Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1121

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2015
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
200.140.890/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1108
AR-Updates.nl 2015-0578
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.140.890/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 2007182 CV EXPL 13-9395

Arrest d.d. 17 maart 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intertaste B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: Intertaste,

advocaat: mr. dr. G.A. Diebels te Tilburg,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Zeewolde,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. F.J.T. van Gelderen te Maarssen.

Het geding

Bij exploot van 16 januari 2014 is Intertaste in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van 25 oktober 2013 van de rechtbank Rotterdam. Het hof heeft bij arrest van 18 maart 2014 een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgehad op 16 mei 2014. De zaak is op deze zitting verwezen naar de rol voor - voor zover nu nog van belang - het nemen van een memorie van grieven.

Vervolgens heeft Intertaste bij memorie van grieven zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd welke [geïntimeerde] bij memorie van antwoord heeft bestreden. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1.In het bestreden vonnis is de kantonrechter uitgegaan van de feiten die onder 2 van dat vonnis zijn vastgesteld. Ook het hof gaat van die feiten uit, nu tegen die vaststelling op zichzelf geen bezwaren zijn aangevoerd. Intertaste heeft weliswaar als grief 1 aangevoerd dat de kantonrechter méér feiten had moeten vaststellen, die van belang zijn voor de beoordeling, maar deze grief gaat niet op; het hof komt daar later op terug.

2. Op vordering van [geïntimeerde] heeft de kantonrechter Intertaste veroordeeld ‘tot een juiste nakoming van de SBR-CAO regeling’ (SBR is een afkorting van Sociale Begeleidingsregeling), ‘in het bijzonder artikel 7.1.1 daarvan en tot betaling van een bedrag van Euro 170.681,00 bruto’, met rente en kosten als nader in het vonnis omschreven.

3. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat, toen Campbell’s op 1 januari 2011 door Intertaste werd overgenomen, de CAO – met een looptijd tot 1 augustus 2011 – van kracht was en van kracht is gebleven tot in elk geval 1 januari 2012; aangezien Hartmans functie is komen te vervallen als gevolg van de bedrijfsovergang per 1 januari 2011 en hij vóór 1 januari 2012 door Intertaste is ontslagen valt hij naar het oordeel van de kantonrechter wat betreft zijn arbeidsvoorwaarden onder het nog bij Campbell’s geldende regiem. Volgens de kantonrechter is de SBR een bedrijfsregeling die op alle werknemers van toepassing is verklaard en als zodanig een CAO is.

4. De grieven 3 tot en met 5 keren zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de SBR van toepassing is op het ontslag van [geïntimeerde]. Het hof ziet aanleiding deze grieven als eerste te bespreken.

Intertaste voert in dit verband aan:

a. dat handtekeningen op de overgelegde print van de CAO ontbreken;

b. dat niet vaststaat dat is voldaan aan artikel 4 lid 3 van de Wet op de loonvorming en dat het aan [geïntimeerde] is te stellen en zo nodig te bewijzen dat dit wel het geval is;

c. dat de SBR hier niet van toepassing is, omdat het niet om een reorganisatie gaat en het ontslag van [geïntimeerde] een individueel ontslag is.

d. dat de looptijd van de SBR ten tijde van het ontslag was verstreken.

5. Het hof oordeelt als volgt.

Ad a. De omstandigheid dat handtekeningen in de overgelegde print ontbreken doet niet af aan het bestaan van de CAO. Intertaste ontkent dat bestaan overigens niet en haar algemeen directeur gaat in zijn brief van 26 september 2011 aan de werknemers van Intertaste zelf uit van het bestaan ervan waar hij schrijft: ‘De CAO van Intertaste kent geen zogenaamde SBR regeling zoals deze was opgenomen in de Campbells CAO (...)’

Het - juiste - oordeel van de kantonrechter dat de SBR een bedrijfsregeling is die collectief van toepassing is verklaard op alle werknemers en als zodanig een cao is, althans een onderdeel ervan, vindt in die aangehaalde tekst bevestiging.

Ad b. De kantonrechter heeft de suggestie van Intertaste dat de cao niet zou zijn aangemeld bij de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en daarom niet van toepassing zou zijn verworpen. Het had volgens de kantonrechter op de weg van Intertaste gelegen een eventueel gebrek aan de orde te stellen door middel van bescheiden; het enkele stellen dat er een en ander mis zou kúnnen zijn is niet voldoende, aldus de kantonrechter.

