Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1082

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2015
Datum publicatie
07-05-2015
Zaaknummer
22-005123-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:578, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor deelneming aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk (LTTE – de organisatie van Tamil Tijgers).

Het hof acht tevens bewezen dat het oogmerk van de LTTE onder andere gericht was op het plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van de Wet Internationale Misdrijven (WIM).

Het hof verklaart het OM op zijn verzoek niet-ontvankelijk ten aanzien van overtreding van de Sanctiewet en voortzetting van de verboden organisatie.

Het hof heeft vastgesteld dat het onderhavige gewapend conflict een niet-internationaal (intern) karakter heeft. Tevens heeft het hof vastgesteld dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat de LTTE streed tegen een racistisch regime. Het hof concludeert dat de LTTE geen beroep toekomt op het zogeheten combattantenprivilege en dat de regels van het nationaal (commuun) strafrecht van toepassing zijn ten aanzien van de bewezenverklaarde geweldsdaden.

Het hof komt tot vrijspraken voor de zogenaamde opruiingsfeiten. Het hof is van oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen in de gegeven omstandigheden en context niet kunnen worden gekwalificeerd als opruiing tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag noch tot enig strafbaar feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005123-11

Parketnummer: 09-748802-09

Datum uitspraak: 30 april 2015

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van

21 oktober 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte 2],

geboren op: [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Ceylon),

adres: [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de (doorlopende) terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

16 januari 2012, 21 maart 2012, 11 april 2012, 4 juni 2012, 11 juni 2012, 30 juli 2012,

1 oktober 2012, 17 december 2012, 4 maart 2013, 27 mei 2013, 31 mei 2013, 24 juli 2013,

16 september 2013, 17 september 2013, 19 september 2013, 4 oktober 2013,

14 november 2013, 30 januari 2014, 7 maart 2014, 1 april 2014, 2 april 2014, 13 mei 2014,

15 mei 2014, 16 mei 2014, 3 juni 2014, 12 juni 2014, 13 juni 2014, 23 juni 2014,

24 juni 2014, 30 juni 2014, 1 juli 2014, 3 juli 2014, 4 juli 2014, 18 juli 2014, 1 oktober 2014,

11 november 2014, 26 januari 2015, 16 februari 2015, 2 maart 2015 en 16 april 2015.

De zaak tegen de verdachte is in hoger beroep gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaken tegen medeverdachten [verdachte 4] (rolnummer 22-005292-11), [verdachte 5] (rolnummer 22-005291-11), [verdachte 3] (rolnummer 22-005353-11) en [verdachte 1] (rolnummer 22-005176-11).

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De hierna te bespreken ten laste gelegde feiten, juridische context en rechtsvragen zijn complex van aard en gaan alle verdachten aan met dien verstande dat verdachte [verdachte 1] niet verdacht wordt van de separaat ten laste gelegde opruiingsfeiten die onder 5 en 6 in de dagvaarding van de overige verdachten zijn opgenomen.

In hoger beroep heeft het openbaar ministerie voor alle vijf de verdachten een gelijkluidend requisitoir gehouden waar het de juridische context en de rechtsvragen betreft. Daarnaast is door het openbaar ministerie uitgebreid ingegaan op de individuele rollen die de verdachten hebben gehad in de verweten gedragingen.

In hoger beroep hebben de raadslieden van de verdachten tijdens de pleidooien en het nemen van dupliek met instemming van het hof bij elkaar aansluiting gezocht en hebben naar elkaars pleidooien verwezen met betrekking tot de gevoerde verweren en gedane verzoeken.

Gezien het voorafgaande acht het hof het opportuun de in alle zaken gevoerde verweren en gedane verzoeken waar het niet de individuele rol van de verdachten betreft gemeenschappelijk te bespreken. Wanneer in het arrest wordt gesproken over de verdachte wordt daarmee gedoeld op alle verdachten tenzij anders aangegeven.

Voorts is het hof van oordeel dat gezien de complexiteit van de strafzaken en de daaraan verbonden internationale aspecten in de arresten niet volstaan kan worden met de klassieke beantwoording van de rechtsvragen van de art 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Mede uitgenodigd door het openbaar ministerie en de verdediging zal het hof ten behoeve van de rechtsontwikkeling in meer algemene zin wat langer stilstaan bij en overwegingen wijden aan rechtsvragen, vooral verband houdend met de relatie tussen het Nederlands strafrecht en het internationaal strafrecht.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg op de voet van artikel 314a Sv en na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep – het navolgende tenlastegelegd, waarbij het hof evenals de rechtbank, bij de feiten 1, 2, 4 en 6 bij de verschillende onderdelen letters heeft aangebracht, zodat de tenlastelegging luidt:

Feit 1. De internationale criminele organisatie

1.A.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 augustus 2004 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist, en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld, (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven (zoals bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) (te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE)) [zaaksdossier B00] te weten:

a.
a) het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en 31 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of 5 van de Wet wapens en munitie) [zaaksdossier B04] en/of

b) het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

c) het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 WvSr) (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of
d) doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

e) de opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van en/of samenspanning tot eerder vermelde misdrijven en/of

f) samenspanning tot moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07],

(art. 140a Wetboek van Strafrecht)

en/of

1.B.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist, en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE)) [zaaksdossier B00] te weten:

a. a) het werven voor gewapende strijd (op Sri Lanka), zonder toestemming van de Koning (zoals bedoeld in artikel 205 Wetboek van Strafrecht, met ingang van 10 augustus 2004) en/of

b) het onder de wapenen roepen en/of in militaire dienst nemen en/of gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden van kinderen beneden de vijftien jaar in een niet-internationaal gewapend conflict (op het grondgebied van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub f van de Wet internationale misdrijven) [zaaksdossier B05] en/of

c) het gevangennemen en/of ernstig beroven van de lichamelijke vrijheid (van burgers in Sri Lanka) in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen de/een (Tamil) burgerbevolking (op Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 sub e van de Wet internationale misdrijven) [zaaksdossier B05] en/of

d) het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en/of 31 lid 1 en 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie) [zaaksdossier B04] en/of

e) het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

f) het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken er/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

g) doodslag, (zoals bedoeld in artikel 287 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

h) moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of

i. i) de opzettelijke voorbereiding van eerder vermelde misdrijven

(art. 140 Wetboek van Strafrecht)

2 De nationale criminele organisatie

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of

Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B01], te weten:

a. a) het in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 131 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] en/of

b) het verspreiden en/of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van een geschrift en/of afbeelding waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 132 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] en/of

c) overtreding van artikel 2 van de Sanctiewet 1977 juncto Sanctieregeling Terrorisme 2002 [zaaksdossier B02] en/of

d) (gewoonte)witwassen (zoals bedoeld in artikel 420ter en/of 420bis Wetboek van Strafrecht) en/of

e) overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen [zaaksdossier B03] en/of

f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of

g) afpersing (zoals bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of

h) de opzettelijke voorbereiding van eerdervermelde misdrijven.

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

3 Voortzetting verboden organisatie

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of

Zeist en/of elders in Nederland, (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege verboden is, te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE), zijnde een organisatie die is vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (pbEG L 344) [zaaksdossier B01].

(art. 140 lid 2 en 3 Wetboek van Strafrecht jo. Art. 5b Wet Conflictenrecht Corporaties)

4. Overtreding van de Sanctiewet

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of

Zeist, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 lid 2 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 lid 1 van de Sanctieregeling Terrorisme 2002 juncto artikel 2, eerste en tweede lid en 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344) [zaaksdossier B02]

(onder meer) inhoudende

- het verbod om aan of ten behoeve van de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE), zijnde een (rechts)persoon, groep of entiteit als bedoeld in de bij Verordening nr. 2580/2001

behorende lijst, direct of indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking te stellen

- het verbod om financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van die LTTE

- het verbod om willens en wetens deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat, direct of indirect, eerdergenoemde verboden worden ontdoken en/of de bevriezing van tegoeden, andere financiële activa en/of economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door die LTTE wordt ontdoken

(telkens)

a. a) heeft deelgenomen aan bijeenkomsten en/of bijeenkomsten heeft georganiseerd die tot doel hadden om geld te genereren voor de LTTE en/of

b) voor en/of aan en/of ten behoeve van de LTTE geld heeft gegeven en/of uitgeleend en/of gecollecteerd en/of ingezameld, en/of loten heeft verkocht en/of loterijen (met

winstoogmerk) heeft georganiseerd, en/of goederen (met winstoogmerk) heeft verkocht en/of

c) geld heeft beheerd en/of een financiële administratie heeft gevoerd ten behoeve van de LTTE en/of

d) op andere wijze (in)direct tegoeden en/of andere financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft gesteld aan en/of financiële diensten heeft verricht voor de LTTE.

(Artikel 2 Sanctiewet 1977 jo artikel 1 lid 1 Sanctieregeling Terrorisme 2002 jo artikel 2 lid 1 en 2 en artikel 3 van Verordening 2580/2001)

5 Opruiing

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juli 2005 tot en met 27 november 2009 te Utrecht en/of Oosterbeek en/of Den Haag en/of Amsterdam, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, in het openbaar de volgende (mondelinge) uitlatingen heeft gedaan:

a)

"Overal ontploffen bommen, maar als die niet ontploffen krijgt de Tamil geen tijd van verlichting ( ... )

Gisteren is er een schip tot ontploffing gebracht en in stukken uiteen gevallen. Als onze jongens iets doen, doen ze het goed.”

(op of omstreeks 9 juli 2005 te Oosterbeek: B09-0036)

b)

"Tamil Eelam zal zegevierend geboren worden en alle vijanden zullen onder onze voeten vertrapt worden" en/of

"Onder het leiderschap van onze leider [betrokkene 1] en zijn tijgermacht zal het land herwonnen worden" en/of

"Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken.

Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen.

Kom, kom, kom, lijdt nog maar meer nederlagen

Waarom, waarom, waarom, wil je niet leven?

Zie, zie, zie onze moed

Het is het land waarin wij leven’

Op zee zullen tijgerschepen komen met kracht;

In de lucht zullen Tamil vliegtuigen komen als een verassing.

Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen

Willen jullie nog steeds oorlog? Kom dan maar op

"Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken

Denken jullie dat het jullie huis is?

Waar dan ook, wanneer dan ook

Zullen wij met precisie aanvallen.

Waar dan ook, wanneer dan ook

Zullen wij met precisie aanvallen

Waar dan ook, wanneer dan ook

Zullen wij met precisie aanvallen"

(op of omstreeks 25 juli 2007 te Amsterdam: B09-0040/41, 1505/1510)

c)

"Sluit nu uw ogen, denk aan de grote strijders. Houd uw ogen strak gesloten en breng deze goddelijke zielen naar voren in uw gedachten. Want dat ideaal waar u voor heeft geleefd, dat ideaal waarvoor u een heroïsche dood heeft omarmd. dat ideaal zullen wij bereiken. Om uw dromen waar te maken, zullen wij uw plichten uitvoeren als de onzen. Doe deze belofte stil in uw hart. U bent niet gestorven U leeft en u vervult ons hart. De plichten die u op uw schouders heeft genomen, zullen wij doen als de uwe, tot ons einde. Doe de belofte dat we voor altijd de nationale leider zullen steunen Dit is geen tijd om te huilen, dit is een tijd om ons opnieuw toe te wijden" en/of

"Deze grote helden zijn niet gestorven. We moeten onszelf aan hun plichten herinneren en onszelf opnieuw vertellen dat we ons deel zullen doen. Organisatoren zoals wijzelf kunnen worden gearresteerd. Wij kunnen zelfs vandaag de dood vinden. Maar wanneer er bij u aan de deur wordt geklopt, verzaak dan niet uw plicht voor het moederland. (..)

Daarom, ongeacht wat - hard werk en bloedvergieten - kunnen wij alleen ervoor werken en onze vrijheid verkrijgen. Niemand anders zal dat voor ons doen. Dus, denk hieraan en ga verder met het doen van uw plicht. Die grootse mensen zijn niet dood. We moeten alleen oppakken waar zij gebleven waren en het goede werk voortzetten laat ons dat bevestigen."

en/of

"Nee, een echt eerbetoon betekent onze plicht doen die we hem verschuldigd zijn. Zijn onvoltooide werk afmaken is de beste hommage die we hem kunnen brengen. Daarom, mijn dierbaren, open uw deuren voor deze onafgemaakte plichten- laat de deuren open. De natie heeft zich nog steeds niet geopenbaard. De vijand heeft de oorlog verklaard en werpt bommen. Of we het leuk vinden of niet, we moeten de oorlog onder ogen zien Dit is wat de geschiedenis ons heeft opgelegd, deze historische onvermijdelijkheid en onze plicht. Niemand kan daarvan weglopen. Het is niet een soort van sport waarvan we kunnen zeggen 'daar hebben we geen belangstelling voor'.

Moeilijke familie omstandigheden kunnen geen excuus worden, want het gaat hier over het leven van velen. Zie dit als uw belangrijkste zorg, ons belangrijkste probleem, houdt de deur van uw huis open, open de deur en doe uw plicht."

(op of omstreeks 4 november 2007 te Utrecht: B09-0039/40, B02-01253/1254, B02-1280)

d)

"Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen" en/of

"Er is geen andere weg dan te strijden" en/of

"Wij zullen zeker winnen . Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grotere bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden. Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen."

(op of omstreeks 22 juni 2008 te Den Haag: B09-0037/38,1318/1319)

e)

"Vandaag is de heldendag. De dag waarop de helden worden geprezen voor de opofferingen die zij gedaan hebben. Deze opofferingen zijn niet voor niets geweest, de droom van de helden zal uitkomen. Tamil Eelam zal zeker ontstaan. ( .... ) De droom van de helden zal zeker uitkomen. Daar moeten wij in de diaspora allemaal voor werken."

(op of omstreeks 27 november 2009 te Utrecht: B09-0032)

althans woorden van gelijke strekking, zijnde uitlatingen waarmee wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka)

(Artikel 131 Wetboek van Strafrecht)

6 Verspreiding ter opruiing

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of Ammerzoden, en/of elders in Nederland, (telkens ) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, de/het volgende geschrift(en) en/of (een) afbeelding(en) heeft verspreid en/of openlijk tentoongesteld (op internet en/of op zogenaamde Heldendagen en/of Zwarte Tijgerdagen en/of andere(LTTE/Tamil)herdenkingsdagen en/of andere (LTTE/Tamil)bijeenkomsten) en/of, om verspreid of openlijk tentoongesteld te worden, in voorraad heeft gehad:

a. a) een affiche voor Heldendag op 27 november 2009 te Utrecht met (onder andere) de tekst "Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in hel vuur van het ware doel"

(B09-35/36, 1262/1263) en/of

b) Een kalender van het jaar 2010 waarop geweldplegingen door de LTTE worden beschreven(B07-67/69, 75, 81, 1688/2065; B09-531/535, 566) en/of

c) DVD Levend wapen, versie 7 (B09-22/23, 605/610) en/of

d) DVD Levend wapen, versie 8 (B09-22/23, 611/621) en/of

e) DVD Levend wapen, versie 9 (B09-22/23, 622/629)

zijnde (een) geschift(en) en/of (een) afbeelding(en) waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) en waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zodanige opruiing daarin voorkwam

(Artikel 132 Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van de tenlastelegging overweegt het hof als volgt.

Onder feit 1.A., 1.B. en 2 is tenlastegelegd – voor zover hier relevant – het tezamen en in vereniging, althans alleen deelnemen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven.

Kennelijk heeft de steller van de tenlastelegging bedoeld de verdachte te verwijten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie, die mede uit anderen bestaat. Het hof verstaat de tenlastelegging aldus.

3 Procesgang

Blijkens het vonnis in eerste aanleg heeft de rechtbank:

a. a) de dagvaarding partieel nietig verklaard voor wat betreft de onderdelen van het onder 1.B.a. en d. ten laste gelegde, voor zover het betreft het ten laste gelegde "elders in de wereld";

b) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van:
- feit 1.B.a. – voor zover niet in Nederland begaan –;
- feit 1.B.b.;
- feit 1.B.c. – voor zover verband houdend met het gewapend conflict –;
- feit 1.B.d. – voor zover niet in Nederland begaan –; en

- feiten 1.B.e, f, g, h en i;

c) niet wettig en overtuigend bewezen verklaard dat de verdachte de onder
- 1.A.,

- 1. B.a. – voor zover in Nederland begaan –,
- 1.B.c. – voor zover geen verband houdend met het conflict–,
- 1.B.d. – voor zover in Nederland begaan –,
- 2 sub a, b, g en h,

- 5 en 6

ten laste gelegde feiten heeft begaan en heeft de verdachte daarvan vrijgesproken.

De rechtbank heeft voorts:

d) wettig en overtuigend bewezen verklaard, dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof leest de hierboven onder d) vermelde beslissing verbeterd, met dien verstande dat

– gelet op de in het vonnis hierboven onder c) vermelde beslissing – de verdachte de onder 2 sub c, d, e en f, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Tevens is door de rechtbank beslist over de inbeslaggenomen goederen als nader omschreven in het vonnis.

4 Hoger beroep

Namens de verdachte is op 26 oktober 2011 hoger beroep ingesteld.

Op 9 november 2011 is de schriftuur houdende de grieven van de verdediging ingediend bij het gerechtshof.

De officier van justitie heeft op 3 november 2011 hoger beroep ingesteld.

De appelmemorie houdende de grieven van het openbaar ministerie is op 3 november 2011 bij het hof ingekomen.

5. De beschuldiging, de vordering van het openbaar ministerie en het standpunt van de verdediging

5.1.

De beschuldiging

Verkort en zakelijk weergegeven is aan de verdachte het navolgende tenlastegelegd:

Onder feit 1.A. is tenlastegelegd deelneming aan een (internationale) organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, althans de voorbereiding, bevordering en/of samenspanning daarvan, een en ander zoals nader omschreven in de tenlastelegging.

Onder feit 1.B. is de verdachte tenlastegelegd deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid (marteling), oorlogsmisdrijven in een niet-internationaal gewapend conflict (rekruteren kindsoldaten) en andere misdrijven, althans de voorbereiding daarvan, een en ander zoals nader omschreven in de tenlastelegging.

Feit 2 van de tenlastelegging betreft deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van commune misdrijven.

Feit 3 betreft het voortzetten van werkzaamheden van een verboden organisatie.

Onder feit 4 is aan de verdachte overtreding van de Sanctiewet 1977 tenlastegelegd.

De feiten 5 en 6, tenslotte, betreffen de aan de verdachte ten laste gelegde opruiing (feit 5) en verspreiding ter opruiing (feit 6), een en ander zoals eveneens nader omschreven in de tenlastelegging.

5.2.

De vordering van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft vernietiging van het vonnis waarvan beroep gevorderd, zijn niet-ontvankelijkheid in de vervolging voor de feiten 2 sub c, 3 en 4 en de veroordeling van de verdachte ter zake van de overige aan hem ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Hierbij is de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd.

Voorts is de verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer gevorderd van goederen als in het requisitoir omschreven.

5.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat de dagvaarding (partieel) nietig dient te worden verklaard, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, dan wel dat hij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Hetgeen door de verdediging ter onderbouwing daarvan is aangevoerd zal op de daartoe gepaste plaatsen in het arrest nader worden weergegeven.

6 Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

7 De geldigheid van de dagvaarding

7.1.

Het standpunt van de verdediging

Bepleit is dat de dagvaarding op een aantal gronden al dan niet partieel nietig wordt verklaard op grond van – samengevat – het volgende:

- De tenlastelegging kan niet zowel cumulatief als alternatief zijn: de woorden “en/of” tussen feit 1.A. en 1.B. maken dat het hof “en” dan wel “of” partieel nietig moet verklaren.

  • -

    De tenlastelegging leidt aan innerlijke tegenstrijdigheid van de feiten 1.A. en 1.B. omdat daarin zowel terroristische als andere misdrijven zijn ten laste gelegd, welke naar de mening van de verdediging niet naast elkaar kunnen bestaan.

  • -

    De tenlastelegging is wat betreft 1.B. naar de mening van de verdediging partieel nietig wegens innerlijke tegenstrijdigheid ten aanzien van het bestaan van enerzijds een gewapend conflict op Sri Lanka en anderzijds het werven voor de gewapende strijd zonder toestemming van de Koning als bedoeld in art. 205 Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr), waarop de organisatie het oogmerk zou hebben gehad.

- Ook zou de tenlastelegging wat betreft de feiten 1.A. en 1.B. onvoldoende feitelijk zijn omdat het openbaar ministerie de misdrijven waarop de organisatie waaraan de verdachte zou hebben deelgenomen het oogmerk had, niet nader heeft uitgewerkt maar slechts heeft verwezen naar de delictsomschrijving en de onderliggende zaak-dossiers. Dit verweer is ook voor wat betreft de tenlastelegging van feit 2 gevoerd.

- Voorts heeft de verdediging betoogd dat de tenlastelegging voor wat betreft de feiten 1.A, 1.B. en 2 partieel nietig is omdat zonder enige nadere uitwerking is ten laste gelegd dat de organisatie waaraan zou zijn deelgenomen het oogmerk had op het voorbereiden of bevorderen van, dan wel samenspannen tot al dan niet terroristische misdrijven, hetgeen te vaag is.

- Naar de mening van de verdediging is de tenlastelegging betreffende de feiten 1.A., 1.B. en 2 eveneens nietig omdat het openbaar ministerie heeft nagelaten de organisatie waaraan de verdachte zou hebben deelgenomen bij naam te noemen zodat niet is voldaan aan de informatiefunctie die de dagvaarding heeft.

- Door de verdediging is voorts nog aangevoerd dat de dagvaarding niet aan haar informatieplicht voldoet, voor zover onder feit 1.B. ten laste is gelegd “het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het gevangennemen en/of ernstig beroven van de lichamelijke vrijheid (van burgers op Sri Lanka) in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen de/een (Tamil) burgerbevolking (op Sri Lanka)”, nu de tenlastelegging op dit punt onvoldoende duidelijk, onvoldoende feitelijk en te eenzijdig kwalificatief is, hetgeen ook in zoverre moet leiden tot (partiële) nietigheid van de dagvaarding.

- Tenslotte is nog betoogd dat in de tenlastelegging van de feiten 1.A. en 1.B. is opgenomen dat de feiten ook “elders in de wereld” gepleegd zouden zijn, hetgeen te vaag is zodat de dagvaarding (in zoverre) partieel nietig is.

7.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft, kort gezegd, zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dat er van (partiële) nietigheid geen sprake is.

7.3.

Het oordeel van het hof

Met betrekking tot de wettelijke vereisten waaraan de dagvaarding dient te voldoen merkt het hof allereerst op dat deze een tenlastelegging dient te bevatten die als geheel moet worden gelezen in samenhang met het dossier. De verdachte, het openbaar ministerie en de rechter dienen op de hoogte te zijn van de gronden waarop de vervolging van de verdachte rust. In dit verband dient de verdachte te worden geïnformeerd en duidelijk gemaakt waarvoor hij terecht moet staan, zodat hij – bezien in het licht van het dossier – voldoende in staat is zich hiertegen te verdedigen en zich op die verdediging concreet voor te bereiden. De tenlastelegging stuurt daarnaast de onderzoekstaak en beperkt de beslissing van de rechter tot hetgeen is tenlastegelegd.

Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat de verdediging miskent dat bij de tenlastelegging betreffende de feiten 1.A. en 1.B. sprake is van een zogenaamde cumulatief alternatieve tenlastelegging die (aan het hof) de keuze biedt hetzij één van hetzij beide alternatieven bewezen te verklaren, c.q. daarvan (gemotiveerd) vrij te spreken. Daarnaast is er tussen art. 140a Sr en 140 Sr sprake van een lex specialis, generalis verhouding waar het hof later in het arrest op terugkomt.

Niet kan worden ingezien dat de alternatieven elkaar uitsluiten of tegenspreken. Van innerlijke tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake, ook niet door de verwijzing, in feit 1.B. onder a, naar het werven voor de gewapende strijd (op Sri Lanka) zonder toestemming van de Koning. De stelling dat een gewapend conflict en werven voor de gewapende strijd niet tegelijkertijd zouden kunnen plaatsvinden, vindt geen steun in het recht, zoals door het openbaar ministerie bij repliek, ook in hoger beroep, onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal1 bij het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2011 naar het oordeel van het hof terecht is betoogd.

Voorts stelt het hof vast dat het openbaar ministerie de tenlastelegging onder feiten 1.A. en 1.B. in hoger beroep heeft gewijzigd in die zin dat de in de tenlastelegging opgenomen organisatie nader bij (tussen haakjes geplaatste) naam wordt aangeduid.

Het hof overweegt dat in de onderhavige zaak geen rechtsregel het openbaar ministerie verplicht de organisatie waaraan de verdachte zou hebben deelgenomen bij naam te noemen: het gaat bij het begrip “organisatie” in dit verband immers niet zozeer om de identificatie van een bestaand organisatorisch verband, maar om de kwalificatie van een samenhangend geheel van handelingen, verbanden met anderen en om het (gedeelde) oogmerk op strafbare feiten.

Naar het oordeel van het hof was en is dat voldoende duidelijk en moeten derhalve ook de verdachten (voldoende) hebben begrepen om welke “organisatie” – in de in de vorige alinea bedoelde zin – het bij de ten laste gelegde feiten 1.A., 1.B. en 2 gaat, te meer nu het openbaar ministerie in de tenlastelegging telkens ook de namen van vermeende mededaders en, op onderdelen, de onderscheiden zaakdossiers heeft vermeld.

Voor zover het verweer van onvoldoende feitelijke omschrijving specifiek is gevoerd ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde misdrijven waarop het oogmerk van de (nationale) criminele organisatie zou zijn gericht treft het geen doel, reeds omdat het daarbij telkens gaat om misdrijven die (nog) niet behoeven te zijn gepleegd zodat ook in zoverre met de delictsomschrijvingen in de tenlastelegging kan worden volstaan, die in het onderhavige geval ook van voldoende feitelijk aard zijn. Niet gebleken is dat het de verdachte op dit punt onvoldoende duidelijk is geweest waarvan hij wordt verdacht, noch dat hij (daardoor) zich onvoldoende zou hebben kunnen verdedigen tegen de aanklacht.

Dat de wijze waarop de verdachten zouden hebben deelgenomen aan de bedoelde organisatie en het oogmerk daarvan in de tenlastelegging dienen te worden uitgewerkt vindt geen steun in het recht, te minder nu de deelnemingsvormen en de verwijzing naar de al dan niet terroristische misdrijven waarop deze het oogmerk zouden hebben gehad op zichzelf voldoende feitelijke betekenis hebben.

Ook het begrip “oogmerk” heeft voldoende feitelijke betekenis, zodat verdere uitwerking in de tenlastelegging daarvan evenmin noodzakelijk is. Dat geldt evenzeer voor de omschrijving “wijdverbreide en/of stelselmatige aanval” onder feit 1.B.

Het hof is dan ook – alles overziende – van oordeel dat de (gewijzigde) tenlastelegging ook op deze onderdelen een voldoende duidelijke – aan de in art. 261 Sv gestelde eis beantwoordende – omschrijving van de terroristische en/of criminele organisatie en daarmee samenhangende feitelijkheden bevat.

In zoverre faalt het beroep op (partiële) nietigheid van de dagvaarding.

Ten slotte overweegt het hof, ten aanzien van de stelling van de verdediging dat de plaatsbepaling in de tenlastelegging “elders in de wereld” te onbepaald zou zijn en dat daarom sprake zou zijn van partiële nietigheid, als volgt.

De plaatsbepaling “elders in de wereld” is – zoals door het openbaar ministerie terecht is opgemerkt – in de tenlastelegging het sluitstuk van de plaatsbepalingen, na specifieke plaatsen in Nederland en de aanduidingen Nederland en Sri Lanka. De beschrijving “elders in de wereld” kan in het licht van het dossier niet anders worden begrepen dan betrekking hebbend op bepaalde in het dossier aangegeven beweerdelijk strafbare gedragingen of deelnemingshandelingen, die op andere plaatsen dan in Nederland of Sri Lanka hebben plaatsgevonden, waarbij het openbaar ministerie als voorbeelden noemt vergaderingen in Duitsland en Maleisië. Geen rechtsregel verzet zich tegen deze wijze van ten laste leggen en zodanige lezing van de tenlastelegging in samenhang met het dossier maakt de omschrijving voldoende bepaald en leidt derhalve niet tot partiële nietigheid. Het hof heeft daarbij mede betrokken dat geenszins is gebleken dat met betrekking tot die plaatsbepalingen aan de verdachte onvoldoende duidelijk zou zijn geweest wat hem werd verweten.

De verweren met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding worden dan ook alle door het hof verworpen.

8 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

8.1.

Ten aanzien van het onder 2 sub c, 3 en 4 ten laste gelegde

8.1.1.

De vordering van het openbaar ministerie

Naar aanleiding van de uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Unie in Luxemburg (hierna: het Gerecht) d.d. 16 oktober 2014 heeft het openbaar ministerie zijn aanvankelijke vordering gewijzigd in die zin dat thans de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wordt gevorderd ten aanzien van de feiten 3 (voortzetting van een verboden organisatie) en 4 (overtreding van de Sanctiewet) alsmede ten aanzien van het in feit 2 onder c ten laste gelegde oogmerk van de organisatie om de Sanctiewet te overtreden. Het openbaar ministerie stelt zich thans op het standpunt dat van verdere vervolging alsnog (gedeeltelijk) behoort te worden afgezien op gronden van opportuniteit aan het algemeen belang ontleend, meer in het bijzonder het belang dat op korte termijn duidelijkheid wordt verkregen over het oordeel van het hof ten aanzien van beschuldigingen van terroristische misdrijven gepleegd in gewapend conflict.

Het openbaar ministerie heeft gesteld dat het bij de aanvang van de vervolging uitsluitend voor een brede tenlastelegging heeft gekozen om een ‘vangnet’ te hebben voor het geval onverwachte ontwikkelingen een bewezenverklaring van de belangrijkste feiten – zijnde terroristische en criminele organisatie – in de weg zouden staan.

In de visie van het openbaar ministerie worden alle feitelijke handelingen waarvan thans geen bewezenverklaring meer wordt gevorderd ook bestreken door met name feit 1 dat naar het oordeel van het openbaar ministerie bewezen moet worden verklaard. Er is dus thans sprake van minder samenloop, maar niet van bewezenverklaring van minder feitelijk strafbaar handelen of van kwalificatie als een lichter feit.2

8.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging van de verdachten [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1] stellen zich met het openbaar ministerie op het standpunt dat ten aanzien van de feiten 2 sub c, 3 en 4 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

De verdediging van de verdachte [verdachte 2] heeft aangegeven dat de verdachte graag een oordeel van het hof zou krijgen over alle ten laste gelegde feiten, dus ook over de feiten

2 sub c, 3 en 4.

8.1.3.

Het oordeel van het hof

Vooropgesteld moet worden dat aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Een zodanige beslissing van het openbaar ministerie om al dan niet tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin, dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.3

Zo een uitzonderlijk geval doet zich naar het oordeel van het hof hier in de fase van berechting voor. Het openbaar ministerie heeft immers zelf gemotiveerd aangegeven thans met betrekking tot de opportuniteit van de vervolging tot een andere afweging te zijn gekomen, ingegeven door veranderde omstandigheden en het tijdsverloop dan ten tijde van de aanvang van de vervolging.

Zowel het tijdsverloop als de veranderde omstandigheden kunnen te respecteren aspecten van algemeen belang zijn om (al dan niet) tot vervolging over te gaan.

Het hof stelt vast dat – daar tegenover – in de strafzaken van [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1] niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met voortzetting van de behandeling van de bedoelde feiten 2 sub c, 3 en 4, zodat het hof voldoende termen aanwezig acht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van deze verdachten voor zover het betreft het onder 2 sub c, 3 en 4 ten laste gelegde.

In de strafzaak van [verdachte 2] overweegt het hof als volgt. Weliswaar verzoekt [verdachte 2] het hof een uitspraak te doen over alle tenlastegelegde feiten, maar verzuimt hij daarbij aan te geven in welk belang hij zou zijn geschaad indien het hof daartoe niet zou overgaan.4 Tevens overweegt het hof dat het door [verdachte 2] verzochte oordeel een kwalificatievraag betreft. Alle feitelijke handelingen komen in volle omvang aan de orde in de overige tenlastegelegde feiten. Voorts dient het hof in de strafzaak van [verdachte 2] ervoor te waken dat de behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [verdachte 2] reeds eerder te kennen heeft gegeven dat de reeds verstreken tijdsduur van het strafproces al grote impact op zijn leven heeft gehad.5

Alle belangen afwegende komt het hof tot het oordeel dat ook in de strafzaak van [verdachte 2] er voldoende termen aanwezig zijn om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging voor zover het betreft het onder 2 sub c, 3 en 4 ten laste gelegde.

8.1.4.

Verzoek van de verdediging

Naar aanleiding van de mededeling van de verdediging ter terechtzitting van 26 januari 2015 dat het verzoek van tot het horen van de zogenoemde EU-getuigen, te weten [getuige 1],

[getuige 2] en [getuige 3] niet langer zou worden gehandhaafd indien het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging zou verklaren voor de feiten 2 sub c, 3 en 4, stelt het hof, gelet op bovenstaande beslissing vast, dat dit verzoek is komen te vervallen.

8.2.

Overige verweren

8.2.1.

Juridisch kader

De verdediging is van mening dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Hiertoe is door de verdediging aangevoerd dat zich in het voorbereidend onderzoek ernstige vormverzuimen, zoals hierna te bespreken, hebben voorgedaan waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Deze handelwijze levert onder meer een schending van art. 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) op, en ook de rechterlijke controle op het bewijsmateriaal is door deze handelwijze moedwillig gefrustreerd, aldus de verdediging.

Bij de beoordeling van de verweren wordt door het hof het volgende vooropgesteld.

De Hoge Raad overweegt in zijn uitspraak van 19 februari 20136 het volgende:

“Indien binnen de door art. 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt.

Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.

De eerste factor is “het belang dat het geschonden voorschrift dient”. De tweede factor is “de ernst van het verzuim”. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen.

De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

(…)

Voorts is van belang dat – gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv – het wettelijk stelsel aldus moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen.

Art. 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht, en biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld, de mogelijkheid af te zien van het toepassen van een van de daar bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De strekking van de regeling van art. 359a Sv is immers niet dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte.”

Voorts overweegt het hof dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Behalve de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie noemt art. 359a lid 1 Sv de sanctie van bewijsuitsluiting. Bewijsuitsluiting kan als voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Voor zover in de onderhavige zaak door de verdediging bewijsuitsluiting is bepleit, zal het hof daar bij de bewijsvoering nader op ingaan.

Tegen de achtergrond van het voorgaande zal het hof de door de verdediging aangevoerde verweren beoordelen en de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bespreken.

8.2.2.

Onrechtmatige start van het onderzoek

8.2.2.1. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest, omdat het door de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) uitgevoerde onderzoek jegens de verdachten ten onrechte is gepresenteerd als een onderzoek naar het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (Liberation Tigers of Tamil Eelam, hierna: de LTTE) op grond van de zogenoemde A-taak als bedoeld in art. 6 lid 2 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: Wiv 2002), terwijl dat onderzoek in feite is gestart om het strafrechtelijke onderzoek te faciliteren of te vergemakkelijken.

Het staat het openbaar ministerie op zichzelf vrij de AIVD te verzoeken bepaalde inlichtingen vrij te geven, voor zover de AIVD daar over beschikt.

In casu is evenwel door de zaaksofficier van justitie aan de AIVD verzocht informatie te verstrekken die kan leiden tot identificatie van die personen die blijkens een negental door de officier van justitie aangeleverde DVD’s een actieve en/of leidende rol binnen de LTTE spelen, alsmede informatie te verstrekken over waar en wanneer de op de DVD’s getoonde bijeenkomsten zijn gehouden.

Door de getuige [getuige 4] is desgevraagd verklaard dat “het zou kunnen dat door middel van technische hulpmiddelen herkenning heeft plaatsgevonden”. Dit betekent volgens de verdediging dat de AIVD actief onderzoek heeft moeten verrichten, en dat niet gesteld kan worden dat herkenning heeft plaatsgevonden op basis van kennis die reeds aanwezig was. Die kennis diende immers nog vergaard te worden.

Aldus heeft de AIVD wel degelijk gebruik gemaakt van een haar toekomende bevoegdheid, en onderzoek verricht waarop door de verdediging slechts in zeer beperkte mate controle kan worden uitgeoefend, terwijl de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden van het openbaar ministerie zijn omgeven met veel meer waarborgen.

Het optreden van de AIVD levert dan ook een schending op van de aan de verdachte toekomende fundamentele rechten van zodanige aard dat er geen sprake meer is van een fair trial als bedoeld in art. 6 EVRM, aldus de verdediging.

8.2.2.2. Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld – verkort en zakelijk weergegeven – dat de AIVD vragen van de opsporing mag beantwoorden indien voor de beantwoording van die vragen geen inlichtingenmiddelen worden ingezet met het doel om strafvorderlijke waarborgen doelbewust buiten toepassing te laten. Dat laatste is niet gebeurd. Aan de AIVD is gevraagd om reeds beschikbare kennis bij de AIVD ter beschikking te stellen. Er is derhalve geen vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en het verweer dient te worden verworpen.

8.2.2.3. Het oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat, gelet op de wetsgeschiedenis van de Wiv 2002 er in beginsel geen bezwaar bestaat tegen het gebruik van door de AIVD vergaard en daar aanwezig materiaal. In het verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 september 2011 heeft de getuige Van Gemert, op de vraag welke activiteiten door de AIVD zijn verricht naar aanleiding van het verzoek van de zaaksofficier om nadere informatie over de identiteit van de personen op de DVD’s en een plaats- en tijdsaanduiding van de op de DVD getoonde bijeenkomsten, geantwoord: “De AIVD heeft naar aanleiding van het verzoek op basis van de aanwezige kennis getracht antwoord te geven en dat vervat in het ambtsbericht.” Uit dit antwoord blijkt niet dat de AIVD actief onderzoek heeft moeten verrichten; de door de verdediging geciteerde zinsnede maakt dat niet anders.

Het hof concludeert dat het verweer feitelijke grondslag mist en verwerpt mitsdien het verweer.

8.2.3.

Samenwerking met de Sri Lankaanse autoriteiten

8.2.3.1. Het standpunt van de verdediging

Het openbaar ministerie heeft zonder enige terughoudendheid samengewerkt met de overheid van Sri Lanka ter verkrijging van schriftelijke bescheiden en getuigenverklaringen, terwijl het openbaar ministerie op de hoogte mag worden geacht te zijn geweest van het feit dat de overheid van Sri Lanka op grote schaal fundamentele rechten schendt, onder andere middels foltering, marteling en schendingen van het internationaal humanitair recht.

Het openbaar ministerie heeft documentbewijs in de strafzaak gevoegd dat in beslag is genomen door de Sri Lankaanse autoriteiten en dat in het kader van een rechtshulpverzoek is overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. Het openbaar ministerie heeft, middels deze wijze van vergaring van het documentbewijs, een inbreuk gemaakt op de artt. 3 en 6 EVRM, art. 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR), art. 15 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (hierna: VN-Folterverdrag) dan wel op andere fundamentele rechten.

Uit de getuigenverhoren over de herkomst van de documenten blijkt dat het documentbewijs is verkregen door verhoor van vermeende LTTE-ers die op zijn minst leefden onder de dreiging van marteling en foltering. Door het in het dossier voegen van ‘besmet’ documentbewijs heeft het openbaar ministerie de verdachte een eerlijk proces ontzegd, omdat het documentbewijs noch door de verdediging noch door het hof te toetsen is op authenticiteit, exacte wijze van verkrijging e.d.

8.2.3.2. Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft – verkort en zakelijk weergegeven – betoogd dat er nog geen begin van aannemelijkheid is dat bij de vondst van de documenten die nu deel uitmaken van het dossier dusdanige mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden dat dat moet leiden tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

8.2.3.3. Het oordeel van het hof

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat in de periode voorafgaand aan het aantreffen en vervolgens in beslag nemen van bewijsmateriaal – dat naderhand na een daartoe strekkend rechtshulpverzoek aan de Nederlandse opsporingsambtenaren is overhandigd – door de Sri Lankaanse autoriteiten in het gebied waar dat bewijsmateriaal is aangetroffen ernstige mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden, en dat daarbij mogelijk sprake is geweest van marteling of foltering. Evenmin kan worden uitgesloten dat gehoorde getuigen leefden onder de dreiging van marteling of foltering.

Echter, niet kan worden vastgesteld dat het door het openbaar ministerie in het dossier gevoegde bewijsmateriaal is verkregen door marteling of foltering, noch dat verklaringen zijn afgelegd onder druk van – eerdere – martelingen, laat staan dat kan worden vastgesteld dat het openbaar ministerie welbewust op deze wijze verkregen bewijsmateriaal in het dossier heeft gevoegd.

Een en ander brengt mee dat de bewuste verklaringen weliswaar met grote behoedzaamheid moeten worden beoordeeld, maar er zijn geen aanwijzingen dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk zouden hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak zou zijn tekortgedaan.

Het verweer wordt derhalve in zoverre verworpen.

8.2.4.

Parallel onderzoek door het openbaar ministerie

8.2.4.1. Het standpunt van de verdediging

De rechtbank heeft naar aanleiding van de regiezitting van 19 januari 2011 het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [getuige 5] toegewezen. Kort voor de regiezitting van 14 april 2011 bleek dat [getuige 5] op 31 maart en 1 april 2011 gehoord zou gaan worden door het onderzoeksteam Koninck. Op het moment dat de verdediging kennis nam van dit voornemen had het aangekondigde verhoor al plaatsgevonden.

Na een doorzoeking in zijn woonhuis, een bezoek op zijn werk en een verhoor door het onderzoeksteam Koninck, is [getuige 5], getuige à décharge, op 18 mei 2011 door de verdediging nader ondervraagd. De getuige verklaarde zeer behoedzaam, gezien zijn ervaringen. Hierdoor is de verdediging in haar belangen geschaad, nu het onderzoeksteam onder leiding van het openbaar ministerie op die manier een belangrijke verdedigingsgetuige “onklaar” heeft gemaakt.

Voorts heeft het openbaar ministerie getuigenverklaringen à charge voorgekookt door het laten voeren van voorgesprekken met de getuigen [getuige 6] en [getuige 7], doordat zij voor hun “officiële” geverbaliseerde politieverhoren zijn gehoord door overheidsfunctionarissen waarbij zij met foto’s van de verdachten, onderzoekshypotheses en vragen zijn geconfronteerd die zij vervolgens alleen nog maar hoefden te bevestigen tijdens hun ‘officiële’ verhoor.

Beide handelwijzen van het openbaar ministerie zijn in strijd met de ongeschreven regels van een behoorlijke procesvoering waardoor inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

8.2.4.2. Het standpunt van het openbaar ministerie

Door het openbaar ministerie is naar voren gebracht dat het Nederlandse systeem, waarbij een getuige eerst door de politie wordt gehoord en later in aanwezigheid van de verdediging door een rechter, voldoende waarborgen biedt.

Op de regiezitting van 19 januari 2011 heeft het openbaar ministerie, nadat het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 5] was toegewezen, aangegeven dat, mocht meer duidelijkheid komen over de toen nog onbekende verblijfplaats van [getuige 5], het openbaar ministerie van plan was [getuige 5] te laten horen door de politie in het kader van parallelle opsporing. De verdediging heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt op die zitting, en evenmin enig verzoek gedaan.

8.2.4.3. Het oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat de zelfstandige opsporingsbevoegdheid van de officier van justitie voortduurt gedurende de gehele loop van het strafproces. Dit betekent dat het de officier van justitie vrij staat eventueel getuigen door de politie te doen horen vooruitlopend op het verhoor door de rechter-commissaris.

Dat geldt zowel voor getuigen à charge als voor getuigen à décharge en evenzeer voor verhoren als voor oriënterende gesprekken. Voor zover al ongeschreven regels van behoorlijke procesvoering meebrengen dat het openbaar ministerie zich ingeval van getuigen, waarvan door rechter of rechter-commissaris reeds is bepaald dat zij zullen worden gehoord, terughoudender zou moeten opstellen, met name ten aanzien van getuigen à décharge, merkt het hof op dat – wat daarvan onder de onderhavige omstandigheden ook zij – van enige significante schending van verdedigingsbelangen geen sprake is, nu het verhoor door de politie van de getuige (à décharge) [getuige 5] tevoren is aangekondigd en in het latere verhoor de verdediging in de gelegenheid is geweest zelf vragen aan de getuige te stellen en de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te toetsen. Dat geldt evenzeer voor de verhoren van de getuigen (à charge) [getuige 6] en [getuige 7].

Een inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is naar het oordeel van het hof dan ook niet komen vast te staan, zodat het verweer wordt verworpen.

8.2.5.

