet zijn weersproken, neemt ook het hof deze tot uitgangspunt.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

Coöperatieve Rabobank Leidschendam-Voorburg U.A. (hierna: Rabobank Leidschendam-Voorburg) heeft met Horeca Concept Building B.V. (verder: de vennootschap) een financieringsovereenkomst gesloten, waarvoor [appellant] zich voor een maximum van € 100.000 borg heeft gesteld. Daartoe is op 12 maart 2004 door Rabobank Leidschendam-Voorburg en [appellant] een schriftelijke overeenkomst van borgtocht getekend.

2.2

De vennootschap is op 6 april 2005 failliet gegaan. Op 2 maart 2006 is dit faillissement bij gebrek aan baten opgeheven, waardoor de vennootschap heeft opgehouden te bestaan.

2.3

Bij brieven van 19 en 29 december 2011 is [appellant] namens de bank aangemaand tot betaling van een bedrag van (in hoofdsom) € 118.782,46.

2.4

De bank heeft gevorderd – samengevat – veroordeling van [appellant] tot betaling van € 101.785, vermeerderd met rente en kosten.

2.5

De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling aan de bank van € 101.785,- met wettelijke rente vanaf 27 november 2012 en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank was van oordeel dat de bank op [appellant] een vordering uit borgtocht had en dat het door [appellant] gedane beroep op verjaring niet slaagde.

3. In hoger beroep vordert [appellant] dat het hof de vonnissen van 6 februari 2013, 10 april 2013 en 12 maart 2014 vernietigt en de vordering van de bank alsnog afwijst, met veroordeling van de bank, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van beide instanties met wettelijke rente en nakosten.

4.1

[appellant] voert in de toelichting op grief 1 tegen de vordering aan dat hij de borgstellingsovereenkomst heeft gesloten met Rabobank Leidschendam-Voorburg en niet is gebleken dat de bank in de rechten als gewaarborgde is getreden. Hiertegen voert de bank aan dat zij de rechten uit de borgtochtovereenkomst heeft verkregen doordat zij door fusie sinds 1 november 2005 rechtsopvolger onder algemene titel is van Rabobank Leidschendam-Voorburg. De bank heeft ter onderbouwing een uittreksel uit het handelsregister overgelegd. Van een gedekt weer, zoals de bank stelt, is naar het oordeel van het hof geen sprake, nu uit de proceshouding van [appellant] in eerste aanleg niet ondubbelzinnig voortvloeit dat het thans gevoerde verweer is prijsgegeven. Het hof zal, alvorens op dit punt te beslissen, [appellant] in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten.

4.2

De bank heeft erop gewezen dat ook op 1 november 2014 een fusie heeft plaatsgevonden, waardoor zij is opgehouden te bestaan en haar vermogen onder algemene titel is overgegaan op Coöperatieve Rabobank Regio Den Haag U.A. Ter onderbouwing heeft de bank een uittreksel uit het handelsregister overgelegd. Uit de partijaanduiding op het voorblad van de memorie van antwoord leidt het hof af dat de bank wenst dat de procedure op naam van Coöperatieve Rabobank Regio Den Haag U.A. wordt voortgezet (vergelijk Hoge Raad 27 mei 2005, NJ 2006/598). Alvorens daarover te beslissen, zal [appellant] in de gelegenheid worden gesteld zich ook hierover uit te laten.

5. Om proceseconomische redenen zal [appellant] eveneens in de gelegenheid worden gesteld zich reeds thans uit te laten over het volgende.

5.1

De bank heeft bij memorie van antwoord sub 30 de omvang van de vordering op de vennootschap ten tijde van de faillietverklaring onderbouwd en zich daarbij beroepen op de als productie 1 overgelegde brief van 12 mei 2005 aan de curator. [appellant] mag zich hierover uitlaten, als hierna bepaald.

5.2

In het vonnis van 12 maart 2014 heeft de rechtbank op grond van de verklaringen van de door haar gehoorde getuigen geoordeeld dat de bank erin is geslaagd te bewijzen dat [appellant] het bestaan van de schuld aan de bank in maart of april 2009 heeft erkend. Met grief 4 bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat de verjaring van de vordering van de bank op hem in 2009 door erkenning is gestuit. De bank heeft bij haar bestrijding van deze grief bij memorie van antwoord sub 39 een beroep gedaan op een telefoonnotitie van 3 juli 2008 van haar medewerker S. Pattiruhu en een dossiernotitie van haar medewerker De Groot, alsmede bij memorie van antwoord sub 46 op een faillissementsverslag van 16 november 2010 met betrekking tot het faillissement van Horecawarehouse B.V. [appellant] mag zich hierover uitlaten, als hierna bepaald.

6. Het hof ziet aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Het doel is het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling. De comparitie kan verder worden benut om procedureafspraken te maken, zoals afspraken over termijnen en eventuele bewijslevering. [appellant] wordt in de gelegenheid gesteld om uiterlijk twee weken voor de comparitie zich schriftelijk uit te laten als bedoeld in r.o. 4.1, 4.2, 5.1 en 5.2.

7. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

Beslissing

Het hof:

 beveelt partijen in persoon, als het om een rechtspersoon gaat deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. F.R. Salomons in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag, en wel op donderdag 2 juli 2015 om 13.30 uur;

 bepaalt dat uitstel van deze comparitie eenmaal zal worden verleend, indien daarom, onder opgave van verhinderdata van beide partijen, binnen twee weken na dit arrest schriftelijk wordt verzocht;

 bepaalt dat [appellant] in de gelegenheid wordt gesteld om zich uit te laten als bedoeld in r.o. 4.1, 4.2, 5.1 en 5.2, door een schriftelijke reactie uiterlijk twee weken vóór de comparitie aan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;

 bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, zullen overleggen door deze uiterlijk twee weken vóór de comparitie aan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;

 houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, R.S. van Coevorden en F.R. Salomons, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.