Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1183

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
200.149.725-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woning. Beslag op huurtoeslag ter incassering van oude schulden uit het lopende huurcontract. 'Omstandigheid die meeweegt bij de beoordeling van de uitzonderingsregel van art 6:265, lid 1 (slot) BW'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2015/139

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG


Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.149.725/01

Rolnummer rechtbank : 2253852 / 13-23593

Arrest van 26 mei 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool te Den Haag,

tegen

Stichting Vidomes,

gevestigd te Leidschendam-Voorburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Vidomes,

advocaat: mr. R. van Gelder te Bleiswijk, gemeente Lansingerland.

Het geding

Voor de gang van zaken tot 1 juli 2014 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen is gelast. Deze comparitie is gehouden op 13 augustus 2014. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven (met producties) twee grieven aangevoerd tegen het door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 28 januari 2014 (hierna: vonnis II). Vidomes heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens is ter gelegenheid van na te melden pleidooi akte verleend ‘houdende erkenning verweer geïntimeerde over onbetaald blijven termijn en de gevolgen voor stellingen van appellant’. Partijen hebben op 20 april 2015 hun zaak mondeling bepleit, aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. Daarna hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

  1. De volgende feiten staan tussen partijen vast.
    (1.1) [appellant] heeft vanaf december 2004 van Vidomes een woning gehuurd aan de [adres] (hierna: de woning), tegen een maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van laatstelijk € 543,26.
    (1.2) [appellant] heeft herhaaldelijk huurachterstanden laten ontstaan, en wel dusdanig dat de laatste jaren verschillende malen dossiers aan de deurwaarder in behandeling zijn gegeven in verband met huurachterstanden. Ook zijn er verschillende betalingsregelingen getroffen, die door [appellant] niet werden nagekomen. Bij vonnis van 23 januari 2013 (hierna: vonnis I) is [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 702,06 wegens een huurachterstand tot 1 september 2012, waaronder reeds vervallen rente en een bedrag van € 178,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente over de hoofdsom van € 522,51. Tevens is [appellant] daarbij veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 734,64. Vonnis I is inmiddels (inclusief executie- en nakosten) ten uitvoer gelegd doordat Vidomes beslag op de huurtoeslag heeft gelegd.
    (1.3) Vervolgens heeft Vidomes bij dagvaarding van 6 augustus 2013 weer een procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt wegens huurachterstanden over de periode september 2012 tot september 2013. Dit heeft geleid tot vonnis II, waarbij [appellant], voor zover thans van belang, wegens huurachterstand ten bedrage van € 1.611,98 is veroordeeld tot betaling van dit bedrag, met wettelijke rente, plus proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en ontruiming van de woning gelast. Deze ontruiming heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014.

  2. Het hoger beroep van [appellant] richt zich in de kern tegen de door de kantonrechter toegewezen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De hoogte van de huidige (uit vonnis II blijkende) betalingsverplichting is niet meer aan de orde, nu [appellant] grief 1 (blijkens voormelde akte ter gelegenheid van het pleidooi) niet langer heeft gehandhaafd.

  3. Grief 2 bevat een klacht over het beslag op de huurtoeslag en de gevolgen daarvan ten aanzien van de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning. [appellant] betoogt daartoe het volgende. De beslagleggingsbevoegdheid van de huidige verhuurder wordt niet betwist. Wél moet met de huurtoeslag eigenlijk alleen de lopende huur betaald worden. Nu dat niet mogelijk is doordat er op de huurtoeslag beslag is gelegd, waarmee de oude huurschuld plus kosten (uit vonnis I) is voldaan, mag het aldus inbeslaggenomen bedrag niet meewegen bij de beoordeling van de ernst van de huidige tekortkoming van [appellant], naar het hof begrijpt in de zin van artikel 6:265, eerste lid, slot BW. Volgens [appellant] betrof de achterstand, na aftrek van het inbeslaggenomen bedrag van € 1.880,-- aan huurtoeslag (over de maanden maart 2013 tot en met oktober 2013), slechts een bedrag van € 320,66 aan kale huur. De achterstand betrof dus voornamelijk incasso- en proceskosten voor de voorgaande vordering. Dit is een huurachterstand van zeer beperkte omvang en rechtvaardigt, aldus nog steeds [appellant], geen ontbinding van de huurovereenkomst.

  4. Vidomes heeft daarentegen betoogd dat de wetgever de verhuurder uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft gegeven tot het leggen van beslag op de huurtoeslag en dat het voor risico van [appellant] komt dat het beslag is aangewend voor het incasseren van de vordering uit kracht van vonnis I. Daarnaast heeft Vidomes betwist dat [appellant] de huurtoeslag zou hebben aangewend voor de betaling van zijn lopende huur, gezien de herhaalde wanprestatie van [appellant]. Als er al rekening gehouden zou moeten worden met het beslag op de huurtoeslag, dan gaat het hoogstens om zes maanden huurtoeslag ten bedrage van € 1.410,-- dan wel vijf maanden ten bedrage van € 1.175,--, nu de vordering de periode tot en met augustus 2013 betreft (en niet de twee maanden daarna), aldus nog steeds Vidomes.