Discriminatoire vervolging

8.2.5.1. Het standpunt van de verdediging

Naar het hof begrijpt stelt de verdediging zich, evenals in eerste aanleg, op het standpunt dat, verkort en zakelijk weergegeven, er sprake is geweest van een discriminatoire vervolging. Daartoe is aangevoerd dat de wijze waarop het openbaar ministerie het onderzoek naar het gewapend conflict in Sri Lanka heeft aangepakt vanaf het allereerste begin getuigt van een betreurenswaardig eenzijdige oriëntatie op de Tamils, een etnische groep. Niet valt in te zien waarom het onderzoek niet ook de internationale misdrijven gepleegd door het Sri Lankaanse regime omvat. Het hele strafrechtelijke onderzoek – en de uiteindelijke vervolgingsbeslissingen – wordt derhalve gekenmerkt door een arbitrair onderscheid op basis van etniciteit, aldus de verdediging. De vervolgingsbeslissing is willekeurig, in strijd met het evenredigheidsbeginsel en voorts is het recht op een eerlijk proces geschonden. Dit dient volgens de verdediging te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

8.2.5.2. Het oordeel van het hof

Nog daargelaten dat vervolging van een vreemde mogendheid afstuit op volkenrechtelijke immuniteit, is het hof eveneens met de rechtbank van oordeel dat heeft te gelden dat het, gelet op het in Nederland geldende opportuniteitsbeginsel, de officier van justitie is die, na een opsporingsonderzoek, de belangenafweging maakt of en zo ja wie waarvoor vervolgd dient te worden. De wijze waarop – in geval van een vervolging – deze belangenafweging heeft plaatsgevonden staat in zijn algemeenheid en slechts in hier niet aannemelijk geworden uitzonderingsgevallen ter beoordeling van de rechter. De verdediging heeft weliswaar gesteld dat het openbaar ministerie bij de beslissing om de verdachten te vervolgen heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur, het evenredigheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces, maar heeft deze stelling, zoals op haar weg had gelegen, niet nader en op rechtens relevante wijze met (voldoende concrete) feiten of omstandigheden onderbouwd. Het hof heeft ook overigens voor de aan het openbaar ministerie verweten handelwijze in het procesdossier of anderszins geen aanwijzingen gevonden. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

9 Algemene overwegingen

Het hof ziet in de bijzondere en in vele opzichten unieke aard van de zaak aanleiding om, alvorens de ten laste gelegde feiten afzonderlijk te bespreken, (telkens) eerst – (deels) in algemene zin – in te gaan op de achtergrond van de zaak, de bewijswaardering en het relevante juridische kader. Het hof sluit bij die bespreking, zo nodig, (deels) aan bij de desbetreffende overwegingen van de rechtbank, met name in die gevallen waarbij de feiten en omstandigheden afkomstig zijn uit openbare bronnen en deskundigen-verklaringen en van algemene bekendheid worden geacht en/of, voor zover nodig, ter openbare terechtzitting zijn besproken en niet door het openbaar ministerie of de verdediging zijn bestreden.

9.1.

Achtergrond van de zaak

De in de tenlastelegging genoemde feiten en omstandigheden vertonen een nauwe samenhang met het gewelddadig conflict dat zich gedurende ruim 25 jaar op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) heeft afgespeeld. Over dit conflict overweegt het hof als volgt, waarbij het hof in het bijzonder acht heeft geslagen op het – voor de zaken tegen de verdachte en diens medeverdachten – opgemaakte rapport van de deskundigen dr. A.J. Keenan en

prof. dr. ir. Frerks7, die daarover ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig verantwoording hebben afgelegd.

Op 5 mei 1976 werd door [betrokkene 1]8 de Liberation Tigers of Tamil Eelam, algemeen bekend als de LTTE of de Tamil Tigers opgericht. De LTTE komt voort uit de Tamil New Tigers (TNT), één van de opstandige militante groeperingen die zich op Sri Lanka inzetten voor een autonome staat voor de Tamil bevolking. [betrokkene 1], eerder één van de leiders van de TNT, was vanaf het begin tot aan zijn dood in 2009 de leider van de LTTE.

De LTTE werd opgericht als gevolg van een onder de Tamil minderheid op Sri Lanka in de jaren 1960/1970 groeiend gevoel dat zij werd achtergesteld ten opzichte van de Singalese meerderheid op Sri Lanka. De doelstelling van de LTTE was gedeeltelijke dan wel gehele zelfstandigheid van de Tamilbevolking door middel van een eigen onafhankelijke en autonome staat van Tamil Eelam in het noorden en oosten van het eiland te bereiken. Er kwamen ook andere groeperingen met een (soortgelijk) doel, maar uiteindelijk bleef de LTTE als enige dominante groepering over. De LTTE voerde een gewelddadige separatistische en nationalistische campagne, inclusief dodelijke aanslagen, om een onafhankelijke staat te stichten. De LTTE kwam hiermee in conflict met de regering van Sri Lanka (hierna te noemen: GoSL9). Het conflict escaleerde en groeide uit tot de Sri Lankaanse burgeroorlog, die liep van 1983 tot 2009, toen de LTTE werd verslagen door het Sri Lankaanse leger.

In begin jaren ‘80 is de LTTE formeel toegetreden tot een gemeenschappelijk militante front, de Eelam Nationaal Bevrijdingsfront (ENLF), een unie tussen LTTE, de Tamil Eelam Bevrijdingsorganisatie (TELO), de Eelam Revolutionaire Organisatie van Studenten (EROS), Bevrijdingsorganisatie de People's van Tamil Eelam (PLOTE) en de Eelam People's Revolutionary Liberation Front (EPRLF).

De twee belangrijkste divisies van de LTTE waren de militaire vleugel en de politieke vleugel.

De militaire vleugel bestond uit minimaal elf afzonderlijke divisies waaronder de conventionele strijdkrachten, de gevechtsbrigade Charles Anthony, een marinevleugel genaamd de Sea Tigers, en een luchtvleugel genaamd Air Tijgers.

De strijdkrachten van de LTTE droegen uniformen en kenden een commandostructuur met militaire rangen.

De politieke vleugel was een systematische en krachtige vleugel, die functioneerde als een aparte staat in de door de LTTE beheerste gebieden. In 1989 heeft de LTTE een politieke partij opgericht met de naam People's Front of Liberation Tigers (PFLT).

De LTTE had daarnaast de beschikking over een groot internationaal netwerk. Het wereldwijde netwerk van de LTTE hield zich bezig met o.a. propaganda, fondsenwerving, (illegale) wapenaankopen en scheepvaart.

Vanaf 1990 verwierf de LTTE een door haar beheerst gebied in het noordelijke en oostelijke gedeelte van Sri Lanka. In de gebieden waar de LTTE het voor het zeggen had, fungeerde het voor de bevolking daar als een soort overheid. Naast de hiervoor vermelde verschillende eigen strijdkrachten (landstrijdkrachten, zeestrijdkrachten en beperkte luchtstrijdkrachten) beschikte de LTTE over een eigen politie en een eigen rechtspraak, terwijl zij toelieten dat de Sri Lankaanse staatsdiensten werden voortgezet, zowel op het gebied van de algemene overheid als bij het verlenen van maatschappelijke diensten. De overheidsdiensten fungeerden echter in nauwe samenwerking met, zo niet onder volledige controle van, de LTTE.

Verder had de LTTE een eigen belastingstelsel. Mede door dit belastingstelsel was de LTTE in staat de gewapende strijd tegen het Singalese leger te blijven financieren.

Daarnaast ontving de LTTE inkomsten uit het buitenland van derden en partnerorganisaties.

De LTTE werd in 1998 door de GoSL verboden. Nadat al eerder India (1992), de Verenigde Staten van Noord-Amerika (1997), en Groot-Brittannië (2000) de LTTE op de lijst van verboden terroristische organisaties hadden geplaatst, volgden in 2006 de Europese Unie en Canada.

De oorlog leidde uiteindelijk tot een overwinning van de GoSL op de LTTE in mei 2009 en, naast talloze slachtoffers onder militairen en burgers, tot volledige uitroeiing van de militaire en politieke top van de LTTE, onder wie haar voorman [betrokkene 1].

9.2.

Algemene bewijsoverwegingen

Het hof stelt voorop dat degene die strafrechtelijk wordt vervolgd, door de vervolgende en rechtsprekende instanties voor onschuldig wordt gehouden, totdat – buiten redelijke twijfel – in rechte zijn schuld is komen vast te staan. Met andere woorden: voor het vaststellen van de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het aan hem ten laste gelegde en de consequenties van die aansprakelijkheid, zal wettig en overtuigend dienen komen vast te staan dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde heeft gepleegd, dat het aldus bewezen verklaarde strafbaar is en de verdachte deswege strafbaar.

Bij de beoordeling van het procesdossier in deze zaak en het daaruit voortvloeiend bewijs, is van belang dat volgens bestendige jurisprudentie de selectie en waardering van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend de in art. 339 Sv genoemde bewijsmiddelen. Voorts zijn de bewijsminimumregels van de artt. 341, 342, 344 en 344a Sv van toepassing.

Het mogelijke bewijs in deze zaak berust, naast de eventuele eigen waarneming(en) van het hof ter terechtzitting, in hoofdzaak op (op ambtseed opgemaakte) verklaringen van de (mede)verdachte(n) en van getuigen, verklaringen van deskundigen, schriftelijke bescheiden en/of feiten of omstandigheden van algemene bekendheid zoals daarvan (tevens) blijkt uit door het hof geraadpleegde algemeen toegankelijke (openbare) bronnen.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de voor het bewijs geselecteerde getuigen worden primair de verklaringen voor het bewijs gebruikt die deze getuigen in deze strafzaak tegenover een (onafhankelijke) rechter hebben afgelegd. In dat geval zijn het onderzoek en de verhoren expliciet gericht op de schuld en onschuld van de verdachte(n), waarbij zowel het openbaar ministerie als de verdediging in beginsel in de gelegenheid zijn geweest de desbetreffende getuige te ondervragen en de betrouwbaarheid van zijn verklaring(en) te toetsen.

Dit laatste geldt niet voor de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd bij een opsporingsambtenaar. Mitsdien zal het hof voor de bewijsbeslissing primair als uitgangspunt nemen de verklaringen die door de getuige tegenover de (onafhankelijke) rechter heeft afgelegd.

Dit betekent evenwel niet dat het hof geen acht zal slaan op de verklaringen die de desbetreffende getuige(n) bij een opsporingsambtenaar heeft/ hebben afgelegd. Immers, ook voor deze verklaringen geldt dat zij gericht waren op de mogelijke rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Bovendien komen ingevolge art. 344 Sv, als wettige bewijsmiddelen mede in aanmerking ambtsedige processen-verbaal, behelzende de mededeling door personen die tot het opmaken daarvan bevoegd zijn van door hen zelf waargenomen feiten of omstandigheden, zoals een tegenover hen afgelegde verklaring van een derde. Binnen de door de wet en het EVRM getrokken grenzen mag de rechter van dergelijk bewijsmateriaal in het algemeen zonder meer voor zijn bewijsvoering bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt.10

Bij de waardering van de in deze zaak afgelegde verklaringen en daarmee de beoordeling van hun bruikbaarheid voor het bewijs sluit het hof aan bij de eerder door dit hof gehanteerde criteria, zoals, verkort en zakelijk weergegeven, de toetsing van die verklaringen aan objectieve informatie of gegevens; de consistentie van de opeenvolgende verklaringen van de desbetreffende getuige(n); de overeenstemming van die verklaring(en) met hetgeen een of meerdere andere getuige(n) hebben verklaard en, tenslotte, de plausibiliteit van de inhoud van die verklaring(en).11

Het hof zal de door de verdachte of getuige afgelegde verklaring(en) steeds bezien in onderling en samenhang met andere verklaringen en/of overig voor het bewijs gebruikte stukken van overtuiging. Het hof benadrukt daarbij het belang van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een getuige en diens verklaring in het licht van het proces als geheel. Bij de beoordeling van de feiten moet niet in de eerste plaats worden gekeken naar de afzonderlijke en geïsoleerde getuigenverklaring; het is de accumulatie van al het bewijsmateriaal in de zaak die moet worden afgewogen. De verklaring van een getuige, op zich zelf beschouwd, kan op het eerste gezicht van slechte kwaliteit zijn, maar kan (overtuigende) kracht halen uit ander bewijsmateriaal in de zaak.12

Het hof zal er bij de waardering van de getuigenverklaringen tenslotte rekening mee houden dat de ten laste gelegde gebeurtenissen, indien bewezen, geruime tijd geleden plaats hebben gevonden in een – niet westers – land dat in politiek, cultureel en sociaal opzicht weinig overeenkomsten vertoonde en vertoont met de Nederlandse samenleving en dat bovendien intern verscheurd was door ingrijpende met name politieke en etnische geschillen en (daarmee in dit geval gepaard gaande) gewapende conflicten, hetgeen een bijzondere wissel trekt op het onderzoek, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van het opsporen van de nog beschikbare getuigen en het aanvullende bewijsmateriaal.

Bovendien konden getuigen in sommige gevallen moeilijk worden getraceerd en slechts door tussenkomst van de GoSl worden gehoord. Niet altijd is duidelijk of de desbetreffende getuigen in vrijheid hebben kunnen verklaren, hetgeen maakt dat de desbetreffende verklaringen, indien en voor zoverre zij bijdragen tot het bewijs, met enige behoedzaamheid dienen te worden gebruikt en alleen voor zover ze worden ondersteund door ander bewijsmateriaal.

Een deel van het bewijsmateriaal in deze zaak is afkomstig uit Sri Lanka. Meer in het bijzonder betreft dit documenten, zoals (kopieën van pagina’s uit) dagboeken van [alias betrokkene 2] en overige documenten, persoonsformulieren en lijsten met aanvallen van [betrokkene 4]. Het hof merkt op dat dit bewijsmateriaal, voor zover het voor het bewijs wordt gebruikt, met enige behoedzaamheid moet worden bekeken, niet alleen omdat Sri Lanka partij is bij het conflict met de LTTE waardoor het belang kan hebben bij veroordeling van de verdachte(n), maar ook omdat er tussen Nederland en Sri Lanka geen sprake is van een bilaterale rechtshulprelatie waardoor aan het vertrouwensbeginsel in beginsel wat minder gewicht toekomt13 en het er tenslotte door gezaghebbende bronnen regelmatig is gerapporteerd over mensenrechtenschendingen door de overheid van Sri Lanka, hetgeen potentieel van invloed zou kunnen zijn voor de beoordeling van het verkregen bewijs. Deze laatste omstandigheden worden overigens ook door het openbaar ministerie onderkend.

Deze bijzondere omstandigheden hebben eveneens een bijzondere wissel getrokken op het onderzoek in deze strafzaak. Indien en voor nodig zal het hof hierop elders in het arrest nog nader ingaan.

Het hof zal voor het bewijs ook gebruik maken van de door de verdachte en diens medeverdachten zelf afgelegde verklaringen, in onderling verband gezien. Met name zal het hof aan het bewijs doen meewerken de door de verdachte [verdachte 2] in hoger beroep afgelegde verklaringen als verdachte én als getuige in de zaken tegen de medeverdachten. Het hof acht die verklaringen betrouwbaar, mede gelet op het ondersteunende andere bewijs dat ligt besloten in de ook door de rechtbank vermelde bewijsmiddelen, die het hof, voor zover zij hieronder worden overgenomen, betrouwbaar, redengevend en overtuigend acht. Het hof tekent daarbij nog aan dat de verdachte [verdachte 2] bij zijn verhoor als getuige ter terechtzitting in hoger beroep onder ede heeft aangegeven dat hij als verdachte in hoger beroep ter zitting naar waarheid heeft verklaard en er geen bezwaar tegen heeft dat die verklaring (eventueel) wordt aangehaald in de zaken tegen zijn medeverdachten. Desgevraagd hebben de raadslieden van de verdachten [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1], alsmede de advocaat-generaal, medegedeeld dat zij geen bezwaar hebben tegen het gebruik van de op 1 april 2014 ter terechtzitting als verdachte afgelegde verklaring van [verdachte 2], als getuigenverklaring in de zaken tegen de verdachten [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1].

Met name voor zover de [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1] hebben betoogd dat zij met de LTTE niets van doen hadden, maar uitsluitend (deelnemings)handelingen hebben verricht in het kader van de Nederlandse sub-organisaties zal het hof daaraan voorbijgaan, nu uit de in dit opzicht geloofwaardige, hierna nader te bespreken, verklaringen van de verdachte [verdachte 2] niet anders kan worden afgeleid dan dat die sub-organisaties eenvoudigweg deel uitmaakten van de LTTE; de Nederlandse afdeling van de LTTE ressorteerde rechtstreeks onder de LTTE op Sri Lanka. In dat opzicht wordt de verklaring van [verdachte 2] bovendien ondersteund door een aantal andere, hierna te bespreken bewijsmiddelen.

10 Juridisch kader feiten 1 en 2

10.1.

Volkenrechtelijke rechtsbronnen

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de ten laste gelegde beschuldigingen onder feit 1.A. en 1.B. en de daaraan ten grondslag liggende delictsomschrijvingen primair te rade wordt gegaan bij de rechtsbronnen, waarbij (voor de uitleg ervan) de vraag centraal staat wat de omstandigheden zijn waardoor de rechtsregel of rechtsnorm gelding heeft. Deze rechtsbronnen, meer concreet verdragen, wetten of geschreven rechtsregels, jurisprudentie, ongeschreven rechtsregels (gewoonterecht) en rechtsleer of doctrine, werken direct op de rechtsvorming in.

Onder feit 1.B. zijn specifieke feiten tenlastegelegd als onderdeel van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in respectievelijk art. 6 (oorlogsmisdrijven) en art. 4 (misdrijven tegen de menselijkheid) van (kort gezegd) de Wet internationale misdrijven (hierna: WIM).14 Tegen de achtergrond van het complementariteitsbeginsel beoogt de WIM (in elk geval) te voorzien in strafbaarstelling van alle kernmisdrijven uit het Statuut van het Strafhof (hierna ook te noemen: ICC), opgenomen in de artt. 5-8 van het Statuut15 en nader omschreven in de ‘Elements of Crimes’.

In de WIM is zo nauw mogelijk aangesloten bij de internationale delictsomschrijvingen in het Statuut. Blijkens de wetsgeschiedenis kan op deze wijze beter worden aangesloten bij het internationaal karakter van deze misdrijven en hun worteling in levende internationale instrumenten, waardoor ook beter kan worden bewerkstelligd dat de Nederlandse rechter zich bij de interpretatie van de delictsomschrijving oriënteert op het internationale recht.16

Het Statuut van het Strafhof en de interpretatie van daarvan in de uitspraken van het Strafhof spelen daarbij een aanzienlijke rol. Datzelfde geldt voor de Statuten en de rechtspraak van de ad hoc tribunalen – het Joegoslavië tribunaal (hierna ook te noemen: ICTY), het Rwandatribunaal (hierna ook te noemen: ICTR), het Speciale Hof voor Sierra Leone (hierna ook te noemen: SCLC), het Oost-Timortribunaal, het Libanontribunaal en het Cambodjatribunaal – , te meer nu de nationale rechter wordt aangespoord zich voor wat betreft het toepasselijke juridisch kader in belangrijke mate te laten leiden door de rechtspraak van de tribunalen.17

Voor de uitleg en (verdere) ontwikkeling van het internationale humanitair oorlogsrecht vormen voorts de rapporten en commentaren van het Internationaal Rode Kruis (hierna ook te noemen: ICRC)18 o.a. op de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 194919 en de Aanvullend Protocollen I en II van 8 juni 1977 bij die Verdragen20 (hierna respectievelijk: AP I en AP II) een belangrijke rechtsbron.21 In de Verdragen van Genève is de kern van het thans geldende humanitaire oorlogsrecht geformuleerd. De Verdragen verwijzen voor de strafrechtelijke repressie van de expliciet aangeduide grave breaches op de Verdragsbepalingen naar de nationale strafrechtelijke systemen.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat volkenrechtelijk conforme interpretatie kan dienen om a) te voorzien in een leemte die de wetgever heeft gelaten of b) aan een bedoeling van de wetgever gevolg te geven die uit de wetsgeschiedenis kan blijken maar niet expliciet in de wet is vastgelegd. Daarbij past ter kanttekening dat volkenrechtelijke interpretatie niet kan dienen om het oordeel van de rechter in plaats te stellen van die van de wetgever.22 De volkenrechtelijke interpretatie vindt zijn grenzen in de tekst van de wet en de bedoeling van de wetgever.23

Het hof merkt tenslotte op dat, indien en voor zover nodig, alleen geschreven en een ieder verbindende regels van internationaal recht worden betrokken bij de interpretatie van de Nederlandse wet. Het direct afleiden van een concreet strafrechtelijk verwijt uit internationaal gewoonterecht is naar Nederlands recht niet mogelijk.24

Art. 94 van de Grondwet (hierna: GW) staat wel toe strafbepalingen te toetsen aan ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.25

10.2.

Terrorisme

Aan de verdachte zijn in feit 1.A. diverse (onderliggende) strafbare feiten tenlastegelegd, als onderdeel van terroristische misdrijven. Dienaangaande overweegt het hof allereerst als volgt.

10.2.1.

Terrorisme: algemeen

Naar aanleiding van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding26 (hierna: Kaderbesluit), dat de EU-lidstaten onder meer verplicht rechtsmacht voor terroristische handelingen te vestigen en de strafwetgeving ter bestrijding van terrorisme aan te passen, heeft Nederland daaraan uitvoering gegeven door de invoering van de Wet terroristische misdrijven.27 De onder feit 1 ten laste gelegde deelneming aan een (internationale) terroristische organisatie (art. 140a Sr) ziet op de in het Kaderbesluit bedoelde regelgeving. Tezamen en in onderling verband met de artt. 140 (criminele organisatie), 83 (terroristisch misdrijf) en 83a (terroristisch oogmerk) Sr vormt dit de basis om verdachten voor terroristische misdrijven te kunnen vervolgen en bestraffen.

Het hof merkt op dat een (eenduidige) definitie van het begrip ‘terrorisme’ of van ‘terroristisch misdrijf’ in het Wetboek van Strafrecht niet met zoveel woorden is terug te vinden. Het hof zal voor de invulling daarvan, alsmede van de o.a. in de tenlastelegging onder 1.B. verweten deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, al dan niet gepleegd tijdens een (niet) internationaal gewapend conflict, indien en voor zover nodig, aansluiting zoeken bij de invulling van die begrippen in het internationale recht.

Meer in het bijzonder overweegt het hof dat blijkens de geraadpleegde openbare bronnen28 de internationale gemeenschap als gevolg van verschillende factoren, waaronder groeiende onderlinge afhankelijkheid, geworsteld heeft met de kwestie van het terrorisme als een bedreiging van de ordelijke en vreedzame co-existentie tussen subjecten van internationaal recht. De term ‘terrorisme’ met zijn suggestieve karakter heeft in de loop der tijd verschillende connotaties gekregen en is toegepast op verschillende situaties van geweld. In de internationale gemeenschap is lange tijd gedebatteerd over het bestraffen van ‘terrorisme’ (als synoniem voor het begrip ‘terreur’) en in dat verband is getracht om consensus te bereiken over een definitie van dit misdrijf.29 Het hof heeft daarbij geconstateerd dat het belangrijkste twistpunt in het bereiken van een alomvattende consensus over een algemene en universele definitie van het begrip ‘terrorisme’ lange tijd gelegen was in het vaak aangehaalde aforisme volgens welk 'wat voor de één een terrorist is, voor de ander een vrijheidsstrijder is’.

Dit wordt in het juridische en politieke domein vertaald in de behoefte van veel landen dat het begrip terrorisme niet mag bestaan uit gewelddaden in de (beweerdelijk gelegitimeerde) strijd voor zelfbeschikking. Met name zogeheten ‘derdewereldlanden’ hielden lang vast aan hun standpunt dat van het begrip ‘terrorisme’ uitgezonderd moest worden gewelddaden gepleegd door nationale bevrijdingslegers of, meer in het algemeen, ‘vrijheidsstrijders’, dat wil zeggen individuen en groepen die strijden voor hun recht op zelfbeschikking.30

Het hof heeft geconstateerd dat ondanks de in de internationale gemeenschap gevoerde discussie over het bereiken van overeenstemming over de hiervoor bedoelde uitzondering, zoals die met name vanuit de zogeheten ‘derdewereldlanden’ is gevoerd, in de loop der jaren in de internationale gemeenschap toch een algemene opvatting heeft post gevat dat terroristische daden in beginsel ontoelaatbaar zijn en derhalve bestraffing verdienen. Dit heeft sedert de Tweede Wereldoorlog en met name in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw geleid tot verschillende Verdragen die gericht zijn op het expliciet verbieden van specifieke gedragingen van terroristische aard, overigens zonder toevoeging van een algemene definitie of kwalificatie van het begrip ‘terrorisme’.

Ofschoon in de Verdragen van Genève die, zoals hiervoor werd overwogen, de kern van het geldende humanitaire oorlogsrecht bevatten evenmin een algemene (eenduidige) definitie is terug te vinden van het begrip “terrorisme”, bevat art. 33 van het Vierde Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd wel een algemeen verbod van terroristische daden. Art. 33 bepaalt dat “(…) alle maatregelen van vreesaanjaging of terrorisme (toevoeging hof: in relatie tot de beschermde personen als bedoeld in art 4) verboden zijn”.31

Dit verbod wordt ingegeven door de noodzaak om gemeenschappelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de strijdende partijen hun toevlucht zouden nemen tot intimiderende maatregelen om de bevolking te terroriseren.32 Het verbod heeft eveneens betrekking op gewelddadigheden begaan door burgers die vechten naast een van de strijdende partijen, of door burgers of georganiseerde gewapende groepen die strijden tegen een bezettende mogendheid.

Voorts bepaalt art. 4 lid 2 onderdeel d AP II, dat ziet op niet-internationale gewapende conflicten, dat daden van terrorisme, “te allen tijde en op iedere plaats ook” verboden zijn.

Bovendien zijn in beide Aanvullend Protocollen daden van geweld of bedreigingen met geweld waarvan het primaire oogmerk is om terreur te verspreiden onder de burgerbevolking verboden in respectievelijk de art. 51 lid 2 AP I en art. 13 lid 2 AP II.33

Beide bepalingen luiden – nagenoeg in gelijke bewoordingen – als volgt (in de Nederlandse vertaling):

“2. Noch de burgerbevolking als zodanig, noch de afzonderlijke burgers mogen het doelwit van een aanval vormen. Daden van geweld of bedreiging van geweld, waarvan het belangrijkste oogmerk is de burgerbevolking angst aan te jagen, zijn verboden.”

Ofschoon hieruit volgt dat krachtens internationaal humanitair recht terroristische daden verboden en strafbaar zijn zolang die daden zijn gericht tegen burgers, mag hieruit niet worden afgeleid dat terroristische handelingen wel zijn toegestaan indien gericht tegen strijdende partijen bij een gewapend conflict. Het feit dat in de diverse Verdragen daden van terrorisme worden verboden zonder te preciseren dat dergelijke handelingen moeten worden gericht tegen burgers, impliceert dat terroristische daden die gericht zijn tegen burgerdoelen ook verboden en dus strafbaar zijn.34 Ook terreurdaden tegen strijders zijn niet geoorloofd, niet zozeer als oorlogsmisdaden, maar als terroristische misdrijven, meer in het bijzonder indien er sprake was van een specifiek oogmerk om terreur te verspreiden onder de vijandelijke strijders.35

Het was pas in de jaren ’90 van de vorige eeuw dat een duidelijke kentering kan worden geconstateerd, in die zin dat naast een verbod van bepaalde daden van terrorisme, hieraan ook een definitie werd toegevoegd.

Het streven naar overeenstemming over een uniforme definiëring van ‘terrorisme’ kwam duidelijk tot uiting in de Verklaring van de Veiligheidsraad van 9 december 1994 inzake maatregelen tegen de uitbanning van internationaal terrorisme.36 Zoals kan worden afgeleid uit art. 3 van deze verklaring zijn (niet geoorloofde of gerechtvaardigde) terroristische handelingen, handelingen die het oogmerk hebben om een staat van terreur uit te lokken onder de bevolking, een groep personen of bepaalde personen voor politieke doeleinden:

"[3] Criminal acts intended or calculated to provoke a state of terror in the general public, a group of persons for political purposes are in any circumstance unjustifiable, whatever the considerations of a political, philosophical, ideological, racial, ethnic, religious or any other nature that may be invoke to justify them.

Voorts bevat het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme uit 199937 in art. 2 lid 1 onderdeel b een meer specifieke soort “all-inclusive” definiëring van een terroristische handeling als zijnde een gedraging of handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling.

Art. 2 lid 1 onderdeel a verwijst vervolgens naar de verboden en in de bijlage opgenomen gedragingen zoals omschreven in o.a. de hiervoor genoemde Verdragen met daarin individuele categorieën van specifieke (terroristische) daden (zoals kaping, gijzeling, bomaanslag etc.).

Desondanks is de (poging tot) definiëring van terrorisme of terroristische handeling/daad in het Verdrag minder bevredigend omdat zij niet alleen (terug)verwijst naar de door andere Verdragen bestreken activiteiten en daarmee accepteert het feitelijk een ongelijke tenuitvoerlegging tussen de lidstaten, maar de inspanningen vallen voorts buiten wat andere organisaties, zoals de Europese Unie, in dezelfde periode hebben kunnen bereiken (vide art. 1 Kaderbesluit en de verwijzing daarin naar art. 1 lid 3 van het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 27 december 200138). Bovendien laat art. 2 lid 1 de heropening van de kwestie van 'vrijheidsstrijders' tegenover terroristen open.

In lijn met het voornoemde verdrag uit 1999 heeft de Veiligheidsraad op 28 september 2001 een resolutie aangenomen39 waarin (nogmaals) wordt uitgesproken dat iedere daad van internationaal terrorisme een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid inhoudt, en waarin de lidstaten worden verplicht, in willekeurige volgorde, het voorkomen en bestrijden, bevriezen en het criminaliseren van terrorismefinanciering (dat wil zeggen, de bepalingen van het hiervoor aangehaalde Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme uit 1999) te implementeren voor zover die nog niet van kracht zijn. Voorts dienen de lidstaten zich te onthouden van steun aan terroristen, terroristische handelingen en het gebruik van hun grondgebied voor de terroristische activiteiten en mogen zij geen veilige haven bieden voor terroristen. Bovendien zijn staten verplicht om de financiering, planning, voorbereiding, plegen, en de ondersteuning van terrorisme in hun wetgeving strafbaar te stellen, daders van dergelijke handelingen voor de rechter te brengen en om andere staten te helpen bij strafrechtelijke onderzoeken en procedures die verband houden met terrorisme.

In 2004 heeft de VN-veiligheidsraad voorts een nieuwe resolutie aangenomen40, waarin lidstaten worden opgeroepen om terrorisme te bestrijden en wordt herhaald dat, gelet op eerdere resoluties die betrekking hadden op de bedreiging van de internationale vrede en veiligheid veroorzaakt door terrorisme, terroristische handelingen nooit en onder geen enkele omstandigheid zijn te rechtvaardigen (‘are under no circumstances justifiable’). Meer in het bijzonder betreft het strafbare handelingen, waaronder die tegen burgers, gepleegd met het oogmerk (‘intent’) de dood of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken of gijzelaars te nemen, met het doel om een staat van terreur te provoceren/veroorzaken, de bevolking te intimideren of tot het dwingen van de regering of een internationale organisatie om bepaalde handelingen te verrichten of zich te onthouden van die handelingen, welke misdrijven vormen die vallen binnen de werkingssfeer van en zoals gedefinieerd in de internationale verdragen en protocollen inzake terrorisme.

Het hof concludeert dat in zoverre duidelijk is dat er in de internationale gemeenschap een algemene opinio juris is ontstaan dat gewelddadige ‘terroristische’ handelingen ontoelaatbaar zijn en dat ter bestrijding daarvan landen, zo nodig, hun nationale wetgeving moeten aanpassen, hetgeen zoals hiervoor werd overwogen in Nederland tot de invoering van de Wet terroristische misdrijven heeft geleid. Het hof is op basis van de bestudeerde bronnen voorts tot de conclusie gekomen dat er in de internationale gemeenschap een acceptabele en voldoende aanvaardbare definitie van de misdaad van (internationaal) terrorisme bestaat.41

In dit verband wijst het hof op de belangrijke en richtinggevende uitspraak in de zaak Galić, waarin het ICTY voor het eerst een verdachte van terrorisme begaan tijdens een gewapend conflict heeft veroordeeld.42

De Trial Chamber kwam in dit verband tot het oordeel dat 'acts or threats of violence the primary purpose of which is to spread terror' kunnen worden aangemerkt als oorlogsmidaden onder internationaal gewoonterecht.43 Dit werd bevestigd door de Appeals Chamber die, gelet op de opinio juris, eveneens tot het oordeel kwam dat een terroristische daad (in ieder geval sedert 1992) in het internationaal recht valt aan te merken als een oorlogsmisdaad.44

De zaak Galić is in de internationale rechtspraak en literatuur mede bepalend geweest voor de verdere definiëring van terroristische handelingen. Daden van terreur (i.c. begaan tijdens een gewapend conflict, waarop het hof hierna zal ingaan) bevatten een aantal vereisten om als zodanig te worden aangemerkt:

  1. De daden van geweld moeten gericht zijn tegen de burgerbevolking of individuele burgers die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen en die de dood en/of ernstig letsel aan lichaam of gezondheid van de burgerbevolking veroorzaken;

  2. De dader maakt opzettelijk de burgerbevolking of individuele burgers die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen het voorwerp van die gewelddaden, en

  3. Het onderhavige strafbare feit (strafbare feiten onder nationale rechtsstelsels zoals bijvoorbeeld mishandeling, moord, ontvoering, gijzeling, afpersing, bombardementen, martelingen, brandstichtingen etc.) is gepleegd met het primaire doel van het verspreiden van terreur (dat wil zeggen: angst en intimidatie) onder de burgerbevolking.45

Afhankelijk van de categorie van misdaden tot welke de terroristische daad behoort (bijvoorbeeld oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en misdaden van internationaal terrorisme) kan het slachtoffer beschermd worden door internationale wetgeving, bijvoorbeeld de Geneefse Verdragen uit 1949 en de bijbehorende Aanvullende Protocollen.

Zo zijn terroristische daden verboden als oorlogsmisdrijven, waarover hierna meer, indien gepleegd tegen burgers of burgerdoelen. Indien de terroristische daden vallen onder de categorie van misdaden tegen de menselijkheid, waarover hierna, zijn ze gewoonlijk verboden indien gericht tegen burgers en, tenslotte, wanneer terreurdaden kunnen worden aangemerkt als internationale misdrijven van terrorisme, zijn ze verboden ongeacht hun doel.

10.2.2.

Tussenconclusie ten aanzien van het begrip terrorisme

Op basis van het vorenstaande concludeert het hof dat over de inhoud van de term ‘terrorisme’ voor vormen van (politieke) geweldshandelingen jegens burgers en de overheid in de internationale gemeenschap geen volledige overeenstemming bestaat. Het hof constateert voorts dat in alle hiervoor aangehaalde definities van het concept terrorisme of terroristische (mis)daad het element (dreigen met) geweld is opgenomen en dat in (nagenoeg) alle definities een politiek element (motief of doel) wordt genoemd, met als alternatief voor laatstgenoemd doel economische, sociale, religieuze, of ideologische doeleinden. Voorts wordt in nagenoeg alle definities benadrukt dat het veroorzaken van angst in een wijdere kring dan alleen die van de slachtoffers van een aanslag of het beïnvloeden van het algemene publiek een ander wezenlijk element van terrorisme inhouden.

Gelet erop dat deze elementen steeds terug keren, is het hof van oordeel dat zij daarmee de wezenskenmerken van het fenomeen ‘terrorisme’ weergeven.46 In een enkel geval worden eisen gesteld aan de hoedanigheid van slachtoffers (burgers, niet militairen) of is vereist dat sprake is van het dwingen of intimideren van een persoon (of groep), een regering, een organisatie of een samenleving.

10.2.3.

Terrorisme in Europa

Voor antwoord op de vraag wanneer in de onderhavige zaak in juridische zin van een terroristisch misdrijf sprake is, zal het hof thans meer in het bijzonder ingaan op de hiervoor van belang zijnde Europese regelgeving die het gevolg is van internationale inspanningen om terrorisme te beteugelen en meer concreet heeft geleid tot het in deze strafzaak van belang zijnde eerdergenoemde Kaderbesluit terrorismebestrijding.

Ook op Europees niveau zijn er inspanningen geweest om te komen tot een algemeen verbod op terrorisme, zoals o.a. blijkt uit het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme uit 197747, ofschoon ook in dit Verdrag (nog) geen bevredigende algemene definitie van het begrip ‘terrorisme’ terug te vinden is. In dit Verdrag wordt, kort gezegd, bepaald dat strafbare feiten van terroristische aard niet kunnen worden beschouwd als een politiek delict of als een met een politiek delict samenhangend feit of als een feit ingegeven door politieke motieven. In de verklaring van La Gomera van de Raad van de Europese Unie van 14 oktober 1995 wordt terrorisme veroordeeld als een gevaar voor de democratie, de vrije uitoefening van de mensenrechten en de economische en sociale ontwikkeling van de Europese Unie.48 Dit sluit aan bij de eerder aangehaalde Verdragsteksten van de Verenigde Naties.

De aanslagen van 11 september 2001 in New York, Washington (DC) en Pennsylvania hebben ertoe geleid dat in internationaal en nationaal verband onder andere is nagegaan of het strafrecht voldoende was toegesneden op de bestrijding van terrorisme. In het verband van de Europese Unie is het Kaderbesluit vastgesteld. Het Kaderbesluit strekt ertoe, kort en zakelijk weergegeven, de omschrijving van terroristische misdrijven in alle lidstaten op elkaar af te stemmen door de vaststelling van een specifieke en gemeenschappelijke definitie. Blijkens de preambule bij het Kaderbesluit wordt terrorisme beschouwd als een ernstige schending van de universele waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit, eerbiediging van de mensenrechten en van de fundamentele vrijheden. Naast het Kaderbesluit inzake terrorisme is, in ieder geval, ook het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme van belang.49 Hierin worden lidstaten aangespoord tot inspanningen om terrorisme (en de gevolgen daarvan) te voorkomen door het strafbaar stellen van gedrag dat kan leiden tot terroristische misdrijven, zoals het werven en trainen voor terrorisme, door het versterken van de samenwerking op het gebied van preventie en door de ontwikkeling van een nationaal en internationaal preventiebeleid.

10.2.3.1. Het Kaderbesluit terrorismebestrijding

Ingevolge art. 1 Kaderbesluit worden strafbare gedragingen aangemerkt als ‘terroristische misdrijven’ wanneer de dader deze feiten pleegt met het oogmerk om:

  1. de bevolking ernstig vrees aan te jagen, of

  2. de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, dan wel

  3. de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Het betreft hier een subjectief element. Het andere, objectieve, element van terrorisme als bedoeld in art. 1 Kaderbesluit heeft betrekking op de in art. 1 onderdelen a tot en met i genoemde (ernstige) criminele gedragingen, zoals het plegen van een (dodelijke) aanslag op het leven, het toebrengen lichamelijk letsel, ontvoering of gijzeling, afpersing, vernieling, kaping etc.

Art. 2 lid 2 Kaderbesluit bepaalt voorts, voor zover hier relevant, als volgt:

“Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om de hierna volgende opzettelijke gedragingen strafbaar te stellen:

a) het leiden van een terroristische groep;

b) het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep, waaronder het verstrekken van gegevens of middelen aan de groep of het in enigerlei vorm financieren van de activiteiten van de groep, wetende dat deze deelneming bijdraagt aan de criminele activiteiten van de groep.”

Art. 2 verplicht ertoe straf te stellen op het leiden van en het deelnemen aan een terroristische groepering. Van deelneming is slechts sprake indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk tot het plegen van deze misdrijven, waarbij de betrokkene wetenschap moet hebben van dat oogmerk.50

In het Kaderbesluit wordt een terroristische groep omschreven als een sinds enige tijd bestaande gestructureerde vereniging van tenminste twee personen, die in overleg optreden, en worden het leiden van een terroristische groep en de deelname aan activiteiten van een dergelijke groep beschouwd als strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten (art. 2 lid 1). Het gaat daarbij om deelneming in feitelijke zin aan een gestructureerd samenwerkingsverband.51 De organisatie behoeft niet een louter misdadig hoofddoelstelling te hebben, zij kan ook – mede – een legaal doel hebben.52

10.2.3.2. Preambule overweging 11 van het Kaderbesluit

Blijkens overweging 11 van de preambule, is het Kaderbesluit niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch is het van toepassing op de handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voor zover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht.

Uit de omschrijving valt zonder meer op te maken dat de Raad van de Europese Unie er niet voor heeft gekozen een ‘gewapend conflict’ te definiëren, maar heeft (willen) volstaan met een verwijzing naar het gehele internationaal humanitair recht. Ook in de op basis van het Kaderbesluit tot stand gekomen wetgeving – meer in het bijzonder de meergenoemde artt. 83, 83a en 140a Sr – wordt het begrip ‘gewapend conflict’ niet genoemd.

Het hof zal, mede aan de hand van de standpunten van partijen, onderzoeken in hoeverre van de uitzonderingssituatie als bedoeld in overweging 11 van de preambule bij het Kaderbesluit sprake is.

Daartoe zal het begrip ‘gewapend conflict’ en de aard daarvan zoals gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht worden besproken. Voor de invulling hiervan heeft het hof – mede – aansluiting gezocht bij het toepasselijke recht, meer in het bijzonder de wetten en gebruiken van de oorlog, zoals ook (mede) aangehaald in zijn eerdere uitspraak hierover in de zaak Mpambara53 en daarin genoemde literatuur en uitspraken van de internationale ad hoc tribunalen.

Het hof merkt voorts op dat in het ten laste gelegde onder feit 1.B. onder sub b. impliciet wordt verwezen naar het delictsbestanddeel ‘oorlogsmisdrijven in een niet-internationaal gewapend conflict’. Ook in dit kader is het relevant om het begrip ‘gewapend conflict’ en de aard daarvan te bespreken.

10.2.3.3. Terrorismelijst

Het hof stelt voorts vast dat op 27 december 2001 door de Raad van de Europese Unie een Verordening is vastgesteld inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (hierna: de Verordening).54 Deze verordening betreft het nemen van maatregelen om te verbieden dat tegoeden en andere financiële of economische middelen aan bepaalde personen en entiteiten ter beschikking worden gesteld en om te verbieden dat financiële of andere verwante diensten aan deze personen worden verleend (overweging 4 van de Verordening).

In art. 2 van de Verordening is de lijst opgenomen van personen van personen en entiteiten jegens welke dergelijke maatregelen worden genomen. Artikel 2 lid 3 van de Verordening luidt – voor zover hier relevant – als volgt (in de Nederlandse vertaling):

“De Raad stelt de lijst vast van personen, groepen en entiteiten waarop deze verordening van toepassing is, en evalueert en wijzigt deze eenparigheid van stemmen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 1, leden 4, 5 en 6 van het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB.

Deze lijst behelst:

  1. (…);

  2. Rechtspersonen, groepen of entiteiten die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken;

  3. Rechtspersonen, groepen of entiteiten die eigendom zijn van en gecontroleerd worden door een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i) en ii);

  4. Natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten die optreden namens of in opdracht van een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i) en ii).”

10.3.

Terrorismewetgeving in Nederland: de Wet terroristische misdrijven

Voor Nederland geeft de Wet terroristische misdrijven55 uitvoering aan het Kaderbesluit. Nederland heeft art. 3 Kaderbesluit uitgevoerd door specifieke bepalingen (gekwalificeerde diefstal, afpersing en valselijk opmaken documenten) vast te stellen die feiten met betrekking tot terroristische misdrijven strafbaar stellen.56 Dit heeft onder andere geleid tot de invoering van art. 83 (terroristisch misdrijf), art. 83a (terroristisch oogmerk) en art. 140a (deelneming aan een terroristische organisatie) Sr. De regering heeft hiermee een zo effectief mogelijke bestraffing en bestrijding van terrorisme mogelijk willen maken.

De kern van de Wet terroristische misdrijven wordt gevormd door de artt. 83 en 83a Sr.

Art. 83 Sr bepaalt en benoemt welke misdrijven als terroristische misdrijven moeten worden beschouwd, te weten elk van de misdrijven die (limitatief) in art. 83 Sr zijn opgenomen, waarbij kenmerkend voor die misdrijven is het in art. 83a Sr, overeenkomstig art. 1 Kaderbesluit, omschreven oogmerk, zijnde:

het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land vrees aan te jagen danwel een overheid of internationale organisatie te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, danwel de politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”.

Art. 83a Sr57 geeft een omschrijving van terroristisch oogmerk, ook in relatie tot een aantal andere in de wet genoemde strafbare gedragingen en fungeert als zodanig als strafverzwarende omstandigheid. Er is in beginsel slechts sprake van een terroristisch misdrijf indien het misdrijf is gepleegd met een terroristisch oogmerk.

Art. 83b Sr58 bevat voorts een definitiebepaling waarin de strafverzwarende omstandigheid van een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf is opgenomen.

De omschrijving van terroristisch oogmerk van art. 83a Sr, zoals dat tevens is ontleend aan het Kaderbesluit, (deels) ontleend aan art. 2 lid 1 onder b van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme59, alsmede, op onderdelen, het ontwerp van een alomvattend VN-Verdrag tegen terrorisme.60 De terminologie terroristisch oogmerk wordt gebruikt bij een aantal reeds langer bestaande misdrijven en fungeert daar als strafverzwarende omstandigheid. Zie de artt. 282b, 282c, 288a, 304a, 304b, 415a en 415b Sr.

Art. 2 lid 1 onder b van het Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme luidt als volgt:

1. Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon met enig middel, rechtstreeks of onrechtstreeks, wederrechtelijk en opzettelijk fondsen verstrekt of vergaart met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden ter uitvoering van:

(…)

b. enige andere gedraging/handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling.”

Blijkens de wetsgeschiedenis is, in tegenstelling tot het Verdrag, in de redactie van art. 83a Sr gekozen voor de term ‘vrees aanjagen’, om hiermee tot uitdrukking te brengen dat niet is vereist dat het aanjagen van vrees moet hebben geleid tot het daadwerkelijk geïntimideerd zijn van de bevolking.61 Voorts sluit de intentie van het ‘dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden’ aan bij de omschrijving van ‘dwang’ als bedoeld in art. 284 Sr.

Het hof merkt op dat, ofschoon art. 83 Sr anders zou kunnen worden gelezen (“onder terroristisch misdrijf wordt verstaan”) dit artikel geen definitie van het begrip terroristisch misdrijf geeft.

Zoals hiervoor werd overwogen bevat art. 83 Sr ‘slechts’ een limitatieve opsomming van terroristische misdrijven. Tot deze misdrijven behoort een aantal gevallen van samenspanning tot en voorbereiding van bepaalde terroristische misdrijven. Onder de in art. 83 onder 3° Sr genoemde terroristische misdrijven valt ook het deelnemen aan en/of het leiden van een organisatie die het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Dit betreft een verwijzing naar art. 140a Sr (terroristische organisatie).

Wel is zoveel duidelijk dat beide strafbepalingen, die zowel een objectief element (de strafbare gedragingen als bedoeld in art. 83 Sr) als een subjectief element (het oogmerk in art. 83a Sr) bevatten, tezamen en in onderling verband gelezen dienen te worden. De aldus als terroristische misdrijven aan te merken strafbare gedragingen, waaronder ook de deelneming aan een terroristische organisatie (art. 140a Sr) en de bedreiging met een terroristisch misdrijf (art. 285 lid 3 Sr), vormen in Nederland de basis voor vervolging (en bestraffing) van misdrijven van terreur.

