Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1245

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
200.153.423/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:56, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, arbeidsongeschiktheid. Beroep op immuniteit van rechtsmacht door werkgever (Europese Octrooi Organisatie), Artikel 6 EVRM. Lange duur van de interne procedure en de procedure voor het ILOAT.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1228
JAR 2015/224
AR-Updates.nl 2015-0620
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.153.423/01

Zaaknummer rechtbank : 3064171 RL EXPL 14-14985

arrest van 2 juni 2015

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.P. van Veenendaal te Den Haag,

tegen

de internationale publiekrechtelijke rechtspersoon Europese Octrooi Organisatie,

zetelend in München, Duitsland,

tevens kantoorhoudend te Rijswijk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: EPO,

advocaat: mr. G.R. den Dekker te Den Haag.

1 Het verloop van het geding

1.1

Bij exploot van 28 juli 2014 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Den Haag (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen kort geding vonnis van 30 juni 2014. Bij memorie van grieven heeft [appellante] twee grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht en producties overgelegd.

1.2

Bij memorie van antwoord heeft EPO onder overlegging van producties de grieven bestreden.

1.3

Vervolgens hebben partijen op 13 april 2015 de zaak doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van overgelegde pleitnotities. Bij die gelegenheid heeft [appellante] nog een aantal producties in het geding gebracht. Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.4

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 tot en met 8 een aantal feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) EPO is een rechtspersoon naar internationaal publiek recht, in 1973 in het leven geroepen bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Trb. 1976, nr. 101, hierna: het Verdrag). Het Verdrag is op 7 oktober 1977 voor Nederland in werking getreden.

(ii) De arbeidsvoorwaarden van het personeel zijn neergelegd in de “Service Regulations for Permanent Employees” (hierna: de Service Regulations). Hierin is onder meer het volgende bepaald. Een personeelslid van EPO dat het niet eens is met een jegens hem genomen besluit kan daartegen opkomen door middel van een interne beroepsprocedure. Deze interne beroepsprocedure houdt in dat tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt bij de president van EPO. Indien de president het bezwaar niet honoreert wordt de zaak voorgelegd aan het Internal Appeals Committee (hierna: IAC), welke commissie advies uitbrengt aan de president. De president beslist vervolgens naar aanleiding van dit advies of alsnog aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen. Tegen deze beslissing van de president staat beroep open bij het ILOAT, op grond van artikel 13 van het Verdrag dat als volgt luidt:

Article 13. Disputes between the Organisation and the employees of the European Patent Office

1. Employees and former employees of the European Patent Office or their successors in title may apply to the Administrative Tribunal of the International Labour Organization in the case of disputes with the European Patent Organisation, in accordance with the Statute of the Tribunal and within the limits and subject to the conditions laid down in the Service Regulations for permanent employees or the Pension Scheme Regulations or arising from the conditions of employment of other employees.

2. An appeal shall only be admissible if the person concerned has exhausted such other means of appeal as are available to him under the Service Regulations, the Pension Scheme Regulations or the conditions of employment.

(iii) In artikel 3 lid 1 van het bij het Verdrag horende Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie (hierna: het Protocol) is het volgende bepaald:

Within the scope of its official activities the Organisation shall have immunity from jurisdiction and execution, except

(a) to the extent that the Organisation shall have expressly waived such immunity in a particular case;

(b) in the case of a civil action brought by a third party for damage resulting from an accident caused by a motor vehicle belonging to, or operated on behalf of, the Organisation, or in respect of a motor traffic offence involving such a vehicle;

(c) in respect of the enforcement of an arbitration award made under Article 23.

(iv) [appellante] is op 1 november 1997 voor onbepaalde dienst getreden bij EPO in de functie van [onderzoeker]. Het laatstverdiende salaris van [appellante] bedroeg € 14.029,35 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag. [appellante] ontvangt sinds 30 september 2013 een vroegpensioenuitkering van € 1.810,36 bruto per maand.