  5. Het hof overweegt als volgt. Het relevante artikel 45, eerste lid van de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (hierna: Awir) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
    Een tegemoetkoming is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, (….), tenzij het betreft beslag wegens:
    a. een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming; (…)

  6. In de Memorie van Toelichting bij art. 44 (thans 45) Awir (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29764, nr. 3) is onder meer het volgende opgenomen:
    Ter bescherming van de belanghebbende en om te waarborgen dat de toegekende tegemoetkoming daadwerkelijk wordt aangewend voor het doel waarvoor deze is bestemd, is in dit artikel geregeld dat de in civielrechtelijke zin gebruikelijke rechtshandelingen met betrekking tot vermogensbestanddelen niet het daarmee beoogde rechtsgevolg hebben als het gaat om de tegemoetkoming. (...)
    In een tweetal gevallen geldt hierop een uitzondering. Met de in onderdeel a genoemde prestatie van een schuldeiser wordt gedoeld op, bijvoorbeeld, het beschikbaar stellen van een woning door een verhuurder (...). Als de belanghebbende niet aan zijn betalingsverplichtingen jegens die schuldeisers voldoet, is het billijk dat door hen verhaal kan worden gezocht op de tegemoetkoming. De tegemoetkoming is immers bedoeld de belanghebbende beter in staat te stellen aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen juist als het gaat om die prestaties. (...)

  7. Het komt er kortom op neer, zoals [appellant] ook erkent, dat de verhuurder binnen een bestaande rechtsverhouding (het lopende huurcontract) beslag mag leggen op de huurtoeslag ter incassering van (oude) huurschulden. Naar het oordeel van het hof dienen onder deze huurschulden in beginsel ook begrepen te worden de in verband daarmee gemaakte proces- en buitengerechtelijke kosten, die de rechter bij zijn uitspraak heeft vastgesteld. Niet valt immers in te zien dat de kosten die de verhuurder heeft moeten maken om zijn huurvordering te incasseren en die door de rechter zijn toegekend, niet onder de uitzondering van artikel 45, aanhef en onder a. Awir zouden vallen. Iets anders is de vraag of, en zo ja op welke wijze, een dergelijk beslag een rol zou moeten spelen bij de beoordeling van de uitzonderingsgrond van artikel 6:265, eerste lid BW. Deze kwestie heeft [appellant] met zijn tweede grief aan de orde gesteld.

  8. Uit het bepaalde in artikel 6:265, lid 1 BW volgt, dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is hierbij aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen (hierna: de uitzonderingsgrond). Bij de beoordeling dient de rechter verder rekening te houden met alle door partijen genoegzaam gemotiveerd aangevoerde omstandigheden van het geval waaronder eventueel ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de gestelde tekortkoming.

  9. [appellant] heeft betoogd, naar het hof begrijpt, dat het beslag dat is gelegd ter verhaal van vonnis I, bij de beoordeling van de uitzonderingsgrond moeten worden ‘weggedacht’, althans tenminste voor zover daarmee de kosten zijn verhaald, en wel in die zin dat het bedrag aan huurachterstand eerst fictief moet worden verminderd met het in beslag genomen bedrag (althans voor zover dit bedrag is aangewend ter verhaal van kosten uit vonnis I), waarna slechts de aldus verkregen (geringere) huurachterstand moet worden beoordeeld op de aspecten aard en ernst van de tekortkoming (in de zin van artikel 6:265, eerste lid BW). In zijn algemeenheid gaat dit betoog naar het oordeel van het hof te ver. Wél is het hof van oordeel dat voor zover het beslag is aangewend ter verhaal van kosten in het lopende huurcontract, dit een omstandigheid is die dient te worden meegewogen bij alle omstandigheden van het geval.

  10. Toegespitst op de onderhavige zaak wordt als volgt geoordeeld. Vast staat dat [appellant] tal van keren huurachterstanden heeft laten ontstaan en dat Vidomes na de gebruikelijke interne aanmaningen en acties diverse dossiers in handen van de deurwaarder heeft moeten stellen om haar huur geïncasseerd te krijgen, dat getroffen betalingsregelingen niet zijn nagekomen en vonnissen noodzakelijk zijn gebleken om een verhaalstitel te verkrijgen. Ook staat vast dat, afgezien van de uit de huurtoeslag geïncasseerde kosten, steeds achterstand aan ‘kale huur’ bleef bestaan, alsmede dat Vidomes aanzienlijke – in hoger beroep niet betwiste – kosten heeft moeten maken om haar huur geïncasseerd te krijgen. Naast de onbetwiste kosten is er dus hoe dan ook sprake van herhaalde schending door [appellant] van zijn verplichting om tijdig huur te betalen en afspraken na te komen. Deze betalingsverplichting kan door hem weliswaar in de toekomst alsnog worden nagekomen, maar daarmee wordt de tekortkoming in het verleden niet ongedaan gemaakt en wat deze tekortkoming betreft is nakoming (op tijd betalen) dan ook niet meer mogelijk. Het hof acht dit alles dusdanig ernstig dat in dit specifieke geval het beroep van [appellant] op de uitzonderingsgrond (bijzondere aard of geringe betekenis) wordt verworpen. Dit wordt niet anders door (i) het feit dat [appellant] werkloos is geworden, noch (ii) door het aanbod van [appellant] om een betalingsregeling te treffen. Nog daargelaten (i) dat de werkloosheid in beginsel voor risico van [appellant] komt, staat vast dat hij op staande voet is ontslagen wegens een dringende reden. Wat betreft het aanbod tot een betalingsregeling (ii) heeft Vidomes, gelet op eerdere niet nagekomen betalingsregelingen, reeds hierom op dit aanbod niet hoeven in te gaan.

  11. De slotsom is dan ook dat de tweede grief van [appellant] wordt verworpen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Hierbij past een veroordeling van [appellant] in de kosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2014;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Vidomes tot op heden begroot op € 704,-- aan verschotten en € 3.576,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, T.G. Lautenbach en C.G. Beyer-Lazonder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2015 in aanwezigheid van de griffier.