10.4.

Gewapend conflict

Zowel voor overweging 11 van de preambule van het Kaderbesluit, als voor het onder feit 1.B. onderdeel b. van de tenlastelegging voorkomende oorlogsmisdrijf van de rekrutering van kindsoldaten, als ook voor het door de verdediging gevoerde verweer dat de LTTE een recht had om oorlog te voeren, is het nodig om niet alleen vast te stellen dat er op Sri Lanka sprake was van een gewapend conflict, maar ook wat de aard van dit conflict was, te weten nationaal (intern) dan wel internationaal.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof stelt voorop dat het bestaan van een situatie van gewapend conflict een vereiste is voor de toepasbaarheid en inwerkingtreding van het internationaal humanitair recht. Het internationaal humanitair recht bestaat uit een reeks van verdragen en bepalingen die er, kort gezegd, primair op gericht zijn om personen die niet of niet meer deelnemen aan een gewapend conflict te beschermen. Daarnaast moet het middelen en methodes van oorlogsvoering beperken en aan regels onderwerpen, met als grondslag het idee dat er (ook) tijdens een gewapend conflict geen staat van wetteloosheid is.

Blijkens o.a. de wetsgeschiedenis van de WIM is de term humanitair (oorlogs)recht synoniem aan de term 'recht inzake gewapende conflicten'62. Hiermee wordt bedoeld het gehele gamma aan verdragen, regelingen, gewoonterecht en overige normen van internationaal recht waarmee waarborgen worden gecreëerd voor de bescherming van de slachtoffers van gewapende conflicten.63 Consequentie hiervan is dat de nationale rechter, ook in het onderhavige geval, met het oog op een wenselijke (en misschien zelfs verplichte) volkenrechtconforme uitleg, dikwijls zal moeten terugkeren naar de internationaalrechtelijke bron64 en aldus, zo nodig, geacht wordt het internationaal gevormde recht toe te passen. Hierbij past de kanttekening dat het direct afleiden van een concreet strafrechtelijk verwijt uit het internationaal gewoonterecht naar Nederlands recht niet mogelijk is.

De Verdragen van Genève uit 1949, noch de beide Aanvullende Protocollen bij die verdragen voorzien in een definitie van wat een gewapend conflict vormt. Dit verdragsstelsel, althans het overgrote deel van de bepalingen van die verdragen, inclusief het gemeenschappelijk art. 3 bij de Geneefse Verdragen, geldt anderzijds als de juridisch relevante neerslag van het internationale gewoonterecht (customary law) tijdens een gewapend conflict, onafhankelijk van het feit of de betrokken partijen de desbetreffende verdragen daadwerkelijk hebben aangenomen.65Het ICRC commentaar suggereert in dit verband dat “any difference between two States and leading to the intervention of members of the armed forces is an armed conflict”.66

Zoals het hof eerder in zijn arrest in de zaak Mpambara heeft overwogen is er ingevolge de vaste jurisprudentie van de internationale ad hoc tribunalen sprake van een ‘gewapend conflict’ wanneer er toevlucht wordt genomen tot gewapend geweld tussen staten of wanneer er sprake is van langdurig gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen binnen een staat.67 In deze uitleg wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds internationaal gewapende conflicten (gewapend geweld tussen twee of meer staten) en anderzijds de niet-internationaal (intern) gewapende conflicten (gewapend geweld tussen strijdkrachten van een staat en dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen binnen de staat).68 Of van een gewapend conflict in een concrete strafzaak sprake is, is een feitelijke vaststelling.

Voor zover het de toepassing van de wetten en gebruiken van de oorlog betreft, strekt de temporele en de geografische reikwijdte van zowel de internationale als de niet-internationaal gewapende conflicten zich verder uit dan de exacte tijd en plaats van de vijandelijkheden.69

Zo is voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een gewapend conflict, niet doorslaggevend dat wordt vastgesteld dat er een gewapend conflict is ‘op iedere vierkante centimeter van het gebied’ waar zich de militaire activiteiten afspelen. In de zaak Kunarac heeft de Appeal Chamber van het ICTY het aldus overwogen:

“The state of armed conflict is not limited to the areas of actual military combat but exists across the entire territory under the control of the warring parties.” 70

Met andere woorden: zodra er is vastgesteld dat de verweten gewelddadige gedragingen hebben plaatsgevonden binnen het grondgebied waarover één van de strijdende partijen bij het conflict controle heeft (gehad), zullen de wetten en gebruiken van de oorlog in principe gelden (en daarmee het internationaal humanitair recht van toepassing zijn) voor het gehele grondgebied van de strijdende partijen, ongeacht of er op dat moment en op die plaats feitelijke gevechtshandelingen plaatsvonden. Deze wetten en gebruiken van oorlog blijven in dat geval van toepassing tot een algemene vredesregeling is bereikt, of in het geval van interne gewapende conflicten, tot een vreedzame oplossing is bereikt.71

Bij de feitelijke vaststelling voor het bestaan van een gewapend conflict is, naast de aard en de omvang van de vijandelijkheden alsmede de doelstelling en de grondslag daarvan, ook de mate van intensiteit van de vijandelijkheden een van belang zijnde factor.

Beoordeling van de vraag of de vijandelijkheden van voldoende intensiteit zijn om te kunnen spreken van een gewapend conflict is niet afhankelijk van de subjectieve beoordeling en evaluatie van de partijen van het conflict, maar van het objectieve en feitelijke niveau van het geweld dat wordt gebruikt in de confrontatie tussen de strijdende partijen:

“The ascertainment of the intensity of a non-international conflict does not depend on the subjective judgment of the parties in the conflict. […] If the application of international humanitarian law depended solely on the discretionary judgment of the parties to the conflict, in most cases there would be a tendency for the conflict to be minimized by the parties thereto.” 72

Voorts moeten de bij het conflict betrokken partijen een minimale graad van organisatie en samenhang hebben die hen als zodanig in staat stellen om militaire operaties te plannen en uit te voeren en discipline op te leggen binnen hun gelederen.73 In het bijzonder moeten de troepen in alle gevallen onder verantwoordelijk bevel staan en in staat zijn om aan de minimale normen van het humanitair recht te voldoen:

“An armed conflict is distinguished from internal disturbances by the level of intensity of the conflict and the degree of organization of the parties to the conflict”.74

10.4.1.

Het oordeel van het hof

Het hof is met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat in de ten laste gelegde periode op het grondgebied van Sri Lanka sprake was van een gewapend conflict in vorenbedoelde zin, tussen enerzijds de strijdkrachten van de Sri Lankaanse regering en anderzijds de strijdkrachten van de LTTE.

De vervolgvraag hoe dit conflict moet worden gekwalificeerd, met andere woorden: wat was de aard van het gewapend conflict, internationaal dan wel niet-internationaal (intern) en meer in het bijzonder de daaraan te verbinden gevolgen, houdt partijen evenwel verdeeld.

10.4.2.

Aard van het gewapend conflict: internationaal of niet-internationaal

10.4.2.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld, verkort en zakelijk weergegeven, dat er in de ten laste gelegde periode op Sri Lanka sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict. Het openbaar ministerie heeft er verder op gewezen dat art. 1 lid 4 AP I beperkt is tot gewapende conflicten tegen een verdragspartij. Nu Sri Lanka geen partij is bij AP I kan de LTTE daarop geen beroep doen. Voorts heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat de LTTE evenmin partij is in de zin van AP I, omdat het structureel het oorlogsrecht schond. Tenslotte heeft het openbaar ministerie betwist dat er in casu sprake is van een racistisch regime in als bedoeld in art. 1 lid 4 AP I.

10.4.2.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld, verkort en zakelijk weergegeven, dat er op Sri Lanka sprake was van een internationaal gewapend conflict. De verdediging heeft daartoe aangevoerd, kort gezegd, dat in de periode 1987-1990 (elders spreekt de verdediging in dit verband over de periode 1983-2002) in ieder geval twee Staten (met hun gewapende strijdkrachten) bij het gewapend conflict op Sri Lanka betrokken waren, te weten Sri Lanka en India. De Indian Peacekeeping Forces (IPKF), die in 1987 op Sri Lanka zijn ingezet om een ‘staakt het vuren’ te verkrijgen, zijn immers betrokken geraakt bij gevechten tegen de LTTE in het noorden van Sri Lanka en opereerden vanaf dat moment niet langer als vredesmacht. Dit leidt er volgens de verdediging toe dat India als Staat bij het gewapend conflict op Sri Lanka betrokken was en het conflict in de periode 1983-2002 en ook daarna, althans zo begrijpt het hof, een internationaal karakter droeg.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat indien het hof van oordeel is dat er evenwel geen sprake is van een internationaal gewapend conflict, het internationaal humanitair recht desalniettemin in zijn volle omvang van toepassing is, gelet op het “mixed character” van het conflict dat in ieder geval uitstijgt boven een louter intern conflict. Dit leidt er volgens de verdediging toe dat het Nederlandse commune strafrecht niet of althans niet zonder meer van toepassing is.

Door de verdediging is tenslotte betoogd, althans zo begrijpt het hof, dat het conflict op Sri Lanka moet worden aangemerkt als een de jure internationaal gewapend conflict in de zin van art. 1 lid 4 AP I, nu het conflict moet worden aangemerkt als een strijd om zelfbeschikking tegen een racistische Sri Lankaanse overheid. De verdediging beroept zich voorts op een door de LTTE aan de VN en het Rode Kruis verstuurde acceptatieverklaring als bedoeld in art. 96 lid 3 AP I.

10.4.2.3. Het oordeel van het hof

Het hof stelt het volgende voorop.

Zoals uit het voorgaande volgt maakt het internationaal humanitair recht een fundamenteel onderscheid tussen beschermingsregels voor enerzijds internationaal gewapende conflicten (gewapend geweld tussen twee of meer staten) en anderzijds niet-internationaal (intern) gewapende conflicten (gewapend geweld tussen strijdkrachten van een staat en dissidente strijdkrachten van een staat of andere georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen binnen een staat). De bepalingen van de Verdragen van Genève van 1949 zijn in hun volle omvang van toepassing op internationaal gewapende conflicten en, voor een beperkt onderdeel, op niet-internationale (interne of binnenlands gerichte) conflicten. Bovendien zijn zij van toepassing in geval van bezetting van een staat, zowel geheel als gedeeltelijk, zelfs wanneer deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet. De Geneefse Verdragen van 1949 bevatten tevens een gemeenschappelijk art. 3, betreffende de zogeheten ‘grave breaches’, dat niet-internationale gewapende conflicten betreft. Belangrijk onderdeel van dit artikel is dat het onder andere expliciet martelen, onmenselijke behandeling en oneerlijke processen verbiedt. Het kan gezien worden als een soort 'mini' verdrag, binnen de genoemde verdragen.

In 1977 werden de vier Geneefse Verdragen aangevuld met twee Aanvullende Protocollen. Beiden protocollen versterkten de bescherming van slachtoffers van gewapende conflicten. AP I betreft een herbevestiging van de Geneefse Verdragen ten aanzien van internationale conflicten, maar geeft ook aanvullingen en ophelderingen om zo de ontwikkelingen die sinds 1949 plaats vonden te onderschrijven. Het AP II heeft betrekking op niet-internationale conflicten. Sri Lanka heeft zowel AP I als AP II niet heeft geratificeerd en is derhalve hierbij geen Verdragsluitende partij.

10.4.2.3.1. Internationaal gewapend conflict

De vier Verdragen van Genève van 1949, die primair zien op de bescherming van slachtoffers van gewapende conflicten, stellen dat de toepasbaarheid van het internationaal humanitair recht afhankelijk is van de feitelijke situatie. Het gemeenschappelijk art. 2 van die Verdragen stelt in dit verband dat het internationaal humanitair recht toepasbaar is ingeval:

“(…) een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend.”75

Dit artikel bakent internationaal gewapende conflicten af. Een internationaal gewapend conflict betreft derhalve een conflict tussen twee of meer staten.76 Met andere woorden: elk dispuut tussen twee staten dat leidt tot de interventie van de strijdkrachten van die staten is een internationaal conflict.77 Het is daarbij niet van belang dat de betrokken staten elkaar erkennen (vide art. 13 lid 1 van Genève I en art. 43 lid 1 AP I). Anders dan bij een intern gewapend conflict zijn ook de intensiteit en de duur van het conflict niet doorslaggevend, net zo min als het aantal slachtoffers.78

10.4.2.3.2. Niet-internationaal gewapend conflict

Zoals uit het vorenstaande volgt kan een niet-internationaal (intern) conflict, ook wel aangeduid als een conflict met een niet-internationaal karakter, op meer traditionele manier worden gedefinieerd als het gebruik van langdurig gewapend geweld binnen de grenzen van een staat tussen strijdkrachten van die staat en dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen onderling.79 De toepasselijke regels in dergelijke conflicten werd lang beschouwd als een zuiver interne aangelegenheid voor de betrokken staten die bij een dergelijk conflict op eigen bodem waren betrokken.

Gemeenschappelijk art. 3 van de Verdragen van Genève omschreef, voor de eerste keer, bepaalde fundamentele principes die in een niet-internationaal conflict dienen te worden gerespecteerd, maar wist anderzijds een niet-internationaal gewapend conflict evenmin te definiëren. Gemeenschappelijk art. 3 bevat minimum-gedragsnormen ten aanzien van de (menswaardige) bejegening van “personen dien niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen”, waaraan de strijdende partijen zich dienen te houden.80 Deze bepaling verbiedt uitdrukkelijk een aantal flagrante en ernstige schendingen (‘grave breaches’) van de menselijke waardigheid, zoals o.a. moord, (ernstige) mishandelingen, vernederingen en onterende handelingen en gijzeling. Uit de (vaste) jurisprudentie van de internationale tribunalen blijkt dat gemeenschappelijk art. 3 de status heeft van internationaal gewoonterecht.81

Art. 1 AP II betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale conflicten voorzag (gedeeltelijk) in het ontbreken van een definitie van wat een niet-internationaal gewapend conflict inhoudt, door dit te definiëren als een conflict dat plaatsvindt op het grondgebied van een staat tussen de strijdkrachten van die staat en dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen die, onder verantwoordelijk bevel, een zodanige controle uitoefenen over een deel van het grondgebied dat die hen in staat stelt om aanhoudende en samenhangende militaire operaties uit te voeren en het toepasselijke internationale recht in dit soort conflicten te implementeren.

Doelstelling van het AP II is de (verdere) verbetering van de bescherming van de burgers en anderen die niet (meer) deelnemen aan de gewapende strijd. In een militaire context is het verboden om tijdens een gewapend conflict terrorisme of terreur te gebruiken als daad van geweld of bedreiging van geweld, waarvan het belangrijkste oogmerk is de burgerbevolking angst aan te jagen. Om de bescherming van het AP II te kunnen inroepen, moet het conflict een zekere intensiteit hebben bereikt. Voorts vallen interne ongeregeldheden en rellen niet onder het bereik van het Protocol. Bovendien is dit Protocol enkel toepasbaar in niet-internationale conflicten tussen het reguliere leger en dissidente groeperingen die een zekere vorm van organisatie beschikken om de bepalingen van het Verdrag te kunnen naleven.

De Appeals Chamber in de zaak Galić was van oordeel dat het verbod van terreur tegen de burgerbevolking, zoals neergelegd in art. 13 lid 2 AP II (alsmede overigens in art. 51 AP I) behoorde tot het internationaal gewoonterecht van ten minste het moment van de opname ervan in die verdragen82 en dat ook in het internationaal gewoonterecht individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid is gevestigd voor de misdaad van terreur tegen de burgerbevolking, zoals neergelegd in vorengenoemde verdragsbepalingen.83

Teneinde het bestaan van een niet-internationaal gewapend conflict te (kunnen) bepalen (waarmee ook een onderscheid te maken is tussen interne onlusten en interne (gewapende) conflicten) hebben de ad hoc tribunalen, alsmede het Internationaal Strafhof, in het bijzonder gelet op het georganiseerde karakter van de strijdende (dissidente) groepen en op de duur en intensiteit van het gewapend geweld tussen dergelijke groepen of tussen gouvernementele overheden en een rebellengroep.84 Bij de beoordeling van de hier eveneens van belang zijnde duur en intensiteit van het conflict is door de tribunalen gekeken naar verschillende factoren zoals: de ernst van de aanvallen en de herhaling ervan, de verspreiding van het gewapend conflict over het grondgebied van de betrokken staat, de mate waarin de verschillende partijen in staat waren om te werken vanuit een territorium dat onder hun controle stond, de toename van het aantal regeringstroepen, de mobilisatie van vrijwilligers en de verspreiding van wapens tussen beide partijen in het conflict, evenals de vraag of het conflict de aandacht had van de VN-Veiligheidsraad en of er over het desbetreffende conflict VN-resoluties zijn aangenomen.85

In geval van een niet-internationaal gewapend conflict hoeven geen van de bij het conflict betrokken partijen overigens de legitieme autoriteiten te vertegenwoordigen. Evenmin is het noodzakelijk dat een van de partijen bij het conflict de controle uitoefent over een (aanzienlijk) deel van een grondgebied, ofschoon dit feit relevant zou kunnen zijn voor de vaststelling dat de vijandelijkheden inderdaad meer zijn dan louter banditisme of opstand. Gevallen van banditisme, ongeorganiseerde en kortstondige opstand en/of terroristische activiteiten zijn immers niet onderworpen aan het internationaal humanitair recht (art. 1 lid 2 AP II).86

In de wetsgeschiedenis van de WIM is over het bestaan van een gewapend conflict en de aard daarvan voorts nog het volgende opgemerkt:

“Het vaststellen van het bestaan van een gewapend conflict vereist een analyse van de feitelijke situatie, gebaseerd op de aard en omvang van de gevechtshandelingen, de doelstelling daarvan, alsmede de grondslag waarop de handelingen worden verricht. (…)

Deze analyse is moeilijker te maken in geval van een niet-internationaal gewapend conflict. Het zou immers onwenselijk zijn indien personen die het oneens zijn met hun regering, handelingen die geoorloofd zijn als oorlogsdaad, maar strafbaar onder het recht dat van toepassing is onder normale omstandigheden, door het uiten van al dan niet ideologische doelstellingen buiten het bereik van het toepasselijke strafrecht kunnen brengen.

Omgekeerd zou het evenzo onwenselijk zijn indien een staat door het ontkennen van een gewapend conflict zich niet belemmerd zou hoeven te voelen door de toepasselijke regels van het humanitair oorlogsrecht in het bestrijden van de tegenpartij in een burgeroorlog. Protocol II en het Statuut van het Internationaal Strafhof bevatten dan ook enige aanknopingspunten voor de afweging en beoordeling of een situatie een niet-internationaal gewapend conflict is.”87

Voorts wordt in de Memorie van Toelichting opgemerkt dat al dan niet gewapende handelingen van groeperingen in het kader van bijvoorbeeld de (georganiseerde) misdaad niet snel te kwalificeren zullen zijn als een niet-internationaal gewapend conflict, zij het dat een en ander afhankelijk is van de doelstellingen van de groeperingen. Legitieme gevechtshandelingen van vrijheidsstrijders in het kader van het recht op zelfbeschikking kunnen daarentegen wel aanleiding geven tot een dergelijke kwalificatie.88

10.4.2.3.3. Aard van het conflict op Sri Lanka

Het hof stelt voorop dat, wat er verder van het primaire – niet overal even inzichtelijke – standpunt van de verdediging ten aanzien van het karakter van het gewapend conflict op Sri Lanka en de rechtsgevolgen zij, allereerst vastgesteld moet worden dat de tenlastelegging ziet op de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010.

De verdediging adstrueert haar standpunt dat het conflict op Sri Lanka moet worden aangemerkt als een internationaal gewapend conflict op de interventie van de Indiase vredesmacht (IPKF)89 in 1987. Volgens de verdediging waren er vanaf 1987 tot 1990 (elders spreekt de verdediging over de periode van 1983 tot 2002) in ieder geval twee Staten bij het gewapend conflict betrokken, te weten India en Sri Lanka, hetgeen betekent dat het conflict gezien kan worden als een internationaal gewapend conflict, te meer nu de IPKF betrokken raakte in gevechten met de LTTE en daarmee partij werd in het conflict.

Nu de tenlastelegging ziet op de periode die hierna ligt, snijdt het verweer van de verdediging reeds hierom geen hout.

Voor zover de verdediging voorts heeft willen betogen dat het gewapend conflict op Sri Lanka tot 2002 aangemerkt moet worden als een internationaal gewapend conflict en dat het daarbij behorende rechtsregime heeft doorgewerkt na 2002, gelet op India’s betrokkenheid bij Sri Lanka, die voortduurt tot de dag van vandaag, waardoor ook de ten laste gelegde periode wordt bestreken, gaat het hof ook hieraan voorbij en overweegt daartoe als volgt.

Zoals hiervoor werd overwogen wordt een internationaal gewapend conflict primair daardoor gekenmerkt dat het conflict zich tussen soevereine staten voordoet (gemeenschappelijk art. 2 van vier Geneefse Verdragen).

Echter, een gewapend conflict dat op het eerste gezicht een niet-internationaal gewapend conflict lijkt te zijn, kan niettemin zijn onderworpen aan de wetten van een internationaal gewapend conflict wanneer een andere staat met zijn troepen ingrijpt in dit conflict.90 De partij aan wier kant de derde staat ingrijpt zal uiteindelijk bepalend zijn bij het identificeren van de toepasselijke wetgeving. Er worden in het internationale recht twee belangrijke benaderingen onderscheiden voor de impact van de interventie door middel van troepen op de karakterisering van een gewapend conflict.91

De eerste benadering houdt in dat het conflict moet worden opgesplitst in de samenstellende delen, waarbij de interventie door een externe staat (bijvoorbeeld India) aan de kant van regeringstroepen het conflict niet transformeert in een internationaal gewapend conflict, omdat in dat geval de gevechten blijven plaatsvinden tussen een staat en een niet-statelijke gewapende groep, in casu bijvoorbeeld de LTTE.92 Wanneer daarentegen een andere staat (bijvoorbeeld India) ingrijpt aan de zijde van een gewapende groep (bijvoorbeeld de LTTE), dan spelen de gevechten zich af tussen de regeringstroepen en de buitenlandse interveniërende staat en is het gewapend conflict vanaf dat moment onderworpen aan de regels die van toepassing zijn bij een internationaal gewapend conflict, terwijl de gevechten die ontstaan tussen de regeringstroepen en de niet-statelijke gewapende groep onderworpen blijven aan het rechtsregime van niet-internationaal gewapend conflict.

In de tweede benadering die wordt onderscheiden geldt dat de interventie van de kant van de troepen van een buitenlandse staat maakt dat het gehele gewapende conflict een internationaal karakter krijgt, ongeacht de zijde waar de interveniërende staat ingrijpt.93

Blijkens de jurisprudentie van het ICTY zijn de aard en het niveau van de deelname van de buitenlandse troepen aan het gewapend conflict bepalend om het karakter van het conflict te identificeren. In de zaak Rajić heeft de Trial Chamber geoordeeld dat ‘the significant and continuous military action’ van de interveniërende buitenlandse troepen voldoende was om het gewapende conflict te internationaliseren.94 Ook andere factoren dienen te worden betrokken bij de beoordeling van de (gewijzigde) aard van het conflict na interventie van een andere staat, zoals de omvang en duur van een buitenlandse militaire interventie, de rechtstreekse deelname van de buitenlandse staat aan de vijandelijkheden, de aard van de staat en de bij het conflict betrokken politieke entiteiten en hun erkenning door andere staten.95

Uit de stukken is gebleken dat India haar vredesmacht IPKF heeft teruggetrokken, welke terugtrekking in maart 1990 is afgerond.96 Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit blijkt van enige (substantiële) militaire of anderszins oorlogsrechtelijk relevante rol van India in het gewapend conflict op Sri Lanka na maart 1990, zodat het standpunt van de verdediging op dit punt eveneens faalt. Hetzelfde heeft te gelden voor de stelling dat ook Japan ‘in een bepaalde vorm’ bij het conflict betrokken was. Het kennelijke feit dat het conflict de aandacht heeft getrokken van (westerse) sponsoren, zoals Japan, wat daar verder ook van zij, is ongenoegzaam om dit land als betrokken Staat bij een internationaal conflict in Verdragsrechtelijke zin aan te merken.

Voor zover de verdediging voorts heeft willen betogen dat het gewapend conflict op Sri Lanka aangemerkt moet worden als een “geïnternationaliseerd” gewapend conflict en dat het rechtsregime van een internationaal gewapend conflict derhalve van toepassing is, waardoor het commune strafrecht, waaronder inbegrepen art. 140(a) Sr, niet van toepassing zou zijn, gaat het hof ook hieraan voorbij en overweegt daartoe als volgt.

Nu de verdediging niet, althans onvoldoende concreet heeft onderbouwd op grond van welke feiten en omstandigheden er sprake zou zijn van een “geïnternationaliseerd” gewapend conflict en het hof, ook ambtshalve oordelend, geen feiten of omstandigheden aannemelijk heeft bevonden die tot een andersluidend oordeel zouden hebben kunnen leiden, houdt het verweer van de verdediging geen stand. Daarbij overweegt het hof nog dat in het hedendaagse internationale recht een dergelijke categorie van een gewapend conflict de jure niet bestaat.97 De door de verdediging van de verdachte [verdachte 2] – onvolledig – geciteerde passage uit de uitspraak van het Internationale Hof van Justitie in de Nicaragua-zaak uit 1986 die steun zou bieden aan een dergelijke categorisering wordt bovendien uit zijn verband gerukt nu paragraaf 219 van het desbetreffende arrest niet louter betrekking heeft op de Nicaraguaanse contra’s, maar eveneens betrekking heeft op de inmenging van de Verenigde Staten van Amerika in het conflict.98

Voorts overweegt het hof dat de door verdediging naar voren gebrachte situaties van gewapende conflicten die van een “mixed character” zouden zijn, met name zien op situaties waarbij sprake is van oorlogvoerende bezetting, waar in casu geen sprake van is, zodat ook om die reden het standpunt van de verdediging dient te worden verworpen.99 Ook overigens acht het hof geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die aan het verdedigingsstandpunt steunt bieden.

Ten slotte merkt het hof ook nog op dat het standpunt van de verdediging dat intern gewapende conflicten in toenemende mate worden gereguleerd door internationale regels op zich zelf juist is, doch dat dit niet met zich meebrengt dat het onderscheid tussen een intern gewapend conflict en een internationaal gewapend conflict aan het vervagen is en dat het rechtsregime van een internationaal gewapend conflict in zijn geheel doorwerking heeft op intern gewapende conflicten. Het internationaal recht bevat ten aanzien van intern gewapende conflicten weliswaar een aantal vergelijkbare regels ten opzichte van het rechtsregime van een internationaal gewapend conflict100, doch het beginsel van combattantenimmuniteit – conform AP I – is louter van toepassing op internationaal gewapende conflicten.

10.4.2.3.4. Conclusie

Op basis van het vorenstaande en de gebezigde bewijsmiddelen komt het hof tot de conclusie dat er in de ten laste gelegde periode en in ieder geval tot 18 mei 2009 op Sri Lanka sprake was van een gewapend conflict met een niet-internationaal gewapend karakter. 101 In dit verband is komen vast te staan dat de regeringsstrijdkrachten van de Sri Lankaanse overheid enerzijds en de strijders van de LTTE anderzijds binnen het grondgebied van Sri Lanka in een intensieve, langdurige en in ieder geval de ten laste gelegde periode bestrijkende gewapende strijd verwikkeld waren. Ten overvloede merkt het hof hierover nog op dat deze strijd niet de kenmerken droeg van interne ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande en sporadisch voorkomende daden van geweld en andere handelingen van soortgelijke aard, die volgens de bestendige en hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de tribunalen niet zijn te beschouwen als gewapende conflicten.

Voorts overweegt het hof dat uit het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier aannemelijk is geworden dat zijdens de LTTE aan die gewapende strijd het streven voor (gedeeltelijke) zelfstandigheid van de Tamilbevolking ten grondslag lag. De LTTE beschikte over een eigen gebied met bevolking waarover zij de controle uitoefende en zij had, naast een eigen rechtelijke macht en een lokale overheid die o.a. belastingen hief, een eigen georganiseerd leger onder verantwoordelijk bevel. De strijdkrachten van de LTTE waren vergelijkbaar met die van regeringsstrijdkrachten. De strijdkrachten van de LTTE beschikten over een groot arsenaal aan wapens en munitie. Met de rechtbank is het hof bovendien van oordeel dat het door de LTTE gecontroleerde gebied in het noordoosten van Sri Lanka feitelijk alle kenmerken had van een staat, behoudens een internationale erkenning als zodanig. Vanuit dat gebied en ook daarbuiten werden dodelijke aanvallen uitgevoerd op het regeringsleger.

10.4.3.

Internationaal gewapend conflict in de zin van Aanvullend Protocol I

10.4.3.1. Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is bovendien betoogd, althans zo begrijpt het hof, dat het conflict op Sri Lanka moet worden aangemerkt als een de iure internationaal gewapend conflict in de zin van art. 1 lid 4 AP I, nu het ging om een strijd om zelfbeschikking tegen een racistische Sri Lankaanse overheid. De LTTE dient derhalve te worden aangemerkt als een partij in de zin van AP I. De verdediging beroept zich in dit verband voorts op een door de LTTE aan de VN en het Rode Kruis verstuurde acceptatieverklaring als bedoeld in art. 96 lid 3 AP I. Dit alles dient ertoe te leiden, althans zo begrijpt het hof de verdediging, dat het in die strijd ging om legitieme krijgshandelingen die onder het internationaal humanitair recht niet verboden en daarom naar Nederlands recht niet strafbaar zijn.

10.4.3.2. Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft het standpunt van de verdediging gemotiveerd betwist en heeft daartoe primair aangevoerd, kort gezegd, dat het art. 1 lid 4 AP I beperkt is tot gewapende conflicten tegen een verdragspartij. Nu Sri Lanka geen partij is bij AP I kan de LTTE daarop geen beroep doen. Voorts heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat de LTTE geen partij is in de zin van AP I, omdat het structureel het oorlogsrecht schond. Tenslotte betwist het openbaar ministerie dat er in casu sprake is van een racistisch regime in als bedoeld in art. 1 lid 4 AP I.

10.4.3.3. Het oordeel van het hof

10.4.3.3.1. Verdragspartij

Het hof merkt op dat er in de jaren 1970 in de internationale gemeenschap, conform de wens van (voormalige) kolonies, consensus bestond om de regels van het oorlogsrecht aan te scherpen en uit te breiden. AP I uit 1977 codificeerde reeds bestaande regels van internationaal recht, maar heeft ook de basis gelegd voor de vorming van regels van gewoonterecht bij gewapende conflicten met een niet-internationaal karakter. Zo zijn op grond van AP I bij gewapende conflicten die voldoen aan de eerdergenoemde criteria van een intern gewapend conflict, binnen de grenzen van een staat waarbij volkeren vechten voor hun recht op zelfbeschikking, onder hierna verder te bespreken omstandigheden, de wetten van de oorlog in internationaal gewapende conflicten van toepassing, zoals ook door de verdediging ten aanzien van de LTTE is betoogd.102 Hierdoor genieten de betrokkenen bij een dergelijk conflict een ruimere bescherming dan wanneer ze onder de regeling voor interne gewapende conflicten zouden vallen. Zo geldt tijdens een internationaal gewapend conflict een, hierna te bespreken, combattantenprivilege: een recht op oorlogsvoering onder internationaal humanitair recht (art. 43 lid 2 AP I).

Art. 1 leden 3 en 4 AP I, voor zover hier relevant, luiden als volgt (in de Nederlandse vertaling):

“3. Dit Protocol, dat een aanvulling vormt op de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 voor de bescherming van oorlogsslachtoffers, is van toepassing in de situaties, bedoeld in de artikelen 2 van die Verdragen.

4. De situaties, bedoeld in het voorgaand lid, omvatten mede gewapende conflicten waarin volkeren vechten tegen een koloniale overheersing en vreemde bezetting en tegen racistische regimes, in de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking zoals neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties en in de verklaring betreffende beginselen van het volkenrecht inzake vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen de Staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties.”

De toepassing van AP I is in beginsel expliciet beperkt tot gewapende conflicten tussen verdragspartijen of tegen een andere verdragspartij. Immers, voor het toepassingsbereik verwijst art. 1 lid 3 AP I naar gemeenschappelijk art. 2 van de Geneefse Verdragen, dat bepaalt dat de werking van verdragen is beperkt tot verdragspartijen.

Gemeenschappelijk art. 2 luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling):

“Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing in geval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict, dat ontstaan tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door een der Partijen niet wordt erkend.

Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet. Indien een der in conflict zijnde Mogendheden geen partij is bij dit Verdrag, blijven de Mogendheden die wel partij zijn, niettemin in haar onderlinge betrekkingen hierdoor geboden. Bovendien zullen zij door het Verdrag gebonden zijn ten opzichte van bedoelde Mogendheid, indien deze de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast.”

Het hof stelt allereerst vast dat Sri Lanka geen partij is bij AP I. De toepassing van AP I is expliciet beperkt tot gewapende conflicten tussen verdragspartijen of tegen een verdragspartij. Immers, voor het toepassingsbereik verwijst art. 1 lid 3 AP I naar gemeenschappelijk art. 2 van de Geneefse Conventies dat bepaalt dat de werking van de verdragen is beperkt tot verdragspartijen. Daarbij komt dat, anders dan de vier Geneefse Verdragen, AP I in beginsel alleen toepasselijk is tussen partijen die het hebben geratificeerd.103 Overigens: ook indien de Aanvullende Protocollen niet zijn geratificeerd, zoals hier het geval is, kunnen onderdelen daarvan bindend zijn voor staten omdat ze tot het internationaal gewoonterecht zijn gaan behoren.104 Dat Sri Lanka AP I niet heeft geratificeerd staat er voorts niet in de weg dat een verzets- of bevrijdingsbeweging in Sri Lanka rechtsgeldig een eenzijdige verklaring als bedoeld in art. 96 lid 3 AP I kan afleggen, nu Sri Lanka wel partij is bij de Geneefse Conventies.105

Het derde lid van dit artikel, waarop ook de verdediging een beroep doet, luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling):

“3. De autoriteit die een volk vertegenwoordigt dat met een Hoge Verdragsluitende Partij in een gewapend conflict is gewikkeld als bedoeld in artikel 1, vierde lid, kan zich door middel van een tot de depositaris gerichte verklaring verbinden, de Verdragen en dit Protocol toe te passen met betrekking tot dat conflict. De verklaring heeft, vanaf het ogenblik dat de depositaris haar heeft ontvangen, met betrekking tot dat conflict de volgende gevolgen:

( a) de Verdragen en dit Protocol worden ten aanzien van de bovenbedoelde

autoriteit als partij bij dat conflict onmiddellijk van kracht;”

Uit deze bepaling volgt dat de desbetreffende acceptatieverklaring uitsluitend kan worden afgelegd door een autoriteit die een volk vertegenwoordigt dat in een gewapend conflict is verwikkeld met een verdragspartij.

De verklaring als bedoeld in art. 96 lid 3 AP 1 bevat twee belangrijke elementen. In de eerste plaats dient de opsteller van de verklaring een autoriteit te betreffen die een volk vertegenwoordigt. Het tweede element is dat de verklaring geadresseerd dient te worden aan de depositaris, te weten de Zwitserse Bondsraad (art. 93 AP I). Formeel betekent dit dat verklaringen die zijn geadresseerd aan het Internationaal Rode Kruis, een VN-entiteit, of een andere instantie niet voldoen aan de aan het vereiste van art. 96 lid 3 AP 1.

In de onderhavige strafzaak is door de verdediging gewezen op het bestaan van een acceptatieverklaring als bedoeld in art. 96 lid 3 AP I. Deze verklaring, beweerdelijk betreffende een brief d.d. 6 november 1997 afkomstig van het Internationaal Secretariaat van de LTTE, zou zijn gepubliceerd op de website www.sangram.org.106In deze brief stelt de LTTE dat het ‘a national liberation movement [is], which is presently involved in armed conflict with the Government of Sri Lanka in order to realize the right of the Tamils of Sri Lanka for self-determination on the island of Sri Lanka’.107Door de verdediging is voorts gesteld dat blijkens de tekst van die verklaring de LTTE op 24 februari 1988 een kennisgeving heeft gestuurd aan het hoofdkwartier van de Verenigde Naties en aan het Rode Kruis.

Wat er verder ook overigens van de verklaring zij, naar het oordeel van het hof kan de verklaring niet kan doorgaan voor een verklaring als bedoeld in art. 96 AP I, reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat de verklaring, wat daar verder van zij, aan het formele vereiste van verzending aan de depositaris van het Protocol, te weten de Zwitserse Bondsraad, voldoet (vide art 93 AP I). Ook overigens is niet gebleken dat de LTTE op of omstreeks de door de verdediging gesteld datum van verzending die verklaring ten overstaan van de depositaris heeft afgelegd c.q. dat een dergelijke verklaring is gedeponeerd. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel hadden kunnen leiden zijn niet aannemelijk geworden.

Doch al ware het vorenstaande anders, dan nog mag dit de verdediging evenmin baten.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

10.4.3.3.2. Partij bij een conflict: Combattanten en hun privileges

De verdediging heeft zich, verkort en zakelijk weergegeven, op het, door het openbaar ministerie gemotiveerd betwiste, standpunt gesteld dat de LTTE een bevrijdingsbeweging was dat het opnam tegen een racistische overheid en dat de LTTE dient te worden aangemerkt als een partij in de zin van het AP I. De LTTE was derhalve gerechtigd om rechtstreeks aan krijgshandelingen deel te nemen.

Het hof overweegt allereerst dat naar internationaal humanitair recht partijen in een gewapend conflict bevoegd zijn om oorlogsgeweld uit te oefenen. Anderzijds zijn zij gebonden aan de regels en gewoonten die tijdens een gewapend conflict gelden. Om de kwaliteit van (gelegitimeerde) oorlogvoerende (‘belligerent’) te verkrijgen is het noodzakelijk om te beschikken over ten minste internationale rechtspersoonlijkheid (dus onderwerp van internationaal recht zijn) en ook (door de effecten van de oorlog) te zijn onderworpen zijn aan de regels toepasselijk in een gewapend conflict.

De kwaliteit van oorlogvoerende kan, onder omstandigheden, ook worden toegeschreven aan opstandelingen of bevrijdingsbewegingen, die in een burgeroorlog de facto controle uitoefenen over een deel van het grondgebied van een staat. Zoals in dit verband eerder werd overwogen, wordt in art. 1 AP I het toepassingsgebied van het humanitair oorlogsrecht in internationaal gewapende conflicten enigszins uitgebreid. Naast toepassing in internationaal gewapende conflicten, zoals bedoeld in de vier Geneefse Verdragen, is AP I van toepassing in gewapende conflicten waarin volkeren, kort gezegd, vechten o.a. tegen een racistisch regime in de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking (art. 1 lid 4 AP I); de zogeheten “bevrijdingsoorlogen”.

Het hof overweegt verder dat het internationaal humanitair recht, in het bijzonder het recht op het uitvoeren van de vijandelijkheden, is gebaseerd op het fundamentele onderscheid dat in het ius in bello wordt gemaakt tussen enerzijds combattanten (strijdkrachten) en militaire doelen en anderzijds burgers (niet-combattanten) en burgerobjecten die bescherming genieten.

De traditionele definitie van strijdkrachten (‘armed forces’) is gebaseerd op het Reglement uit 1907 behorende bij het Haags Verdrag (IV) nopens de wetten en gebruiken behorende bij den oorlog te land108 en art. 4 lid A, sub 1 van Genève III betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, welke bepaling inhoudt (in de Nederlandse vertaling):

“leden van de gewapende macht van een Partij bij het conflict, alsmede leden van milities en vrijwilligerskorpsen welke deel uitmaken van deze gewapende macht”.

Zowel het Reglement bij het Haags Verdrag (IV) als art. 4 van Genève III voorzag in uitbreiding van de categorieën van de strijders, leden van reguliere strijdkrachten, tot leden van andere groepen, zoals milities en vrijwilligerskorpsen, niet formeel geïntegreerd in de strijdkrachten van een staat, met inbegrip van – in het geval van Genève III – georganiseerde verzetsbewegingen. Het Regelement voorziet bijvoorbeeld in een uitbreiding van het concept ‘strijder’ in het bijzondere geval van een zogeheten levée en masse (vide art. 2 van het Reglement:

“De bevolking van een niet-bezet gebied, die bij de nadering van den vijand uit eigen beweging de wapenen opneemt om de invallende troepen te bestrijden, zonder den tijd te hebben zich te organiseeren overeenkomstig artikel 1, wordt als oorlogvoerende beschouwd, indien zij de wapenen openlijk draagt en indien zij de wetten en de gebruiken van den oorlog eerbiedigt.

De belangrijkste implicatie van art. 1 lid 4 AP I is dat de strijders van gewapende groepen die betrokken zijn bij de zogeheten bevrijdingsoorlogen tegen, zoals in casu wordt betoogd een racistische overheid, erkenning krijgen als strijders met gelijke rechten als leden van officiële strijdkrachten. Verzet tegen een racistische overheid is onder omstandigheden als omlijnd in het internationaal humanitair recht toegestaan.109 Een in dit verband belangrijke te beantwoorden vraag is of de betrokken strijdgroep (de LTTE) heeft te gelden als combattant in de zin van AP I. In dat geval zou hij immers het recht hebben om aan vijandelijkheden deel te nemen (art. 43 lid 2 AP I).

Het hier relevante artikel 43 AP I luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling):

“1. De strijdkrachten van een partij bij een conflict bestaand uit alle georganiseerde strijdkrachten, groepen en eenheden die onder een bevel staan dat tegenover die partij verantwoordelijk is voor het gedrag van zijn ondergeschikten, zelfs indien die partij wordt vertegenwoordigd door een niet door een tegenpartij erkende regering of autoriteit. Deze strijdkrachten dienen te zijn onderworpen aan een intern tuchtrechtelijk systeem, dat onder andere de nakoming van de regels van het volkenrecht, toepasselijk in geval van gewapende conflicten, dient te verzekeren.

2. De leden van de strijdkrachten van een partij bij een conflict, die niet zijn medisch personeel of geestelijke verzorgers op wie artikel 33 van het Derde Verdrag betrekking heeft, zijn combattanten en hebben derhalve het recht om rechtstreeks aan de vijandelijkheden deel te nemen.

3. Wanneer een partij bij het conflict een paramilitaire organisatie, of een gewapende dienst belast met politietaken, in zijn strijdkrachten opneemt, moet zij de andere partijen bij het conflict daarvan in kennis stellen.”

Met andere woorden; de strijdkrachten van een partij bij het conflict bestaan uit: (i) alle georganiseerde strijdkrachten (armed forces), groepen en eenheden die onder een bevel staan en (ii), die onderworpen zijn aan een intern krijgstuchtrechtelijk systeem dat, onder meer, de naleving moeten afdwingen van de regels van het internationale recht die van toepassing in geval van gewapende conflicten.110

Artikel 44 kent, in vergelijking met art. 1 van het Landoorlogreglement en art. 13 Genève II, een verzwakking aan de eisen die aan de strijdkrachten worden gesteld.

Artikel 44 AP I luidt, voor zover hier relevant, als volgt (in de Nederlandse vertaling):

1. Iedere combattant, als omschreven in artikel 43, die in handen van een tegenpartij valt, wordt als krijgsgevangene beschouwd.

2. Alle combattanten zijn verplicht de regels van het volkenrecht, toepasselijk in gewapende conflicten, in acht te nemen; schendingen van die regels ontnemen evenwel een combattant niet het recht om als combattant te worden beschouwd of, indien hij in handen van een tegenpartij valt, het recht om als krijgsgevangene te worden beschouwd, behalve in de gevallen als voorzien in het derde en vierde lid.

3. Ter bevordering van een bescherming van de burgerbevolking tegen de gevolgen van de vijandelijkheden, zijn de combattanten verplicht zich van de burgerbevolking te onderscheiden wanneer zij een aanval of een militaire operatie ter voorbereiding van een aanval uitvoeren. Gelet evenwel op het feit dat er zich in een gewapend conflict situaties voordoen, waarin het een gewapende combattant door de aard van de vijandelijkheden niet mogelijk is zich van de burgerbevolking te onderscheiden, behoudt deze zijn status van combattant, mits hij in zulke situaties zijn wapens openlijk draagt:

a. gedurende ieder militair treffen, en

b. gedurende de tijd dat hij zichtbaar is voor de tegenpartij bij het betrekken van militaire posities, voorafgaande aan het inzetten van een aanval waaraan hij moet deelnemen.

Handelingen die voldoen aan de in dit lid neergelegde vereisten worden niet als perfide in de zin van artikel 37, eerste lid, letter c, beschouwd.”

Uit het vorenstaande volgt, samengevat, dat de combattantenstatus impliceert het zogeheten ‘combattantenprivilege’, dat wil zeggen het recht om rechtstreeks aan krijgshandelingen deel te nemen (art. 43 lid 2 AP I) en, aldus, het recht om te doden, te verwonden, krijgsgevangen te nemen van de vijand en om militaire objecten te vernietigen.

Er is sprake van georganiseerde strijdkrachten als de door de strijdkrachten uitgevoerde gevechtshandelingen op grond van bevelen gecoördineerd en collectief worden uitgevoerd en die uitvoering ook berust op regels, in tegenstelling tot op zichzelf staande geweldshandelingen van individuen zonder enig samenhangende voorbereiding voorafgaand aan die geweldshandelingen. In dit verband is het dragen van een uniform door een lid van de strijdkrachten geen vast vereiste, ofschoon het verantwoordelijk bevel wel een uniform verplicht dient te stellen.

Combattanten hebben vervolgens de plicht om te voldoen aan de regels van het internationaal humanitaire recht. Zolang zij zich aan die regels houden staat het internationaal recht geen strafvervolging onder het nationaal recht toe voor op basis van het internationaal humanitair recht toegestane krijgshandelingen. Leden van gewapende groepen die zonder combattantenstatus deelnemen aan vijandelijkheden tijdens niet-internationaal gewapend conflict zijn “ongepriviligeerde” oorlogvoerenden die onder nationaal recht vervolgd mogen worden.