Intertaste handhaaft in hoger beroep haar standpunt uit de eerste aanleg dat niet vaststaat dat de cao in werking is getreden en dat het aan [geïntimeerde] was te stellen en te bewijzen dat dit wel het geval is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. In artikel 4, lid 1 van de Wet op de loonvorming (die de overheid de mogelijkheid biedt in te grijpen in de loonontwikkeling) is bepaald dat partijen van het sluiten, wijzigen of opzeggen van een cao schriftelijk mededeling doen aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarbij moeten de tekst van de cao en de toelichting worden overgelegd. Artikel 4, lid 3 van de wet bepaalt vervolgens dat een cao eerst in werking kan treden met ingang van de dag volgende op die waarop de minister de kennisgeving van ontvangst van de cao aan partijen heeft verzonden. Het betekent dat de rechtsgevolgen, die de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst aan een cao verbindt eerst in werking kunnen treden als aan het bepaalde in artikel 4 is voldaan.

Het hof onderschrijft het standpunt van Intertaste niet. Onbetwist staat vast dat de omstreden cao is gesloten door Campbell’s als werkgever. Intertaste is rechtsopvolger van Campbell’s. Het had op haar weg als rechtsopvolger gelegen te stellen en zo nodig te bewijzen dat aan de cao het gebrek kleefde dat verzuimd is deze aan te melden bij de minister; in haar positie van rechtsopvolger van de contracterende werkgever mag immers ervan worden uitgegaan dat zij in haar domein beschikt over informatie of de cao is aangemeld en of de minister de ontvangst heeft bevestigd. Nu zij daaromtrent in het vage blijft heeft de kantonrechter terecht het verweer van Intertaste gepasseerd.

Een reden te meer om de stelplicht in dezen bij Intertaste te leggen is dat de omstreden cao (met een looptijd van 1 augustus 2010 tot en met 31 juli 2011) bij het ministerie kennelijk is aangemeld, zoals is na te lezen op de voor een ieder toegankelijke website van het ministerie (http://cao.szw.nl). Daar staat bij: ‘k.v.o. 18.10.2010’, waaruit het hof afleidt dat het ministerie de kennisgeving van ontvangst heeft verzonden op 18 oktober 2010.

Vooralsnog mag op grond van deze gegevens worden aangenomen dat de cao is aangemeld bij de minister en dat deze de kennisgeving van ontvangst aan partijen heeft verzonden. Nu het aan Intertaste is het tegendeel te stellen en zo nodig te bewijzen, maar zij daaraan niet voldoet gaat het hof ervan uit dat aan het bepaalde in artikel 4 is voldaan.

Ad c. Met de kantonrechter is het hof voorts van oordeel dat de SBR van toepassing is op de situatie van [geïntimeerde].

Intertaste heeft in hoger beroep een verklaring overgelegd van [A], ‘Site General Manager’ van Intertaste. Deze verklaart dat hij van 2001 tot 2011 namens Campbell’s de onderhandelingen heeft gevoerd met de vakvereniging FNV over de CAO van Campbell’s. De SBR is volgens [A] door Unilever afgesproken met de vakvereniging en het doel ervan was het bieden van een financiële basis voor een sociaal plan ten tijde van reorganisatie of sluiting van enige locatie in Nederland.

Toen Campbell’s de fabriek van Unilever overnam is met de vakbond afgesproken dat de SBR alleen zou gelden bij collectieve ontslagen, zoals reorganisaties of sluiting van een fabriek. “Insteek is geweest dat, wanneer Campbells Utrecht geen toekomst meer had en geheel of gedeeltelijk zou sluiten, deze regeling van toepassing zou zijn voor het collectief. Deze regeling was niet bedoeld voor individuele ontslagen”, aldus [A].

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het hier niet gaat om een individueel ontslag. Hartmans’s functie is vervallen als gevolg van de overname door Intertaste. De overname was vergelijkbaar met een reorganisatie, nu [geïntimeerde] als werknemer geconfronteerd werd met de voor hem nadelige gevolgen die de nieuwe koers binnen de onderneming voor zijn werkzaamheden had. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat het feit, dat [geïntimeerde] de enige is die als gevolg van de overname zijn baan verliest, dit niet anders maakt.

Ad d. De cao van Campbell’s, die een looptijd had tot 1 augustus 2011, was op het moment van overname, 1 januari 2011, van kracht. De bestaande rechten en plichten op grond van de cao bleven gelden totdat bij Intertaste een nieuwe cao van kracht zou worden. Intertaste had afspraken met de bonden gemaakt tot en met 2011 (zie de brief van 26 september 2011 van de heer Baardse). Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken moet worden aangenomen dat een nieuwe Intertaste-cao niet voor 1 januari 2012 is gaan gelden. De kantonrechter heeft dan ook terecht overwogen dat de cao van Campbell’s in elk geval tot 1 januari 2012 van kracht was. Datzelfde geldt voor de SBR.