( v) Omstreeks augustus 2012 heeft [appellante] verzocht een medische commissie, bestaande uit drie artsen (hierna: de Medische Commissie), in te stellen om de mate, aard en oorzaak van haar arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Over dit verzoek is tussen [appellante] en EPO een geschil ontstaan.

(vi) Bij brief van 31 mei 2013 heeft [appellante] bij EPO een verzoek ingediend om met vroegpensioen te mogen gaan met ingang van 20 september 2013. Over het aanvaarden, dan wel intrekken van dit verzoek is tussen [appellante] en EPO eveneens een geschil ontstaan.

2.3

[appellante] vordert in deze procedure bij wege van voorlopige voorziening – kort en zakelijk weergegeven – de veroordeling van EPO om:

 de Medische Commissie bijeen te roepen, te voorzien van (uitsluitend) het medische dossier van [appellante] en op te dragen om te beoordelen of en in welke mate [appellante] per 19 september 2013 als invalide in de zin van de Service Regulations is te beschouwen en zo ja, of de invaliditeit is veroorzaakt door arbeidsomstandigheden, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag;

 de conclusies van de Medische Commissie op te volgen;

 de loonbetaling te hervatten vanaf 20 september 2013;

 de wettelijke verhoging te betalen;

 de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, te voldoen.

Volgens [appellante] heeft EPO zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellante] verzoek om vroegpensioen niet meer kon worden ingetrokken. [appellante] meent aanspraak te kunnen maken op de aanzienlijk hogere invaliditeitsuitkering in plaats van de vroegpensioenuitkering. Zij heeft in mei 2013 om vroegpensioen verzocht, omdat EPO weigerde haar arbeidsongeschiktheid te erkennen en de beoordeling daarvan door een Medische Commissie frustreerde. Zij zag destijds geen andere uitweg meer. Toen EPO kort daarna alsnog bleek te willen meewerken aan de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid, heeft zij het verzoek om vroegpensioen ingetrokken. EPO heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit niet langer mogelijk was omdat het verzoek reeds was gehonoreerd, aldus [appellante].

2.4

EPO heeft zich erop beroepen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt omdat EPO op grond van artikel 3 van het Protocol immuniteit van rechtsmacht toekomt. [appellante] heeft zich hiertegen verweerd stellende – onder meer – dat de interne procedure bij EPO ten overstaan van het IAC heel lang duurt en dat een procedure bij ILOAT gemiddeld vijftien jaar in beslag neemt, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt overschreden. De kantonrechter heeft dit verweer van [appellante] verworpen en heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van [appellante] tegen EPO.

2.5

In hoger beroep heeft [appellante] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van EPO in de kosten van beide procedures.

2.6

EPO heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

2.7

De twee grieven van [appellante] lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij heeft daarin aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het beroep op immuniteit van rechtsmacht niet op gaat omdat de procedure die [appellante] volgens EPO dient te volgen, niet voldoet aan de vereisten van artikel 6 EVRM. Meer in het bijzonder wordt volgens [appellante] niet voldaan aan de eis van “een redelijke termijn” en de eis van hoor en wederhoor.

2.8

Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM is het in art. 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter niet absoluut. Dit recht kan worden beperkt, mits de kern van het recht niet wordt aangetast en mits de beperking een legitiem doel dient en proportioneel is ten opzichte van het met de beperking nagestreefde doel. Het EHRM heeft in de zaken Beer and Regan v. Germany (28934/95) en Waite and Kennedy v. Germany (26083/94) van 18 februari 1999 beslist dat het verlenen van immuniteit aan een internationale organisatie een legitiem doel dient. Bij de beoordeling of voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste hecht het EHRM groot belang aan de vraag of aan een partij als [appellante] “reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention” ten dienste staan. Het hof leidt uit de uitspraken van het EHRM in de twee genoemde zaken, alsmede uit zijn uitspraken in de zaken A.L. v. Italie (41387/98) van 11 mei 2000 en Bosphorus v. Ireland (45036/98) van 30 juni 2005 af, dat het daarbij niet gaat om de vraag of de alternatieve rechtsgang dezelfde bescherming biedt als art. 6 EVRM, maar of deze een bescherming verschaft die daarmee vergelijkbaar (“comparable”) is. Doorslaggevend is of de beperking in de toegang tot de nationale rechter “the essence of their “right to a court”” (“la substance même du droit”) aantast, of dat de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten “manifestly deficient” is.