Zoals het hof ook elders in het arrest heeft overwogen zijn handelingen met terroristische oogmerk niet geoorloofd, nu een directe connectie met militaire handelingen ontbreekt en de handelingen niet gericht zijn tegen (andere) combattanten.111 Daarbij komt dat daden van terreur tegen de burgerbevolking, zoals ook vastgelegd in de diverse hiervoor aangehaalde verdragsbepalingen, in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht en daarmee onder nationaal recht strafbaar zijn.

Nu het hof op grond van de bewijsmiddelen tot het oordeel komt dat de LTTE zich heeft schuldig gemaakt aan terroristische misdrijven en andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht zoals omschreven onder feit 1 van de tenlastelegging, faalt het verweer ook hierom.

10.4.3.3.3. Racistisch regime

Verzet tegen een racistisch regime is onder omstandigheden als omlijnd in het internationale humanitaire recht eveneens toegestaan. De verdediging heeft in dit verband betoogd dat de (toenmalige) regering van Sri Lanka behoorde tot de zogeheten “racist régimes” als bedoeld van art. 1 lid 4 AP I . Het openbaar ministerie heeft ook dit standpunt gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Zoals uit het vorenstaande volgt, plaatst AP I nationale bevrijdingsoorlogen, waarbij volkeren in de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking vechten tegen racistische regimes op gelijke hoogte met internationaal gewapende conflicten.112 Daardoor genieten de betrokkenen bij een dergelijk conflict een ruimere bescherming dan wanneer ze onder de regeling voor niet-internationale conflicten zouden vallen. In een VN-resolutie uit 1968 is reeds uitgesproken dat personen die vechten tegen racistische minderheidsregimes of koloniale regimes, indien zij werden vastgehouden, in overeenstemming met het internationale recht dienen te worden behandeld als krijgsgevangenen of als politieke gevangenen.113

Het recht op zelfbeschikking is, volgens de internationale convenanten over mensenrechten, het recht van alle volkeren om vrijelijk hun politieke status te bepalen en vrijelijk te streven naar hun (eigen) economische, sociale en culturele ontwikkeling.114

De strijd van de volkeren tegen elke gewelddadige actie die tot doel heeft hen te beroven van hun recht op zelfbeschikking is in beginsel legitiem, zoals ook tot uitdrukking komt in voormelde bepaling in het AP I. Iedere poging om zo'n strijd te onderdrukken is onverenigbaar met het Handvest van de Verenigde Naties en vormt een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid.115 Overigens valt het recht op zelfbeschikking onder internationaal recht niet zonder meer samen met een recht om die zelfbeschikking door gewapend geweld af te dwingen en moet, met andere woorden, de vraag naar het bestaan van een zelfbeschikkingsrecht niet (zonder meer) worden vermengd met de vraag naar de aard van een het gewapend conflict.

Uit het commentaar op art. 1 lid 4 AP I blijkt dat de uitdrukking ‘racist regimes’ gevallen bestrijkt van regimes die zijn gebaseerd op racistische criteria en waarbij er sprake is van hegemonie van de ene bevolkingsgroep over de andere op basis van racistische ideeën.116 Het internationaal recht kent voorts een algemeen verbod op rassendiscriminatie, als vervat in de Universele Verklaring voor van de Rechten van de Mens117 (artt. 2 en 7), dat tevens de basis vormde van diverse internationale verdragen, waaronder het IVBPR118 (artt. 2 lid 1, 3 en 26) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten119 (artt. 2 lid 2, 3, 10 lid 3). Het verbod op discriminatie is een kern van de mensenrechten.

Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie120 geeft in art. 1 lid 1 een definitie van rassendiscriminatie:

In dit Verdrag wordt onder “rassendiscriminatie” verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming die ten doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid, van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, of op andere terreinen van het openbare leven, teniet te doen of aan te tasten, dan wel de tenietdoening of aantasting daarvan ten gevolge heeft.”

Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat niet iedere vorm van rassendiscriminatie door een staat kan leiden tot het oordeel dat er sprake is van een racistisch regime in de zin van art. 4 lid 1 AP I en dat de Verdragsluitende staten bij deze bepaling een hogere drempel voor ogen stond. In dit verband wijst het hof op de op 12 december 1973 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen resolutie 3103 (XXVIII) "Basic principles of the legal status of combatants struggling against colonial and alien domination and racist régimes”.121Deze resolutie plaatst een racistisch regime in het kader van de apartheid en raciale onderdrukking“Stressing that the policy of apartheid and racial oppression has been condemned by all countries and peoples, and that the pursuing of such policy has been recognised as an international crime”.

Het hof komt tot de conclusie dat de uitdrukking "racist regimes" als bedoeld in art. 1 lid 4 AP I betrekking heeft op regimes (Staat of overheid) die zijn gebaseerd op racistische criteria122, hetgeen naar het oordeel van het hof zoveel wil zeggen dat dit regime zich schuldig maakt aan raciale discriminatie als vorenbedoeld. Indien is vastgesteld dat het gaat om een regime dat is gegrondvest op racistische criteria, dan moet vervolgens worden bepaald of dit regime hegemonie uitoefent over het andere deel van de bevolking.

Ofschoon het dossier tal van aanwijzingen bevat dat de Sri Lankaanse overheid zich tijdens het gewapend conflict met de Tamils heeft schuldig gemaakt aan geweld en (ernstige) schendingen van de mensenrechten jegens de Tamilbevolking123 en dat de Tamilbevolking (structureel) werd achtergesteld124, is anderzijds niet althans onvoldoende aannemelijk geworden de Sri Lankaanse overheid aangemerkt kan worden als een regime dat gegrondvest is op racistische criteria en waarbinnen in overeenstemming met die racistische ideeën de hegemonie van het ene deel van de bevolking over het andere deel verzekerd is. Met het openbaar ministerie is het hof dan ook van oordeel, alles afwegende, dat Sri Lanka niet voldoet niet aan de eisen van een fundamentele en geïnstitutionaliseerde discriminatie die in art. 1 lid 4 AP I besloten ligt en dat het verweer van de verdediging ook op dit onderdeel faalt.

10.4.3.3.4. Slotconclusie

Het vorenstaande leidt, alles afwegende, naar het oordeel van het hof tot de slotsom dat het verweer van de verdediging, meer in het bijzonder het beroep op AP I, – op alle onderdelen – dient te worden verworpen. Indien en voor zover relevant en behoudens hetgeen daartoe meer in het bijzonder in dit arrest wordt overwogen zijn de onder 1 tenlastegelegde feiten, zo bewezen, in beginsel strafbaar op basis van commuun strafrecht.

10.5.

Preambule Kaderbesluit terrorismebestrijding

Ingevolge overweging 10.2.3.2. zal het hof thans overweging 11 van de Preambule van het Kaderbesluit bespreken, nu is vastgesteld dat er ten tijde van de ten laste gelegde periode sprake was van een intern gewapend conflict op Sri Lanka.

Het hof stelt vast dat de Nederlandse wetgever niet gekozen heeft voor de optie om de uitsluitingsclausule van overweging 11 van de Preambule te implementeren in de door de Europese wetgever voorgeschreven terrorisme wetgeving. De Nederlandse wetgever was daartoe ook niet verplicht, de implementatieverplichting strekt zich immers enkel uit tot de artikelen van het Kaderbesluit en niet tot de Preambule.125 Het hof overweegt bovendien dat de Hoge Raad reeds in het Kesbir arrest126 heeft vastgesteld dat tijdens een intern gewapend conflict zowel het humanitaire oorlogsrecht als het commune strafrecht van toepassing is.

Het hof stelt bovendien vast dat de Europese rechter van oordeel is dat, kortgezegd, de toepasselijkheid van het internationale humanitaire recht op een situatie van een gewapend conflict en op handelingen die in dat kader zijn verricht, de toepasselijkheid van het Unierecht inzake het terrorisme niet uitsluit.127

Concluderend stelt het hof vast dat Preambule 11 van het kaderbesluit geen beletsel is om de Nederlandse terrorisme wetgeving in deze zaak toe te passen128.

10.6.

De ten laste gelegde deelnemingsvormen

Het hof zal thans het juridisch kader van de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie bespreken.

De steller van de tenlastelegging heeft er voor gekozen om – kort gezegd – onder feit 1.A. deelneming aan een internationale criminele organisatie met een terroristisch oogmerk ten laste te leggen, onder feit 1.B deelneming aan een internationale criminele organisatie en onder feit 2 deelneming aan een nationale criminele organisatie.

Achtereenvolgens zal het hof de kaders voor die deelneming schetsen en ingaan op de wettelijke vereisten met betrekking tot opzet, oogmerk en deelnemingshandelingen, alsmede op de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van deelnemers aan een criminele organisatie en het vereiste van de zogenoemde dubbele strafbaarheid.

10.6.1.

Artikelen 140 en 140a Sr algemeen

Zoals hiervoor werd overwogen verplicht art. 2 Kaderbesluit lidstaten ertoe het leidinggeven en het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep strafbaar te stellen. Nederland heeft invulling gegeven aan deze verplichting door middel van art. 140a Sr. Daarnaast wordt in art. 140 lid 4 en art. 140a lid 3 Sr een niet uitputtende omschrijving van de betekenis van het bestanddeel deelneming in de zin van artikelen 140 en 140a Sr gegeven.

Art. 140a Sr geldt als een specialis van art. 140 Sr. De bestanddelen van art. 140a zijn voor het grootste deel ontleend aan art. 140 en dienen op dezelfde wijze te worden uitgelegd.129 De bestanddelen die de artikelen 140 en 140a Sr (in ieder geval) gemeen hebben zijn deelneming, organisatie en het plegen van misdrijven.

10.6.1.1. Deelneming

10.6.1.1.1. Opzet

In “deelneming aan” als bedoeld in art. 140a jo. art. 140 Sr ligt, althans in het eerste lid van art. 140 Sr, opzet besloten. Volgens vaste jurisprudentie is voor “deelneming” in de zin van art. 140 Sr voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.130 De betrokkene behoeft met andere woorden geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.131

10.6.1.1.2. Oogmerk

Bij “oogmerk” in de zin van art. 140 Sr wordt primair gedoeld op het naaste doel, dat wil zeggen: datgene dat men zich als direct gewild voorstelt. Het gaat daarbij om de organisatie, die tot doel moet hebben misdrijven te plegen. Blijkens de jurisprudentie kan voor het bewijs van oogmerk betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzame of structurele karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van de werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.132

In verband met artikel 140a moet het naaste doel dus zijn gelegen in het plegen van terroristische misdrijven. Het bijzondere aan art. 140a Sr is dat er een dubbel oogmerk is vereist: er moet oogmerk zijn op het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk (zie art. 83a Sr).

Vast dient komen te staan dat de organisatie waaraan de verdachte deelnam het oogmerk had om door middel van de beoogde en ten laste gelegde strafbare feiten (een voldoende substantieel deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, de overheid van Sri Lanka (wederrechtelijk) te dwingen iets te doen of te dulden of de fundamenten van de Sri Lankaanse samenleving te ontwrichten of te vernietigen.

Voor de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een deelnemer aan een organisatie bij terroristische misdrijven is voorts noodzakelijk dat de verdachte zich er, naast zijn wetenschap omtrent het criminele karakter van die organisatie, bewust van is dat de organisatie die hij ondersteunt zich ook heel wel in de sfeer van terroristische aanslagen kan althans zou kunnen bewegen en dat als aanmerkelijke kans ook aanvaardt door met die bewustheid van die organisatie lid te worden of te blijven.133

10.6.1.1.3. Deelnemingshandelingen

Bij het bestanddeel deelneming gaat het om “deelnemen in feitelijke zin aan een gestructureerd samenwerkingsverband”134. De organisatie behoeft niet een louter misdadige hoofddoelstelling te hebben. Zij kan ook – mede – een legaal doel hebben.135

De verdachte zal als deelnemer een aandeel moeten hebben in dan wel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Betrokkene moet daarbij wel kennis hebben, zich derhalve bewust zijn van dat oogmerk.136

Onder deelneming wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie (art. 140a lid 3 jo. art. 140 lid 4 Sr). De facto kan iedere bijdrage aan een organisatie als deelneming worden aangemerkt.137 Dat kan gelden voor personen die ten behoeve van een organisatie geld inzamelen of daaraan stoffelijke steun verlenen. De bijdrage moet er evenwel in bestaan een aandeel te hebben in, dan wel ondersteuning te geven aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Niet vereist is dat ook daadwerkelijk wordt deelgenomen aan de desbetreffende misdrijven.138

Het vierde lid van art. 140 Sr is ingevoerd met de Wet terroristische misdrijven. Art. 140a Sr verwijst eveneens naar dit artikellid. Het desbetreffende voorstel was ingegeven door het streven de strafrechtelijke aansprakelijkheid van deelnemers scherper te markeren.139 De voorgestelde bepaling voorzag niet in verruiming van het begrip ‘deelneming’, maar strekte ter verduidelijking daarvan.140

Het bestanddeel organisatie in art. 140 Sr (ter vervanging van het ‘oude’ bestanddeel rechtspersoon) heeft betrekking op een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Vereist is dat de deelnemers niet ieder voor zich, maar in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren in de organisatie.141

Het gaat bij een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr om meer dan een willekeurige groep personen of een toevallig initieel samenwerkingsverband. Kern van het begrip organisatie is dat bij het samenwerkingsverband sprake is van gemeenschappelijke regels en van een gemeenschappelijke doelstelling en dat het samenwerkingsverband als eenheid optreedt. Er moet in zekere zin sprake zijn van ondergeschiktheid van het individu aan het geheel en aan de doelstellingen van de organisatie. De individuele leden dienen daarbij met name de belangen van de organisatie; hun eigen belangen zijn daaraan ondergeschikt of kunnen daarmee worden vereenzelvigd. Het mag verder niet gaan om een eenmalige kortstondige samenwerking. Het samenwerkingsverband moet voorts over een zodanige bestendigheid en duurzaamheid beschikken dat het de gelegenheid heeft een eigen dynamiek te ontwikkelen.142

Indien besluiten volgens bepaalde procedures tot stand komen waaraan de individuele leden zich gebonden achtten, is er sprake van een samenwerkingsverband dat gereglementeerd is.

Hierbij kan betekenis worden toegekend aan het feit dat werd opgetreden onder een gemeenschappelijke naam en dus dat naar buiten toe zichtbaar als eenheid werd opgetreden.143

Ofschoon de duurzaamheid en het gestructureerd zijn in de praktijk vaak zal neerkomen op een vaste kern van sleutelfiguren, kan de samenstelling van de groep in zekere mate wisselen.144 Ook kan betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat de verdachten een gedeelde ideologie hebben, alsmede dat er bepaalde rekruteringsactiviteiten hebben plaatsgevonden, die tevens als deelnemingshandelingen kunnen worden aangemerkt, en of er sprake is van een gemeenschappelijk doel.145

10.6.2.

Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, verkort en zakelijk weergegeven, dat er op grond van art. 6 lid 2 onder b AP II een vervolgingsbeletsel bestaat ten aanzien van feit 1.B. (behoudens de onderdelen a en d voor zover begaan in Nederland en onderdeel c voor zover geen verband houdend met een gewapend conflict), nu er voor de ten laste gelegde (oorlogs)misdrijven geen collectieve strafrechtelijke aansprakelijkheid kan worden aangenomen op de voet van art. 140 Sr.

Volgens de verdediging dient er ter zake de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de ten laste gelegde internationale misdrijven steeds sprake te zijn van een persoonlijke (individuele) betrokkenheid van de verdachte bij de specifieke misdrijven als dader of deelnemer; het principe van de personal culpability. Ook bij de strafrechtelijke aansprakelijkheid op basis van toepasselijke deelnemingsvormen die in het internationale strafrecht zijn ontwikkeld, zoals de joint criminal enterprise en de begrippen common purpose en aiding and abetting, gaat het om het handelen en de persoonlijke betrokkenheid van de verdachte bij het specifieke misdrijf.

Nu de verdachte geen significante of substantiële bijdrage heeft geleverd aan enige specifieke aanval of werving van kindsoldaten in de ten laste gelegde zin en hij er ook geen wetenschap van had dat hij door het inzamelen van geld in Nederland aan enig concreet delict zou bijdragen, kan hij daarvoor niet worden veroordeeld, aldus de verdediging.

Het hof neemt dit standpunt in zijn algemeenheid niet over en overweegt daarbij als volgt.

Bij de beoordeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de ‘dader’ moet voorop worden gesteld dat in het commune Nederlandse strafrecht op de voet van art. 51 lid 1 Sr strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging tegen die rechtspersoon worden ingesteld, dan wel tegen de feitelijk leidinggever (art. 51 lid 2 Sr).

Het begrip ‘begaan’ wordt gebezigd ten aanzien van de pleger en de deelnemers, de medepleger, doen-pleger, uitlokker en functioneel dader (art. 47 Sr), medeplichtige (art. 48 Sr) en – voor de rechtspersoon – de feitelijk leidinggever en opdrachtgever daaronder (mede) begrepen. Zoals eerder is overwogen is voorts strafbaar het deelnemen van de dader aan een criminele organisatie of een verboden rechtspersoon (art. 140 Sr), al dan niet met terroristisch oogmerk (art. 140a Sr).

Art. 46 Sr stelt ook de voorbereiding van ernstige misdrijven door de dader strafbaar. Voor beide organisatievormen geldt, dat onder deelneming mede wordt begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan, alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie (art. 140 lid 4 Sr en art. 140a lid 3 Sr).

Art. 140 lid 1 Sr betreft het zelfstandig delict van deelneming aan een criminele organisatie. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kunnen rechtspersonen in de zin van art. 51 Sr als deelnemer aan een criminele organisatie worden aangemerkt, waarbij de rechtspersoon overigens onder omstandigheden ook zelf als een ‘organisatie’ kan worden aangemerkt.146 Het hof merkt op dat de dader kan deelnemen aan het ‘plegen’ van deelneming aan een criminele organisatie.

De toepassing van art. 140 lid 1 Sr levert individuele aansprakelijkheid voor deelneming aan een criminele organisatie, ook bij degenen die niet direct participeren in het plegen van de beoogde misdrijven.

Indien iemand onderdeel is van een groep die een strafbaar feit heeft gepleegd, kan immers ook medeplegen worden aangenomen zonder dat zijn persoonlijke aandeel in de gebeurtenis is komen vast te staan.147 Deelneming aan een criminele organisatie is echter een zelfstandig delict zodat hieruit geen accessoriteit met bepaalde gronddelicten voortvloeit, in tegenstelling tot de algemene deelnemingsvormen in de artikelen 47-48 Sr die altijd accessoir zijn aan gronddelicten.148

Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is naar het oordeel van het hof echter meer vereist dan de enkele aanwezigheid bij bijeenkomsten van de criminele organisatie. Het incidenteel participeren aan de activiteiten is in beginsel onvoldoende om de verdachte aan de organisatie te ‘verbinden’.149

Bij deelneming aan een criminele organisatie moet niet alleen het bestaan van deze organisatie worden vastgesteld, maar ook het oogmerk tot het plegen van concrete onderliggende strafbare feiten. Vervolgens dient komen vast te staan dat de verdachte ‘behoort tot het samenwerkingsverband’ en voorts dat hij ‘een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het beoogde oogmerk’, alsmede dat hij ‘wetenschap had van het oogmerk van de organisatie’.

De strafbepaling van het eerste lid van art. 140 Sr richt zich tot al diegenen die aan de organisatie ‘deelnemen’. Strafrechtelijk aansprakelijk zijn zij die, behorend tot een criminele organisatie, door hun gedragingen het criminele functioneren van die misdaadorganisatie, door hun gedraging actief bevorderen, er zorg voor dragen dat de organisatie haar misdadige plannen kan verwezenlijken. Zoals het hof eerder heeft overwogen hoeft niet te worden aangetoond waaruit ieders aandeel in de gepleegde misdrijven heeft bestaan.

Allerlei vormen van deelneming in de verwezenlijking van het criminele oogmerk kunnen in beginsel al voldoende zijn voor het vestigen van strafrechtelijke aansprakelijkheid. De strafbepaling van het vierde lid van art. 140 Sr verduidelijkt voorts – zoals gezegd – dat het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie als deelneming in de zin van art. 140 Sr kan worden aangemerkt.

De strafbare gedraging in art. 140 Sr bestaat uit deelneming aan een misdaadorganisatie, niet uit het deelnemen aan de verwezenlijking van de door de organisatie beoogde misdrijven zelf, waarbij niet de actieve betrokkenheid bij de misdrijven maar die bij de organisatie centraal staat.150 De organisatie wordt door die gedragingen in staat gesteld haar criminele activiteiten uit te voeren.

Art. 140 Sr is een zelfstandig misdrijf waaraan kan worden deelgenomen in de zin van artt. 47 en 48 Sr.151 Ingeval van het ten laste gelegde medeplegen is het nodig dat de medepleger weet dat hij betrokken is bij de activiteiten van een criminele organisatie.152 Het hof is van oordeel dat de ten laste gelegde deelnemingsvormen worden beheerst door het toepasselijke Nederlandse materiele strafrecht, meer in het bijzonder de criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr en zijn, anders dan de verdediging betoogt, de deelnemingsvormen en de daaruit voortvloeiende strafrechtelijke aansprakelijkheid uit het internationale recht niet relevant.

Het hof overweegt voorts het volgende.

Niet ter discussie staat dat het voeren van een aanvalsoorlog naar internationaal recht strafrechtelijke aansprakelijkheid kan meebrengen. Lange tijd was minder duidelijk of schendingen die gelden in een gewapend conflict van een niet-internationaal karakter eveneens individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid met zich meebracht. De vraag of ernstige schendingen van het gemeenschappelijk art. 3 van de Geneefse Verdragen individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengt onder art. 3 van het Statuut van het ICTY (schendingen van de wetten en gebruiken van de oorlog) is bevestigend beantwoord.153

In de rechtspraak van de tribunalen wordt voor wat betreft de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid het onderscheid tussen het internationale en niet-internationale conflicten vergaand gerelativeerd.

Ook naar internationaal recht mag niemand worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Art. 6 lid 2 aanhef en onder b AP II luidt, in dit verband, als volgt:

“2. Geen veroordeling mag worden uitgesproken en geen straf mag ten uitvoer worden gelegd met betrekking tot een persoon die schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, behalve op grond van een voorafgaand vonnis, gewezen door een rechtbank die essentiële waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt. In het bijzonder:

[…]

b. mag niemand worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid;”

De Nederlandse rechter dient zich, blijkens de wetsgeschiedenis van de WIM, “voor de invulling van delictsbestanddelen (objectieve en subjectieve) en voor het trekken van grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid te oriënteren op het internationale recht en de internationale jurisprudentie dienaangaande, zoals onder andere neergelegd in het Statuut van het Internationaal Strafhof opgestelde Elementen van Misdrijven, die dienen als hulpmiddel bij de interpretatie van de misdrijven”.154

Een getrouwe toepassing van belangrijke regels van het internationaal strafrecht door de nationale strafrechter dient een tweeledig doel. In de eerste plaats dient voldaan te worden aan de volkenrechtelijke verplichtingen en verwachtingen wat betreft strafbaarstelling en vervolging van internationale misdrijven, hetgeen met zich brengt dat de aansprakelijkheid naar Nederlands recht niet tekort mag schieten ten opzichte van de aansprakelijkheid naar internationaal recht.

Daarnaast dienen evenwel ook de grenzen van de aansprakelijkheid naar internationaal recht door de Nederlandse rechter te worden gerespecteerd. Beide elementen acht het hof van belang.

Behoudens enkele uitzonderingen zijn de algemene regels van het commune strafrecht ook van toepassing bij de berechting van de internationale misdrijven (zie ook art. 91 Sr)155, waarmee in het bijzonder ook wordt gedoeld op de regels met betrekking tot deelneming.

Het Statuut van het Internationaal Strafhof bevat ook regels over deze onderwerpen, grotendeels in deel 3 betreffende Algemene beginselen van strafrecht. Over het geheel genomen hebben deze regels van het Statuut eenzelfde strekking en beogen ze dezelfde belangen en rechten te beschermen als de pendanten in ons Wetboek van Strafrecht.

De Nederlandse rechter dient zich weliswaar voor het trekken van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid mede te oriënteren op het internationale recht dienaangaande, maar de Nederlandse wet geldt als kader.

10.6.3.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de slotsom dat naar Nederlands recht van deelneming aan een strafbaar feit alleen dan sprake kan zijn indien een persoon een (rechtstreekse) bijdrage heeft geleverd en willen leveren aan een specifiek strafbaar feit. De – mogelijke – verschillen in benadering inzake daderschap en deelneming aan misdrijven tussen het internationale recht zoals toegepast door de tribunalen en het Nederlandse recht worden sterk gerelativeerd doordat het leveren van een bijdrage aan criminele groepsactiviteiten naar Nederlands recht het zelfstandige misdrijf van art. 140 Sr oplevert.156 Daarbij komt dat voor zover de tribunalen al van oordeel zijn dat de leerstukken met betrekking tot het medeplegen van en de medeplichtigheid aan internationale misdrijven volkenrechtelijk gewoonterecht weergeven, de Nederlandse rechter hiermee, gelet op art. 94 GW, geen rekening kan houden.

Aan de gevoerde verweren, uitgaande van de stelling dat het internationale strafrecht ten aanzien van begrippen als medeplegen en medeplichtigheid en van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid tot andersluidende conclusies zou dwingen dan het Nederlandse strafrecht, gaat het hof dan ook voorbij.

10.7.

Dubbele strafbaarheid

De in feit 1 ten laste gelegde (onderliggende) feiten zijn strafbaar gesteld o.a. bij artt. 114 e.v., 294, 310 e.v., 408 e.v., in de Penal Code of Sri Lanka157 in verbinding met art. 100 e.v. van dat wetboek.

Wat betreft de strafbaarheid naar Nederlands recht komt art. 140 Sr hiervoor in aanmerking. In een zodanig geval is vereist dat het oogmerk van de organisatie is gericht op het begaan van strafbare feiten die naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld als misdrijven. Het betreft hier de zogeheten onderliggende feiten, zoals brandstichting, vernieling, moord en doodslag etc.

Naar het hof begrijpt wordt door de verdediging betoogd dat de feiten waarop bedoeld oogmerk was gericht, niet strafbaar zijn naar Nederlands recht en derhalve niet voldoen aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, nu deze zijn begaan in het kader van een gewapend conflict van een niet-internationaal karakter als bedoeld in het gemeenschappelijk art. 3 van de Geneefse Verdragen. Ter toelichting hierop is aangevoerd dat het in dat gemeenschappelijk art. 3 vervatte humanitaire oorlogsrecht exclusief van toepassing is op een zodanig intern gewapend conflict, zodat wat betreft de gewapende aanvallen en aanslagen door de LTTE op doelen van de Sri Lankaanse overheid – welke volgens de verdediging zijn gepleegd in het kader van een intern gewapend conflict tussen de LTTE en de Sri Lankaanse Staat – die aanvallen door dat oorlogsrecht niet worden verboden en dus niet strafbaar zijn. In dat verband is verder betoogd dat voor de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht uitsluitend behoort te worden getoetst aan de voorschriften van het oorlogsstrafrecht, meer in het bijzonder art. 6 WIM, en niet aan de bepalingen van het commune strafrecht.


Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat het vereiste van dubbele strafbaarheid in zoverre een rol speelt in het onderhavige geval, dat daarin niet alleen de rechtsorde van Nederland, maar ook de rechtsorde van Sri Lanka in het geding is.

Dit vereiste houdt kort gezegd in dat voor de vervolging in Nederland is vereist dat die vervolging betrekking heeft op een feit dat zowel naar Nederlands recht als naar het recht van een vreemde staat strafbaar is (art. 5 lid 1 sub 2 Sr). Ten aanzien van de toetsing aan het vereiste van dubbele strafbaarheid wordt in beginsel alleen nagegaan of de op Sri Lanka strafbaar gestelde gedraging ook in Nederland onder een delictsomschrijving geplaatst kan worden gebracht en daarmee als een strafbare inbreuk op de Nederlandse rechtsorde kan worden aangemerkt. Daarbij is voldoende dat de buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als in de Nederlandse strafbaarstelling, waarbij een andersluidende kwalificatie de dubbele strafbaarstelling overigens niet in de weg staat.

Het hof merkt voorts op dat de feiten waarvoor in Nederland vervolging wordt gewenst, waaronder aanslagen op dorpen en burgers en dus niet alleen op militaire doelen, op zichzelf feiten betreft die niet alleen onze rechtsorde ernstig schokken maar waar over de strafwaardigheid op zichzelf in de wereldgemeenschap een grote mate van overeenstemming bestaat.158 Voor zover het oogmerk van de LTTE tevens was gericht op het bereiken van bepaalde politieke doelen, is dit voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid verder niet relevant. Gemeenschappelijk art. 3 van de Geneefse Verdragen verbiedt, kort gezegd en voor zover hier van belang, ieder van de bij een intern gewapend conflict betrokken partijen ten aanzien van personen die niet of niet meer rechtstreeks aan vijandelijkheden deelnemen, aanslagen op hun leven of lichamelijk geweld te plegen. Zowel Nederland als Sri Lanka is partij bij die verdragen. Gemeenschappelijk art. 3 houdt minimum (gedrags-)normen in waaraan de strijdende partijen in het desbetreffend intern gewapend conflict zich jegens bedoelde categorie van personen dienen te houden en strekt ter bescherming van hen.159


Gemeenschappelijk art. 3 (alsmede een aanzienlijk gedeelte van AP II) heeft in de jurisprudentie van de tribunalen de status van internationaal gewoonterecht gekregen160 en een schending van een of meer van de bepalingen is in de statuten van de tribunalen erkend als behorende tot de oorlogsmisdrijven.161

De omstandigheid dat meergenoemd artikel van toepassing is, doet niet af aan de bevoegdheid van de betrokken Staat om strafbare feiten, begaan door leden van een gewapende oppositionele groep in verband met een gewapend conflict volgens zijn commune strafrecht te vervolgen en te bestraffen. Uit gemeenschappelijk art. 3 vloeit naar zijn aard niet voort dat aan de wél aan de strijd deelnemende personen geen bescherming zou toekomen tegen aanslagen op hun leven of tegen lichamelijke geweldpleging. Ook onjuist is het standpunt dat in het geval van een intern gewapend conflict het humanitair oorlogsrecht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht zou zijn uitgeschakeld.

Uit niets blijkt dat de Nederlandse wetgever zou hebben beoogd om gewelddaden, gepleegd in een niet-internationaal gewapend conflict, uit te zonderen van het bereik van de strafbepalingen die zien op terroristische en andere commune geweldsmisdrijven162. De strafbaarstelling van schendingen van het humanitair oorlogsrecht in interne gewapende conflicten in art. 6 WIM betekent niet dat deze handelingen niet (ook) naar het commune strafrecht strafbaar kunnen zijn en evenmin dat andere gedragingen die in verband met een intern gewapend conflict worden verricht, deswege niet ingevolge commuun strafrecht strafbaar kunnen zijn.163 Het gebruik van geweld tijdens gewapende conflicten dient dan ook te worden gekwalificeerd als strafbaar naar commuun strafrecht en is (tevens) onderworpen aan terrorismeverdragen.

Het hof constateert dat naar Nederlands recht de ten laste gelegde feiten strafbaar zijn gesteld bij art. 140 Sr in verbinding met, in willekeurige volgorde, artt. 289, 287, 157 en 168 Sr.

Weliswaar heeft het openbaar ministerie geen met die artikelen corresponderende strafbepalingen overgelegd, maar het hof heeft ambtshalve vastgesteld dat de in die artikelen strafbaar gestelde gedragingen ook naar het recht van Sri Lanka strafbaar zijn en dat die strafbepalingen strekken tot bescherming van hetzelfde rechtsgoed als de Nederlandse strafbaarstellingen.164

Hieruit volgt dat in zoverre, voor zover nodig, is voldaan aan de eis van de dubbele strafbaarheid als bedoeld in art. 5 lid 1 sub 2 Sr.

11 Beoordeling feiten 1.A., 1.B. en 2

Tegen de achtergrond van het voorgaande komt het hof thans toe aan een beoordeling van de aan de verdachte verweten deelneming aan een criminele organisatie, al dan niet met een terroristisch oogmerk.

11.1.

Is de organisatie waar het openbaar ministerie op doelt de LTTE?

11.1.1.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich – kort gezegd – primair op het standpunt gesteld dat alle verdachten, al dan niet in een leidende rol, deel hebben uitgemaakt van de LTTE, gevestigd op Sri Lanka, met vertakkingen en sub-organisaties in verschillende landen en – voor zover hier van belang – ook in Nederland. Voorts stelt het openbaar ministerie dat de LTTE moet worden aangemerkt als een criminele organisatie die – mede – het oogmerk heeft (gehad) op het voorbereiden en het plegen van misdrijven, daaronder begrepen misdrijven met een terroristisch oogmerk.

11.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte [verdachte 2] erkent dat hij deel heeft uitgemaakt van de (Nederlandse tak van de) LTTE en dat hij een leidende rol heeft gespeeld – in de ten laste gelegde periode – in de Nederlandse sub-organisaties. Hij betwist enig crimineel oogmerk van de LTTE, laat staan een terroristisch oogmerk.

De overige verdachten betwisten deel te hebben uitgemaakt van de LTTE, dan wel de sub-organisaties. Zij hebben – kort gezegd – zich op het standpunt gesteld dat de in Nederland gevestigde sub-organisaties weliswaar verwante doelstellingen hadden als de LTTE op Sri Lanka maar daarvan geen deel uitmaakten, zodat zij zich door hun werkzaamheden voor de sub-organisaties niet hebben gecommitteerd aan enig oogmerk van de (Sri Lankaanse) LTTE.

Van enig crimineel, laat staan terroristisch oogmerk van de sub-organisaties in Nederland is dan ook geen sprake, aldus (de verdediging van) de verdachten [verdachte 1], [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5].

11.1.3.

Het oordeel van het hof

11.1.3.1. De bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)

Voor zover van belang voor het beoordelen van de tenlastelegging was de internationale structuur van de LTTE, zoals blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, als volgt georganiseerd.

11.1.3.1.1. Leiderschap

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “Ik heb op Sri Lanka twee keer met mensen van de LTTE gesproken. [betrokkene 1] was daar één van. Ik heb twee keer met hem gesproken. Hij was de nationale leider van de Tamils.”165

De getuige [getuige 5] verklaart: “[betrokkene 1] was de leider van LTTE.”166

De getuige [getuige 8] verklaart als antwoord op de vraag van de rechter-commissaris “Wie was in 2003 of de jaren daarvoor de militaire leider van de LTTE?”: “[betrokkene 1]. … Waar [betrokkene 1] was, was het hoofdkwartier.” Op de vraag van de rechter-commissaris of het ook na 2003 nog het geval was, antwoordt de getuige: "Dat is altijd zo geweest."167

De getuige [getuige 9] antwoordt op de vraag van de rechter-commissaris “Wie was de leider van de LTTE tot 2009?”: “[betrokkene 1]. … Hij had de controle over alles. Hij is de enige persoon. Er is geen centraal comité of adviescomité.”168

Het hof concludeert uit (onder meer) bovenstaande dat de LTTE centraal georganiseerd was en dat [betrokkene 1] de leider was. Dat de schrijfwijze van de naam niet steeds exact gelijk is doet niet af aan de overtuiging van het hof dat telkens dezelfde persoon wordt aangeduid.

11.1.3.1.2. Politieke tak

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “De LTTE had op Sri Lanka een kantoor dat onder de politieke tak viel dat zich bezig hield met de vrede en vredesbesprekingen in het buitenland.”169

Voorts: “U vraagt of de formulieren ook in Den Haag te verkrijgen waren. Ik herinner mij dat mensen van de politieke tak tijdens een bezoek aan Nederland dit soort formulieren hebben gebracht. Sommige mensen hebben die formulieren in Nederland ingevuld. Die zijn via mij bij de politieke tak terechtgekomen.”170

De getuige [getuige 5] verklaart: “[betrokkene 6] was degene, die de vredesonderhandelingen leidde”.171

De getuige [getuige 10] verklaart: “Ik probeer duidelijk te maken dat ik in het Wanni gebied heb gewerkt. In Wanni hadden ze onder de politieke tak diverse winkels en instanties. Ik moest daar de rekeningen controleren.” Op de vraag van de rechter-commissaris “[betrokkene 6] was hoofd van de politieke afdeling van de LTTE” verklaart deze getuige: “Dat klopt”.172

De getuige [getuige 8] verklaart: “[betrokkene 6] had de politieke afdeling.”173

De getuige [getuige 9] verklaart: “Voor de militaire afdeling was ik de verantwoordelijke, [betrokkene 6] was van de politiek.”174

Het hof concludeert uit (onder meer) bovenstaande dat de LTTE een politieke tak had, waarvan [betrokkene 6] de leider was.

11.1.3.1.3. Buitenlandse betrekkingen

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “De LTTE op Sri Lanka had verschillende onderdelen. Eén van die onderdelen had betrekking op de buitenlandse afdelingen van de LTTE. De Nederlandse afdeling werkte onder die afdeling.”175

“Ik ben daar ook geweest om mensen van het Wereld Contact Punt te ontmoeten. Het Wereld Contact Punt was een onderdeel van de LTTE. [alias betrokkene 2] was daarvoor verantwoordelijk.”176

“In 2003 was er een reorganisatie bij de LTTE. Er is toen een boekje uitgekomen met allerlei regels over wat wij moesten doen. Dit boekje betreft het handboek waarin ook het organisatieschema, dat u mij zojuist heeft voorgehouden, is opgenomen. In het boek stonden de algemene regels beschreven. Elk land mocht deze regels op zijn eigen wijze toepassen. Ik was degene die daarvoor verantwoordelijk was in Nederland.”177

“U vraagt of ik wel eens heb gehoord van Nadavanam. Ja, Nadavanam bestaat uit twee kantoren die zich in het Wanni-gebied, dus Tamilgebied, bevinden. Als mensen uit het buitenland dit gebied binnen willen reizen moeten zij zich daar melden. Zij moeten daar aangeven wat het doel van hun reis is en hoe lang en waar ze daar zullen verblijven.”178

De getuige [getuige 5] verklaart dat hij ook een man kent, die [betrokkene 2] heet en als bijnaam [alias betrokkene 2] heeft.179

De getuige [getuige 11] verklaart: “Voor buitenlandse afdelingen waren verschillende afdelingen, onder andere financiën en propaganda. De verantwoordelijke hiervoor was [alias betrokkene 2].”180

De getuige [getuige 8] verklaart: “[alias betrokkene 2] was de verantwoordelijke voor de internationale afdeling. … Vòòr 2003 ook. Toen hadden we een kantoor in Madras, Chennai. Toen had [alias betrokkene 2] de leiding over alles.”181

… "[alias betrokkene 2] … wordt ook [betrokkene 2] genoemd."182

“[alias betrokkene 2] had de buitenlandse afdelingen.”183

Op de vraag van de rechter-commissaris “wat is dat voor een afdeling, ‘buitenlandse afdelingen’?” antwoordt deze getuige: “Er wonen veel mensen in het buitenland. Het ging over propaganda maken, het overtuigen van de politieke situatie in Sri Lanka, en daarnaast over geld verzamelen.”184

De getuige [getuige 9] verklaart: “Daarnaast hadden ook een wereldcoördinatiepunt en de leider daarvan was [alias betrokkene 2].”185 … “[alias betrokkene 2] had een kantoor en daar worden geleerde jongeren verzameld en zij worden naar het buitenland gestuurd, zoals diplomaten.”186 … "[alias betrokkene 2]'s andere naam is [betrokkene 2]".187

Het hof concludeert uit (onder meer) bovenstaande dat de LTTE een afdeling voor het buitenland had, waarvan [betrokkene 2], alias [alias betrokkene 2], de leider was.

11.1.3.1.4. Structuur op Sri Lanka

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “In ons land is de LTTE de overheid. Deze overheid werd weliswaar niet door anderen erkend, maar ze hadden wel een eigen staat.”188

“De LTTE had geen eigen parlement. Ze hadden verder wel alles wat een staat nodig heeft, bijvoorbeeld een politieke afdeling. Ze hadden ook een eigen leger, een eigen rechtbank en een eigen politiemacht. Het was dus wel een soort staat. U vraagt mij hoe deze staat werd gefinancierd. Ze deden zelf zaken en er werd belasting geïnd bij de mensen. Daarnaast werd er geld ingezameld in het buitenland, waaronder Nederland.”189

“Als iemand een product in de winkel koopt dan zit daar een bedrag aan belasting bij. Op die manier hebben ze ook belasting geheven in de Tamilgebieden. Als iemand vanuit Singalees gebied het Tamilgebied binnenging en diegene wilde goederen meenemen die ook in het Tamilgebied beschikbaar waren, dan moest daar ook belasting over betaald worden. Deze belastinggelden werden door de LTTE niet alleen gebruikt voor eigen doeleinden: ook de salarissen van medewerkers werden er van betaald. Er werd belasting geheven bij alle mensen van de Tamilbevolking.

Voor zover ik weet waren er vrijstellingen voor mensen die geen of weinig inkomen hadden. Er werd wel belasting geïnd bij de mensen die goederen in een winkel kochten of die, zoals gezegd, naar het Tamilgebied kwamen met goederen die daar ook verkrijgbaar waren. Op deze manier betaalde de gehele Tamilbevolking mee aan de strijd die de LTTE voerde.”190

De getuige [getuige 5] verklaart: “LTTE was daarginds een soort eigen regering. Ze hadden hun eigen politie, rechtssysteem en welzijnsregelingen.”191

…“LTTE had een eigen militaire macht. Maar een soort burgeradministratie voerde maatregelen uit.”192

De getuige [getuige 8] verklaart: “In 2003 begonnen de vredesbesprekingen. Toen hadden ze vanuit de Wanni rechtstreekse contacten met de buitenwereld en daardoor konden ze rechtstreeks activiteiten doen. Toen konden ze rechtstreeks alles doen en hadden ze mij niet nodig. Er waren in dat jaar heel veel afdelingen. Ik heb het gehoord. Wat ik gehoord heb kan ik vertellen: inlichtingendienst, politieke afdeling, buitenlandse afdelingen, zeetijgers, Imbram Ani militaire afdeling, de afdeling financiën, TRO, de afdeling propaganda, douane/politie, belastingdienst, air wing, military wing, artillerie afdeling, mortar afdeling, pistoolgroep, er zijn er nog meer.”193

De getuige [getuige 9] antwoordt op de vraag van de rechter-commissaris “welke onderdelen had de LTTE in de jaren vanaf 2000?”: “Militaire afdeling, politieke afdeling, inlichtingendienst, Black Tigers, Sea Tigers, artillerie afdeling, financial section en TRO.”194


“Dat aantal groeide langzaam. Toen ik afsplitste, was dat het aantal. Binnen de strijders waren verschillende regimenten. Ik kan de belangrijke regimenten noemen: Jentham, Charles Antony, Sothia, een damesafdeling, Malathi, Siruthaikal “leopard’ en Anbarasi, ook een damesafdeling en daarnaast nog heel veel afdelingen. De eerste vier waren het belangrijkst. Daarnaast waren er ook heel veel kleine afdelingen, maar die zijn niet belangrijk. Daarnaast was er ook een afdeling van burgers, de grensafdeling. Elke burger moest één week de grens bewaken, maar ze hadden ook militaire training. Dat waren ongeveer 10.000 burgers.”195

De getuige [getuige 12] verklaart: “[betrokkene 1] is het hoofd. Zij hadden ook een hoofdkwartier. Daaronder is de afdeling financiën, de inlichtingendienst, de politieke afdeling, de ontwikkelingsafdeling. Na 1994 was er een politieafdeling, rechtbanken, media en verschillende aanvalsafdelingen. Er waren veel afdelingen. Ze hadden ook een afdeling marine. Ik weet dat er ongeveer 35 afdelingen waren, waaronder ook de medische voorzieningen”.196

Het hof concludeert uit (onder meer) het bovenstaande dat de LTTE een uitgebreide structuur had, met een eigen politie, inlichtingendienst, rechtbanken, afdelingen voor welzijn/ontwikkeling en financiën, en een strijdkracht met een uitgebreide structuur met als onderdelen in ieder geval een zeemacht en een artillerie-eenheid.

11.1.3.1.5. De TCC

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “Met betrekking tot de rol van [verdachte 1] moet geen onderscheid worden gemaakt tussen door hem verrichte werkzaamheden voor de TCC en door hem verrichte werkzaamheden voor de LTTE. Het is allemaal één. Wij hebben via de TCC activiteiten verricht voor de LTTE. De TCC is hier in Nederland geregistreerd en de LTTE niet. Wij verrichtten LTTE activiteiten via de TCC. Ik kan daarbij geen onderscheid maken tussen de LTTE en de TCC.”197

“U vraagt mij wat in de periode tussen 2000 en 2009, toen ik hoofd van de afdeling in Nederland was, de belangrijkste doelstelling was van de LTTE op Sri Lanka.

We hebben geld verzameld en we hebben aan de Nederlandse mensen en de Nederlandse politiek uitgelegd wat er op Sri Lanka gaande was. We hebben hen over onze strijd verteld en daarvoor hulp gevraagd. Daarnaast hebben we voor de Tamils in Nederland activiteiten georganiseerd, onder meer sportieve en culturele activiteiten.”198

“Wij hadden verschillende districten in Nederland. Elk district had zijn eigen verantwoordelijke en iemand die de verantwoordelijke hielp. In de beginperiode hadden we zes districten. Later hadden we acht districten.”199

“Ik heb in mijn verklaring tegenover u een bedrag genoemd dat ongeveer werd opgehaald. Het was per jaar verschillend.”200

“Het bedrag dat ik noemde was het door de TCC ingezamelde bedrag. Ik sprak over de TCC en ik heb daarbij ook uitdrukkelijk aangegeven dat het een schatting was, ik weet het exacte bedrag niet meer precies.”201

“Ik gaf de districtsverantwoordelijken de instructie om geld in te zamelen. Het ingezamelde geld ging daarna naar [verdachte 5]. Het geld werd door een koerier bij hem opgehaald. Wat er daarna met het geld gebeurde weet ik niet. [verdachte 1] noteerde de bedragen. Er is ons vanuit Sri Lanka via het Wereld Contact Punt gevraagd om de informatie over de bedragen aan [verdachte 1] door te geven.”202

“De koerier werd geregeld door [alias betrokkene 2], hij was daar verantwoordelijk voor.”203

“Ik kreeg vanuit Sri Lanka de informatie dat er een koerier kwam en dat gaf ik dan aan [verdachte 5] door.”204

“Ik had vaker contact met [alias betrokkene 2]. Het was ongeveer één keer per maand.”205

“Het in Nederland ingezamelde geld ging naar een centraal punt waar het werd opgehaald door een koerier. Vanaf het moment dat het geld was opgehaald door een koerier wist ik niet meer wat er met het geld gebeurde. Ik weet wel dat het uiteindelijk terecht kwam bij het doel waarvoor het verzameld was, bijvoorbeeld de weeskinderen of de ouderen.