Omdat [geïntimeerde] is ontslagen vóór 1 januari 2012 valt hij onder de Campbell-cao en SBR.

De grieven 3 tot en met 5 slagen niet.

6. Het hof keert terug naar grief 1. Daarmee betoogt Intertaste dat de kantonrechter heeft verzuimd alle relevante feiten vast te stellen. De grief slaagt niet. De kantonrechter behoefde slechts die feiten aan het bestreden vonnis ten grondslag te leggen die van belang zijn voor de beslissing. Dat heeft de kantonrechter gedaan. Overige feiten, zoals door Intertaste aangevoerd onder 6 tot en met 11 van de memorie van grieven heeft de kantonrechter niet over het hoofd gezien, maar waar nodig besproken in het vonnis.

7. Ook grief 2 kan niet slagen. Anders dan Intertaste met de grief betoogt heeft [geïntimeerde] voldaan aan de op hem rustende stelplicht en substantiërings- en bewijsaandraagplicht. Hetgeen in de toelichting op de grief wordt vermeld behoorde daar niet toe. De klacht dat [geïntimeerde] een onvolledig beeld van de zaak heeft geschetst gaat niet op. Voor zover Intertaste een andere mening was toegedaan heeft zij de gelegenheid gehad haar kijk op de zaak te verwoorden. De kantonrechter heeft de zaak beslist zonder [geïntimeerde] een bewijsopdracht te geven, zodat de door Intertaste in appel aan de orde gestelde vraag of diens bewijsaanbod aan de eisen voldeed niet ter zake doet.

8. Grief 6 keert zich tegen de overweging van de kantonrechter dat [geïntimeerde] zijn rechten op toepassing van de SBR niet heeft verspeeld.

De grief slaagt niet. In artikel 7.2 van de SBR is bepaald dat aanspraak op de uitkering bij einde dienstverband ingevolge de SBR kan komen te vervallen, indien de werknemer zonder gegronde reden het aanbod van een passende werkkring elders binnen Campbell’s weigert. Voor Campbell’s moet thans worden gelezen Intertaste.

De kantonrechter heeft overwogen dat de door Intertaste aangeboden detachering van [geïntimeerde] bij Maxways niet ziet op een passende werkkring binnen Intertaste (als opvolger van Campbell’s). Om die reden is de kantonrechter niet verder ingegaan op de vraag of [geïntimeerde] gegronde redenen had de detachering te weigeren.

Intertaste voert ter toelichting op de grief aan dat [geïntimeerde] in redelijkheid had moeten ingaan op de hem aangeboden mogelijkheid om binnen het bedrijf voor twintig uur per week de functie van werkvoorbereider te verrichten en om voor de andere twintig uur gedetacheerd te worden bij Maxways in Vianen. Intertaste geeft echter zelf al toe dat deze mogelijkheid geen volledige herplaatsing binnen haar bedrijf betrof. Dat was dus geen goede oplossing. Dat de detachering bij Maxways een zodanig met Intertaste verknochte plaatsing zou inhouden dat deze gelijk was te stellen met een interne herplaatsing, zoals Intertaste nog stelt, is niet aannemelijk gemaakt. Het hof merkt nog op dat ter comparitie bij de kantonrechter mevrouw Van der Haar van Intertaste heeft verklaard dat [geïntimeerde] in de toekomst mogelijk wel vier of vijf dagen in Vianen (dat wil zeggen: bij Maxways) zou moeten werken. Dat zou betekenen: geheel of vrijwel geheel buiten Intertaste. De overweging van de kantonrechter dat het aanbod niet een passende werkkring binnen Intertaste betreft is juist, de tekst van de SBR leidt niet tot een andere conclusie.

9. Grief 7 faalt, nu de kantonrechter Intertaste terecht als in het ongelijk te stellen partij heeft aangemerkt.

10. Al hetgeen Intertaste in hoger beroep heeft aangeboden te bewijzen kan, indien bewezen, niet tot een ander oordeel leiden, zodat het hof dat bewijsaanbod passeert.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en Intertaste zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt Intertaste in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.601,= vast recht en € 5.264,= salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, V. Disselkoen en J.P. Fokker en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2015 in aanwezigheid van de griffier.