2.9

Anders dan EPO bepleit, komt aan haar geen absolute immuniteit toe. De uitspraak van het EHRM van 11 juni 2013 inzake Mothers of Srebrenica/Netherlands (nr. 65542/12) , waarin de immuniteit van de VN aan de orde was, kan niet worden gezien als een (voor de onderhavige zaak relevante) afwijking van de in Waite & Kennedy en Beer & Regan neergelegde regel. EPO, die tot taak heeft het verlenen van Europese octrooien, kan ook niet worden beschouwd als een organisatie die vergelijkbaar is met de VN, handelend door middel van de Veiligheidsraad uit hoofde van zijn bevoegdheden onder hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties. Ten slotte blijkt uit het arrest van het EHRM van 6 januari 2015 inzake Klausecker/Germany (No. 415/07) dat de in Waite & Kennedy en Beer & Regan uitgezette lijn geenszins achterhaald is.

2.10

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de stellingen van [appellante] getoetst moeten worden aan de vraag of de aan EPO verleende immuniteit van jurisdictie het wezen van haar recht op toegang tot de rechter heeft aangetast. [appellante] beroept zich erop dat de rechtsgang bij het ILOAT ontoereikend is in verband met de verwachte duur van de procedure bij dat gerecht. Het hof gaat er veronderstellenderwijs van uit dat de verleende immuniteit op die grond kan worden doorbroken. Tegen de achtergrond van de door het EHRM aangelegde maatstaf, zal het hof allereerst toetsen of de duur van de rechtsgang bij het ILOAT zodanig lang is dat het wezen van [appellante] recht op toegang tot de rechter wordt aangetast respectievelijk of de aan haar in die rechtsgang verleende bescherming kennelijk ontoereikend (“manifestly deficient”) is. Dit is een andere en terughoudender toets dan de maatstaf die de rechter dient aan te leggen bij de vraag of de rechtsgang bij de nationale rechter in alle opzichten aan art. 6 EVRM beantwoordt.

2.11

Er zullen in ieder geval hoge eisen moeten worden gesteld aan de mate van zekerheid dat die rechtsgang inderdaad (veel) te lang zal zijn, alleen al omdat moet worden voorkomen dat de bij verdrag aan EPO verleende immuniteit van jurisdictie wordt doorbroken op grond van een prognose die achteraf onjuist blijkt te zijn. Anders dan [appellante] aanvoert, staat niet met de vereiste mate van zekerheid vast dat voor [appellante] de rechtsgang bij het ILOAT 15 jaar zal duren. [appellante] beroept zich in dit verband op een uitspraak van de kantonrechter Den Haag van 16 juli 2013, maar deze uitspraak is door dit hof bij arrest van 30 september 2014 vernietigd. Hierin heeft het hof geoordeeld dat op basis van de in die procedure overgelegde gegevens met onvoldoende mate van zekerheid kan worden gezegd dat de procesgang bij ILOAT in die zaak 10 à 15 jaar in beslag zal nemen. [appellante] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het voldoende zeker is dat de procesgang bij ILOAT in haar geval wél zo lang zal duren.

2.12

Voorts voert [appellante] aan dat als wordt uitgegaan van de verwachtingen van EPO, inhoudend dat de rechtsgang bij ILOAT gemiddeld 39 maanden duurt, dit ook te lang is voor een zaak als de onderhavige, waarin een oordeel moet worden geveld over de gezondheidsklachten van [appellante] en de werkomstandigheden bij EPO. Daarbij betrekt [appellante] dat de interne procedure bij EPO, die zij moet volgen om bij ILOAT ontvankelijk te zijn, in ieder geval zeven jaar duurt.