Ik weet echter ook dat een deel van het geld voor andere zaken en activiteiten van de LTTE werd benut. Hoe groot dat deel was, dat weet ik niet. Ik had contact met [alias betrokkene 2]. Hij gaf mij die informatie. Ik vertelde aan [alias betrokkene 2] hoeveel geld wij hadden weggestuurd zodra het geld was opgehaald door de koerier. Hij vertelde dan aan mij of hij het had ontvangen. Ik weet niet zeker of hij het geld ook feitelijk zelf ontving, maar de registratie is wel bij hem bekend.”206

“Er heeft een gewapende strijd plaatsgevonden op Sri Lanka. Wij hebben in Nederland beschermingsgeld ingezameld. Daar was een fonds voor. Dit fonds was bestemd voor de aanschaf van wapens. Wij hebben verschillende fondsen waar geld voor is opgehaald. Zo hebben we geld opgehaald voor de weeskinderen van Chencholai en voor de mensen die door natuurrampen waren getroffen. Elk fonds heeft ook een eigen naam. Er is dus ook een beschermingsfonds. Dat is er voor de bescherming van de Tamils. Deze bescherming werd geboden door de Tamil Tijgers. Het geld uit dit fonds is daadwerkelijk gebruikt voor de gewapende strijd. Voor de mensen was het op voorhand duidelijk aan welk fonds er geld werd gegeven. De mensen konden uit de naam afleiden waar het fonds voor diende. De andere namen van de fondsen spraken wel voor zich. Aan de mensen aan wie geld werd gevraagd, werd verteld voor welk fonds dat was. En daarnaast stond het ook in het Tamil op de kaartjes.”207

“Voor de mensen die geld gaven was ook duidelijk wat bijvoorbeeld het beschermingsfonds betekende. Mensen moesten weten dat het geld bestemd was om onze vrijheidsstrijd voort te zetten en dat het voor onze verdediging was. De mensen die langs de deuren gingen om geld in te zamelen, wisten dat ook.”208

“U toont mij pagina A06 3825 waar het ‘nationaal veiligheidsfonds’ wordt vermeld. Het beschermingsfonds is hetzelfde als het veiligheidsfonds. Het zijn verschillende fondsen met hetzelfde doel. U toont mij pagina B02 433 waar het ‘Nationaal verdedigingsfonds’ wordt vermeld en u vraagt of ik weet wat voor soort fonds dat was. Dat fonds had ook hetzelfde doel als de hiervoor genoemde fondsen. U houdt mij voor dat er dus drie verschillende namen werden gebruikt voor hetzelfde doel en u vraagt mij of de mensen die geld gaven dit wisten. Ja, dat wisten de mensen wel. De kwitanties hadden misschien een andere kleur, maar waren wel hetzelfde.”209

“U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard over de wijze van verkrijging van fondsen in Nederland en u vraagt mij of er ook mensen waren die via de bank geld stortten op de rekening van de TCC zonder dat daarvoor iemand aan de deur kwam. Ja, dat kwam absoluut ook voor. Het gebeurde niet veel. Slechts een klein percentage van de mensen die geld gaf deed dit zonder dat het gevraagd werd.”210

“In het schema hebben we wel het woord propaganda gebruikt, maar wat we daadwerkelijk deden was de situatie op Sri Lanka, waar de Tamils werden onderdrukt, kenbaar maken in Nederland en daarover uitleg geven. Ik was daarvoor feitelijk verantwoordelijk en [verdachte 4] hielp mij daarbij. Ik haalde de informatie uit verschillende bronnen. Ik kreeg informatie van de politieke afdeling van de LTTE en de Internationale Contactplaats. Ik haalde echter ook informatie uit het nieuws en van het internet.”211


“U toont mij pagina B00 2083. Tijdens mijn voorzitterschap waren er Tamil scholen in Nederland. [verdachte 3] was bij de scholen coördinator. Ik zal u uitleggen wat ik met Tamil scholen bedoel. Wij hadden geen grote scholen. Het ging meer om bijles geven in de Tamil taal gedurende 1 a 2 uur per week. U toont mij pagina B09 59, met daarop weergegeven enkele kleurplaten. Ik heb ze gezien in het dossier. Deze tekeningen hebben echter niets met de lessen te maken. Wij bestelden het onderwijsmateriaal voor de scholen in Nederland in Frankrijk. Daar is een organisatie waartoe ook professoren behoren. Deze mensen hebben boeken, bedoeld voor Tamil lessen voor Tamil kinderen in Europa, samengesteld. Die boeken hebben we op de scholen verspreid.”212

De getuige [getuige 13] verklaart, zakelijk weergegeven: “Het klopt dat ik samen met 2 of 3 anderen de TCC heb opgericht. Om mensen te helpen. De LTTE voerde een strijd voor de vrijheid van de Tamils en wij, de TCC, ondersteunden deze strijd. Ik praat nu over de periode van voor 1998. Er was een centrale persoon in Frankrijk, hij was de verantwoordelijke voor alle TCC's in Europa. Met alle TCC's bedoel ik alle organisaties die op dat moment de LTTE steunden vanuit Europa. Er werd geld verzameld, propaganda verspreid, er werd gedemonstreerd, er werden culturele programma's georganiseerd. Een van de bijeenkomsten die georganiseerd werd is heldendag, dat is voor de omgekomen strijders. De culturele programma's zijn voor de gezelligheid. De mensen denken dat de verantwoordelijke in Frankrijk werd aangestuurd door de LTTE in Sri Lanka. Ik denk dat zelf ook. De TCC, TRO, en de TKCO zijn Tamil organisaties die in Nederland zijn opgericht ter ondersteuning van de LTTE.”213

De getuige [getuige 8] verklaart, zakelijk weergegeven: “[betrokkene 1] heeft mij medio jaren ’80 en ’90 gevraagd naar het buitenland te gaan om te proberen het vertrouwen van de mensen te winnen. Ik heb aanhangers ontmoet in het buitenland. Daarna zouden ze afdelingen begonnen zijn. In het begin waren er geen buitenlandse LTTE afdelingen, alleen Tamil organisaties. In de loop van de tijd zijn de Tijgers zelf naar het buitenland gegaan om dat soort dingen op te richten. Veel mensen kwamen uit het buitenland in 2003 naar Sri Lanka. Ze hebben allemaal met [betrokkene 1] gesproken. Ze hebben gezworen bij [betrokkene 1] dat ze hem zouden helpen. Daarna zijn ze naar het buitenland teruggegaan en daar zouden ze wat opgericht hebben. Vanaf dat moment hebben sommige mensen ook militaire trainingen genomen.214 Het was de taak van het internationaal secretariaat in de jaren ’90 en daarna om geld in te zamelen en steun te verzamelen voor de Tijgers, en propaganda. Het klopt dat het een taak was van het internationaal secretariaat vanaf de jaren ’90 om in zoveel mogelijk landen Tamil-organisaties te laten ontstaan. In sommige landen is dat ook gelukt. Er waren al Tamil-organisaties in het buitenland. Die organisaties hebben ze onder het internationaal secretariaat gevoegd. Veel landen hadden TRO-afdelingen, scholen, tempels. In ongeveer 20 landen zijn tot 2003 deze Tamil-organisaties gaan functioneren. Deze landen waren Canada, Australië, Amerika, UK, Zwitserland, Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Finland, Nederland, Maleisië, Midden-Oosten, Italië, Libanon. In sommige landen opereerden ze onder de naam van de TCC, de Tamil Coordinating Committee en in sommige landen TRO. De organisaties in deze landen vielen rechtstreeks onder het internationaal secretariaat.”215

Het hof concludeert uit bovenstaande dat de LTTE een wereldwijd netwerk had van organisaties die rechtstreeks onder het internationaal secretariaat vielen en die als doel hadden de LTTE te ondersteunen. De Nederlandse TCC was één van die organisaties.

Uit de hier besproken bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel dat de vanuit Sri Lanka opererende LTTE en de daaronder in Nederland (maar ook elders) ressorterende sub-organisaties als een en dezelfde organisatie moeten worden beschouwd, dat de verdachten zich zeer bewust waren van de organisatie van de LTTE en de in Nederland daaronder ressorterende sub-organisaties en van het feit dat zij hun activiteiten uitvoerden in het kader daarvan. Uit de hierna nog te bespreken verklaringen van alle verdachten moet worden afgeleid dat de LTTE en de daaronder in Nederland ressorterende sub-organisaties dezelfde hoofddoelstelling hadden en dat alle verdachten van die doelstelling (zowel van de LTTE als van de sub-organisaties) wetenschap hadden en die onderschreven.

Voor zover de (mede)verdachten [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1] hebben betoogd dat zij met de LTTE niets van doen hadden, maar uitsluitend deelnemingshandelingen hebben verricht in het kader van de Nederlandse sub-organisaties gaat het hof daaraan voorbij, nu uit de in dit opzicht geloofwaardige verklaring van de verdachte [verdachte 2] niet anders kan worden afgeleid dan dat die organisaties eenvoudigweg deel uitmaakten van de LTTE; de Nederlandse afdeling van de LTTE ressorteerde rechtstreeks onder de LTTE op Sri Lanka. De verklaring van [verdachte 2] wordt door een aantal andere, hierna op te nemen, bewijsmiddelen bovendien ondersteund. Ook blijkt uit de verklaringen van alle verdachten zelf dat de LTTE en de daaronder in Nederland ressorterende sub-organisaties dezelfde hoofddoelstelling hadden en dat alle verdachten van die doelstelling (zowel van de LTTE als van de sub-organisaties) wetenschap hadden.

11.2.

De rol van de verdachten in de organisatie en hun deelnemingshandelingen

11.2.1. [

verdachte 2]

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “Ik heb sinds 1996 voor de TCC gewerkt. In 1998 kreeg ik mijn verblijfsvergunning en ben ik naar Den Haag verhuisd. In Den Haag zat het kantoor van de TCC. Ik heb op dat kantoor samen met [getuige 13] gewerkt. Medio 1999 wilde [getuige 13] stoppen bij de TCC. Hij moest toen zelf zijn opvolger kiezen. Hij koos toen voor [bijnaam verdachte 1] (het hof begrijpt: [verdachte 1]), maar [bijnaam verdachte 1] wilde niet. Er is toen iemand van het kantoor in Frankrijk gekomen om te bemiddelen. Die persoon heeft [getuige 13] toen voorgesteld niet volledig te stoppen, maar alleen actief te blijven voor de politieke afdeling.”

“Aan mij werd toen gevraagd voorzitter te worden. Ik zou voorlopig ook nog blijven werken op de financiële afdeling.”216

“U vraagt mij wat in de periode tussen 2000 en 2009, toen ik hoofd van de afdeling in Nederland was, de belangrijkste doelstelling was van de LTTE op Sri Lanka. We hebben geld verzameld en we hebben aan de Nederlandse mensen en de Nederlandse politiek uitgelegd wat er op Sri Lanka gaande was. We hebben hen over onze strijd verteld en daarvoor hulp gevraagd.”217

“U houdt mij voor dat onderaan in het schema in de balkjes de namen van enkele organisaties staan vermeld, namelijk de TCC, de TYO, de TKCO en de TVO en de TKCO en u vraagt mij of deze organisaties gelieerd zijn aan de LTTE. Ja, dat zijn onderdelen van de LTTE. U vraagt mij of deze organisaties verantwoording aan mij moesten afleggen. Ja, dat klopt.”218

“Ik was voor de LTTE het enige aanspreekpunt in Nederland.”219

“Ik ben op Sri Lanka zelf ook aangesloten geweest bij de LTTE.” “De LTTE had ook een politieke tak. Ik heb daar politieke taken gedaan.”220

“Ik ben verschillende keren terug geweest naar Sri Lanka. Soms bleef ik één maand, soms twee weken maar het was nooit langer dan één maand. Dit was in de periode tussen 2003 en 2006. Ik weet niet precies meer hoe vaak ik ben terug geweest, maar ik denk vijf of zes keer. De eerste keer ging ik voor familiebezoek. Ik ben daar ook geweest om mensen van het Wereld Contact Punt te ontmoeten, een onderdeel van de LTTE, waarvoor [alias betrokkene 2] verantwoordelijk was. Ik heb [alias betrokkene 2] elke keer dat ik naar Sri Lanka ging gezien. U vraagt mij waar ik met [alias betrokkene 2] over heb gesproken. Het waren soms gewoon vriendschappelijke gesprekken en soms spraken wij over de vrijheidsstrijd. U vraagt mij waar de gesprekken met betrekking tot de vrijheidsstrijd dan over gingen. Hij vertelde hoe de strijd ervoor stond en sprak met mij ook over de financiën. Hij vroeg mij ook om te proberen steun bij de internationale gemeenschap te verkrijgen voor onze strijd.”221

“Ik had alleen direct contact met [alias betrokkene 2]. Voor zover ik weet had niemand anders direct contact met hem.”222

“U toont mij pagina C02 196 van het dossier waarop de Nederlandse vertaling is weergegeven van wat volgens u een persoonsformulier betreft. Ik herken het formulier. Ik kan daar één ding over zeggen. Toen ik naar Sri Lanka terug was gegaan heb ik zo’n formulier ingevuld.”223

“Het getoonde formulier heb ik niet geheel zelf ingevuld. Ik heb ooit op Sri Lanka een formulier ingevuld, maar dat is niet het door u getoonde formulier. Op het getoonde formulier staat namelijk mijn geboortedatum verkeerd genoteerd, mijn handtekening staat er niet onder en er zijn veel veranderingen aangebracht. Ik wil daarom geen vragen over dat formulier beantwoorden. U vraagt mij wie dit formulier dan wel heeft ingevuld. Zoals gezegd heb ik ooit zo’n formulier ingevuld. In het getoonde formulier zijn veranderingen aangebracht.”224

“Redelijk bovenaan op pagina C02 196 ziet u achter “volledige naam” staan: “[verdachte 2]” en achter “andere naam”: “[bijnaam verdachte 2]”. Deze gegevens heb ik wel zelf ingevuld. [bijnaam verdachte 2] is mijn korte naam. Ik word zo ook wel genoemd.”225

“In 2003 was er een reorganisatie bij de LTTE. Er is toen een boekje uitgekomen met allerlei regels over wat wij moesten doen. Dit boekje betreft het handboek waarin ook het organisatieschema is opgenomen. In het boek stonden de algemene regels beschreven. Elk land mocht deze regels op zijn eigen wijze toepassen. Ik was degene die daarvoor verantwoordelijk was in Nederland.”226

“U vraagt mij of ik verantwoording moest afleggen over de financiën die wij hadden vergaard in Nederland. Ja, dat was het geval. Alles wat wij aan activiteiten hadden gedaan en wat wij hadden verzameld moest op schrift worden gesteld en dat deden wij ook.”227

“Ik ben meermalen terug geweest naar Sri Lanka. Naast [alias betrokkene 2] heb ik daar ook andere mensen ontmoet, die betrokken zijn geweest bij de LTTE. Ik ben ongeveer twee weken lang bij een soort van ‘open dag’ geweest. Daar waren ook commandanten van de militaire tak aanwezig en mensen van de civiele afdeling, zoals mensen van de politie, de rechtbanken en andere organisaties. Die hebben allemaal uitleg gegeven over wat zij allemaal deden. Zij hebben uitleg gegeven waarom er een conflict was en waarom een vrijheidsstrijd gevoerd moest worden. Elke tak heeft gewoon uitleg gegeven over wat zij deden. U vraagt mij of ik nog instructies heb meegekregen voor mijn werk in Nederland. Nee, ik heb alleen uitleg gekregen. Op grond van die uitleg moesten wij in Nederland propaganda maken om steun te verkrijgen voor onze vrijheidsstrijd. Ook hebben ze uitleg gegeven over hoe wij met mensen om moesten gaan om geld van hen te krijgen. Ze hebben gezegd dat wij de mensen in Nederland moesten benaderen om steun te kunnen verkrijgen. Mensen moesten medelijden krijgen met de Tamils op Sri Lanka.”228

“Ik ben aanwezig geweest op de Heldendag in 2003. Ik kan mij herinneren dat daar een meneer [betrokkene 3] heeft gesproken. [betrokkene 3] was iemand van de militaire tak, hij weet veel van de Tamil geschiedenis en is een bijzonder goede spreker. Ik was bij de organisatie van die Heldendag betrokken. Ik kreeg vanuit Sri Lanka te horen dat hij zou komen spreken en ik heb toen hier de verdere regelingen getroffen.”229

“U vraagt mij wat ik over de bijeenkomst op 9 juli 2005 in Oosterbeek kan vertellen. Toen de bijeenkomst op 9 juli 2005 in Oosterbeek plaatsvond, was ik niet in Nederland. Ik was wel betrokken bij de organisatie van deze bijeenkomst omdat wij die geregeld hadden. U toont mij pagina A06 6061 waarop een affiche staat afgebeeld van die bijeenkomst. Ik herken dat affiche. Dit is inderdaad het affiche voor de bijeenkomst. Ik was betrokken bij het maken van het affiche.”230

“U toont mij een affiche van de bijeenkomst op 25 juli 2007 in Amsterdam (pagina B09 1062). Ik herken dit affiche. Er heeft op 25 juli 2007 een bijeenkomst plaatsgevonden in Amsterdam. Ik ben daarbij aanwezig geweest en was ook bij de organisatie daarvan betrokken. Wij hebben op naam van een Tamilorganisatie toestemming gevraagd om de bijeenkomst te mogen organiseren.”231

“U houdt mij vervolgens voor dat er een bijeenkomst zou hebben plaatsgevonden op 4 november 2007 in Utrecht. U toont mij een affiche van die bijeenkomst die staat op pagina B09 1110. Ik herken het affiche. Ik was betrokken bij de organisatie van die bijeenkomst. Het was een herdenking voor de verantwoordelijke van de politieke tak. Hij had geprobeerd bij de internationale gemeenschap hulp te zoeken voor onze problemen. Hij is door de overheid van Sri Lanka gedood. Ik was een van de sprekers was op deze bijeenkomst.”232

“U houdt mij een gedeelte van pagina D09 0369 voor, te weten:

“Verantwoordelijke/leider

Internationale betrekkingen

Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam

Tamil Eelam

Gegroet!

Bijeenkomst van de verantwoordelijken en geldinzamelaars/

Financieel verantwoordelijken in Duitsland.

Op 12 en 13 januari vond een tweedaagse workshop voor Duitsland, Nederland, Frankrijk en België plaats waaraan alle verantwoordelijken, financieel verantwoordelijken en belangrijke medewerkers/activisten deelnamen.”

“Het in de tekst aangegeven doel van de bijeenkomst klopt.

Ik ben samen met [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 3] naar de bijeenkomst toe gegaan. Ik woonde in Den Haag en de anderen elders in Nederland. Wij hadden op een plek afgesproken en vandaar zijn we gezamenlijk verder gereisd.”233

“Er is toen gesproken over het inzamelen van geld voor de vrijheidsstrijd.”234

“Voor 2008 hebben er ook bijeenkomsten plaatsgevonden. Ik denk dat het er een of twee zijn geweest. Ik ben bij die bijeenkomsten aanwezig geweest. Ik ben daar samen met [verdachte 5] heen geweest.”235

“U houdt mij voor dat er ook een bijeenkomst zou hebben plaatsgevonden op 22 juni 2008 in Den Haag en u toont mij een affiche van die bijeenkomst (pagina B09 1196). Ik herken het affiche. Ik had die bijeenkomst georganiseerd en ben daarbij aanwezig geweest. De bijeenkomst vond plaats bij de Tweede Kamer. Ten tijde van de bijeenkomst was de situatie in Sri Lanka heel heftig. De overheid van Sri Lanka was bezig met het doodmaken van Tamils in onze gebieden. De overheid van Sri Lanka wilde ook de Verenigde Naties weghebben uit de Tamilgebieden, alsmede de andere organisaties die hulp boden aan de Tamils. De Tamils moesten hun huizen verlaten, mensen zijn gevlucht en sliepen op straat. Wij hebben hier in Nederland toen Tamils verzameld en zijn naar de Tweede Kamer gegaan. Wij hebben een brief overhandigd aan een lid van de Tweede Kamer met het verzoek om de moordpartijen op Sri Lanka te stoppen.”236

“U houdt mij vervolgens voor dat er een bijeenkomst zou hebben plaatsgevonden op 27 november 2009 in Utrecht en u toont mij een affiche van die bijeenkomst die staat op pagina B02 1734. Ik herken dat affiche. Op het affiche staat een afbeelding van onze leider [betrokkene 1]. Verder ziet u het woord ‘Heldendag’ op het affiche, de datum, een lamp en op de achtergrond de graven van overleden helden. Het doel van de bijeenkomst was de helden herdenken. Ik heb de bijeenkomst georganiseerd. Ik heb ook gesproken op deze bijeenkomst.”237

“U houdt mij voor dat ik zojuist bij de getoonde affiches heb aangegeven dat ik die herkende en u vraagt mij of ik ook betrokken ben geweest bij het maken van die affiches. Ja, dat klopt.”238

“U vraagt mij of er ook nog een bijeenkomst is geweest op 27 november 2013. Ja, dat was ook een herdenkingsdag. Ik ben daar ook geweest. Het was een helden/herdenkingsdag.”239

Uit een uittreksel van de kamer van koophandel van de Stichting Tamil Coordinating Committee-Nederland te ’s-Gravenhage blijkt dat [verdachte 2], wonende te

's-Gravenhage, sinds 1999 staat ingeschreven als secretaris.240

[verdachte 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard: “Het is juist dat ik leider van de TCC was. […] In Nederland hebben de TCC en sommige Tamil organisaties het doel van de LTTE ondersteund.”241

Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn aan het opsporingsteam kopieën van formulieren en foto’s uit de administratie van [alias betrokkene 2] overgedragen. Deze spullen betreffen een bijeenkomst die in 2003 op Sri Lanka heeft plaatsgevonden. De formulieren betroffen LTTE inschrijfformulieren. De titel van deze formulieren is “internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker”.242

Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft [verdachte 2]. Als bijnaam van [verdachte 2] is vermeld “[bijnaam verdachte 2]”.243


In dit formulier betreffende [verdachte 2] is onder meer vermeld dat [alias betrokkene 2] de direct verantwoordelijke van hem was.244

[verdachte 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg over deze bijeenkomst en dit formulier verklaard: “Er was in oktober 2003 een bijeenkomst in Sri Lanka. Ik ben bij die workshop geweest en ik heb inderdaad dat formulier ingevuld. Er zijn daarna echter wijzigingen in aangebracht en het is niet mijn handtekening. […] Het klopt dat ik toen ook met [alias betrokkene 2] heb gesproken.”245

Later heeft [verdachte 2] ter terechtzitting over deze bijeenkomst verklaard: “Tijdens die workshop was er een toespraak van [betrokkene 1]. Ik heb hem horen spreken.”246

Uit het verslag d.d. 31 januari 2008 blijkt dat op 12 en 13 januari 2008 in Duitsland een LTTE workshop werd georganiseerd voor Duitsland, Nederland, Frankrijk en België, waaraan alle verantwoordelijken, financieel verantwoordelijken en belangrijke medewerkers en activisten deelnamen.247

Blijkens dit verslag hebben de deelnemers uit Nederland hun mening kunnen geven.

Over wat door de “leider/verantwoordelijke (bedoeld wordt de afdeling), [bijnaam verdachte 2]” is gesproken is in het verslag opgenomen: “Hij zei dat het tot en met oktober 2007 helemaal niet goed was gegaan met de geldinzameling en dat het in de maanden november en december goed was verlopen. De medewerkers hadden hiervoor verschillende redenen gehad, zei hij verder. (De groepen hadden als redenen te grote inzamelingsgebieden, de grote afstanden en moeilijkheden bij de heen- en terugreis genoemd.) Toen de medewerkers extra medewerkers ter ondersteuning kregen, liep de inzameling aan het eind van het jaar veel beter, zei hij. Tot nu toe hebben slechts vier van de in totaal acht groepen een dergelijke ondersteuning gekregen. Broeder [bijnaam verdachte 2] was van plan ook voor de andere vier groepen nieuwe medewerkers te regelen. Broeder [bijnaam verdachte 2] hoopte in 2008 het streefbedrag te kunnen halen.”248

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat [verdachte 2] leider was van de TCC. Hij noemt zichzelf zo, wordt door anderen zo genoemd, en stelt zich ook als zodanig op. Nu [verdachte 2] in contact stond met [alias betrokkene 2], actief deelnam aan bijeenkomsten die overduidelijk mede door de LTTE werden georganiseerd, en een LTTE inschrijfformulier heeft ingevuld, concludeert het hof tevens dat [verdachte 2] lid was van de LTTE.

Weliswaar was [verdachte 2] de onbetwiste leider van de LTTE in Nederland, maar het staat echter onvoldoende vast dat hij als leider van de LTTE in het onder 1 ten laste gelegde beschouwd kan worden.

11.2.2. [

verdachte 1]

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “U vraagt mij in dit kader hoe lang ik [verdachte 1] nu ken. Ik ken [verdachte 1] vanaf 1996. Ik was toen al in Nederland. Ik heb hem voor het eerst ontmoet in het kantoor van de TCC. Ik ging daar heen om [getuige 13], die toen nog de voorzitter van de TCC was, te ontmoeten. [verdachte 1] was daar toen ook. U vraagt mij of [verdachte 1] op enigerlei wijze betrokken was bij de TCC. Ik wist op dat moment alleen dat [verdachte 1] met de TCC samenwerkte, maar wat zijn precieze rol was wist ik toen nog niet. In 1998 heb ik van [getuige 13] begrepen dat [verdachte 1] ook betrokken was bij het inzamelen van geld. [verdachte 1] was niet de verantwoordelijke van het gebied waar hij woonde, maar hij werkte wel met die persoon samen. Dit was in Noord-Holland. Hij ging met de verantwoordelijke mee. U vraagt mij of ik met de verantwoordelijke de LTTE verantwoordelijke bedoel. Via de TCC hebben LTTE-zaken plaatsgevonden. Men zou dus kunnen zeggen dat hij TCC verantwoordelijke was, maar je kan ook zeggen dat hij LTTE verantwoordelijke was.”249

“U vraagt mij of u uit mijn eerdere verklaringen goed heeft afgeleid dat ik met betrekking tot de rol van [verdachte 1] een onderscheid heb gemaakt tussen door hem verrichte werkzaamheden voor de TCC en door hem verrichte werkzaamheden voor de LTTE. Nee, dat klopt niet. Het is allemaal één. Wij hebben via de TCC activiteiten verricht voor de LTTE. U vraagt mij of het wel klopt dat ik enerzijds verantwoordelijke was voor de LTTE en anderzijds voorzitter van de TCC. Ik kan u daar het volgende op zeggen. De TCC is hier in Nederland geregistreerd en de LTTE niet. Wij verrichtten LTTE activiteiten via de TCC. Ik kan daarbij geen onderscheid maken tussen de LTTE en de TCC.”250

“Medio 1999 wilde [getuige 13] stoppen als voorzitter bij de TCC. Hij moest toen zelf zijn opvolger kiezen. Hij koos toen voor [bijnaam verdachte 1] (het hof begrijpt: [verdachte 1]), maar [bijnaam verdachte 1] wilde niet.”251

“Vanaf 1999 was [verdachte 1] niet meer betrokken bij de TCC. Alleen wanneer wij een programma hadden hielp hij af en toe wel mee. [verdachte 1] begeleidde iemand uit Frankrijk naar door ons georganiseerde bijeenkomsten. Het is voorgekomen dat [verdachte 1] tijdens een bijeenkomst van de TCC samen met een andere persoon kwam. Ik denk dat dat één of twee keer is gebeurd. Dat was ongeveer in de periode tussen 1999 en 2001. Het betrof wel steeds dezelfde persoon.”252

“U vraagt mij naar de rol van [verdachte 1]. Zoals gezegd hebben wij geld ingezameld in Nederland. Dat werd naar het vaderland gestuurd. De hoogte van het ingezamelde bedrag moesten wij aan [verdachte 1] doorgeven, hij noteerde dat bedrag. U vraagt mij waar [verdachte 1] past in de eerder omschreven organisatiestructuur, waarvan ik hoofdverantwoordelijke was. [verdachte 1] nam geen deel aan onze afdeling. U vraagt mij wat mijn contacten met [verdachte 1] inhielden waar het de financiën betreft. Ik had zelf geen contacten met [verdachte 1]. Ik heb hem wel eens gezien en gesproken. Ik heb hem bijvoorbeeld in Duitsland gesproken. [verdachte 5] was binnen onze organisatie degene die de financiën noteerde. Hij gaf de gegevens door aan [verdachte 1].”253

“U vraagt waar [verdachte 1] en ik over spraken. Voor 2003 waren het vriendschappelijke gesprekken over algemene dingen. Na 2003 spraken we over financiën. Hij gaf me advies over hoe we onze uitgaven zo laag mogelijk konden houden. U vraagt mij in welke hoedanigheid [verdachte 1] mij die adviezen gaf.

[verdachte 1] noteerde de gegevens van de financiën. Hij kon daardoor daarover ook adviezen geven. Hij was voor mij de persoon die de gegevens van de financiën noteerde namens de Internationale Contactplaats. Ik hoefde geen verantwoording aan [verdachte 1] af te leggen.”254

“Op de bijeenkomst op 12 en 13 januari 2008 in Duitsland was [verdachte 1] alleen als toehoorder.”255

De schriftelijke verklaring van [verdachte 1], welke verklaring op 15 september 2011 ter terechtzitting door de voorzitter geheel is voorgelezen en vervolgens aan de verdediging en de officier van justitie in kopie ter beschikking is gesteld, houdt onder meer in: “Rond 2002/2003 ben ik benaderd door [betrokkene 13] , een vroegere vriend van mij op Sri Lanka. Ik woonde vroeger in hetzelfde dorp als hij. Hij heeft mij gevraagd of ik hem wilde helpen om zodoende een positieve bijdrage te leveren voor mijn mensen op Sri Lanka. Ik heb daar toen mee ingestemd. Vanaf dat moment kreeg ik de naam [bijnaam verdachte 1].”256

“Ik ben in de periode 2002 t/m 2009 een aantal keer op Sri Lanka geweest. Ik heb [betrokkene 13] daar ontmoet en [betrokkene 13] heeft mij rondgeleid langs de projecten waar het geld van de opdrachten die ik doorzette naar toe ging. Dit waren allen humanitaire projecten. Tijdens mijn bezoek heeft [betrokkene 13] mij, via een kennis van hem die dit had voorgesteld en een vertrouweling was van [betrokkene 1], bij [betrokkene 1] geïntroduceerd. Tijdens één van mijn bezoeken heb ik tevens een keer een gesprek gehad met [betrokkene 2]. […] Kort gezegd kwamen mijn werkzaamheden er op neer dat ik van [betrokkene 13] vanuit Sri Lanka een opdracht kreeg om aan land A door te geven dat er een geldbedrag naar land B of persoon B overgemaakt of gebracht diende te worden. Ik kreeg van [betrokkene 13] gegevens met betrekking tot het land van waaruit dit bedrag betaald diende te worden, de naam van de ontvanger van de gelden alsmede, indien het geld overgemaakt diende te worden per bank, het bankrekeningnummer van de ontvanger van het geld. Ter controle van mijn eigen werkzaamheden ontving ik vervolgens van land A een overzicht waaruit bleek dat zij de opdracht van [betrokkene 13] die ik hen had doorgegeven correct hadden uitgevoerd. Vervolgens nam ik dit op in mijn administratie en zond ik dit eens per maand naar [betrokkene 13]. […] Ter bevestiging zorgde ik ervoor dat ik van de desbetreffende landen maandelijks de overzichten kreeg waaruit bleek dat aan mijn opdracht was voldaan. Daar was ik erg alert op en daar belde ik ook regelmatig achteraan.”257

De getuige [getuige 11] verklaart, zakelijk weergegeven: “Ik heb [bijnaam verdachte 1] of [bijnaam verdachte 1] in 2003 in de Wanni gezien in het kantoor van [alias betrokkene 2] met [alias betrokkene 2]. Hij had iets te maken met de internationale financiën.”258

“[alias betrokkene 2] heeft toen tegen mij gezegd dat [bijnaam verdachte 1] geld zou sturen dat ik zou moeten bewaren.”259

Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart [verdachte 1]: “U vraagt mij of ik bijnamen heb. Ik word [bijnaam verdachte 1] genoemd en ook wel [bijnaam verdachte 1]. Dat is een afkorting van [bijnaam verdachte 1]. [bijnaam verdachte 1] is mijn naam, dat is een afkorting van mijn naam: [voornaam verdachte 1].”260

In een brief gedateerd 16 november 2003 en ondertekend door [betrokkene 2] staat vermeld: “I hereby inform you that Mr. [bijnaam verdachte 1] has been appointed as the Director of the finance for foreign branches by the National Leader.”261

Op een USB stick van [verdachte 1], in beslag genomen in diens woning te Schagen zijn de bestanden Parathy, Yarl, LG, Kilyen Kalai aangetroffen. In deze bestanden worden bij de inkomsten diverse landnamen weergegeven met daarachter een valutasoort en bedragen. Deze landnamen zijn onder meer Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken, Groot-Brittannië (Londen), Nederland, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Italië, Canada, de Verenigde Staten en Australië.262

[verdachte 1] verklaart in hoger beroep: “U houdt mij voor dat op pagina C01 99 van het dossier waar een door de politie opgesteld document staat afgebeeld met betrekking tot zogenoemde ‘reisbewegingen’ die ik zou hebben gemaakt. U zegt mij dat er nogal wat reisbewegingen zijn geweest en dat uit het overzicht blijkt dat er ook reizen zijn geweest naar verschillende landen zoals Duitsland, Zwitserland, Noorwegen en Frankrijk. U houdt mij voor dat die reizen allemaal in 2005 zouden hebben plaatsgevonden. U vraagt mij of het klopt dat ik al die reisbewegingen heb gemaakt. Ja, dat klopt.

U vraagt mij wat het doel was van al die reizen. Ik heb daarover al eerder een verklaring afgelegd. Af en toe ging het mis met de registratie van de bedragen. [betrokkene 13] vroeg mij dan om het te controleren of te corrigeren. Wanneer er een registratie niet klopte dan ging ik er naar toe.”263

Op 12 en 13 januari 2008 werd in Duitsland een LTTE workshop georganiseerd voor Duitsland, Nederland, Frankrijk en België, waaraan alle verantwoordelijken, financieel verantwoordelijken en belangrijke medewerkers en activisten deelnamen. Dit blijkt uit een document, gedateerd 31 januari 2008, met als koptekst “Verantwoordelijke/leider internationale betrekkingen, Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam, Tamil Eelam”. In het stuk staat dat de bijeenkomst volgens plan werd gehouden en een succes was. De workshop stond onder leiding van de heer [bijnaam verdachte 1] en de heer [betrokkene 7].264

[verdachte 1], wonende te Schagen, heeft over deze bijeenkomst verklaard: “Ik heb niet de hele vergadering bijgewoond. Ik heb alleen van [betrokkene 13] te horen gekregen dat ik daar naar toe moest voor twee dingen. Als eerste omdat ik van die landen geen berekeningen krijg en als ik daar naar toe ga, kan ik ze ontmoeten en kan ik overleggen.”265

[verdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep op vragen met betrekking tot het verslag van de bijeenkomst in Duitsland – zakelijk weergegeven – verklaard:

“Ik ben op verzoek van [betrokkene 13] daar heen gegaan. [betrokkene 7] is een medewerker van de TCC in Duitsland. U houdt mij de eerste passage onder het kopje “Waarover broeder [bijnaam verdachte 1] met broeder [bijnaam verdachte 2] heeft gediscussieerd” voor. Ik herinner mij dit wel”266.

[verdachte 1] verklaart voorts ter terechtzitting in hoger beroep: “U houdt mij voor dat [verdachte 2] heeft verklaard dat alles de LTTE was, dat er geld werd ingezameld voor de gewapende strijd en voor humanitaire hulp. U houdt mij voorts voor dat [verdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte 5] de financiën noteerde en de gegevens daarna aan mij doorgaf. U vraagt mij of het klopt dat [verdachte 5] aan mij gegevens doorgaf. Dat klopt, hij stuurde mij e-mail berichten betreffende de rekeningen.”267

Op de computer van [verdachte 5], in beslag genomen in diens woning te Breda, zijn spreadsheets met financiële overzichten aangetroffen. Dezelfde spreadsheets zijn ook aangetroffen op een USB stick van [verdachte 1], in beslag genomen in diens woning te Schagen.268

Uit bestanden die aangetroffen zijn op een bij [verdachte 1] in beslaggenomen USB stick blijkt dat de totale inkomsten in de administratie van verdachte over januari 2005 tot en met juli 2009 136.024.702 euro waren.269

In hoger beroep verklaart [verdachte 1]: “U vraagt mij of ik het nieuws uit mijn land wel op de voet volgde. Ja, vanaf 2002/2003 hadden we toegang tot het internet en konden we het zelf lezen. Daarvoor was het altijd veel later en hoorden we het van vrienden of anderen.”270

Uit dezelfde verklaring blijkt dat [verdachte 1] op de hoogte was van enkele aanslagen die aan de LTTE werden toegerekend.

Uit de door het hof gebezigde bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat [verdachte 1] een hoge positie bekleedde binnen de LTTE. Hij stond in nauw contact met [alias betrokkene 2], werd door hem aangesteld als internationaal financieel verantwoordelijke, stelde zich als zodanig op tijdens een internationale bijeenkomst en hield ook daadwerkelijk een financiële administratie bij voor de LTTE. Zijn rol als financieel controller beperkte zich niet alleen tot Nederland (mede) gezien zijn vele reisbewegingen. Voorts wist hij van de plaatsing van de LTTE op EU-sanctielijst en was hij op de hoogte van enige aan de LTTE toegerekende aanslagen.

Het hof is op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat de positie van [verdachte 1] dusdanig gezaghebbend was dat hiermee vaststaat dat hij als leider heeft deelgenomen aan de LTTE zowel in het onder 2 als 1 ten laste gelegde.

11.2.3. [

verdachte 3]

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep: “U vraagt mij of u uit mijn eerdere verklaringen goed heeft afgeleid dat ik met betrekking tot de rol van [verdachte 1] een onderscheid heb gemaakt tussen door hem verrichte werkzaamheden voor de TCC en door hem verrichte werkzaamheden voor de LTTE. Nee, dat klopt niet. Het is allemaal één. Wij hebben via de TCC activiteiten verricht voor de LTTE. U vraagt mij of het wel klopt dat ik enerzijds verantwoordelijke was voor de LTTE en anderzijds voorzitter van de TCC. Ik kan u daar het volgende op zeggen. De TCC is hier in Nederland geregistreerd en de LTTE niet. Wij verrichtten LTTE activiteiten via de TCC. Ik kan daarbij geen onderscheid maken tussen de LTTE en de TCC.”271

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “U toont mij pagina B01 2821, betreffende de verklaring van [getuige 14]. U houdt mij daaruit voor dat [getuige 14] onder meer heeft verklaard dat hij de persoon op foto 13 herkent als [verdachte 3] uit Schagen, dat [verdachte 3] penningmeester was bij de TRO, dat [verdachte 3] geld heeft ingezameld voor de TCC en dat [verdachte 3] de kwitantie had ondertekend die hij kreeg toen hij geld had gegeven. U vraagt mij of deze beschrijving van taken kan kloppen. Ja, dat kan. Dat zal dan vóór 2003 zijn geweest, waarschijnlijk in 2002. [verdachte 3] was toen betrokken bij de TRO.”272

Over de (eerder genoemde) tweedaagse workshop op 12 en 13 januari 2008 in Duitsland verklaart hij als volgt: “U vraagt mij wat de rol van [verdachte 3] op de bijeenkomst in Duitsland was. [verdachte 3] was ook regioverantwoordelijke. Hij heeft over het inzamelen van geld in zijn eigen regio gesproken.”273

“U vraagt mij of ik voor de LTTE het enige aanspreekpunt in Nederland was. Ik was inderdaad het aanspreekpunt. Als ik er niet was gaf ik aan mensen het e-mailadres van iemand anders die dan wel bereikbaar was. Voor 2006 was dat [verdachte 3].”274

“[verdachte 3] heeft twee functies gehad, te weten plaatsvervanger tot 2006 en coördinator van de Tamil scholen. Het waren wel twee verschillende functies.”275

“[verdachte 3] was coördinator bij de Tamilscholen. Ik zal u uitleggen wat ik met Tamil scholen bedoel. Wij hadden geen grote scholen. Het ging meer om bijles geven in de Tamil taal gedurende 1 a 2 uur per week.”276

“U toont mij pagina’s D08 241a en 241b. Het is mogelijke dat er mensen zijn die op de inschrijfformulieren hebben aangegeven dat zij werkten onder [verdachte 3]. Er waren verschillende scholen in verschillende gebieden. Per school was er iemand verantwoordelijk. [verdachte 3] coördineerde de scholen. In die hoedanigheid zorgde hij ervoor dat alle scholen hetzelfde lesmateriaal kregen en hij regelde dat er een keer per jaar een examen werd afgenomen.”277

De getuige [getuige 14] verklaart, zakelijk weergegeven: “Ik kende de leiders van de TCC. Ik weet niet of ze ingeschreven zijn, maar ik ken [bijnaam verdachte 2], [betrokkene 14], [verdachte 3], [bijnaam verdachte 5], [bijnaam verdachte 4], en [betrokkene 15].”278

“Ik wist dat deze mensen voor de TCC werkten omdat sommigen van het dat tegen mij gezegd hebben. [betrokkene 14] en [verdachte 3] hebben tegen mij gezegd dat zij voor de TCC werkten.”279

Op 4 november 2007 heeft in Utrecht een herdenkingsbijeenkomst plaats gevonden ter gelegenheid van zes omgekomen LTTE strijders, waaronder [betrokkene 6], de politiek leider van de LTTE. Op een DVD van deze bijeenkomst is te zien dat [verdachte 3] er een toespraak houdt. Wanneer [verdachte 3] in beeld komt voor zijn speech dan verschijnt er in Tamilschrift een tekst in het beeld. Deze tekst is als volgt vertaald: "Dhr. [verdachte 3], plaatsvervangend bevelhebber van Nederland, Rapport van de nationale leider".280

Van deze bijeenkomst zijn in het beslag van onderzoek TG022, drie dvd's aangetroffen met beelden van deze bijeenkomst. Aan de hand van de uitgekeken beelden werden [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 3] herkend.

[verdachte 4] kondigde de diverse sprekers aan terwijl [verdachte 2] en [verdachte 3] twee van de sprekers waren. Tijdens de bijeenkomst wordt een rood met gele vlag met tijgerkop gehesen ter ering van de omgekomen slachtoffers.

Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn, als gemeld, aan het opsporingsteam documenten uit de administratie van [alias betrokkene 2] overgedragen. Deze documenten bevatten onder meer LTTE inschrijfformulieren. De titel van deze formulieren is “internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker”.281

Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft [verdachte 3].282

In het formulier, gedateerd 19 maart 2004, is onder meer vermeld dat [verdachte 3], wonende te Schagen, district verantwoordelijkheid droeg voor kunst en cultuurorganisatie en onderwijswerk.283

In het document betreffende de bijeenkomst in Duitsland op 12 en 13 januari 2008, zoals hiervoor aangehaald, is over de “plaatsvervangend leider van de afdeling in Nederland, de heer [het hof begrijpt: verdachte 3]” het volgende opgenomen: “Hij zei dat hij in het begin moeite had gehad landgenoten voor het "Nationale plicht fonds" te benaderen omdat in zijn district reeds meerdere mensen waren geworven voor het kredietfonds. Heel langzaam, zo vertelde hij ons, kon hij de mensen overtuigen zodat hij in zijn "alagu" 80 mensen voor dit fonds kon werven. De medewerkers die via de internationale betrekkingen waren gekomen om hem te ondersteunen (d.w.z. de mensen die door [betrokkene 7] waren gestuurd) hadden hem hierbij erg geholpen. Hij zei verder dat de mensen in zijn district overwegend via de bank hadden betaald.

Voor het "Nationale plicht fonds" wordt in zijn gebied/district per "alagu" heel weinig gevraagd.”284

[verdachte 3] heeft hierover ter terechtzitting in hoger beroep verklaard – zakelijk

weergegeven –: “Wij zijn in het kader van de TCC naar de bijeenkomst toegegaan. Het kan zijn dat ik ergens commentaar op heb gegeven. Ik kan me niet meer goed herinneren wat ik daar allemaal precies verteld heb. U vraagt mij of ik de tekst weergegeven onder het kopje “plaatsvervangend leider van de afdeling in Nederland, de heer [het hof begrijpt: verdachte 3]” heb gezegd op de bijeenkomst Het kan zijn dat ik daar mijn mening heb verteld.285

[verdachte 3] verklaart voorts ter terechtzitting in hoger beroep: “U vraagt mij in het kader waarvan ik [verdachte 2] dan hielp. Als [verdachte 2] om persoonlijke redenen of andere redenen weg moest dan vertelde hij mij wat ik moest doen. Dit kon bijvoorbeeld het organiseren van programma’s zijn, maar ook het adviseren bij sportwedstrijden. Maar [verdachte 2] nam dan vaak alsnog ook zelf contact op vanaf de plaats waar hij op dat moment verbleef, zodat hij zelf toch nog dingen kon regelen. Ik hoefde vaak dus eigenlijk niet zoveel te doen. U vraagt mij over welke periode ik dan spreek. Ik kan mij dat niet goed herinneren. Ik denk dat het in de periode tussen 2004 en 2006 is geweest. Na 2006 is het in ieder geval veel minder geworden.

