Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1217

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
BK-14-01517
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:12188, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of terecht en naar juiste bedragen revisie- en heffingsrente in rekening zijn gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1110
V-N 2015/38.15.22
FutD 2015-1323
NTFR 2015/1710
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/01517

Uitspraak van 1 mei 2015

in het geding tussen:

[X] te [Z] belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2014, nr. SGR 14/2329.

Bezwaar en beroep

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 327.941, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 52.743 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.368. Bij beschikkingen zijn € 38.030 aan revisierente en € 1.350 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de rentebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Tegen de uitspraken van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 45 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 122 is geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 april 2015 in Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Feiten

3.1.

Belanghebbende heeft vóór 1 januari 1992 een pensioenpolis afgesloten. Na 1 januari 1992 heeft hij diverse lijfrentepolissen afgesloten. De pensioenpolis en de lijfrentepolissen heeft hij in het jaar 2011 afgekocht.

3.2.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en wonen van € 327.941. Daarbij zijn als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen aangegeven een bedrag van € 90.993,35 wegens afkoop van een pensioenpolis en een bedrag van € 190.148,24 wegens afkoop van diverse lijfrentepolissen.

3.3.

De aanslag is conform de aangifte opgelegd. Vanwege de afkoop van de lijfrentepolissen heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag € 38.030 aan revisierente en € 1.350 aan heffingsrente in rekening gebracht.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

5. In geschil is of terecht en naar juiste bedragen revisie- en heffingsrente in rekening zijn gebracht. [Belanghebbende] beantwoordt deze vraag ontkennend en [de Inspecteur] bevestigend.

6. [ Belanghebbende] neemt het standpunt in dat de revisie- en heffingsrente ten onrechte in rekening zijn gebracht. [Belanghebbende] voert daartoe aan dat hij vanuit principiële overwegingen zijn polissen heeft afgekocht. Het berekenen van revisie- en heffingsrente over het afgekochte bedrag is onredelijk en vormt een belemmering. Daarnaast zou de berekening van revisierente beperkt moeten worden tot de ingelegde bedragen en dus niet ook over het rendement moeten worden berekend.

(…)

Beoordeling van het geschil

9. Tussen partijen is niet in geschil dat de afkoop van de lijfrentepolissen leidt tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.133, eerste lid en tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001. Op grond van artikel 3.146, zesde lid, van de Wet IB worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk volgt op het tijdstip waarop de in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, genoemde omstandigheid, in dit geval de afkoop van de pensioenpolis en lijfrentepolissen, zich heeft voorgedaan. Nu vaststaat dat zowel de pensioenpolis als de lijfrentepolissen in 2011 zijn afgekocht, zijn de daarop betrekking hebbende negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen terecht in het onderhavige jaar tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend.

10. Op grond van artikel 30i, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) wordt revisierente berekend indien premies voor een aanspraak op periodieke uitkeringen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen. Op grond van het tweede lid van dit artikel bedraagt de revisierente 20 procent van de daartoe in aanmerking genomen waarde in het economische verkeer van de aanspraken. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat [de Inspecteur] de revisierente terecht in rekening heeft gebracht.

11. [ Belanghebbende] heeft nog aangevoerd dat hij zijn polissen heeft afgekocht omdat sprake was van woekerpolissen en hij door de afkoop een fors negatief rendement heeft behaald. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen die omstandigheden niet leiden tot een matiging van de revisierente. De revisierente is volgens de parlementaire geschiedenis immers ingegeven als een 'vergoeding voor het feit dat de belasting over de premies én het behaalde rendement pas op een (veel) later tijdstip is verschuldigd dan ingeval de lijfrente van het begin af aan als een niet gefacilieerd spaarproduct zou zijn behandeld. (...)' (Kamerstukken, 26 728, A, p. 12.). Daarom dient bij afkoop zowel over de betaalde premies als over het rendement revisierente berekend te worden.

12. Op grond van artikel 30f van de Awr wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Deze heffingsrente wordt met betrekking tot inkomstenbelasting enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. De heffingsrente vormt daarmee voor de staat een compensatie voor [de] het gemis aan belasting over genoemd tijdvak. In zoverre is er ook geen sprake van cumulatie met de revisierente. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] gelet op de tekst en de bedoeling van artikel 30f van de Awr, in samenhang bezien met de feiten en omstandigheden van dit geval, bij het opleggen van de aanslag terecht heffingsrente in rekening gebracht. De heffingsrente is naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld.

13. Voor zover [belanghebbendes] standpunt luidt dat het heffen van revisierente en heffingsrente onredelijk is, overweegt de rechtbank dat zij niet bevoegd is daarover te oordelen. In artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepa1ingen der wetgeving van het Koninkrijk (Stb. 28) is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid der wet mag beoordelen.

14. Tot slot vat de rechtbank het verzoek van [belanghebbende] om de afkoop op een andere, voor hem fiscaal gunstiger, wijze te mogen aanmerken op als een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 Awr). Toepassing van de hardheidsclausule is echter voorbehouden aan de minister van Financiën en niet aan de rechter in belastingzaken.

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

5.1.

In hoger beroep is uitsluitend in geschil of terecht revisierente in rekening is gebracht. Partijen houdt specifiek het antwoord op de vraag verdeeld of revisierente is verschuldigd over de betaalde premies, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

6.1.

De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met juistheid, op goede gronden en zonder schending van een rechtsregel beslist dat het beroep ongegrond is. De revisierente is terecht en voor het volle bedrag in rekening gebracht. Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd, gelet ook op de door de Inspecteur in het verweerschrift in hoger beroep gegeven uiteenzetting, op grond waarvan een andere conclusie is gerechtvaardigd.

6.2.

Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het door de Inspecteur voorgelegde rekenvoorbeeld overweegt het Hof dat de Inspecteur, naar hij ter zitting heeft verklaard, met dat voorbeeld heeft willen illustreren dat met de revisierente is beoogd dat een mogelijk ten onrechte genoten voordeel te allen tijde wordt gecompenseerd, ongeacht de vraag of een dergelijk voordeel daadwerkelijk is genoten. Dat belanghebbende geen voordeel heeft genoten, hetgeen belanghebbende stelt en de Inspecteur ter zitting heeft bevestigd, doet aan de juistheid van de heffing van de revisierente niet af, aldus de Inspecteur. Het Hof volgt de Inspecteur daarin. Dat het door de Inspecteur gekozen voorbeeld belanghebbende mogelijk onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft, kan belanghebbende derhalve niet baten.

6.3.

Het Hof concludeert dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, E.M. Vrouwenvelder en G.D. van Norden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 1 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.