2.13

Voor zover al met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de procedure over de arbeidsongeschiktheid van [appellante] bij het ILOAT 39 maanden gaat duren, dan acht het hof een dergelijke duur, mede gezien de complexiteit van dit soort zaken, niet zodanig lang dat het wezen van [appellante] recht op toegang tot de rechter wordt aangetast. Echter, in de onderhavige kortgedingprocedure vraagt [appellante] geen oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid en de werkomstandigheden bij EPO, maar een (voorlopige) voorziening die ertoe strekt (i) dat EPO een Medische Commissie zal aanwijzen die haar arbeidsongeschiktheid in verband met de werkomstandigheden beoordeelt en (ii) dat EPO het aan [appellante] verleende vroegpensioen intrekt en het loon van [appellante] danwel een invaliditeitstoelage blijft doorbetalen. Haar stellingen komen erop neer dat zij van mening is dat er binnen EPO/ILOAT geen spoedprocedure bestaat die haar een passende rechtsgang biedt. Nu een dergelijke procedure voor haar niet beschikbaar is, zou dat tot gevolg moeten hebben dat de aan EPO verleende immuniteit dient te worden doorbroken en zou de rechter in kort geding de verlangde voorzieningen moeten kunnen toewijzen, aldus [appellante].

2.14

Naar het oordeel van het hof vloeit uit artikel 6 EVRM niet voort dat het recht op toegang tot een rechter reeds is geschonden indien er binnen de rechtsgang van ILOAT geen (of zeer beperkte) mogelijkheden bestaan voor het volgen van een spoedprocedure of het vragen van een voorlopige voorziening. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien voorshands aannemelijk is dat als gevolg van het ontbreken van een dergelijke spoedprocedure in deze concrete situatie het wezen van [appellante] recht op toegang tot de rechter wordt aangetast. Duidelijk is dat de interne procedures over de arbeidsongeschiktheid en het vroegpensioen in de ogen van [appellante] niet met de door haar noodzakelijk geachte spoed zijn afgerond, maar dat betekent nog niet dat het wezen van [appellante] recht op toegang tot de rechter is aangetast. In dat verband acht het hof onder meer van belang dat niet reeds op voorhand zeker is dat deze procedures (die in de tweede helft van 2013 zijn gestart) zeven jaar gaan duren, zoals [appellante] stelt maar EPO betwist. Bovendien kan er bij ILOAT (ook) over een trage interne rechtsgang worden geklaagd, zoals EPO onbestreden heeft aangevoerd, bestaat er binnen ILOAT de mogelijkheid voor een “fast-track procedure” voor rechtsvragen (artikel 7bis) en kan de President van ILOAT in bepaalde gevallen een voorlopige voorziening treffen (artikel 15):

The President may between sessions make provisional orders, without prejudice to the ultimate ruling by the Tribunal on the parties rights, on an application by either party for measures to establish the existence of any fact that is material to the dispute.

Tot slot acht het hof nog van belang dat EPO – onbestreden – heeft aangevoerd dat indien de interne procedure binnen haar organisatie verlamd (“paralysed”) raakt – waardoor [appellante] recht op toegang tot ILOAT zou kunnen worden aangetast, althans de in de rechtsgang bij ILOAT te verlenen rechtsbescherming kennelijk ontoereikend zou kunnen zijn – er rechtstreeks toegang tot ILOAT bestaat zonder dat de interne procedure behoeft te zijn afgerond. Het hof is van oordeel dat [appellante] tegen deze achtergrond onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen aannemen dat de immuniteit van rechtsmacht van EPO zou moeten worden doorbroken. [appellante] heeft nog aangevoerd dat zij belang erbij heeft dat haar arbeidsongeschiktheid zo snel mogelijk door een medische deskundige wordt beoordeeld, maar heeft onvoldoende toegelicht waarom zij een opinie van een arts niet zonder tussenkomst van een rechter zou kunnen verkrijgen.

2.15

De conclusie is dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Den Haag van 30 juni 2014;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van EPO tot aan deze uitspraak bepaald op € 704,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris van de advocaat;

- verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.M.T. van der Hoeven - Oud en S.A. Boele en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.