U vraagt mij of ik in het kader van de TCC [verdachte 2] heb geholpen. Ja, dat klopt.

U vraagt mij hoe lang ik bij de TCC ben geweest. Ik kan mij dat niet goed herinneren. Ik denk dat het vanaf 1999 of 2000 is geweest. Ik ben tot mei 2009 bij de TCC betrokken geweest.”286

“U vraagt mij welke werkzaamheden ik voor de TCC heb uitgevoerd. Ik was betrokken bij het inzamelen van geld in Noord Holland. U houdt mij voor dat [verdachte 2] daarover heeft verklaard dat ik de regioverantwoordelijke was. U vraagt mij of dat klopt. Ja, ik was de verantwoordelijke voor de geldinzameling in de regio Noord-Holland.”287

“U toont mij pagina D09 369 van het dossier. Dit is de Nederlandse vertaling van het document betreffende een bijeenkomst in Duitsland. U vraagt mij of ik op 31 januari 2008 aanwezig was op die bijeenkomst in Duitsland. Ja, ik ben op die bijeenkomst geweest.”288

“U vraagt mij of ik zelf het nieuws van wat zich op Sri Lanka afspeelde op de voet volgde. Ja, ik volgde het nieuws.”289

Uit dezelfde verklaring blijkt dat [verdachte 3] op de hoogte was van enkele aanslagen die aan de LTTE werden toegerekend.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat [verdachte 3] plaatsvervangend leider was van de TCC. Hij wordt door anderen zo genoemd en stelt zich op bijeenkomsten op als iemand met gezag binnen de organisatie. Nu [verdachte 3] tevens actief deelnam aan bijeenkomsten die overduidelijk mede door de LTTE werden georganiseerd en een LTTE inschrijfformulier heeft ingevuld, concludeert het hof tevens dat [verdachte 3] lid was van de LTTE, terwijl hij op de hoogte was van enkele aanslagen die aan de LTTE werden toegerekend.

Onvoldoende staat echter vast dat de positie van [verdachte 3] in de LTTE dusdanig gezaghebbend was dat hij als leider van de LTTE in het onder 1 ten laste gelegde beschouwd kan worden.

11.2.4. [

verdachte 4]

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep: “U vraagt mij of u uit mijn eerdere verklaringen goed heeft afgeleid dat ik met betrekking tot de rol van [verdachte 1] een onderscheid heb gemaakt tussen door hem verrichte werkzaamheden voor de TCC en door hem verrichte werkzaamheden voor de LTTE. Nee, dat klopt niet. Het is allemaal één. Wij hebben via de TCC activiteiten verricht voor de LTTE.

U vraagt mij of het wel klopt dat ik enerzijds verantwoordelijke was voor de LTTE en anderzijds voorzitter van de TCC. Ik kan u daar het volgende op zeggen. De TCC is hier in Nederland geregistreerd en de LTTE niet. Wij verrichtten LTTE activiteiten via de TCC. Ik kan daarbij geen onderscheid maken tussen de LTTE en de TCC.”290

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt over de tweedaagse workshop op 12 en 13 januari 2008 in Duitsland: “U vraagt mij wat de rol van [verdachte 4] op de bijeenkomst in Duitsland was. [verdachte 4] was toen een regioverantwoordelijke. Als regioverantwoordelijke was hij ook betrokken bij het inzamelen van geld. Over dat onderwerp heeft hij daar gesproken.”291

“[verdachte 4] was in Nederland verantwoordelijk voor het district Midden-Nederland.”292

“[verdachte 4] was een van de mensen die langs de deuren ging. Net als andere mensen zamelde hij geld in.”293

Uit een uittreksel van de kamer van koophandel van de Stichting Tamil Coordinating Committee-Nederland te 's-Gravenhage, blijkt dat [verdachte 4], wonende te Zeist, sinds 2005 staat ingeschreven als voorzitter.294

[verdachte 4] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep: “U vraagt mij of de TCC banden had met de LTTE. Ik weet dat de TCC in Nederland is opgericht om Tamil mensen te helpen. Onze mensen op Sri Lanka werden beschermd door de Tamil Tijgers. Elke vorm van hulp voor onze mensen op Sri Lanka moest via de LTTE gebeuren. Dat is de reden dat de TCC contact had met de LTTE.”295

“U vraagt mij wat mijn taak was binnen de regio waar ik hoofd van was. Ik ging bij de mensen langs om hen uit te leggen dat onze mensen op Sri Lanka onze hulp nodig hadden en dat ik daarvoor geld inzamelde.

U vraagt mij om wat voor hulp het precies ging. Door de oorlogssituatie in ons land hadden veel mensen hun woning en baan verloren. Er was een tekort aan basisvoorzieningen. Voor dit soort zaken werd hulp geboden. Ik heb sinds 1992 dit soort werkzaamheden via de TCC voor onze mensen verricht. Ik heb dit gedaan tot 2009.”296

“U vraagt mij of het klopt dat ik, zoals door [verdachte 2] is verklaard, ook wel [bijnaam verdachte 4] word genoemd. Ja, dat klopt.”297

“U toont mij pagina B00 2155 van het dossier en wijst mij op een van de vetgedrukte kopjes van het verslag, te weten: “[bijnaam verdachte 4], die voor propaganda/distributie en de sportafdeling verantwoordelijk is”.

U vraagt mij voor welke afdeling ik verantwoordelijk was. Ik was voor de sportafdeling verantwoordelijk en ook voor de propaganda zoals ik u dat eerder heb uitgelegd.”298

“U vraagt mij wat mijn functie als hoofd propaganda inhield. Ik heb dat al eerder uitgelegd. Het belangrijkste voor ons was dat aan de buitenwereld kenbaar werd gemaakt wat er allemaal op Sri Lanka gebeurde met en tegen onze mensen. Dat was een belangrijke taak.”299

“U vraagt mij nogmaals waar het geld dat ik inzamelde terecht is gekomen, dan wel wat ik met dat geld gedaan heb. Ik heb het ingezamelde geld aan [bijnaam verdachte 5]-broer gegeven. Ik heb gehoord dat het geld via de LTTE het Tamilgebied binnenging om onze mensen te helpen. Ik heb gezien dat de mensen ook geholpen zijn.”300

“U houdt mij voor dat ik meermalen op de vraag van de voorzitter of ik op de hoogte was van een bepaalde aanslag heb geantwoord dat ik het nieuws had gehoord.

U vraagt mij hoe, van wie en wanneer ik het nieuws had gehoord. Als er ergens op Sri Lanka een incident plaatsvond dan kwam dat op het internet of op het nieuws. Zo kwam ik het te weten.”301

“U toont mij pagina A07 0155 van het dossier. U vraagt mij of ik de getoonde kwitanties herken. Ja, ik herken ze.

U vraagt mij of dit soortgelijke kwitanties zijn als die ik aan de mensen gaf die geld hadden betaald.

Ja, ik heb dit soort kwitanties uitgedeeld.

U wijst mij op het rode embleem links boven op de kwitantie en u vraagt mij of ik dit embleem ken. Ja, dat is het embleem van de vrijheidsstrijders.”302

Door getuige [getuige 16] is verklaard dat hij geld heeft betaald aan Tamilorganisaties en hij heeft 15 betalingsbewijzen303 overhandigd. Zoals hiervoor is weergegeven, heeft [verdachte 4], met deze betalingsbewijzen geconfronteerd, verklaard dat hij dergelijke kwitanties heeft uitgedeeld.

Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn, zoals overwogen, aan het opsporingsteam documenten uit de administratie van [alias betrokkene 2] overgedragen. Deze documenten betreffen een bijeenkomst die in 2003 op Sri Lanka heeft plaatsgevonden en bevatten onder meer LTTE inschrijfformulieren. De titel van deze formulieren is “internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker”.304 Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft [verdachte 4]. Als bijnaam van [verdachte 4] is vermeld “[bijnaam verdachte 4]”.305

In het formulier gedateerd 3 januari 2004 is onder meer vermeld dat [verdachte 4] verantwoordelijke propaganda/sportafdeling, bestuur muziekcomité, fondsenwerving was.306

In het formulier gedateerd 12 oktober 2003 is onder meer vermeld dat zijn direct verantwoordelijke [bijnaam verdachte 2] was.307

In het document betreffende de bijeenkomst in Duitsland op 12 en 13 januari 2008 wordt is als hetgeen “[bijnaam verdachte 4], die voor propaganda/distributie en de sportafdeling verantwoordelijk is” heeft gezegd het volgende opgenomen: “Hij verontschuldigde zich voor het feit dat hij het voorgeschreven streefbedrag niet had gehaald. Hij zei hiervoor zelf verantwoordelijk te zijn. (Doordat men de mensen had toegezegd nooit meer bij hen thuis te komen, wist hij niet hoe hij geld moest inzamelen.) Hij had daarom niets ondernomen, maar verzekerde het streefbedrag het komende jaar te halen. Een andere reden was dat hij niemand meer had gehad die hem bij zijn werk kon motiveren aangezien broeder [bijnaam verdachte 2] niet in Nederland was. Hoewel de heer [het hof begrijpt: verdachte 3] ook een verantwoordelijke was, was deze ook veel onderweg geweest om geld in te zamelen. Daarom was hij niet in staat geweest advies bij [het hof begrijpt: verdachte 3] in te winnen resp. hem om ondersteuning te vragen.”308

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat [verdachte 4] een leidinggevende positie had binnen de TCC. Hij vertegenwoordigde de TCC formeel en feitelijk.

Nu [verdachte 4] tevens actief deelnam aan bijeenkomsten die overduidelijk mede door de LTTE werden georganiseerd en een LTTE inschrijfformulier heeft ingevuld, concludeert het hof tevens dat [verdachte 4] lid was van de LTTE, terwijl hij op de hoogte was van enkele aanslagen die aan de LTTE werden toegerekend.

Onvoldoende staat echter vast dat de positie van [verdachte 4] in de LTTE dusdanig gezaghebbend was dat hij als leider van de LTTE in het onder 1 ten laste gelegde beschouwd kan worden.

11.2.5. [

verdachte 5]

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep: “U vraagt mij of u uit mijn eerdere verklaringen goed heeft afgeleid dat ik met betrekking tot de rol van [verdachte 1] een onderscheid heb gemaakt tussen door hem verrichte werkzaamheden voor de TCC en door hem verrichte werkzaamheden voor de LTTE. Nee, dat klopt niet. Het is allemaal één. Wij hebben via de TCC activiteiten verricht voor de LTTE.

U vraagt mij of het wel klopt dat ik enerzijds verantwoordelijke was voor de LTTE en anderzijds voorzitter van de TCC. Ik kan u daar het volgende op zeggen. De TCC is hier in Nederland geregistreerd en de LTTE niet. Wij verrichtten LTTE activiteiten via de TCC. Ik kan daarbij geen onderscheid maken tussen de LTTE en de TCC.”309

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “[verdachte 5] was binnen onze organisatie degene die de financiën noteerde. Hij gaf de gegevens door aan [verdachte 1].”310

“Er kwam geld binnen via de districten. Dit geld ging dan naar [verdachte 5]. Een koerier haalde het geld op bij [verdachte 5]. Ik gaf het aan [verdachte 5] aan wanneer er een koerier zou komen aan wie hij het geld moest geven.”311

“Ik was voor de LTTE in Nederland het aanspreekpunt. Als ik er niet was gaf ik aan mensen het e-mailadres van iemand anders die dan wel bereikbaar was. Voor 2006 was dat [verdachte 3]. Als het over financiën ging gaf ik het adres van [verdachte 5] door.”312

Over de tweedaagse workshop op 12 en 13 januari 2008 in Duitsland: “U vraagt mij wat de rol van [verdachte 5] op de bijeenkomst in Duitsland was. [verdachte 5] heeft ook over financiën gesproken. Hij heeft gesproken over zijn registratie en of de mensen medewerking hadden gegeven.”313

Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart [verdachte 5]: “U wijst mij er op dat mijn naam in het organisatieschema is vermeld onder het kopje ‘Hoofd Financiën’. U vraagt mij om een reactie. Dat klopt niet, mijn activiteit was de registratie van inkomsten en uitgaven van de TCC.

In antwoord op uw vraag of ik ook wel eens ‘[bijnaam verdachte 5]’ word genoemd, deel ik u mede dat dat juist is. [bijnaam verdachte 5] is mijn roepnaam en die naam werd ook gebruikt op de school waar ik werkte.”314

“U houdt mij voor dat [verdachte 2] heeft verklaard dat de gegevens werden doorgegeven aan [verdachte 1] en u vraagt mij of dat klopt. Mijn voorganger heeft de programma’s gemaakt en heeft aangegeven naar welke adressen de gegevens verstuurd moesten worden. Ik nam zijn werk over en stuurde de gegevens naar diezelfde adressen.

Voor deze strafzaak wist ik dat hij [bijnaam verdachte 1] heette en pas door de strafzaak weet ik dat hij [verdachte 1] heet.”315

Tijdens een strafrechtelijk onderzoek in Canada naar de LTTE werd een geschrift aangetroffen kennelijk opgesteld door de Afdeling Internationale Betrekkingen van de LTTE. Dit geschrift beschrijft de herstructurering van de buitenlandse afdelingen van de LTTE en bevat een schema met daarop de structuur van die buitenlandse afdelingen.

Op grond van de onderzoeksbevindingen in de onderhavige zaak is dit organisatieschema door de Nationale Recherche ingevuld naar de Nederlandse situatie.316

Uit een uittreksel van de kamer van koophandel van de Stichting Tamil Coordinating Committee-Nederland te ’s-Gravenhage blijkt dat [verdachte 5], wonende te Breda, sinds 1992 staat ingeschreven als bestuurslid.317

Op de computer van [verdachte 5], in beslag genomen in diens woning te Breda, zijn spreadsheets met financiële overzichten aangetroffen. Dezelfde spreadsheets zijn ook aangetroffen op een USB stick van [verdachte 1], in beslag genomen in diens woning te Schagen.318

Door de autoriteiten van Sri Lanka zijn aan het opsporingsteam documenten uit de administratie van [alias betrokkene 2] overgedragen. Deze documenten betreffen een bijeenkomst die in 2003 op Sri Lanka heeft plaatsgevonden en bevatten onder meer LTTE inschrijfformulieren. De titel van deze formulieren is “internationale contactplaats, vrijheidstijgers van Tamil Eelam, informatie over een buitenlandse medewerker”.319 Eén van deze LTTE inschrijfformulieren betreft [verdachte 5].320

In het formulier gedateerd 15 oktober 2003 is onder meer vermeld dat [verdachte 5] propaganda-man is en dat zijn direct verantwoordelijke [bijnaam verdachte 2] is.321

In het document betreffende de bijeenkomst in Duitsland op 12 en 13 januari 2008 het navolgende opgenomen over wat de “financieel verantwoordelijke, [bijnaam verdachte 5]” daar heeft gezegd: "Toen ik de medewerkers naar hun wekelijkse resp. maandelijkse inkomsten vroeg, zeiden zij steeds dat ik contact met broeder [bijnaam verdachte 2] moest opnemen (om dit te vernemen). Zo luidde bijvoorbeeld het antwoord van broeder [bijnaam verdachte 4] toen ik hem naar zijn inkomsten vroeg. Wanneer broeder [bijnaam verdachte 2] niet in het land is, bestaat onder de medewerkers de indruk dat zij geen verantwoording aan mij, broeder [bijnaam verdachte 5], verschuldigd zijn. De activisten/medewerkers geven steeds als antwoord dat zij een e-mail aan broeder [bijnaam verdachte 2] hebben gestuurd. Van onze medewerkers leggen sommigen verantwoording aan [bijnaam verdachte 2] af, anderen aan mij en een derde groep aan [het hof begrijpt: verdachte 3]" [bijnaam verdachte 5] zei verder dat de geldinzameling door Thettam (kredietfonds), "Fonds voor levenskracht" bij afwezigheid van [bijnaam verdachte 2] heel goed liep. Maar in 2007 was alles anders. Men wist niet waarom, zei [bijnaam verdachte 5]. Broeder [bijnaam verdachte 5] zei verder: "Wanneer [bijnaam verdachte 2] niet hier in het land (Nederland) is, heb ik geen contact met de medewerkers omdat zij niet met mij willen praten. Zij zeggen steeds dat zij alles aan [bijnaam verdachte 2] hebben gemeld. Ik weet niet hoe ik onder deze omstandigheden moet werken." Wanneer hij door het ontbreken van ondersteuning door de medewerkers het streefbedrag niet mocht halen, zei [bijnaam verdachte 5], zou hij een krediet opnemen om het bedrag te suppleren. Hij zei verder dat men geld uit het distributiebudget zou nemen om het resterende bedrag (d.w.z. het gedeelte van het streefbedrag dat niet kon worden ingezameld) in het kader van het inzamelingsproject voor het "Nationale plicht fonds" te suppleren en te betalen. Zelf had hij een krediet van € 10 (bedoeld wordt wellicht een bedrag van € 10.000) opgenomen om het streefbedrag af te rekenen/te vereffenen.”322

Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart [verdachte 5]: “U deelt mij mede dat u wil overgaan tot het stellen van vragen over de bijeenkomst in Duitsland en wijst er op dat zich in het dossier een document bevindt dat daarop betrekking heeft. U vraagt mij of ik aanwezig ben geweest bij die bijeenkomst. Ik was bij de bijeenkomst in Duitsland aanwezig.”323

“U vraagt mij waarom ik naar de bijeenkomst ging. Pas nadat ik daar aankwam begreep ik waarvoor de ontmoeting was. Er was ook een TCC in Duitsland. Eén van de doelen van de bijeenkomst was om samen te werken met de Duitse organisatie zodat wij in plaats van alleen kleinschalige projecten ook grotere projecten konden uitvoeren, zoals het opzetten van een school of een weeshuis. Ik weet niet wie de bijeenkomst organiseerde. De TCC Nederland heeft ons gewezen op de bijeenkomst en gezegd dat we er heen konden gaan.”324

“U vraagt mij of ik in het document het kopje ‘Financieel verantwoordelijke, [bijnaam verdachte 5]’ zie staan. Ja, ik zie dat staan in het verslag. U houdt mij voor dat het, uit de tekst onder dat kopje, lijkt dat ik een stukje verantwoordelijkheid afleg over de financiën. U vraagt mij of dat klopt. Ik weet niet met welke gedachte de schrijver die woorden gekozen heeft. Het ging om het registreren van inkomsten en uitgaven.”325

“U vraagt mij of ik daar namens de TCC sprak. Ja, dat klopt. Ik was daar als functionaris van de TCC.”326

Voorts heeft het hof acht geslagen op de verklaring van [verdachte 5] in hoger beroep waarin hij aangeeft op de hoogte te zijn geweest van een aantal aanslagen dat aan de LTTE werd toegerekend.327

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat [verdachte 5] een leidinggevende positie had binnen de TCC. Hij hield de financiële administratie bij voor Nederland. Anderen rapporteerden de inkomsten en uitgaven aan hem en hij rapporteerde de inkomsten en uitgaven aan de internationaal financieel verantwoordelijke van de LTTE, [verdachte 1]. Nu [verdachte 5] tevens actief deelnam aan bijeenkomsten die overduidelijk mede door de LTTE werden georganiseerd en een LTTE inschrijfformulier heeft ingevuld, concludeert het hof tevens dat [verdachte 5] lid was van de LTTE, terwijl hij op de hoogte was van enkele aanslagen die aan de LTTE werden toegerekend.

Onvoldoende staat echter vast dat de positie in de LTTE dusdanig gezaghebbend was dat hij als leider van de LTTE in het onder 1 ten laste gelegde beschouwd kan worden.

11.3.

Oogmerk van de (terroristische) organisatie

Dat aan de LTTE en de daaronder ressorterende sub-organisaties naar Nederlands strafrecht ook een crimineel oogmerk, als bedoeld in artikel 140 Sr, moet worden toegeschreven, volgt uit de nader weer te geven bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het terroristisch oogmerk betreffende voornoemde misdrijven overweegt het hof als volgt.

Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen zijn met de inwerkingtreding van de Wet terroristische misdrijven de begrippen terroristisch oogmerk (art. 83a Sr) en terroristisch misdrijf (art. 83 Sr) geïntroduceerd. Het meergenoemde Kaderbesluit inzake terrorismebestrijding eiste voor de kwalificatie van een terroristisch misdrijf dat het misdrijf door zijn aard en context een land of organisatie ernstig kan schaden. Ofschoon deze eis niet met zoveel woorden in art. 83a Sr is overgenomen en (mede daardoor) de reikwijdte van het terroristisch oogmerk van art. 83a Sr (nog) niet helemaal lijkt vast te staan en het bestaan van een terroristisch oogmerk niet louter kan worden afgeleid uit een ideologie328, is het hof desalniettemin van oordeel dat in zoverre duidelijk is dat voor het bewijs van dit oogmerk onder meer betekenis zal toekomen aan de concrete misdrijven die door de organisatie zijn gepleegd329, de omvang van de beoogde gevolgen daaronder begrepen, alsmede uit objectieve feiten of gedragingen alsmede de beoordeling van de ideologische context op basis waarvan deze gedragingen worden geïnitieerd. Daarbij kan voor het bewijs het motief of de ideologie van de verdachte of de organisatie waarvan hij deel uitmaakt, ofschoon niet op bestanddeelniveau, naar het oordeel van het hof wel degelijk een rol van betekenis spelen. In ieder geval zal moeten komen vast te staan dat de organisatie waaraan de verdachten deelnamen het oogmerk had om door middel van de beoogde en/of gepleegde strafbare feiten mensen vrees aan te jagen, de overheid van Sri Lanka tot iets te dwingen of de fundamenten van de Sri Lankaanse maatschappij te ontwrichten of te vernietigen.

Het hof benadrukt hierbij nogmaals dat met oogmerk wordt bedoeld het naaste doel van de organisatie en niet van de individuele leden van de organisatie. In verband met art. 140a Sr (feit 1.A. van de tenlastelegging) moet het naaste doel van de organisatie, in casu de LTTE, zijn gelegen in het plegen van terroristische misdrijven, met andere woorden: er moet oogmerk zijn op het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk (zie: art. 83a Sr). De bijdrage van de deelnemer moet erin bestaan een aandeel te hebben in dan wel ondersteuning te geven aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, hetgeen opzet verondersteld. Niet vereist is derhalve dat ook daadwerkelijk wordt deelgenomen aan de misdrijven waarop het oogmerk is gericht.330

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting acht het hof in verband met dit oogmerk voorts aannemelijk geworden dat het uiteindelijke streven van de LTTE is geweest om een eigen onafhankelijke staat te verkrijgen op Sri Lanka: Tamil Eelam.331 Mede om dat doel te bereiken heeft de LTTE de keuze gemaakt om geweld toe te passen. Hoewel de LTTE ook vreedzame wegen heeft bewandeld om een onafhankelijke staat te bewerkstelligen, neemt dit niet weg dat de LTTE systematisch ernstige geweldshandelingen heeft aangewend om haar doelen te bereiken. De LTTE heeft de overheid van Sri Lanka door middel van wederrechtelijk geweld willen doen dwingen de eisen van de LTTE in te willigen: land afstaan ten behoeve van Tamil Eelam. De LTTE heeft daarbij beoogd de fundamentele politieke, constitutionele, economische en sociale structuren van Sri Lanka te ontwrichten.332 In dit verband kan tevens worden gewezen op het bestaan van een groot aantal door het openbaar ministerie aangehaalde openbare bronnen, met name betreffende uitspraken van buitenlandse rechters, waarin, in de kern en voor zover hier relevant, is overwogen en beslist dat de LTTE dient te worden aangemerkt als een organisatie die terroristisch geweld pleegde en beoogde te plegen, ook tegen burgers.333 Voorts stellen de deskundigen Frerks en Keenan in hun deskundigenrapport dat in de loop van meer dan 25 jaar oorlog de LTTE verantwoordelijk was voor honderden aanslagen op civiele doelen waarbij duizenden mensen omkwamen. Deze werden uitgevoerd hetzij in de vorm van een bomaanslag of van guerrilla-aanslagen op dorpen en openbare plaatsen in het noordoosten, langs de feitelijke “grens” die de gebieden met een meerderheid aan Tamils scheidde van gebieden met een meerderheid aan Singalese inwoners.334

Het hof stelt, mede gelet op het voorgaande, op grond van de feiten en omstandigheden zoals die zijn opgenomen in de bewijsmiddelen vast dat de LTTE in de tenlastegelegde periode moet worden aangemerkt als een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Daarbij was het oogmerk van die organisatie, naar het oordeel van het hof – kort gezegd – (mede) gericht op met terroristisch oogmerk plegen van de hierna nader te bespreken strafbare feiten. Het hof overweegt in dit verband voorts dat sommige onder 1.A. bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk, bij andere onder 1.B. vermelde (vergelijkbare) feiten ontbreekt dit oogmerk, maar is er wel sprake van een strafbaar feit dat aan de LTTE als criminele organisatie toegerekend kan worden. Indien en voorzover bewezenverklaring kan volgen voor de desbetreffende feiten dient te worden geoordeeld dat sprake is van een eendaadse samenloop in relatie tot het onder 1.A. tenlastegelegde.

Uit de hiervoor besproken rol van de verdachte en zijn medeverdachten in de LTTE, blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam – dat wil zeggen voor het bewijs redengevend – dat de verdachte heeft deelgenomen aan deze organisatie. Voor deelneming is vereist dat de betrokkenen concrete handelingen hebben verricht in het kader van de organisatie en voorts in zijn algemeenheid weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de tenlastegelegde zin. De verdachte wist naar het oordeel van het hof dat de organisatie (mede) was gericht op het plegen van terroristische misdrijven. Ten aanzien van de deelneming van de verdachten aan de bedoelde criminele organisatie heeft het hof vastgesteld dat hij, kort samengevat, een belangrijke positie heeft ingenomen in de Nederlandse tak van de LTTE, dat de verdachten [verdachte 4], [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 5] betrokken waren bij de Heldendagen waarop aanslagplegers op Sri Lanka werden herdacht en vereerd en dat alle verdachten (mede) betrokken waren voor de fondsenwerving die het mogelijk maakte dat de LTTE op Sri Lanka, met name de militaire tak, operationeel kon blijven, wapens kon kopen en aanslagen kon plegen o.a. op burgerdoelen. Aldus heeft hij ondersteuning gegeven aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie.

Aan het bewijs van het criminele en het terroristische oogmerk van de LTTE draagt voorts de bewezenverklaring van de hierna te bespreken daadwerkelijk door de LTTE beoogde en ook feitelijk gepleegde strafbare feiten bij.

11.3.1.

Beoordeling met betrekking tot feit 1.A.

11.3.1.1.Wapens en munitie (Feit 1.A. sub a)

Aan de LTTE (het hof begrijpt: waaronder de TCC) als criminele organisatie wordt verweten, kort gezegd, dat zij het oogmerk heeft gehad (inclusief voorbereiding en/of bevordering en/of samenspanning daartoe) op het voorhanden hebben en/of overdragen van wapens en munitie, begaan met een terroristisch oogmerk, dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Het hof merkt allereerst op dat het voorhanden hebben van wapens een uitvloeisel is van de andere in de ten laste gelegde genoemde gronddelicten, nu die niet zonder wapens gepleegd kunnen worden.

Het hof merkt voorts op dat uit de beschikbare openbare bronnen, waaronder foto- en beeldmateriaal, is gebleken dat de LTTE al gedurende zeer lange tijd, en in ieder geval in de ten laste gelegde periode 2004-2009, grote hoeveelheden wapens (deels in het buitenland) heeft aangeschaft, voorhanden en in gebruik heeft gehad.335 Het betreft daarbij kanonnen, granaatwerpers, (automatische) vuurwapens, (bijbehorende) munitie336 en explosieven zoals mijnen en bommen.337 Tevens is in openbare bronnen geschreven over het wapenbezit en de herkomst van de wapens die bij de LTTE in gebruik waren.338 Zo zijn in Thailand en de verenigde Staten inkopers van wapens voor de LTTE gearresteerd.339 Niet is gebleken dat het gebruik van deze wapens plaatsvond anders dan op Sri Lanka.

Niet is gebleken dat ook in Nederland wapens of munitie ten behoeve van de LTTE zijn aangetroffen en in beslag genomen. Wel is een proces-verbaal opgemaakt door een deskundige van bij verdachten aangetroffen beeldmateriaal. Bovendien zijn de afgebeelde wapens vergeleken met bestellijsten op een diskette (met daarop grote hoeveelheden wapens en munitie zoals bommen, machinegeweren en granaten) die zijn aangetroffen bij [verdachte 1] en [betrokkene 8].340 Gebleken is dat beide bestellijsten (grotendeels) overeen komen341 met bestanden die zijn aangetroffen bij een persoon genaamd [betrokkene 8]342, die in de Verenigde Staten wordt/werd verdacht van wapenhandel ten behoeve van de LTTE en schuld heeft bekend aan onder andere het samenzweren om materiële steun te verlenen aan de LTTE.343

Op de laptop en harde schijf van [betrokkene 8] zijn voorts Excel bestanden aangetroffen die bestonden onder andere uit werkbladen met ‘order lists’ uit 2005.344 Op die bestellijsten staan verschillende soorten wapens, waaronder de springstoffen TNT en C4345 die veelvuldig werden gebruikt bij aanslagen gepleegd door de LTTE.346 Op de onder [verdachte 1] in beslaggenomen diskette zijn fragmenten van drie verwijderde bestanden aangetroffen.347 Deze bestanden hadden dezelfde namen als de bij [betrokkene 8] gevonden werkbladen met bestellijsten. Na herstel van twee bestanden is gebleken dat de desbetreffende bestanden dezelfde inhoud als de gelijknamige werkbladen bij [betrokkene 8] hadden. Uit de omschrijving is voorts gebleken dat het om wapens en munitie gaat die zijn terug te vinden in catalogi van een Chinese wapenfabriek.348 Uit de bestanden kan tenslotte worden afgeleid dat het hierbij gaat om bestellingen (respectievelijk ‘order list 030’en ‘order list 040’) van in totaal miljoenen dollars. Het hof is van oordeel dat de verdachte [verdachte 1] geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor de herkomst en inhoud van de bij hem aangetroffen diskette. Zo is niet gebleken dat anderen dan hijzelf, zoals hij heeft verklaard, de gebruiker van die diskette is geweest. Dit klemt te meer nu de door de computer opgeslagen auteursnaam van de bedoelde bestanden “Rathy” is en [verdachte 1] daarover heeft verklaard dat hij deze naam gebruikt als wachtwoord.349 Voorts blijkt ook uit andere bewijsmiddelen van een nauwe samenwerking tussen [betrokkene 8] en [verdachte 1]. Zo heeft de getuige [getuige 11] (hof: bijnaam “[bijnaam getuige 11]”) verklaard dat hij van [verdachte 1] opdracht kreeg om geld aan [betrokkene 8] te betalen.350 Ook stond op een laptop van [betrokkene 8] een document genaamd Kmathy05.xls dat nagenoeg identiek werd aangetroffen op een diskette bij [verdachte 1], maar dan onder de naam [bijnaam betrokkene 8] 31.12.05total.xls.351 [verdachte 1] heeft in dit verband verklaard dat ‘[bijnaam betrokkene 8]’ een bijnaam van [betrokkene 8] was en dat hijzelf de bijnaam ‘[bijnaam verdachte 1]’ gebruikte.352 Op de laptop van [betrokkene 8] stonden verschillende transacties die waren voorzien van de toevoeging ‘cash [bijnaam verdachte 1]’.353 Alles afwegende is het hof van oordeel dat hieruit genoegzaam kan worden afgeleid dat de verdachte [verdachte 1] actief betrokken is geweest bij de aankoop van wapens voor de LTTE.

Tijdens een huiszoeking zijn bij de verdachte [verdachte 5] voorts foto’s in beslag genomen, waarop [verdachte 5] staat afgebeeld met wapens in de hand.354 Volgens zijn eigen verklaring daarover zijn die foto’s genomen op een bijeenkomst in 2003 waar ook [verdachte 2] en [verdachte 4] waren.355 Zowel [verdachte 5], [verdachte 2] en [verdachte 4] hebben zich op Sri Lanka laten fotograferen met wapens in hun handen. Tevens is gebleken dat zij, op uitnodiging van de leiding van de LTTE van 1 tot en met 15 oktober 2003 workshops en wapendemonstraties hebben bijgewoond op Sri Lanka.356

Ook zijn onder [verdachte 5] twee videobanden in beslag genomen, met daarop beeldopnamen van een toespraak van de leider van de LTTE, [betrokkene 1] tijdens een bijeenkomst in 2003 voor buitenland verantwoordelijken en propaganda verantwoordelijken. De verdachten [verdachte 5] en [verdachte 2] zijn eveneens zichtbaar op de videobeelden. Volgens [betrokkene 1] is dankzij de fondsenwerving in het buitenland door de aanwezigen dat een bedrag van meer dan 4 miljard bedroeg wapens gekocht die zij (hof: de LTTE) gebruikten voor de strijd.357 De getuige [getuige 12] heeft o.a. van [verdachte 3] gehoord dat het geld dat door de TCC werd ingezameld voor wapens was. Ook verklaarde de getuige dat [verdachte 3] met vier anderen aan de deur kwam en vroeg om € 4.000,- voor de strijd. [bijnaam verdachte 1] (het hof begrijpt: [verdachte 1]), [verdachte 3] en [betrokkene 16] hadden eerder over wapens gesproken. Hij wist dat het geld bestemd was voor de gewapende strijd, aldus de getuige.358 Ook de getuige [getuige 17] verklaarde geld te hebben gegeven voor de gewapende strijd in Sri Lanka.359 Dat de fondsen die door de LTTE werden geworven bedoeld waren voor de gewapende strijd, wordt eveneens door de getuige [getuige 13] verklaard.360 Volgens de getuige [getuige 18] ging dit geld via de TCC naar de Tijgers. Het geld was bestemd voor wapenaankoop hetgeen hij heeft gehoord van zijn districtsverantwoordelijke361, die dit laatste ook heeft bevestigd.362

Het hof zal hierna onder het kopje ‘aanslagen en aanvallen’ vaststellen dat de LTTE zich schuldig heeft gemaakt aan geweldmisdrijven, meer in het bijzonder aanslagen en aanvallen op Sri Lanka gepleegd, met een terroristisch oogmerk. Het hof acht het in dit verband, gelet op het bovenstaande, eveneens bewezen dat de LTTE voor dergelijk geweld wapens en munitie voorhanden heeft gehad en/of overgedragen hetzelfde met die aanslagen en aanvallen samenhangende terroristische oogmerk in de tenlastegelegde zin.

11.3.1.2. Aanslagen en aanvallen (Feit 1.A. sub b, c en d)

Het openbaar ministerie verwijt de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) het oogmerk te hebben gehad op onder andere brandstichting, het teweeg brengen van ontploffingen, vernieling van vaartuigen en gebouwen, samenspanning tot moord en doodslag, al dan niet (telkens) met terroristisch oogmerk. De opsteller(s) van de tenlastelegging hebben hierbij, kort gezegd, kennelijk het oog gehad op misdrijven die worden gepleegd bij aanslagen en aanvallen door de LTTE op Sri Lanka.

Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat er terzake van het ten laste gelegde feitencomplex in beginsel geen juridisch onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen aanvallen op burgers en aanvallen op militairen. Zoals het hof elders in het arrest heeft overwogen komt de LTTE, of een daarvan onderdeel uitmakende organisatie, geen beroep toe op het zogeheten combattantenprivilege en is het gebruik van het ten laste gelegde geweldsdaden onderworpen aan de regels van het nationaal (commuun) strafrecht. Ook heeft het hof vastgesteld dat het onderhavige gewapend conflict een niet-internationaal (intern) karakter heeft. In dit verband merkt het hof wederom op dat de Nederlandse wetgever nooit heeft beoogd om gewelddaden gepleegd in een niet-internationaal gewapend conflict uit te zonderen van het bereik van de strafbepalingen die zien op terroristische en andere commune geweldsmisdrijven. De strafbaarstelling van schendingen van het humanitair oorlogsrecht in interne gewapende conflicten in art. 6 WIM, waarover hierna meer, betekent immers niet dat deze handelingen niet (ook) naar het commune strafrecht strafbaar kunnen zijn en evenmin dat andere gedragingen die in verband met een intern gewapend conflict worden verricht, deswege niet ingevolge commuun strafrecht strafbaar kunnen zijn.363 Het gebruik van geweld tijdens gewapende conflicten dient te worden gekwalificeerd als strafbaar naar commuun strafrecht en (tevens) onderworpen aan de van toepassing zijnde terrorismeverdragen. Of de LTTE het oogmerk had om burgerdoelen, militaire doelen, of beide aan te vallen maakt voor de bewezenverklaring niet uit.

Het hof merkt nogmaals – en wellicht ten overvloede – op dat sommige aanvallen zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk, bij andere geweldshandelingen ontbreekt dit oogmerk maar is er wel sprake van een ander strafbaar feit dat aan de LTTE toegerekend kan worden. Met andere woorden niet elke geweldshandeling van de LTTE kan als terroristisch gekwalificeerd worden. Ware dat wel het geval geweest dan zou slechts art 140a Sr (feit 1.A.) toegepast dienen te worden nu zij een logische en gekwalificeerde specialiteit is van art 140 Sr (feit 1.B. sub d tot en met sub i).

Het dossier bevat vele voorbeelden van door de LTTE in de tenlastegelegde periode gepleegd geweld tegen militaire doelen op Sri Lanka364, waaronder een gedetailleerde lijst van aanslagen in de jaren 2007 en 2008365, waarbij doden en gewonden zijn gevallen en gebouwen en transportmiddelen beschadigd en/of vernietigd zijn. Ook de verdachte/getuige [verdachte 2] heeft verklaard dat de LTTE aanslagen/aanvallen heeft uitgevoerd op militaire doelen.366 Daarbij bevat het procesdossier uiteenzettingen van door de LTTE vervaardigde DVD’s, boeken en ander materiaal waar de gewelddaden van de LTTE tegen het leger van de GoSL, ook in de ten laste gelegde periode, worden beschreven en verheerlijkt.

Ofschoon op grond hiervan het hof van oordeel is dat daaruit genoegzaam is gebleken dat de LTTE ten tijde van de ten laste gelegde periode het oogmerk heeft gehad om geweld te plegen tegen militaire doelen van de GoSL op Sri Lanka367, past daarbij tevens de kanttekening dat niet van alle aanslagen de exacte toedracht duidelijk is geworden. Ook heeft het hof voor geen van die aanvallen buiten gerede twijfel kunnen vaststellen dat zij zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk.

Wel bevat het procesdossier, aangevuld door de beschikbare openbare bronnen, voldoende bewijs dat de LTTE een terroristische organisatie is die betrokken is geweest bij aanslagen/aanvallen op burgerdoelen waarbij vele burgers zijn gedood.368 In zijn algemeenheid verklaren de deskundigen Keenan en Frerks hieromtrent als volgt:

“In de meeste gevallen echter is verantwoordelijkheid van de LTTE voor aanvallen op burgerdoelen - of het nu gaat om massamoorden op Singalese of moslimdorpelingen in de oostelijke provincie en de noordelijke ‘grensdorpen’, om de moorden op politieke leiders of het bombarderen van burgerdoelen ‐ een feit van algemene bekendheid, aanvaard door zowel critici als aanhangers van de LTTE en veelvuldig geciteerd en voor waar aangenomen door bijna alle onderzoekers. Het feit dat de LTTE verantwoordelijk was voor honderden aanvallen op burgers wordt niet weersproken in de wetenschappelijke of historische literatuur.”369

Meer in het bijzonder overweegt het hof dat onder meer is komen vast te staan dat de LTTE betrokken is geweest bij de navolgende specifieke aanslagen op burgerdoelen.

11.3.1.2.1. Aanslag op de luchthaven in Katunayake in 2001 370

Vast staat dat bij de aanval op de internationale luchthaven Katunayake bij Colombo op 24 juli 2001 meerdere passagiersvliegtuigen werden vernietigd. Ook werden zes Singalese soldaten en een technicus gedood en raakte een journalist gewond. Honderden burgers moesten vluchten. Uit verschillende bronnen blijkt dat de LTTE de aanslag heeft uitgevoerd.371

De politieke en economische gevolgen waren duidelijk voelbaar voor de GoSL. Zo merken de deskundigen Keenan en Frerks hierover het volgende op:

“Deze aanslag was met name in politiek en economisch opzicht van groot belang en geldt als één van de schadelijkste aanslagen door de LTTE in de loop van het gewapend conflict.

De aanslag was een enorme politieke slag voor de al noodlijdende regering van president Kumaratunga en had ook grote economische schade tot gevolg. Internationale verzekeringspremies gingen dramatische omhoog na de aanslag, het toerisme nam drastisch af en de economie kwam in een recessie terecht.”372

Deze bevindingen komen overeen met de beschrijving in de LTTE krant Erimalai van juli 2002, die in Nederland wordt verspreid door de organisatie van verdachten. De aanval wordt beschreven als een aanval op ‘een groot militair gebied en een heel belangrijk centraal vliegveld resulterend in militair en economisch verlies’ hetgeen ook duidelijk maakt dat ‘geen enkele beveiligde regio in Sri Lanka veilig is’ en tot gevolg heeft gehad dat ‘de inkomstenlijn is geslonken’. Ook wordt gesproken van ‘een moedige aanval’ die de regering, het leger en de economie wankel heeft gemaakt, zeer grote schade heeft toegebracht en ertoe heeft geleid dat investeerders en toeristen zo snel mogelijk Sri Lanka uitvluchtten.373

11.3.1.2.2. Aanslag op een passagiersbus in Dambulla in 2008 374

Vast staat dat op 2 februari 2008 in of nabij Dambulla op Sri Lanka een explosief tot ontploffing is gebracht in een bus, waardoor er tenminste 12 personen, waaronder een kind, om het leven kwamen, tientallen personen gewond raakten en de autobus totaal werd vernield. Uit verschillende bronnen blijkt dat de LTTE de aanslag heeft uitgevoerd.375

11.3.1.2.3. Aanslag op minister D.M. Dassanayaka in 2008 376

Op 8 januari 2008 in of nabij Jah Ela, ten noorden van Colombo zijn de Minister O.M. Dassanayaka en zijn bodyguard om het leven gebracht door middel van een explosief. Twaalf andere personen raakte hierbij gewond. Uit verschillende bronnen blijkt dat de LTTE de aanslag heeft uitgevoerd.377

Uit het procesdossier is voorts gebleken van een FBI onderzoek naar LTTE verdachten waarin een zekere [betrokkene 17], die genoemd wordt in het dagboek van [alias betrokkene 2] en waarvoor aanwijzingen bestaan dat hij ook in de administratie van de verdachte [verdachte 1] voorkomt378, in september 2005 aan Amerikaanse informanten heeft uitgelegd dat het gebruik van zelfmoordaanslagen door de LTTE noodzakelijk wordt gevonden.379 Ook wordt bij de verdachte [verdachte 5] de documentairefilm “My daughter, the terrorist” uit 2007 aangetroffen waarop te zien is dat Zwarte Tijgers trainen voor het plegen van een aanslag.380

Het hof overweegt voorts dat [betrokkene 1], die directe banden onderhield met de verdachten in Nederland, met aanslagplegers op foto’s staat en heeft opgeroepen tot gewelddadige strijd. Ook de verdachten vereerden aanslagplegers in Nederland op openbare bijeenkomsten381, waaronder een van de plegers van de aanslag op de luchthaven in Katunayake en verspreidden beeldmateriaal en publicaties over gepleegde aanslagen en de ‘noodzaak’ van hun gewelddadige strijd.382 Een affiche van een dergelijke bijeenkomst in 2007, georganiseerd door de Nederlandse Tamil Vrouwen Organisatie (TVO), is bij de verdachte [verdachte 2] aangetroffen.383 Ook zijn op verschillende adressen, waaronder die van de verdachten [verdachte 1]384, [verdachte 2] en [verdachte 3]385 CD’s aangetroffen waarop daders van aanslagen worden getoond, bezongen en/of vereerd.

11.3.1.3. Geweldshandelingen

Uit de verscheidende hiervoor beschreven aanslagen waarbij de LTTE betrokken is geweest, bezien tegen de achtergrond van het eerder beschreven toepasselijk juridisch kader, leidt het hof af dat de LTTE zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    het opzettelijk brandstichten of ontploffingen teweegbrengen, al dan niet met schade, levensgevaar, zwaar lichamelijk letsel en dood ten gevolge, (te) begaan met een terroristisch oogmerk;

  • -

    het opzettelijk en wederrechtelijk vervoersmiddelen beschadigen en vernielen, al dan niet met levensgevaar en dood ten gevolge, (te) begaan met een terroristisch oogmerk;

  • -

    doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk en

  • -

    samenspanning tot moord.

Nu de strafbare feiten gedurende een lange periode een gangbare werkwijze van de LTTE waren en ook openlijk werden nagestreefd, is het hof van oordeel dat die misdrijven tot het terroristisch oogmerk van de organisatie behoorden. Mede op grond van het vorenstaande overweegt het hof dat de verdachten deelnamen aan een organisatie, te weten de LTTE, die de in de tenlastegelegde genoemde geweldsmisdrijven beoogde te plegen, met name gericht tegen burgerdoelen en zij van het criminele oogmerk van die organisatie op de hoogte waren.

11.3.1.4. Conclusie ten aanzien van feit 1.A. sub b, c en d.

Op grond van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de LTTE ten tijde van de ten laste gelegde periode een organisatie was die tot oogmerk had het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk, een en ander conform de bewezenverklaring.

11.3.1.5. Opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van en/of samenspanning (Feit 1.A. sub e en f)

De LTTE wordt voorts verweten dat zij het oogmerk heeft gehad op de voorbereiding en/of bevordering van en/of samenspanning van de hiervoor onder 1.A sub a, b, c en d besproken misdrijven, alsmede dat zij het oogmerk heeft gehad op samenspanning tot moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk.

Kern van het begrip samenspanning is de afspraak gericht op het plegen van een concreet terroristisch misdrijf genoemd in artikel 176b Sr. Met de afspraak is het delict voltooid. Dat geldt ook voor de samenspanning tot moord met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 289a Sr. Gelet op hetgeen reeds is overwogen omtrent de structuur, de doelen en het streven van de LTTE acht het hof de opzettelijke voorbereiding en bevordering van en samenspanning tot vermelde misdrijven bewezen.

Met de bewezenverklaring van het oogmerk van de LTTE op de voltooide misdrijven is de samenspanning daartoe en voorbereiding daarop een gegeven. Het hof constateert echter dat samenspanning tot het onder 1.A. sub a geen strafbaar feit oplevert en zal derhalve de verdachten met betrekking tot dit onderdeel van de bewezen verklaring ontslaan van alle rechtsvervolging.

11.3.1.6. Conclusie ten aanzien van feit 1.A.

Op grond van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de LTTE ten tijde van de ten laste gelegde periode een organisatie was die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, een en ander conform de bewezenverklaring.

11.3.2.

Beoordeling met betrekking tot feit 1.B.

11.3.2.1. Werven voor de gewapende strijd (Feit 1.B. sub a)

11.3.2.1.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

In feit 1.B. sub a is ten laste gelegd dat LTTE (het hof leest: waaronder de TCC), het oogmerk had om (op diverse plaatsen) in Nederland, Sri Lanka en elders in de wereld te werven voor de gewapende strijd op Sri Lanka in de periode vanaf 10 augustus 2004 tot en met 26 april 2010.

Het openbaar ministerie heeft daartoe aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven, dat deze organisatie zowel op Sri Lanka als in Nederland rekruten wierf voor de gewapende strijd van de LTTE en dat tevens tot oogmerk had. In Nederland was de propaganda van deze organisatie gericht op Nederlandse Tamils, in het bijzonder jongeren en kinderen. Deze propaganda stond zozeer in het teken van de verheerlijking van geweld en zelfopoffering voor de LTTE dat er sprake was van ‘ideologisch rijp maken voor de gewapende strijd’ zoals wordt bedoeld in de wetsgeschiedenis van art. 205 Sr.386 Van deelname aan een gewapende strijd kan ook sprake zijn bij uitvoering van ondersteunende taken of werkzaamheden voor een strijdgroep die niet het persoonlijk, fysiek plegen van geweld inhouden, aldus het openbaar ministerie. 387

11.3.2.1.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, verkort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat er geen bewijs is om aan te nemen dat in Nederland wervingshandelingen zijn verricht, dan wel dat het oogmerk van de organisatie van verdachten gericht zou zijn op het werven van Nederlanders of personen in Nederland voor de gewapende strijd in Sri Lanka. Voorts levert het werven te Sr Lanka geen crimineel oogmerk op, zodat geen crimineel of terroristisch oogmerk op het werven van Tamils kan worden aangenomen. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken voor dit feit, zo concludeert de verdediging.

11.3.2.1.3. Het oordeel van het hof

Het werven voor gewapende strijd is strafbaar gesteld in artikel 205 Sr. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘Hij die, zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.’

Het hof overweegt allereerst dat niet is tenlastegelegd dat de organisatie van verdachte(n), hebben ‘geworven voor vreemde krijgsdienst’, zodat bespreking van dit bestanddeel hier buiten beschouwing kan blijven. Evenmin is tenlastegelegd dat de (internationale) organisatie van verdachten zich schuldig heeft gemaakt aan terroristische misdrijven als bedoeld in art. 83 Sr, noch verwijt het openbaar ministerie de organisatie van verdachten dat zij, op de voet van art. 205 lid 3 Sr, personen hebben geworven voor de gewapende strijd die het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt. Voor zover het verweer van de verdediging hier betrekking op heeft, behoeft zulks geen bespreking.

11.3.2.1.3.1. Werven

Bij de Wet terroristische misdrijven is het bestanddeel ‘aanwerven’ veranderd in ‘werven’. Door de wijziging werd beoogd aan de strafbaar gestelde handeling een minder formele betekenis te geven, in zoverre dat ook de rekrutering of ronselen voor de gewapende strijd (of vreemde krijgsdienst) hieronder valt zonder dat daar een bepaalde tegenprestatie tegenover hoeft te staan.388

Blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie komt aan het bestanddeel ‘werven’ een ruime betekenis toe. Het bestanddeel wordt omschreven als “iemand tot aansluiting bewegen”, “benaderen teneinde te overreden”, “bespelen (met behulp van communicatiemiddelen)”389 en “beïnvloeden, het ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen”.390 Ook “ronselen voor de gewapende strijd” valt onder het delictsbestanddeel werven.391

Zoals het hof eerder in een andere zaak heeft overwogen zal werven over het algemeen geen eenmalige handeling betreffen, doch omvat veeleer een proces dat begint met het spotten van een mogelijke rekruut en via het wekken van vertrouwen eindigt met het daadwerkelijk bewegen van iemand tot deelname aan een gewelddadige strijd.392

De werving moet de daadwerkelijke deelname aan de strijd beogen. Voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van art. 205 Sr volstaat het enkele ronselen van personen voor – onder meer – de gewapende strijd, waarbij het aankomt op de (feitelijke) gedragingen van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is hoe degene die wordt geworven op dat moment tegenover die strijd staat en/of het werven resultaat heeft of niet.393 Het delict is voltooid wanneer een handeling die ertoe strekt iemand tot aansluiting bij de gewapende strijd te bewegen, zich heeft geopenbaard.394 Voorts kan ook iemand die reeds de gewapende strijd reeds is toegedaan worden geworven.395

11.3.2.1.3.2. Gewapende strijd

Het bestanddeel ‘gewapende strijd’ is eveneens toegevoegd bij de Wet terroristische misdrijven. Blijkens de wetsgeschiedenis werd hiermee beoogd ook rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen die betrekking hebben op het werven van personen met het oog op hun rechtstreekse inzet ten behoeve van de islamitische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd, zonder dat daarbij aantoonbaar sprake is van deelneming aan enige groep of samenwerkingsverband.396 De ‘strijd’ kenmerkt zich door de toepassing van ernstig geweld als voornaamste methode om ongeacht welke (geo)politiek, religieus of ideologisch doel te bereiken. ‘Gewapend’ is de strijd wanneer de (daadwerkelijke of uiteindelijk beoogde toepassing van geweld vergelijkbaar is met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in oorlogs- of guerrillasituatie.397 Het plegen van een aanslag kan een middel zijn om een gewapende strijd te voeren en daarmee valt het werven voor een aanslag onder omstandigheden onder de reikwijdte van dit artikel.398

11.3.2.1.3.3. Werven als deelnemingshandeling

Indien de verdachte behoort tot een organisatie en in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en terroristische misdrijven, zijn het werven voor de gewapende strijd, het oproepen tot die strijd, dan wel het ten gehore brengen van audiomateriaal waarop dit gebeurt, deelnemingshandelingen, omdat deze onder die omstandigheden moeten worden beschouwd als een aandeel in, dan wel ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.399

De tenlastelegging maakt onderscheid tussen enerzijds de werving van personen op Sri Lanka door de LTTE (aldaar) voor de gewapende strijd aldaar en anderzijds werving in Nederland voor diezelfde gewapende strijd.

11.3.2.1.3.3.1. Werven op Sri Lanka voor de gewapende strijd

Het hof overweegt allereerst dat artikel 205 Sr het werven voor gewapende strijd zonder toestemming van de Koning (lees: de Kroon400) strafbaar stelt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat juist dit bestanddeel centraal heeft gestaan voor de strafbaarstelling; het gevaar zit niet in het werven voor de strijd, maar voor het werven zonder toestemming van de Koning.401

Het hof overweegt voorts dat blijkens de Memorie van Toelichting art. 205 Sr oorspronkelijk in eerste instantie was gericht op het op Nederlands grondgebied werven voor de vreemde krijgsdienst. Wanneer de werving niet op Nederlands grondgebied plaatsvond en er geen misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid werd bedreven, dan was er volgens de wetgever geen sprake van strafbaar werven.402 Daarin is een kentering gekomen; de werving kan thans ook in het buitenland worden begaan en het misdrijf kan, met inachtneming van de gebruikelijke rechtsmachtsregels wanneer het feit in het buitenland wordt begaan, in Nederland worden bestraft.403 Daarbij is niet van belang wat de nationaliteit van de dader is, Nederlander of vreemdeling.404

Art. 205 Sr betreft een misdrijf tegen het Nederlandse openbaar gezag. Het beschermd belang van deze bepaling betrof aanvankelijk de betrekkingen met vreemde mogendheden. Voorkomen moest worden dat deelname aan de gewapende strijd (of aan een krijgsmacht) het Nederlandse openbare belang werd aangetast, bijvoorbeeld door tegen Nederland te vechten of door Nederland (onwillekeurig) in andere conflicten te betrekken.405 Hiermee zouden de buitenlandse betrekkingen in gevaar kunnen worden gebracht. Met de inwerkingtreding van de Wet terroristische misdrijven op 10 augustus 2004 strekt dit artikel ook tot bescherming van de samenleving tegen terrorisme in de meest ruime zin.406 Hiermee wordt overigens niet tekort gedaan aan voormeld uitgangspunt. Voorkomen moet immers worden dat Nederlandse onderdanen elders in de wereld meevechten in een Jihad tegen een mogendheid waarmee Nederland internationale betrekkingen onderhoudt en ook wil de Nederlandse overheid voorkomen dat de samenleving door toedoen van bijvoorbeeld jihadisten gevaar loopt.

Naar het oordeel van het hof dient er voor strafbaarstelling op grond van art. 205 Sr dan ook sprake te zijn van een Nederlands belang; er moet enige relatie zijn tussen Nederland en de werving. De voor strafbaarstelling vereiste ‘toestemming van de Koning’ zou anders illusoir zijn.

Het hof is derhalve met de verdediging van oordeel dat, gelet met name op de strekking van art. 205 Sr alsmede het door dit artikel beoogde beschermde Nederlandse belang, het delict niet ziet op de werving van personen op Sri Lanka door de LTTE (aldaar), nu dit in een te ver verwijderd verband van Nederland staat. Dit klemt te meer nu niet is gebleken van enige concrete wervingshandeling op Sri Lanka door de Nederlandse verdachten die in deze zaak terecht staan. De omstandigheid dat uit het procesdossier volgt dat de LTTE op Sri Lanka, in algemene zin, mensen voor de gewapende strijd op Sri Lanka heeft geworven en de verdachte en zijn medeverdachte(n) in strikt juridische zin tot deze criminele organisatie kunnen worden gerekend, doet aan het vorenstaande niet af.

Voor dit onderdeel van de tenlastelegging dient derhalve ontslag van rechtsvervolging dient te volgen.

11.3.2.1.3.3.2. Werven in Nederland voor de gewapende strijd

De vraag ligt verder voor of de verdachte, in de tenlastegelegde zin, aansprakelijk kan worden gehouden voor het in Nederland werven voor de gewapende strijd op Sri Lanka, zoals door het openbaar ministerie wordt betoogd.

Het openbaar ministerie heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte en zijn mededaders deelnemingshandelingen heeft/hebben verricht teneinde Nederlandse Tamiljongeren ‘rijp te maken’ voor de strijd op Sri Lanka. Voorts stelt het openbaar ministerie dat ook personen die ondersteunende taken of werkzaamheden uitvoeren voor een groep die een gewapende strijd voert, deelnemen aan die gewapende strijd in de zin van art. 205 Sr.407

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Alhoewel het begrip ‘werven’ blijkens de wetsgeschiedenis een brede betekenis toekomt, valt naar het oordeel van het hof het enkele financieel of ideologisch ondersteunen van een der strijdende partijen bij een gewapend conflict in internationaalrechtelijke zin niet onder de in art. 205 Sr. bedoelde handelingen, nu deze handelingen immers zien op het daadwerkelijk bewegen van een ander tot deelname aan de gewapende strijd. De door het openbaar ministerie aangedragen deelnemingsvariant valt derhalve niet onder het bereik van de strafbepaling, nog los ervan dat het openbaar ministerie elders heeft betoogd dat de LTTE, althans de organisatie van [betrokkene 1], in internationaal-humanitair rechtelijke zin niet tot een der partijen bij het gewapende conflict behoort, een conclusie die het hof onderschrijft.

Zoals hiervoor werd overwogen zal het voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van art. 205 Sr aankomen op de (feitelijke) gedragingen van degene die werft.

Uit de bewijsmiddelen, en met name uit de verklaringen van [verdachte 2] in hoger beroep, als verdachte in zijn eigen zaak en als getuige in de zaken tegen zijn medeverdachten, volgt rechtstreeks dat alle verdachten in de ten laste gelegde periode in Nederland via de TCC, die door [verdachte 2] wordt vereenzelvigd met de LTTE, bepaalde activiteiten hebben verricht ten behoeve van de LTTE.408 Deze activiteiten bestonden in ieder geval uit het organiseren van zogeheten Heldendagen en het inzamelen van geld ten behoeve van de LTTE.

Blijkens het zogeheten ‘Handboek’ voor buitenlandse afdelingen van de LTTE uit 2003 dienden de buitenlandse afdelingen van de LTTE zich nadrukkelijk op jongeren te richten voor ‘het verschaffen van een helder inzicht in de vrijheidsstrijd aan de jongere generatie Tamils die in het buitenland wonen en hen aanmoedigen om de vrijheidsstrijd voor ons moederland te steunen en ons moederland te bezoeken, en direct betrokkenen te raken bij de ontwikkeling van de infrastructuur’.409 Het Handboek vermeldt, naast fondsenwerving, als doelstelling het ‘aanmoedigen van de Eelam Tamils die in het buitenland wonen om deel te nemen aan onze vrijheidsstrijd’.410

Het hof stelt voorts vast dat in de diverse studies van onder meer Hogg411, Jeyaraj412 en Schalk413 is beschreven dat de verering van aanslagplegers als helden en het bejubelen van gepleegd geweld op Sri Lanka (onder meer) tot doel heeft de werving van nieuwe rekruten voor de LTTE. In de door de LTTE uitgevaardigde instructies over de wijze waarop Heldendagen, waarop de gesneuvelde Tamil Tijgers jaarlijks worden herdacht, en andere evenementen gevoerd moeten worden, zoals die zijn aangetroffen in de woning van de verdachte [verdachte 2], valt te lezen dat de decoraties op heldendagen ‘de doelen van onze organisatie (moeten) illustreren, alsmede de uniekheid van de zelfopoffering door de Grote Helden en deze moeten de gedachten van de mensen overnemen en daardoor zullen zij meedoen aan onze strijd’.414

Voorts is op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting komen vast te staan dat de LTTE in Nederland tijdens de Heldendagen veel over de gewapende strijd op Sri Lanka heeft gesproken en veel over het gewapend conflict heeft uitgelegd. Ook is het hof niet ontgaan dat tijdens die Heldendagen een zekere mate van verheerlijking van de strijd op Sri Lanka plaatsvond waardoor een voedingsbodem zou (hebben) kunnen ontstaan voor de uiteindelijke deelname aan die strijd. Dit laat onverlet dat voor een veroordeling ondubbelzinnig dient komen vast te staan dat het oogmerk van de LTTE (in casu: de organisatie van verdachten) voldoende concrete wervingshandelingen omvat die kunnen worden geduid als strekkende tot het bewegen, in de zin van bespelen, beïnvloeden en/of ideologisch rijp maken, van Tamils in Nederland of elders tot aansluiting bij de gewapende strijd van de LTTE in Sri Lanka en dat zij daarmee de haar toekomende rechten op grond van artt. 9 en 10 EVRM voorbij zijn gegaan.

Anders dan het openbaar ministerie, is het hof van oordeel dat de ter adstructie hiervan aangehaalde toespraak van [betrokkene 9], gastspreker op de Heldendag 2005 in Utrecht, er niet zozeer op gericht was om de aanwezigen op te roepen om middellijk of onmiddellijk aan de gewapende strijd op Sri Lanka deel te nemen, maar veeleer om geld voor die strijd te doneren: “Wat doen de Tamils uit Vanni voor deze strijd? Zij leveren mensen en kinderen voor deze strijd en zelfs doen de ouderen mee. En ook uit Jaffa, daar sluiten zij zich aan (hof: bij) de troepen en nemen zij (hof: deel aan) de trainingen. Dus de kracht voor de strijd hebben wij daar wel. Alleen geld, dat verwacht ik van jullie om die strijd te helpen”.415

Ook uit de door het openbaar ministerie aangehaalde toespraak voor deelnemers aan de workshop voor buitenlandse activisten van [betrokkene 1], de oprichter en voormalige leider van de Tamiltijgers, kan dit niet volgen. Letterlijk zegt hij: “Dus wij moeten ons niet beperken tot het werven van fondsen, maar ook omgaan met de jongelui. Niet zozeer voor de strijd, maar om een structuur op te bouwen”.416

Het moge verder zo zijn dat de verschillende Heldendagen en andere bijeenkomsten in Nederland de gewapende strijd van de LTTE, al dan niet op ophitsende wijze, werd verheerlijkt of bejubeld en aanslagplegers werden vereerd, zoals hiervoor reeds werd overwogen betekent dit daarmee op zich zelf nog niet dat daarmee tevens het bewijs is geleverd voor het werven voor die strijd in de zin van art. 205 Sr. De door het delictsartikel bespreken handelingen zien immers op het daadwerkelijk bewegen van een ander tot deelname aan de strijd. Concreet bewijs daartoe heeft het hof niet aangetroffen en de algemene door de LTTE uitgevaardigde instructies, zoals daarvan blijkt uit het voornoemde Handboek, maakt dit op zichzelf niet anders. Ofschoon dit voor het delict van art. 205 Sr op zichzelf niet redengevend is bevat het dossier evenmin (voldoende) concrete aanwijzingen dat het werven resultaat heeft gehad.

Ook hetgeen daartoe in verband met het onderwijs aan Tamilkinderen in Nederland en, door tussenkomst van [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 2], speciaal voor kinderen georganiseerde bijeenkomsten door het openbaar ministerie is aangevoerd kan evenmin de conclusie dragen dat sprak is van werving in de tenlastegelegde zin. Meer in het bijzonder heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat het onderwijs aan Tamilkinderen in Nederland bestaat uit het inprenten dat de LTTE een rechtvaardige strijd voert, dat door de LTTE gepleegde aanslagen gerechtvaardigd en noodzakelijk zijn, dat zelfopoffering daarbij te prijzen valt, dat de Zwarte Tijgers helden zijn en dat de toekomst van Nederlandse Tamils niet in Nederland ligt, maar in de zelfstandige Tamil Staat: Tamil Eelam.417 Dat kinderen toneelstukjes opvoeren in militaire uniformen en met namaakwapens doet hieraan niet af.

Weliswaar wordt door het openbaar ministerie nog gesuggereerd dat zich bij gelegenheid van de Heldendagen vrijwilligers, waaronder een zekere [betrokkene 10], hebben gemeld voor de gewapende strijd op Sri Lanka en daar zelfs gesneuveld zouden zijn, maar zulks wordt verder niet ondersteund door concreet (ander) bewijs.

Naar het oordeel van het hof, alles afwegende, dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte hiervoor dient te worden vrijgesproken.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en ook overigens uit het dossier is tenslotte van het werven van een of meer andere onbekend gebleven personen niet gebleken. Evenmin is komen vast te staan dat de organisatie van verdachten ook elders in de in de wereld heeft geworven voor de gewapende strijd, zodat de verdachte hiervan eveneens dient te worden vrijgesproken.

11.3.2.2. Inzet van kindsoldaten (Feit 1.B. sub b)

Onder feit 1.B. sub b is tenlastegelegd, kort gezegd, dat de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) het oogmerk heeft gehad op de rekrutering en inzet van kindsoldaten. Het inzetten van kindsoldaten tijdens een niet-internationaal gewapend conflict is strafbaar gesteld in art. 6 lid 3 onderdeel f WIM.

De verdediging heeft gemotiveerd betwist, verkort en zakelijk weergegeven, dat dit feit, meer in het bijzonder de betrokkenheid van de verdachte hierbij, kan worden bewezen.

11.3.2.2.1. Het oordeel van het hof

11.3.2.2.1.1. Oorlogsmisdrijven

Het hof overweegt over de inzet van kindsoldaten door de LTTE als volgt.

Art. 6 lid 3 onderdeel f WIM luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

Hij die zich in geval van een niet-internationaal conflict schuldig maakt aan schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, te weten het begaan jegens personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen […] van een van de volgende feiten:

[…]

f. kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden;

[…]

wordt gestraft met […].

Het misdrijf van rekrutering en inzet van kindsoldaten (kort gezegd: de inzet van kindsoldaten) wordt gerekend tot de oorlogsmisdrijven. Het huidige internationaal gewoonterecht verbiedt de dienstplicht, dienstneming of gebruik om actieve deelname aan vijandelijkheden voor alle kinderen onder de leeftijd van 15.418 De meeste oorlogsmisdrijven kunnen worden beschouwd als specialis ten aanzien van de commune misdrijven naar nationaal recht, met dien verstande dat in dat geval niet de in de WIM opgenomen afwijkingen gelden van de algemene beginselen van strafrecht.

Een oorlogsmisdaad in een niet-internationaal gewapend conflict, waarvan hier sprake is, is een schending van een regel van humanitair recht die van toepassing is op dergelijke conflicten. Oorlogsmisdrijven kunnen worden gepleegd in de vorm van een groot aantal specifiek genoemde gedragingen, waarbij ten aanzien van alle gedragingen steeds weer vereist is dat zij worden gepleegd in verband met een ‘gewapend conflict’. Of daarvan sprake is of niet betreft een feitelijke vaststelling, waarop hierna verder zal worden ingegaan.

Zoals het hof hiervoor voorgaand heeft overwogen zijn daarbij van belang de aard en de omvang van de vijandelijkheden, alsmede de doelstelling en de grondslag daarvan. Voorts zal moeten komen vast te staan dat er sprake is van een relevant niet-internationaal gewapend conflict.

Bij de specifieke gedragingen, waaronder het ten laste gelegde inzet van kindsoldaten gaat het om gedragingen die planmatig of als uitvloeisel van een ontwikkeld beleid worden begaan dan wel deel uitmaken van het begaan van die misdrijven op grote schaal (zie ook art. 8 lid 1 ICC Statuut419). Ook het ten laste gelegde misdrijf van de inzet van kindsoldaten betreft een ernstige schending van de wetten en gebruiken van de oorlog die, in casu, gelden in een niet-internationaal gewapend conflict.

Deze schendingen vestigen, naast schendingen van het oorlogsrecht dat van toepassing is tijdens internationaal gewapende conflicten, de zogeheten grave breaches bepalingen van de Geneefse Verdragen zoals het eerdergenoemde en hier relevante gemeenschappelijk art. 3 toepasselijk in niet-internationaal gewapende conflicten, (individuele) strafrechtelijke aansprakelijkheid.420 Gemeenschappelijk artikel 3 geldt voor alle partijen die zijn betrokken in een gewapend conflict en het vertegenwoordigt de minimumnorm waaraan de strijdende partijen zich moeten houden tijdens het conflict.421 Daaronder vallen ook het verbod op het rekruteren en de inzet van kindsoldaten.

Bij de delictsomschrijving van art. 6 lid 3 onderdeel f WIM is aangesloten bij art. 8 lid 2 ICC Statuut.

Art. 8 lid 2 onderdeel e sub vii ICC Statuut definieert het misdrijf van het rekruteren en gebruik van kindsoldaten in geval van een niet-internationaal gewapend conflict als volgt:

“Conscripting or enlisting children under the age of fifteen years into armed forces or using them to participate actively in hostilities for internal armed conflicts”.

Waar het Statuut van het ICC ten aanzien van kindsoldaten een onderscheid maakt tussen de handelingen die strafbaar zijn tijdens een internationaal gewapend conflict: ‘bij de nationale strijdkrachten onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden’ (art. 8 lid 2 onderdeel b sub xxvi) en die tijdens een niet-internationaal gewapend conflict: ‘bij strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden’ (art. 8 lid 2 onderdeel e sub vii), maakt de WIM dit onderscheid niet.

Zowel art. 5 lid 5 onderdeel r WIM (oorlogsmisdrijven in internationaal conflict) en art. 6 lid 3 onderdeel f WIM spreken over ‘de nationale strijdkrachten of groepen’. Dit sluit aan bij de realiteit dat in gewapende conflicten, van welke aard ook, steeds vaker sprake is van situaties waarbij niet alleen (diverse) nationale strijdkrachten maar ook gewapende groepen betrokken zijn.422

De elementen van de misdaad van inzet van kindsoldaten zijn dat een kind onder de leeftijd van vijftien jaar door nationale strijdkrachten of groepen: (i) onder de wapenen wordt geroepen of (ii) in (militaire) dienst wordt genomen, of (iii) wordt gebruikt om actief deel te nemen aan vijandelijkheden. Met andere woorden: dienstplicht en dienstneming zijn verboden, ongeacht of het kind is bedoeld voor, of in feite vervolgens wordt gebruikt voor, actieve deelname aan vijandelijkheden. Een kind actief laten deelnemen aan vijandelijkheden is verboden, evenals het oproepen of aanwerven van een kind.

Onder het genoemde bestanddeel ‘onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen’ wordt elke handeling verstaan waardoor personen formeel of feitelijk deel van de strijdkrachten gaan uitmaken, de vrijwillige rekrutering daaronder begrepen.423 Bovendien is in beide gevallen het verwijt aan de dader vergelijkbaar, evenals de behoefte aan bescherming voor kinderen.

11.3.2.2.1.2. Verdragen

Naast het verbod als bedoeld in art. 6 lid 3 onderdeel f WIM, is het verbod op de werving van kindsoldaten, in ieder geval omvattende personen die jonger zijn dan 15 jaar oud, voorts vastgelegd in het Verdrag aangaande de rechten van het kind424, waarbij Sri Lanka (sinds 12 juli 1999) en Nederland (sinds 6 februari 1995) beide partij zijn.

Art. 38 van dit Verdrag luidt als volgt:

1. States Parties undertake to respect and to ensure respect for rules of international humanitarian law applicable to them in armed conflicts, which are relevant to the child.

2. States Parties shall take all feasible measures to ensure that persons who have not attained the age of fifteen years do not take a direct part in the hostilities.

3. States Parties shall refrain from recruiting any person who has not attained the age of fifteen years into their armed forces. In recruiting among those persons who have attained the age of fifteen years but who have not attained the age of eighteen years, States parties shall endeavour to give priority to those who are oldest.

4. In accordance with their obligations under international humanitarian law to protect the civilian population in armed conflicts, States Parties shall take all feasible measures to ensure protection and care of children who are affected by an armed conflict.

Ook is het verbod van “forced or compulsory recruitment for children for use in armed conflict” terug te vinden in de Worst Forms of Child Labour Convention uit 1999425, waarbij Sri Lanka (sinds 1 maart 2001) en Nederland (sinds 14 februari 2002) eveneens beide partij zijn. Onder de term ‘kind’ wordt in dit Verdrag blijkens de preambule alle personen onder de leeftijd van 18 jaar begrepen.

Tenslotte bevat AP II bij de Geneefse Verdragen bevat in art. 4 lid 3 sub c eveneens een verbod op het gebruik van kindsoldaten. Sri Lanka is evenwel geen partij bij dit Protocol.

Ofschoon sinds de late jaren 1990 in een aantal, ook hiervoor genoemde, internationale verdragen426 een leeftijdsgrens van 18 jaar wordt gehanteerd, is er in de internationale gemeenschap, onder invloed van de uitspraken van het Sierra Leone Tribunaal (hierna: SCSL) die zich veelvuldig geconfronteerd zag met de werving en inzet van kindsoldaten tijdens het gewapend conflict in Sierra Leone, een opinio juris die de verlaging van de leeftijdsgrens naar 15 jaar ondersteunt.

In de eerste beslissing over de inzet van kindsoldaten in een gewapend conflict heeft het SCSL geoordeeld dat de ICC Statuten en de bijbehorende elementen van misdaden internationaal gewoonterecht inhouden voor dit misdrijf voor zowel internationale als niet-internationale conflicten, vanaf tenminste 30 november 1996.427 Dit beginsel, dat niet alleen gewoonterecht is, maar tevens in verschillende vormen is vastgelegd in meerdere verdragen, verbiedt onder meer het gebruik van de burgerbevolking als menselijk schild en het vasthouden van burgers in gebieden waar strijdhandelingen plaatsvinden. Het huidige internationaal gewoonterecht verbiedt alleen de dienstplicht, dienstneming of gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden van kinderen onder de leeftijd van 15 jaar.428

Het is overigens irrelevant of de dienstplicht, dienstneming of gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden wordt gedwongen of vrijwillig plaatsvindt.429 Of een kind zich als vrijwilliger aanmeldt of niet, of het kind bereid is om aan de strijd deel te nemen, of niet, het misdrijf verbiedt de dienstplicht, dienstneming of gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden van alle kinderen onder de 15 jaar in alle omstandigheden.430

Niet elk kind bij een gewapende macht of gewapende groep is overigens een kindsoldaat en dus slachtoffer van het misdrijf als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder f WIM. Er zijn duidelijke grenzen aan wanneer de misdaad van de rekrutering van kinderen heeft plaatsgevonden; bijvoorbeeld wanneer een kind onder de leeftijd van 15 wordt opgeroepen, aangeworven of worden gebruikt om actieve deelname aan vijandelijkheden door een gewapende macht of gewapende groep.

Terwijl het ‘in dienst nemen’ het ‘actief laten deelnemen’ of ook het aanwerven van kindsoldaten op zichzelf voldoende zijn om de criteria van het misdrijf te voldoen, zal dit niet het geval zijn bij elk ‘gebruiken’ of inzetten van kindsoldaten. Alleen bij het gebruik van kinderen voor actieve deelname aan vijandelijkheden (en daarmee het plegen van daden van oorlog) die, door hun aard en doel, naar verwachting ook daadwerkelijke schade toebrengen aan personeel of uitrusting van de vijandelijke troepen431, en aldus van het kind een combattant maken is sprake van ontoelaatbaar 'gebruiken'. Hieraan is voldaan als een kind beneden de leeftijd van 15 jaar wordt gebruikt in de strijd, in de militaire activiteiten in verband met de bestrijding zoals scouting, spionage, sabotage; als afleiding of koerier; bij militaire controleposten; in directe functies ondersteunen, zoals het nemen van leveringen aan de frontlinie, of in activiteiten aan het front zelf. Het hof merkt op dat dit criterium waarschijnlijk niet wordt overschreden bij de inzet voor activiteiten die geen verband houden met de vijandelijkheden, zoals bijvoorbeeld voedselbevoorrading van militairen of hun inzet als huishoudelijk personeel op een militaire basis.432 Alleen het gebruik van kinderen om actief deel te nemen aan vijandelijkheden, dat wil zeggen het plegen van daden van oorlog die, door hun aard en bestemming, waarschijnlijk werkelijke schade toebrengen aan personeel of uitrusting van de vijandelijke troepen te ondernemen en die van het kind een combattant maken, worden levert gecriminaliseerd "gebruik" in de zin van art. 6, derde lid, onderdeel f WIM op. 433

11.3.2.2.1.3. Feitelijke vaststellingen door het hof

Tegen de achtergrond van het vorenstaande en op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof tot de volgende vaststellingen gekomen.

Op Sri Lanka was in de tenlastegelegde periode sprake van een niet-internationaal gewapend conflict, een en ander zoals reeds hiervoor is overwogen. Het hof is voorts van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de LTTE gedurende dit conflict, ten tijde van de ten laste gelegde periode, het oogmerk heeft gehad op het rekruteren en inzetten van kindsoldaten, strafbaar gesteld als oorlogsmisdrijf als bedoeld in art. 6 lid 3 onderdeel f WIM. Het hof wijst in dit verband naar de volgende rapporten van de VN waaruit, samengevat, blijkt van een grootschalige rekrutering en inzet van kindsoldaten door de LTTE op Sri Lanka gedurende een zeer lange periode, al tenminste vanaf de jaren 80 van de vorige eeuw tot aan de laatste fase van het gewapend conflict in 2009. De VN heeft in dit verband tevens vele malen geconcludeerd dat de LTTE zijn eerdere toezeggingen om te stoppen met de inzet van kindsoldaten nooit is nagekomen.434

Blijkens het rapport ‘Report of the Secretary-General on Children and armed conflict’

d.d. 26 oktober 2006 van de Verenigde Naties en de daarbij behorende Annex II ‘List of parties that recruit or use children in situations of armed conflict not on the agenda of the Security Council, or in other situations of concern, bearing in mind other violations and abuses committed against children’ is de LTTE door de Verenigde Naties aangemerkt als een partij dat kindsoldaten rekruteert en inzet.435Tot een vergelijkbare conclusie komt het rapport ‘Report of the Secretary-General on children and armed conflict in Sri Lanka’ d.d. 20 december 2006 van de Verenigde Naties, waaruit blijkt dat er in de periode van 1 november 2005 tot 31 oktober 2006 541 gevallen van rekrutering van kindsoldaten zijn gerapporteerd.436 Een analyse van de leeftijd van de kindsoldaten geeft aan dat (daarvan) één kind 11 jaar oud was, vijf kinderen 12 jaar oud waren, dertien kinderen 13 jaar oud, drieënzeventig kinderen 14 jaar oud en honderd tweeënvijftig kinderen 15 jaar oud.437 Voorts blijkt uit het rapport ‘Report of the Secretary-General on children and armed conflict in Sri Lanka’ d.d. 21 december 2007 van de Verenigde Naties dat er tussen 1 november 2006 tot 31 augustus 2007 262 kinderen konden worden aangemerkt als kindsoldaten in dienst van de LTTE.438 Een analyse van de leeftijd van de kindsoldaten geeft aan dat (daarvan) vijf kinderen 12 jaar oud waren, tien kinderen 13 jaar oud, achttien kinderen 14 jaar oud en achtenveertig kinderen 15 jaar oud.439 Tenslotte blijkt uit het rapport ‘Report of the Secretary-General on children and armed conflict in Sri Lanka’ d.d. 25 juni 2009 van de Verenigde Naties dat er op 15 september 2007 306 geverifieerde kindsoldaten in dienst waren van de LTTE.440 In de periode van 1 november 2005 tot 31 oktober 2006 zijn 756 kinderen aangemerkt als kindsoldaten in dienst van de LTTE. In de periode van 1 november 2006 tot 14 september 2007 was dit aantal 262.

Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de bovengenoemde rapporten. In de rapporten staat adequaat omschreven hoe de resultaten van het onderzoek tot stand zijn gekomen.441 De werkwijze hield onder meer in dat de verklaringen van de geregistreerde kinderen werden gecontroleerd aan de hand van verklaringen van hun familieleden, buren, scholen en aan de hand van documenten zoals geboortecertificaten. Daarbij is de Verenigde Naties een onafhankelijke instantie, waardoor het hof – in dit geval – geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de rapporten. Het hof acht de bovengenoemde rapporten gelet op het vorenstaande dan ook bruikbaar voor het bewijs. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet aannemelijk geworden.

Het hof slaat voorts acht op het rapport ‘Report of the Secretary-General’s Panel of Experts on Accountability in Sri Lanka’ van 31 maart 2011 van de ‘Panel of Experts’ van de Verenigde Naties. Ook dit rapport stelt dat de LTTE gedurende het gehele gewapende conflict kindsoldaten heeft gerekruteerd. Op basis van een in het rapport omschreven onderzoeksmethode442 komt de ‘Panel of Experts’ tot de volgende conclusies:

“(d) Forced recruitment of children. The LTTE operated a policy of forced recruitment throughout the war, but in the final stages greatly intensified its recruitment of people of all ages, including children as young as fourteen. It recruited more than one child per family and beat relatives who tried to resist, in a desperate attempt to prevent their children from being carried away from them to an almost certain death. This policy was enforced with great cruelty and regardless of the hopeless military situation of the LTTE.”443

“240. Ban on Forcible Recruitment of Children: International humanitarian law prohibits the forced recruitment of children. Although there is disagreement as to the exact age limit, States agree that it is at least 15 (Rule 136, ICRC Study). Credible allegations point to a violation of this provision insofar as they indicate that the LTTE forcibly recruited boy and girl children as young as 14, particularly in the late stages of the war. This forced recruitment, as well as the separation of young people from their families, when reemits had a high likelihood of dying in the final battles, could also amount to cruel treatment as a violation of Common Article 3.” 444

Het hof acht, een en ander overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen, bovengenoemde rapportage eveneens bruikbaar voor het bewijs.

Het hof heeft daarnaast tevens acht geslagen op verschillende rapportages van non-gouvernementele organisaties. Zo stelt ook het rapport ‘The end of the beginning, achieving progress by reintegrating ex-child combatants’ d.d. juni 2009 van Terre des Hommes dat de LTTE gedurende het gewapende conflict, en ten tijde van de ten laste gelegde periode, kindsoldaten heeft gerekruteerd en ingezet.445 De opsteller van het rapport, Lucien Michel Edgar Rene Stöpler, heeft een verklaring bij de politie afgelegd waarin hij zijn onderzoeksmethodes en resultaten uitlegt en onderbouwt.446 Bij het verhoor zijn aantekeningen gevoegd die onder andere betrekking hebben op de gesprekken die de heer Stöpler met kindsoldaten heeft gevoerd.447 Uit het rapport, het verhoor en de aantekeningen van de heer Stöpler blijkt dat de LTTE kindsoldaten heeft gerekruteerd en ingezet, waaronder kindsoldaten beneden de leeftijd van vijftien jaar. Het hof ziet, gelet op de totstandkoming van het rapport, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en onpartijdigheid van de daarin vermelde onderzoeksresultaten. Het hof acht het rapport, het verhoor en de aantekening van de heer Stöpler bruikbaar voor het bewijs.

Het rapport ‘Living in Fear: Child Soldiers and the Tamil Tigers in Sri Lanka’ d.d. 11 november 2004 van Human Rights Watch stelt voorts dat gedurende de periode van februari 2002 tot november 2004 de LTTE kindsoldaten heeft gerekruteerd en ingezet.448 De opsteller van het rapport, Jo Lynn Becker, heeft een verklaring bij de politie en de rechter-commissaris afgelegd waarin zij haar onderzoeksmethodes en resultaten uitlegt en onderbouwt.449 Uit het rapport en het verhoor de mevrouw Becker blijkt dat de LTTE kindsoldaten heeft gerekruteerd en ingezet, waaronder kindsoldaten beneden de leeftijd van vijftien jaar. Het hof ziet, gelet op de totstandkoming van het rapport, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en onpartijdigheid van de daarin vermelde onderzoeksresultaten. Het hof acht het rapport en het verhoor van mevrouw Becker bruikbaar voor het bewijs.

Het hof stelt vast dat uit de voorgaande rapporten blijkt dat de kindsoldaten daadwerkelijk werden ingezet binnen de strijdmacht van de LTTE. De kindsoldaten werden opgeleid450 en uiteindelijk ingezet voor functies variërend van strijder451 tot beul452.

Bovengenoemde bewijsmiddelen worden voorts ondersteund door de navolgende stukken van overtuiging.

Blijkens het rapport ‘Child Soldiers, Global Report 2004’ van de Coalition to Stop the Use of Child Soldiers waren er in februari 2004 ongeveer 1250 kindsoldaten in dienst van de LTTE, waarvan de gemiddelde leeftijd 15 jaar was.453 Blijkens het rapport ‘Child Soldiers, Global Report 2008’ van de Coalition to Stop the Use of Child Soldiers waren er op september 2007 in totaal meer dan zesduizend kindsoldaten door de LTTE gerekruteerd sinds januari 2002. Halverwege 2007 waren er 1500 gerekruteerde kindsoldaten.454

Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de getuigenverklaringen van [getuige 19]455 en [getuige 20]456. Beide getuigen hebben verklaringen afgelegd omtrent hun directe contact met door de LTTE gerekruteerde kindsoldaten beneden de leeftijd van vijftien jaar.

Ook de in deze strafzaak benoemde en als getuige gehoorde deskundigen Keenan en Frerks stellen in hun deskundigenrapportage eveneens dat er ten tijde van het gewapende conflict, alsook gedurende de ten laste gelegde periode kindsoldaten door de LTTE zijn gerekruteerd en ingezet. De deskundigen stellen onder andere het volgende:

“De LTTE was wereldwijd één van de eerste gewapende groeperingen die stelselmatig vrouwelijke strijders, (vrouwelijke) zelfmoordterroristen en kindsoldaten inzette.”457

“Er is geen deugdelijke informatie over de rekrutering van kinderen door de LTTE in haar vroege jaren, maar van 2002 tot 2012, toen het dossier kindsoldaten werd gesloten, heeft UNICEF een databestand beheerd en in deze periode werden de cijfers van rekrutering en vrijlating systematisch bijgehouden en gepubliceerd. Er valt veel meer te zeggen over aard en omvang van het probleem gedurende deze periode dan daarvoor, al moeten deze cijfers gezien worden als een indicatie vanwege de vermoedelijk te lage opgave.”458

“De LTTE is waarschijnlijk al halverwege de jaren ‘80 begonnen met het rekruteren van kindsoldaten en deed dit intensiever en naar verluidt op een meer geïnstitutionaliseerde manier in de jaren ‘90 om genoeg soldaten te krijgen voor de verschillende Eelam Wars in dat decennium. Er zijn geen betrouwbare cijfers van die jaren omdat de Tijgers geen administratie bijhielden en kinderen die in de strijd omkwamen ook niet registreerden. Naar schatting heeft op bepaalde momenten echter 20% van hun troepen uit kindsoldaten bestaan en dat komt in de loop der jaren neer op in totaal ettelijke duizenden. Sommigen van hen waren jonger dan 12 of 13, zoals ook uit latere cijfers van de VN naar voren komt (VN 2007: 6).”459

“De Secretaris-Generaal van de VN stelde in zijn rapport aan de Veiligheidsraad dat “Op grond van gevallen die aan UNICEF zijn gemeld en rekening houdend met de geboorteakte van kinderen was de gemiddelde leeftijd van de minderjarige rekruten sinds 2004 16 jaar. In 2002 en 2003 was de gemiddelde leeftijd van minderjarige rekruten 15 jaar en in 2001 14 jaar.” (VN 2007: 5).”460

“Tijdens de periode van het staakt-het-vuren akkoord werkte de LTTE bijvoorbeeld zogenaamd samen met internationale organisaties en projecten om kindsoldaten te demobiliseren; er zijn echter aanwijzingen voor dat zij gelijktijdig via de achterdeur nieuwe kindsoldaten rekruteerden — vrijwillig of onder dwang. Soms ging het daarbij om dezelfde kinderen als die vlak daarvoor waren vrijgelaten. Dit wordt ook bevestigd door UNICEF cijfers. (VN 2007: 3) Gezien het vermeende belang van hun uiteindelijke politieke en militaire doelstellingen was de LTTE waarschijnlijk in staat of zelfs gedwongen om dit dubbelspel te spelen en het gebruik van kindsoldaten, waaronder hun gedwongen rekrutering of ontvoering, te vergoelijken, toe te staan en actief te bevorderen. Zo rapporteert de CSUCS bijvoorbeeld dat: “De rekruteringen werden naar verluidt in oktober 2003 hervat, waarbij de LTTE in een aantal oostelijke districten van elk gezin één kind opeiste en in het noorden agressief ronselde. Zulke rekruteringsacties lijken volgens een cyclisch patroon te verlopen, al naar gelang de mate van internationaal toezicht en de behoefte om het rekruteren aan te vullen met de verplichte levering door gezinnen.” (2004: 208).”461

“Zoals hierboven al aangegeven waren er geen harde cijfers over het aantal kindsoldaten die was gerekruteerd of vrijgelaten door de LTTE of over het aantal dat was gesneuveld of vermist geraakt bij de gevechten totdat de periode van het CFA inging. Van 2002 tot 2012 heeft UNICEF een database bijgehouden, maar UNICEF zelf waarschuwde dat de aantallen vermoedelijk te lage schattingen waren omdat zij afhankelijk waren van het aantal opgegeven slachtoffers terwijl er in veel gevallen waarschijnlijk geen opgave werd gedaan.”462

Zoals reeds eerder ter terechtzitting overwogen acht het hof de deskundigheid van de deskundigen Keenan en Frerks, die ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig door de verdediging zijn bevraagd463, buiten kijf. Het hof ziet geen aanleiding om voormelde bevindingen voor het bewijs buiten beschouwing te laten, te minder nu deze passages, in de kern, overeenkomen met de bevindingen van voornoemde internationale organisaties.

Het hof overweegt voorts dat uit de door het “Ministry of Defence, intelligence department” van GoSL in beslaggenomen en aan de Dienst Nationale Recherche verstrekte informatieformulieren464 blijkt dat meerdere van deze informatieformulieren gegevens bevatten van personen die ten tijde van hun aansluiting bij de LTTE beneden de leeftijd van vijftien jaar waren en in sommige gevallen ook legertrainingen hebben gekregen vóór hun vijftiende jaar.465

Het hof heeft tenslotte kennis genomen van de door het openbaar ministerie aangedragen beeldmateriaal. Hoewel het hof van oordeel is dat uit het fotomateriaal niet met zekerheid is af te leiden dat de afgebeelde personen jonger dan vijftien jaar zijn en van wanneer het beeldmateriaal afkomstig is, duidt sommige fotomateriaal evenwel op inzet van minderjarige soldaten.466 Het hof acht het beeldmateriaal tevens in ondersteunende mate van belang voor het bewijs ten aanzien van de wetenschap van de LTTE-leden wat betreft de inzet van kindsoldaten. Daarbij komt het volgende.

In het kantoor van de TCC is een boek gevonden genaamd “Kunstavond van de Tijgers: speciale editie 09-08-86”, dat is opgedragen aan een omgekomen “jonge tijger” van twaalf jaar. In dit boek valt te lezen: “Toen de onderdrukking haar hoogtepunt bereikte, marcheerde hij daartegen in optocht, met in zijn jonge handen een wapen”.467 Op de Heldendag 2003 hield LTTE commandant [betrokkene 3] een toespraak in Nederland waarin hij onder meer zei: “Op het oorlogsslagveld hebben wij ongeacht de leeftijd levens gegeven”.468 Hieruit alsmede uit de omstandigheid dat de LTTE zijn eerdere toezeggingen aan de internationale gemeenschap om te stoppen met de inzet van kindsoldaten nooit is nagekomen, volgt dat de LTTE wist of moet hebben geweten dat de kinderen die zij heeft ingezet voor de gewapende strijd onder de leeftijd van 15 jaar waren. Voorts is komen vast te staan dat de gedraging hebben plaatsgevonden in het kader van het gewapende conflict en dat de LTTE zich bewust was van de feitelijke omstandigheden die het bestaan van het gewapende conflict bevestigde. Met het openbaar ministerie is het hof tot derhalve de slotsom gekomen dat uit bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, genoegzaam blijkt dat de LTTE ten tijde van de ten laste gelegde periode het oogmerk heeft gehad om kinderen jonger dan 15 jaar in te zetten ten behoeve van het gewapend conflict op Sri Lanka. Mede gelet op verdachtes betrokkenheid bij de LTTE, waarover het hof zich elders in het arrest heeft uitgelaten, acht het hof aldus dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen.

11.3.2.3. Vrijheidsbeneming (Feit 1.B. sub c)

In feit 1.B. sub c is tenlastegelegd, kort gezegd, dat LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) het oogmerk had op de gevangenneming dan wel ernstig beroven van de lichamelijke vrijheid van burgers op Sri Lanka in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, gepleegd als onderdeel van wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen de Tamil burgerbevolking op Sri Lanka, zoals bedoeld in art. 4 lid 1 sub e WIM. Het ten laste gelegde misdrijf wordt gerekend tot de misdrijven tegen de menselijkheid.469

De verdediging heeft gemotiveerd betwist, verkort en zakelijk weergegeven, dat dit feit, meer in het bijzonder de betrokkenheid van de verdachte hierbij, kan worden bewezen.

11.3.2.3.1. Het oordeel van het hof

11.3.2.3.1.1. Misdrijven tegen de menselijkheid

In art. 4 WIM worden de misdrijven tegen de menselijkheid strafbaar gesteld. Voor de redactie van de delictsomschrijving heeft de wetgever de Nederlandse vertaling gevolgd van art. 7 van het Statuut van de ICC. Dit Statuut is het eerste multilaterale Verdrag met bindende delictsomschrijvingen van deze categorie van misdrijven.

Art. 4 WIM luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

1. Als schuldig aan een misdrijf tegen de menselijkheid wordt gestraft […], hij die een van de volgende handelingen begaat, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval:

[…]

e. gevangenneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht;

[…]

Het hof stelt voorop dat de misdrijven tegen de menselijkheid zich onderscheiden van de commune misdrijven is de in de aanhef van dit artikel opgenomen drempel ‘indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval’. Deze eis, die de algemene vereisten van misdaden tegen de menselijkheid vormt, moet worden gezien als een geheel en het bevat de noodzakelijke context waarin de handelingen van de verdachte moet worden ingevuld.

De misdrijven tegen de menselijkheid zijn nauw verbonden met de geleidelijke uitbreiding van het internationale recht inzake de mensenrechten. Het hof merkt op dat de uitspraken van de ad hoc tribunalen een grote invloed hebben gehad op de uiteindelijke definiëring van de misdrijven tegen de menselijkheid, zoals ook in de WIM is opgenomen.470

11.3.2.3.1.1.1. Eerste laag: chapeau elementen

De definitie van misdaden tegen de menselijkheid bestaat feitelijk uit twee boven elkaar gelegen lagen. Wat een misdaad tegen de menselijkheid onderscheidt van een commuun misdrijf (of van de andere internationale misdrijven zoals oorlogsmisdrijven of genocide) is de in de aanhef van art. 4 WIM opgenomen eis dat het in de context van ‘een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking, met kennis van die aanval’ moet zijn gepleegd.471 Deze eis, tevens de vorenbedoelde eerste laag, die de zogeheten ‘chapeau elements’ of de algemene voorwaarden van misdaden tegen de menselijkheid vormt, moet worden gezien als één geheel en vormt de uiteenzetting van de context waarin de handelingen van de verdachte moet worden bezien. Zij kan worden onderverdeeld in vijf sub-elementen:472 (i) er moet sprake zijn van een aanval; (ii) er is een nexus tussen de daden van de verdachte en de aanval (iii) de aanval is gericht tegen de burgerbevolking, een vereiste dat verder is uitgewerkt in lid 2 onder a WIM; (iv) de aanval is ‘wijdverbreid of stelselmatig’ hetgeen blijkens o.a. de wetsgeschiedenis naar de grote schaal of omvang van de aanval respectievelijk een bepaald patroon of methodisch plan verwijst473 en (v) de dader heeft de vereiste mens rea; zijn gedraging (i.c. vrijheidsbeneming) wordt gepleegd in de wetenschap dat zij onderdeel vormt van de aanval.

11.3.2.3.1.1.1.1. Ad (i): Aanval

De eerste voorwaarde betreft het bestaan van een aanval.474Een ‘aanval’ in de context van een misdaad tegen de menselijkheid kan als volgt worden gedefinieerd: ‘as a course of conduct involving the commission of acts of violence.’475 De aanval op de burgerbevolking en het (bestaan van een) gewapend conflict zijn overigens twee (noodzakelijk) te onderscheiden begrippen.476 Het begrip ‘aanval’ is een element van een misdaad tegen de menselijkheid en ‘gewapend conflict’ betreft een jurisdictionele eis op grond van het internationale humanitaire recht. Voor dit element verwijst het hof naar hetgeen daarover eerder is overwogen en vastgesteld. De aanval kan, maar hoeft niet, deel uit te maken van het gewapend conflict: “[T]he attack could precede, outlast, or continue during the armed conflict, but it need not be a part of it”.477

De aanval is niet beperkt tot het gebruik van gewapend geweld. Het omvat alle mishandelingen van de burgerbevolking,478 ook van personen in detentie.479 Het bewijs hoeft alleen maar aan te tonen een gedraging gericht tegen de burgerbevolking dat een wijdverbreide of stelselmatige bereik aangeeft.480

Bij de vaststelling of er een aanval was, is overigens niet relevant dat de andere partij ook wreedheden tegen de burgerbevolking van zijn tegenstander heeft begaan. Iedere aanval tegen de burgerbevolking van de tegenstander zou even onwettig zijn en misdaden gepleegd als onderdeel van een dergelijke aanval kan, indien ook aan alle overige voorwaarden is voldaan, een misdaad tegen de menselijkheid inhouden.481

11.3.2.3.1.1.1.2. Ad (ii): Nexus tussen de daden van de verdachte en de aanval

Er is voorts een samenhang vereist tussen de handelingen van een verdachte en de aanval op de burgerbevolking.482 Het betreft hier het zogeheten nexus-vereiste. Het nexus-vereiste bestaat uit twee elementen: het plegen van een handeling die, naar haar aard en de gevolgen daarvan, naar objectieve maatstaven deel van de aanval vormt, in combinatie met kennis c.q. wetenschap van de kant van de verdachte (mens rea) dat er een aanval op de burgerbevolking en dat zijn daad een deel daarvan is.483

Een enkel misdrijf van de verdachte (als onderdeel van misdrijven tegen de menselijkheid) is in beginsel voldoende. Er hoeft geen sprake zijn van een scala aan criminele handelingen484, noch is het noodzakelijk dat er veel slachtoffers zijn.485 Evenmin hoeft het strafbare feit te zijn gepleegd in de hitte van de aanval om voldoende te zijn gerelateerd aan de aanval en (daarmee) een misdaad tegen de mensheid te vormen.486 Een misdrijf dat wordt gepleegd voor of na een (grote) aanval op de burgerbevolking kan eveneens, indien voldoende samenhangend, deel zijn van de aanval.487 Bij het bepalen of een bepaald gedrag voldoende samenhang met de aanval op de burgerbevolking heeft, zal het hof alle omstandigheden van het geval betrekken, waaronder de kenmerken, doelstellingen, aard en gevolgen van de handelingen van de verdachte.488 Het betreft hier een feitelijke beoordeling.

11.3.2.3.1.1.1.3. Ad (iii): Aanval gericht tegen de burgerbevolking

Het volgende chapeau element vereist dat de aanval gericht was tegen de burgerbevolking. Dit impliceert dat de burgerbevolking het primaire doel is van de aanval.489 Een aanval tegen de burgerbevolking in de zin van de WIM hoeft zich overigens niet te beperken tot een gewelddadige aanval, maar kan ook bestaan uit het meermalen plegen van die gevangenneming of vrijheidsberoving van de burgerbevolking ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een organisatie (art. 4 lid 2 sub a WIM).

De term ‘burgerbevolking’ verwijst naar personen die niet deelnemen aan de vijandelijkheden, waaronder leden van strijdkrachten die hun wapens hebben neergelegd, en degenen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, wonden, detentie of enige andere oorzaak.490 Het is een beginsel van internationaal gewoonterecht dat deze personen beschermd zijn bij gewapende conflicten. Dit is ook terug te vinden in de Geneefse Verdragen. Bij het bepalen van het begrip 'burgerbevolking' kan aansluiting worden gezocht bij art. 50 AP I. Dit artikel bevat een definitie van burgers en burgerbevolking en het bepaalde in dit artikel bepaalde kan grotendeels worden beschouwd als een afspiegeling van het geldende gewoonterecht. Uitgezonderd zijn o.a. leden van de gewapende strijdkrachten.491

De term burgerbevolking is in de jurisprudentie van de tribunalen overigens ruim uitgelegd492 en verwijst naar een bevolking die overwegend uit burgers bestaat, zelfs indien er niet-burgers (soldaten) tussen zijn493, zolang het de bevolking maar overwegend uit burgers bestaat.494 Onder omstandigheden kunnen tot burgers ook worden gerekend leden van een verzetsbeweging, oud-strijders die de wapenen hebben neergelegd en andere buiten gevecht gestelden (hors de combat).495 Om te bepalen of de aanwezigheid van soldaten de bevolking van haar civiele aard berooft, kan aan het aantal soldaten en de situatie dat ze al dan niet op verlof zijn, betekenis worden toegekend.496

Onder een aanval in deze context wordt ingevolge art. 7 lid 2 onderdeel a ICC Statuut verstaan, een wijze van optreden die met zich brengt het meermalen plegen van de bedoelde gedraging tegen een burgerbevolking ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een Staat of organisatie, dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel heeft.

In de nadere omschrijving van de Elementen van de Misdrijven497 wordt een toelichting gegeven op de algemene vereisten.

Zo wordt niet verlangd dat de dader een ruimere kennis had van de aanval of van aan die aanval ten grondslag liggende plannen. Voorts wordt toegelicht dat de aanval geen militaire aanval behoeft te zijn. De enkele aanmoediging van zo’n aanval op een burgerbevolking kan reeds voldoende zijn.

Wil er sprake zijn van een aanval gericht tegen de burgerbevolking dan is niet alleen vereist dat de gedraging of handeling bij herhaling en tegen een burgerbevolking wordt gepleegd, maar ook dat daarbij sprake is van een ‘policy to commit such attack’. Het beleid om dergelijke aanvallen te plegen vereist dat de staat of de organisatie het plegen van aanvallen tegen de burgerbevolking actief bevordert of stimuleert. Het bewijs hiervan lijkt vooral feitelijk van aard. Niet noodzakelijk is dat de dader op de hoogte was van alle kenmerken van de aanval of alle details van het bedoelde beleid. Wanneer de aanval nog in ontwikkeling was, is voldoende dat de dader het oogmerk heeft om daaraan verder bij te dragen. Voorts geven de Elementen van Misdrijven van de ICC aan dat ‘beleid’ veronderstelt dat een staat of organisatie de aanval in kwestie actief bevordert of aanmoedigt, een aanmoediging die, onder omstandigheden, ook kan bestaan uit het opzettelijk afzien van ingrijpen met het doel de aanval te laten doorgaan.498

Het hof merkt op dat onder internationaal gewoonterecht moet worden aangetoond dat de algemene aanval en niet de individuele daad van de dader, moet zijn gericht tegen de burgerbevolking.499

11.3.2.3.1.1.1.4. Ad (iv): Wijdverbreid of stelselmatig

De termen ‘wijdverbreid of stelselmatig’ verwijzen naar de grote schaal en omvang van de aanval (en het aantal slachtoffers) respectievelijk een bepaald patroon of methodisch plan.500

Beide criteria dienen als alternatief te worden beschouwd, d.w.z. dat ieder van deze onderdelen dit bestanddeel kan doen invullen.501 Overigens moet in deze context alleen de aanval en niet de (criminele) handeling van de verdachte wijdverbreid of stelselmatig zijn.502

Van belang is dat eerst de burgerbevolking die het voorwerp van de aanval is, wordt geïdentificeerd en, dat in het licht van de middelen, methoden, remedie en het resultaat van de aanval op de bevolking, wordt nagaan of de aanval wijdverbreid of stelselmatig was.503 Omstandigheden die van invloed kunnen zijn om te bepalen of de aanval voldoet aan beide eisen, betreffen gevolgen van de aanval op de doelgroep, het aantal slachtoffers, de aard van de handelingen, de mogelijke deelname van autoriteiten en/of herkenbare patronen van misdaden.504

Een enkele daad van de betrokkene, indien gekoppeld aan een wijdverbreide of stelselmatige aanval, kan eveneens in aanmerking komen als een misdaad tegen de menselijkheid, mits aan de andere voorwaarden is voldaan.505 Het bestaan van een (vooropgezet) plan of beleid is niet nodig, ofschoon dit nuttig kan zijn om aan te tonen dat de aanval wijdverbreid of stelselmatig was.506

Een niveau van feitelijke controle over grondgebied is noodzakelijk om aan te tonen dat een ‘sub-state’ apparaat of een gewapende oppositie groep een beleid heeft om een ​​aanval te richten op de burgerbevolking. Zowel de civiele status van de slachtoffers als de omvang of het niveau van de organisatie karakteriseren een misdaad tegen de menselijkheid.507

11.3.2.3.1.1.1.5. Ad (v): Kennis van de aanval

De bewoording ‘kennis van de aanval’ verwijst naar de vereiste mens rea. Aan de mens rea van misdaden tegen de menselijkheid is voldaan wanneer de verdachte de vereiste intentie heeft om de onderliggende delicten die hem worden verweten te begaan, wanneer hij weet dat er een aanval op de burgerbevolking is en ook weet dat zijn daden deel uitmaken van die aanval.508

In de zaak Kayishema509 oordeelde de Trial Chamber van de ICTR aldus:

“[T]he perpetrator must knowingly commit crimes against humanity in the sense that he must understand the overall context of his act. […] Part of what transforms an individual’s act(s) into a crime against humanity is the inclusion of the act within a greater dimension of criminal conduct; therefore an accused should be aware of this greater dimension in order to be culpable thereof. Accordingly, actual or constructive knowledge of the broader context of the attack, meaning that the accused must know that his act(s) is part of a widespread or systematic attack on a civilian population and pursuant to some sort of policy or plan, is necessary to satisfy the requisite mens rea element of the accused.”

Zoals hiervoor reeds werd overwogen is kennis van de details van de aanval niet vereist.510 Verder is er geen vereiste dat de dader het motief of doel van de aanslag goedkeurde.511 Ook de eigen motieven van de dader zijn niet relevant voor zijn individuele aansprakelijkheid op grond van art. 6 WIM.512 Hooguit kan bewijs dat de dader dergelijke misdrijven heeft gepleegd om (louter) persoonlijke redenen indicatief zijn voor de veronderstelling dat hij ervan op de hoogte was dat zijn daden deel uitmaakten van die aanval.513

11.3.2.3.1.1.2. Tweede laag: de vrijheidsberoving

De tweede laag van de definitie van misdaden tegen de menselijkheid bevat één of meerdere van de in art. 4, lid 1 WIM genoemde onderliggende strafbare feiten, zoals in casu de onder 1.B. onder c ten laste gelegde gevangenneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht (hierna

– gezamenlijk – ook: vrijheidsbeneming).

Het hof heeft geconstateerd dat de begrippen ‘gevangenneming’ en ‘(ernstig) beroven van lichamelijke vrijheid’ zijn in de WIM niet nader gedefinieerd, anders dan dat het moet gaan om ‘gevangenneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht’ (artikel 4, eerste lid, onderdeel e WIM). Ook hier is aangesloten bij de omschrijving van dit misdrijf in artikel 7, eerste lid, onderdeel e van de ICC Elements of Crimes.

Artikel omvat “imprisonment or other severe deprivation of physical liberty in violation of fundamental rules of international law”. Deze bepaling is gebaseerd op art. II(1)(c) of Control Council Law No. 10514, art. 5 sub e van het ICTY Statuut515 en art. 3 van het ICTR Statuut516. De ICC Elements of Crimes vereisen overigens dat de dader één of meer personen gevangen heeft genomen of één of meer personen anderszins van de lichamelijke vrijheid heeft beroofd.

Het hof merkt allereerst op dat de term gevangenneming (‘imprisonment’) als bedoeld in art. 7 van de ICC Elements of Crimes in de eerste plaats gevallen omvat waarin een persoon, letterlijk, is "gevangen" in een afgesloten ruimte en dus niet vrijelijk kan verhuizen naar een andere plaats.517 Gevallen aangemerkt als andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid (‘severe deprivation of fysical liberty’) omvatten die waarin een persoon (slechts) kan blijven bewegen in een bepaald gebied, bijvoorbeeld in een getto of concentratiekamp.518 Huisarrest kan ook vallen onder deze definitie.519 Het beroven van de vrijheid voor een korte periode wordt niet beschouwd als ‘severe’ in de zin van art. 7 lid 1 onderdeel e ICC Statuut. Bij het bestanddeel ‘in strijd met fundamentele regels van internationaal recht’ (‘in violation of fundamental rules of international law’) wordt, blijkens de wetsgeschiedenis van de WIM, gedoeld op onrechtmatige vrijheidsbeneming.520

Daarbij wordt als voorbeeld gegeven de schending van het verbod op willekeurige vrijheidsbeneming zoals gegarandeerd in onder andere artt. 9, 10 en 11 IVBPR.521 Het hof stelt vast dat zowel Nederland (11 december 1978) als Sri Lanka (11 juni 1980) partij zijn bij dit Verdrag. Het verbod op willekeurige vrijheidsbeneming is ook opgenomen in art. 9 van de Universele Verklaring van de rechten van de Mens522 en art. 5 EVRM523.

Vrijheidsbeneming is naar internationaal gewoonterecht onrechtmatig indien er voor de vrijheidsbeneming gedurende de gehele duur van de vrijheidsbeneming geen rechtmatige titel is danwel degene aan wie de vrijheid is ontnomen geen eerlijk proces (due process) krijgt.524

Het hof overweegt voorts dat de gevangenneming alleen de status van een misdrijf volgens het internationaal recht krijgt door de schending van de fundamentele regels van internationaal recht. Dit criterium is voor het eerst door het Joegoslavië-tribunaal in de zaak Kordić & Čerkez vastgesteld. Door het tribunaal wordt gevangenneming als een misdrijf tegen de menselijkheid gedefinieerd als de willekeurige opsluiting van het individu, dat wil zeggen, zonder een eerlijk proces danwel een behoorlijke procesgang, een en ander als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking.525 De doorslaggevende factoren bij de beoordeling van het willekeurige karakter van de vrijheidsbeneming zijn het bestaan van wettelijke rechtvaardiging voor de vrijheidsbeneming en het respecteren van de fundamentele procedurele rechten van de gedetineerde.526

In de rechtspraak van de tribunalen wordt de gevangenneming van burgers als onwettelijk (unlawful) beoordeeld indien (i) burgers worden vastgehouden in strijd met art. 42 van het Geneefse Verdrag IV betreffende bescherming van burgers in oorlogstijd, dat wil zeggen ‘zonder redelijke grond’, (ii) de vereiste procedurele waarborgen van art. 43 van de Geneefse Verdrag IV niet worden nageleefd ten aanzien van gedetineerde burgers, zelfs wanneer initiële detentie op zichzelf kan zijn gerechtvaardigd en (iii) indien de gevangenneming geschiedt als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking. Bij dit laatste element moet de kanttekening worden gemaakt dat het bestaan van een internationaal gewapend conflict niet is vereist voor gevangenneming als misdrijf tegen de menselijkheid.527

Op grond van deze rechtspraak constateert het hof voorts dat in feite elke vorm van willekeurige fysieke vrijheidsberoving van een individu, indien ernstig genoeg,528 in beginsel valt aan te merken als een misdrijf van gevangenneming (of onwettige vrijheidsbeneming) indien het voldoet aan de volgende eisen:529

  • -

    i) een individu is beroofd van zijn of haar vrijheid;

  • -

    ii) de vrijheidsbeneming wordt willekeurig opgelegd, dat wil zeggen, er is geen rechtsgrond of juridische (wettelijke) basis om de vrijheidsbeneming te rechtvaardigen;530

( iii) het besluit of de opdracht waarmee het individu wordt beroofd van zijn of haar fysieke vrijheid wordt uitgevoerd door de verdachte of een persoon of personen voor wie de verdachte strafrechtelijk verantwoordelijkheid is met de bedoeling om het individu willekeurig van zijn of haar fysieke vrijheid beroven of in de wetenschap dat zijn daad waarschijnlijk willekeurige beroving van de lichamelijke vrijheid veroorzaakt.

De cruciale factoren in de beoordeling van de willekeur van de vrijheidsbeneming zijn het bestaan van een geldige wettelijke rechtvaardiging voor de vrijheidsberoving en het respect gegeven aan de fundamentele procedurele rechten van de gedetineerde. De vereiste mens rea voor het misdrijf bestaat uit de intentie van de dader om een individu willekeurig zijn of haar fysieke vrijheid te ontnemen of uit de redelijke kennis dat zijn handelen of nalaten naar waarschijnlijkheid de willekeurige beroving van de lichamelijke vrijheid veroorzaakt.

11.3.2.3.1.2. Feitelijke vaststelling door het hof

Uit (onder meer) de reeds aangehaalde bewijsmiddelen bij de bespreking van de rekrutering en inzet van kindsoldaten blijkt verder dat de LTTE onder meer kinderen heeft gedwongen dienst te nemen als strijdkrachten. Uit een groot aantal bewijsmiddelen, waaronder hierna nog nader te bespreken VN-rapporten531, rapporten van NGO’s zoals Terres des Hommes532 en ambtsberichten van Buitenlandse Zaken533 blijkt dat de kinderen en ook anderen na rekrutering niet langer vrij waren om te gaan en staan waar ze wilden.

In aansluiting op het vorenstaande blijkt uit het deskundigenrapport van de deskundigen Keenan en Frerks eveneens dat de LTTE in de loop van de jaren verantwoordelijk is geweest voor een groot aantal gevallen van moord, ontvoering, gevangenneming en vrijheidsberoving, gepleegd jegens de burgerbevolking. De deskundigen Keenan en Frerks stellen in dit verband onder meer het volgende:

“Wellicht nog kenmerkender voor de LTTE’s meedogenloze nationalistische politiek waren de talloze moorden op rivalen van de Tamil-politiek, met name op degenen van wie de LTTE dacht dat ze bereid waren om compromissen met de Sri Lankaanse regering te sluiten. Onder hen waren gekozen leiders, leiders van rivaliserende partijen en militante groeperingen en intellectuelen.”534

Meer in het algemeen legde de LTTE strakke beperkingen op van de bewegingsvrijheid van Tamils die in gebieden woonden waar de LTTE de macht had. De LTTE stelde een pasjessysteem in op grond waarvan de bewoners van gebieden waar de LTTE de macht had toestemming nodig hadden om te mogen vertrekken en door de regering gecontroleerde gebieden binnen te gaan”.535

Blijkens voorts het rapport ‘Visit of Major General (ret.) Patrick Cammaert, Special Envoy of the Special Representative for Children & Armed Conflict, to Sri Lanka’ d.d. december 2009 van de Verenigde Naties zijn de kinderen die geassocieerd waren met de LTTE gedwongen en soms ontvoerd.536 In het rapport ‘Report of the Secretary-General on children and armed conflict in Sri Lanka’ d.d. 20 december 2006 van de Verenigde Naties zijn er in de periode van 1 november 2005 tot 31 oktober 2006 117 klachten van ontvoering van kinderen door de LTTE gerapporteerd.537 In de periode van 1 november 2005 tot 31 oktober 2006 zijn blijkens het rapport ‘Report of the Secretary-General on children and armed conflict in Sri Lanka’ d.d. 21 december 2007 van de Verenigde Naties 7 klachten van ontvoering van kinderen door de LTTE gerapporteerd.538 Tenslotte blijkt uit het rapport ‘Report of the Secretary-General on children and armed conflict in Sri Lanka’ d.d. 25 juni 2009 van de Verenigde Naties van 5 gevallen van ontvoering van kinderen door de LTTE in de periode van 15 september 2007 tot 31 januari 2009.539

Blijkens de Algemene Ambtsberichten Sri Lanka van 2007540, 2008541 en 2009542 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is er binnen de LTTE sprake geweest van gedwongen rekrutering ten behoeve van de LTTE strijdkrachten. Daarbij zou desertie worden bestraft met marteling, gevangenneming en zelfs de dood. Het rapport ‘The end of the beginning, achieving progress by reintegrating ex-child combatants’ d.d. juni 2009 van Terre des Hommes vertelt het verhaal van een kindsoldaat van de LTTE waarin bestraffing van desertie wordt bevestigd.543 Dat er gedongen rekruteringen door de LTTE plaatsvonden vindt voorts bevestiging in de verklaringen van [getuige 20]544, [getuige 21]545 en [getuige 22]546, alsmede in het deskundigenrapport van Keenan en Frerks die eveneens stellen dat er ten tijde van het gewapende conflict, alsook gedurende de ten laste gelegde periode gedwongen rekrutering plaatsvond:

“De LTTE verwachtte van elk gezin dat het één persoon leverde aan de ‘vrijheidsstrijd’. (zie: VN-2007: 2; CSUCS 2004: 207-208) Veel gezinnen gehoorzaamden omdat deze eisen vaak met dwang kracht werd bijgezet (CSUCS 2004: 208) en openlijk verzet tegen de LTTE was nagenoeg onmogelijk en gevaarlijk. De LTTE beschikte over een efficiënt administratief en inlichtingennetwerk waardoor nagenoeg niets onopgemerkt bleef. Zelfs als ouders het oneens waren, konden zij hun kinderen nauwelijks beschermen, behalve in het geval zij genoeg geld hadden of bijeen konden krijgen om hun kinderen op tijd naar het buitenland te sturen.”547

Het hof slaat voorts acht op het rapport ‘Report of the Secretary-General’s Panel of Experts on Accountability in Sri Linka’ van d.d. 31 maart 2011 van de ‘Panel of Experts’ van de Verenigde Naties. Dit rapport komt tot de volgende conclusie:

252. With respect to the LTTE, the credible allegations and violations above point to a widespread or systematic attack on the civilian population of the Vanni during the final stages of the war, insofar as there was a consistent and widespread practice of holding civilians against their will and killing some of those who tried to leave. As for the particular acts constituting crimes against humanity, the Panel concludes that credible allegations point to the commission by the LTTE of the crime against humanity of murder, according to the definition above, based on the LTTE's killing of those seeking to flee as well as its use of suicide bombers against civilians during the war.548

Ook Human Rights Watch komt in haar rapport ‘Trapped and Mistreated, LTTE Abuses Against Civilians in the Vanni’ d.d. december 2008 tot de conclusie dat de LTTE de burgerbevolking in Noord-Sri Lanka van haar vrijheid beroofde om andere redenen dan rekrutering van de persoon zelf, en die burgerbevolking daarbij vaak ook blootstelde aan

oorlogsgevaar. Human Rights Watch stelt onder meer het volgende:

The LTIE continues to force civilians to engage in dangerous forced labor, including the digging of trenches for its fighters and the construction of military bunkers on the frontlines. It also uses forced labor as punishment, often forcing family members of civilians who flee to perform dangerous labor near the frontlines.

By shutting down its pass system for travel, the LTIE has banned nearly all civilians from leaving areas under LTTE control (with the exception of urgent medical cases), effectively trapping several hundred thousand civilians in an increasingly hazardous conflict zone, with extremely limited humanitarian relief. The trapped civilians provide a ready pool of civilians for future forced labor and recruitment of fighters. In doing so, the LTIE is unlawfully seeking to use the presence of the large civilian population in areas under its control for military advantage.” 549

“The LTTE's demands on the civilian population under its control are not limited to forced recruitment of fighters: all families are also forced to "donate" labor to the LTTE, mostly in projects involving the hazardous task of building LTTE military defenses.” 550

“[B]etween 230,000 and 300,000 civilians, 36 most of them already multiple times displaced (some as many as 10 to 12 times), remain trapped inside the Vanni war zone. The main reason so many civilians are trapped is because the LTTE has forced civilians to flee with them, often to remote locations into LTTE controlled territory, and refuses to allow civilians to freely leave areas under their control for government-controlled territory.”551

Het Department of State van de Verenigde Staten van Amerika bevestigt in haar rapport ‘Sri Lanka; Country Reports on Human Rights Practices for 2004’ d.d. 28 februari 2005 het vorenstaande en stelt het volgende:

During the year, the LTTE continued to detain civilians, often holding them for ransom, especially Muslims in the east. In July, the L TTE abducted 13 Trincomalee-area Muslims who were collecting firewood and demanded ransom for their release. The 10 who were released that same day were forced to provide manual labor, while the other 3 were held for several days and severely beaten before being released.

At year's end, there were more than 120 reports that the LTTE had abducted adults.552

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat de LTTE ten tijde van de ten laste gelegde periode het oogmerk heeft gehad om personen, waaronder gerekruteerde minderjarige kinderen, van hun vrijheid heeft beroofd in strijd met fundamentele regels van internationaal recht en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Vervolgens is de vraag of dit in art. 4, eerste lid onder e WIM bedoelde misdrijf is gepleegd in de context van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking, met kennis van die aanval.

Tegen deze achtergrond en hetgeen daarover hiervoor is overwogen heeft het hof eerder vastgesteld dat de LTTE in de tenlastegelegde periode betrokken is geweest bij het plegen van aanslagen/aanvallen op burgers en burgerdoelen op Sri Lanka. Hierbij zijn talloze doden gevallen. In de loop van meer dan 25 jaar oorlog was de LTTE verantwoordelijk voor honderden aanslagen op civiele doelen waarbij duizenden mensen omkwamen. Deze werden uitgevoerd hetzij in de vorm van een bomaanslag of van guerrilla-aanslagen op dorpen en openbare plaatsen in het noordoosten, langs de feitelijke “grens” die de gebieden met een meerderheid aan Tamils scheidde van gebieden met een meerderheid aan Singalese inwoners.553 Deze aanvallen vonden plaats in het kader van de gewapende strijd van de LTTE tegen de overheid van Sri Lanka. Het uiteindelijke doel van de LTTE was het stichten van een eigen staat.

Voorts is gebleken dat de LTTE grote delen van het noorden en oosten van Sri Lanka onder controle had. In die gebieden is de LTTE naar het oordeel van het hof overtuigend beschuldigd van vele gevallen van ontvoering, afpersing, gedwongen verdwijningen, willekeurige opsluiting en wederrechtelijke beperkingen in de bewegingsvrijheid. Aannemelijk is voorts geworden dat de LTTE al heel lang eigen gevangenissen had. In een aantal daarvan zaten mensen die waren ‘veroordeeld’ door ‘Tamil Eelam’-rechtbanken; in andere zaten politieke gevangenen oftewel Tamils die zich verzetten tegen de overheersing door de LTTE of deze uitdaagden of ervan werden verdacht voor de regering te werken en krijgsgevangenen.554

De bedoelde aanvallen van de LTTE die hiermee de alleenheerschappij over bepaalde gebieden en haar bevolking wilde verzekeren en die gericht waren tegen de burgerbevolking, hadden naar het oordeel van het hof, gelet op de grote schaal en omvang van die aanvallen en het grote aantal burgerslachtoffers die daarvan het gevolg waren, een ‘wijdverbreid en stelselmatig’ karakter. Het hof is van oordeel dat voorts buiten gerede twijfel is komen vast te staan dat de wederrechtelijke vrijheidsbeneming in de tenlastegelegde zin bewust deel uitmaakte van die wijdverbreide of stelselmatige aanval. Mede gelet op verdachtes betrokkenheid bij de LTTE, waarover het hof zich elders in het arrest heeft uitgelaten, acht het hof aldus dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen.

11.3.2.4. Het voorhanden hebben en/of overdragen van wapens en munitie (Feit 1.B. sub d), het plegen van aanvallen en aanslagen (Feit 1.B. sub e, f, g) en samenspanning tot moord (Feit 1.B. sub h)

11.3.2.4.1. Militaire doelen

Zoals reeds overwogen is vast komen te staan dat er op Sri Lanka een gewapend conflict heeft plaatsgevonden tussen de GoSL en de LTTE. Op grond van de beschikbare openbare bronnen en het procesdossier is eveneens vast komen te staan dat er in het kader van het gewapend conflict gedurende een lange tijd, en in ieder geval ten tijde van de ten laste gelegde periode, door de LTTE aanslagen/aanvallen zijn gepleegd op gebouwen, transportmiddelen, militairen, overheidsfunctionarissen en burgers zoals hiervoor reeds eerder is overwogen bevat het procesdossier bevat een opsomming van verschillende aan de LTTE toegeschreven aanslagen op militaire doelen555, waaronder een gedetailleerde lijst van aanslagen in de jaren 2007 en 2008556. Daarbij zijn doden en gewonden gevallen. Ook [verdachte 2] heeft verklaard dat de LTTE aanslagen/aanvallen heeft uitgevoerd op militaire doelen.557 Daarbij bevat het procesdossier uiteenzettingen van door de LTTE vervaardigde DVD’s, boeken en ander materiaal waar de gewelddaden van de LTTE tegen het leger van de GoSL, ook in de ten laste gelegde periode, worden beschreven en verheerlijkt.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de LTTE ten tijde van de ten laste gelegde periode het oogmerk heeft gehad om geweld te plegen tegen militaire doelen van de GoSL op Sri Lanka.558

11.3.2.4.2. Geweldshandelingen

Uit de verscheidende aanslagen waarbij de LTTE betrokken is geweest, valt, kort samengevat, af te leiden dat de LTTE zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    het opzettelijk brandstichten en ontploffingen teweegbrengen, al dan niet met schade, levensgevaar, zwaar lichamelijk letsel en dood ten gevolge;

  • -

    het opzettelijk en wederrechtelijk vervoersmiddelen beschadigen en vernielen, al dan niet met levensgevaar en dood ten gevolge;

  • -

    doodslag, en

  • -

    moord.

Voorts acht het hof, mede gezien hetgeen onder feit 1.A. sub a is overwogen, bewezen, kort samengevat, dat de LTTE wapens voorhanden heeft gehad zoals onder 1B sub d is tenlastegelegd.

11.3.2.4.3. Opzettelijke voorbereiding van de hierboven onder 1.B. genoemde misdrijven (Feit 1.B. sub i)

Het hof voegt daaraan toe dat met de bewezenverklaring van het oogmerk van de LTTE op de voltooide misdrijven het oogmerk van de voorbereiding tot die misdrijven een gegeven is.

Het hof zal echter de verdachten van de voorbereiding op de misdrijven onder sub a en d ontslaan van alle rechtsvervolging nu op deze misdrijven naar de wettelijke omschrijving geen gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.

11.3.3.

Beoordeling met betrekking tot feit 2

11.3.3.1. Opruiing en verspreiding ter opruiing (Feit 2 sub a en b)

Onder feit 2 sub a en b is tenlastegelegd dat de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) het oogmerk had op opruiing en verspreiding ter opruiing.

Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen bij de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de LTTE het oogmerk heeft gehad op de onder 2 sub a en b ten laste gelegde misdrijven.

11.3.3.2. Overtreding van de Wet op de kansspelen (Feit 2 sub e)

In feit 2 sub e is tenlastegelegd dat de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) het oogmerk had op overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen.

Het hof oordeelt als volgt.

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “Er werd ook nog op andere manieren geld ingezameld. Van 2003 tot 2008 werden er een soort loterijen georganiseerd. Deze loterijen vonden op twee manieren plaats. Tijdens de sportdagen, waar ongeveer 800 tot 1000 mensen op afkwamen, werd er ter vermaak van de mensen een loterij gehouden. De loten kostten twee à drie euro per lot. In 2005 zijn er overigens ook loten voor de loterij gedrukt, maar die loterij heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. In 2006, 2007 en 2008 is er ook twee keer een loterij georganiseerd voor de Chencholai weeskinderen. Deze loterijen hebben zonder toestemming van de Nederlandse overheid plaatsgevonden. Iemand had ons advies gegeven en gezegd dat het vragen van toestemming niet nodig was, omdat de loterij alleen onder Tamils en vrienden zou worden gehouden. Dit advies bleek onjuist.”559

De getuige [getuige 23] verklaart, zakelijk weergegeven: “Ik heb wel loten gekocht voor één a twee euro per stuk. De loterijen werden verkocht voor de sport en soms bij de huizen. De kosten zoals scheidsrechters worden daar mee betaald. De loterij wordt gehouden op de heldendag. Omdat ik heb deelgenomen aan de heldendag heeft [bijnaam verdachte 2] mij gevraagd om bij te houden wie wat verkocht had en dat zou ik hem geven. De gegevens van de loterijboekjes, hoeveel die persoon wel of niet heeft verkocht. Ik moest dat noteren, mijn vrouw heeft genoteerd. Ik zei wat zij moest noteren. Je kan een laptop of een fiets winnen, dat soort dingen.”560

Op het vestigingsadres van de TCC te ’s-Gravenhage zijn vier loten in beslag genomen, voor een loterij die plaats heeft gevonden in 2003.561

In de Nederlandse administratie, in beslag genomen zowel in de woning van [verdachte 5] te Breda, als in de woning van [verdachte 1] te Schagen, staat onder 31 oktober 2007 een bedrag van € 6.100,00 vermeld, met de omschrijving “De loterijgelden aan Sencholai gegeven”.562

[verdachte 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard: “Het klopt dat er op 14 januari 2008 een loterij is georganiseerd. Dit is Pongal Day, Tamil Nieuwjaar.”563

Namens [verdachte 4], [verdachte 2] en [verdachte 3] is het verweer gevoerd dat er geen vergunning nodig was voor het organiseren van de loterijen omdat deze zouden vallen onder de uitzondering van artikel 7c van de Wet op de kansspelen. Het hof verwerpt dit verweer, nu deze uitzondering slechts geldt voor kleine loterijen georganiseerd door Nederlandse verenigingen. De LTTE noch de TCC zijn echter verenigingen naar Nederlands recht. Ook blijkt uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [verdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij over de noodzaak van het vragen van een vergunning advies had gevraagd (en ten onrechte het advies had gekregen dat zulks niet nodig was), dat hij zich bewust is geweest van de mogelijke strijdigheid van de loterijen met de wetgeving terzake, zodat ook in zoverre sprake is geweest van de voor het delict vereiste mate van opzet, en er ook sprake is van het misdrijf als bedoeld in de Wet op de Economische delicten.

11.3.3.2.1. Het oordeel van het hof

Gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het hof, evenals de rechtbank, tot bewezenverklaring van het opzettelijke overtreden van de Wet op de kansspelen als een van de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had.

11.3.3.3. Dwang (Feit 2 sub f)

Het hof overweegt hierover als volgt.

[verdachte 2] verklaart in hoger beroep als volgt: “U vraagt mij of [alias betrokkene 2] mij instructies heeft gegeven hoe verder te handelen in Nederland. In 2003 was er een reorganisatie bij de LTTE. Er is toen een boekje uitgekomen met allerlei regels over wat wij moesten doen.

U vraagt mij of dit boekje het handboek betreft waarin ook het organisatieschema, dat u mij zojuist heeft voorgehouden, is opgenomen. Ja, dat is hetzelfde.

In het boek stonden de algemene regels beschreven. Elk land mocht deze regels op zijn eigen wijze toepassen.

U vraagt of ik degene was die daarvoor verantwoordelijk was in Nederland. Ja, dat klopt.”564

Het hof heeft voorts kennis genomen van het door [verdachte 2] genoemde handboek.565 Uit dit geschrift blijkt dat het internationale secretariaat van de LTTE van de verantwoordelijken in de afzonderlijke landen verwacht dat alle noodzakelijk maatregelen getroffen dienen te worden om van elke Tamil in dat land een maandelijkse donatie te verkrijgen ten behoeve van de vrijheidsstrijd op Sri Lanka.566

In de woning van [verdachte 2] is op een CD een brief aangetroffen van 11 februari 2007 van [bijnaam verdachte 2] (het hof begrijpt: [verdachte 2]) aan de districtsverantwoordelijken.567 [verdachte 2] schrijft hierin dat zij onmiddellijk de namen, adressen en telefoonnummers van mensen uit hun regio die geen enkele contributie hebben betaald, moeten e-mailen naar Chencholai en Arivucholai verzorgingshuizen en de reden waarom zij niet hebben meegedaan. In bedoeld pand is tevens een brief aangetroffen van (het hof begrijpt: [verdachte 4]) aan [verdachte 2] met namen en telefoonnummers van mensen in Midden Nederland die niet hebben meegedaan en niet willen meedoen.568 Voorts is in dit pand een lijst aangetroffen met namen en adressen van Tamils in Nederland en België, waarbij achter sommige namen is geschreven “no pay” of “negative”.569

Op 26 april 2010 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van [betrokkene 11] te Londen.570 Daarbij is (in een computerbestand) een brief aangetroffen gedateerd 15 maart 2007 met de volgende inhoud: “[betrokkene 12], 20-10-1983 uit Den Haag wil de vrouw die voor hem is uitgezocht hier naar toe laten halen. Ze zijn daarheen gegaan voor een pas. Ze hebben verteld dat ze dat pas kunnen geven nadat er een antwoord van ons is. [betrokkene 12] en de moeder van [betrokkene 12] zijn naar me toe gekomen. Hun deelname 2004-2005, totaal € 500,- heb ik ontvangen. In 2006 geen deelname. Voor 2007 heb ik ze ontmoet. Ze hebben geschreven dat ze € 60,- per maand zullen geven. Ik heb een maand 60 euro ontvangen. Mijn mening: als er 2500 gevraagd wordt, zouden we kunnen krijgen. Hoogachtend, [betrokkene 11].”571

[getuige 16], wonend in Breda, heeft zakelijk weergegeven verklaard dat de mensen die aan de deur kwamen zware morele druk op hem legden. Zij zeiden dat hij zijn land in de steek liet. Met zij bedoelt hij de mensen die aan de deur kwamen; [betrokkene 18], [bijnaam verdachte 5] en nog een paar anderen.572

Als hij naar zijn broer in Sri Lanka wilde, en hij moest via het gebied van de LTTE, dan had hij een nummer nodig. In Omantha is een controlepost van de LTTE en dan heb je een nummer nodig om te kunnen passeren. Hij moest eerst betalen en dan zou hij een nummer krijgen. Hij heeft geld overgemaakt aan de TCC. Toen is er ook al eens om een groot geldbedrag gevraagd voor de “onophoudelijke golven”. Hij kon dat niet betalen en toen is overeengekomen dat hij periodiek zou betalen. Bij het tonen van foto 1 ([verdachte 5]) verklaart hij dat dat [bijnaam verdachte 5] is en dat die in Breda woont. Hij was tot aan het verlies van de LTTE ervan overtuigd dat hij een nummer nodig had om daar in Sri Lanka te komen, zo niet dan zouden zij hem vasthouden bij Omantha tot alsnog betaald was. Hij verklaart dat [betrokkene 18] praat of hij wil slaan. [betrokkene 18] belde soms en vroeg of het geld al klaar lag. Als hij dan zei van niet, zei [betrokkene 18] dat hij maar een telefoontje hoefde te plegen. Daaruit begreep hij dat hij in Sri Lanka problemen kon verwachten.573

Hij verklaart dat [betrokkene 18] in 2004 zijn districtsverantwoordelijke was.574

[getuige 24], wonend in Breda, heeft ter terechtzitting in hoger beroep zakelijk weergegeven verklaard: “Ik had van landgenoten die naar Sri Lanka zijn gereisd gehoord dat ik, in het geval ik naar Sri Lanka wilde reizen, een pasje/reisdocument nodig zou hebben. Ik moest geld betalen om dat document te kunnen krijgen.

Ik wilde naar mijn vaderland reizen en ik heb toen aan [betrokkene 18] gevraagd hoe ik zo’n pas zou kunnen regelen en aan wie ik daarvoor geld moest betalen. Van andere mensen heb ik geld geleend om de pas te regelen.

Ik moest naar Sri Lanka reizen en ik was bang dat ze mijn paspoort in beslag zouden nemen, daardoor voelde ik mij bedreigd.

Ik heb aan [betrokkene 18] € 500,- betaald.

In 2005 ben ik in verband met een bezoek aan mijn vader naar Sri Lanka gereisd met een Sri Lankaans paspoort.

Ik denk dat ik de kwitantie van [betrokkene 18] heb gekregen.

Daar stond op dat ik 500 rupees had betaald en dat dit het bewijs daarvan was.

Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat [betrokkene 18] tegen mij gezegd heeft dat ik het betalingsbewijs kon meenemen zodat ik dat daar bij de LTTE kon laten zien.”575

[getuige 25], wonend in Lelystad, heeft ter terechtzitting in hoger beroep zakelijk weergegeven verklaard: “U houdt mij voor dat ik tegenover de rechter-commissaris heb verklaard dat ik in 2009 contact heb gehad met een persoon genaamd [betrokkene 19] . U zegt dat u uit mijn verklaring heeft begrepen dat hij bij mij kwam voor geldinzameling voor de LTTE.

In 2009 had ik een winkel. Toen heb ik hem daar gezien. Hij zei “wij verzamelen geld bij iedereen”. U vraagt mij wie hij met ‘wij’ bedoelde. Hij kwam niet alleen. Hij zei “wij gaan alle winkels langs”.

U vraagt mij of hij de Tamiltijgers of de LTTE heeft genoemd. Hij had een brief bij zich. Hij zei dat hij voor hun geld inzamelde. U vraagt mij of hij nader heeft aangegeven wie met ‘hun’ bedoeld werden. Hij zei dat hij een brief heeft gekregen van ‘daar’ en daarom zamelde hij geld in voor de LTTE. Dat heeft hij gezegd.

U vraagt mij of hij een bonnenboekje heeft laten zien. Ja, dat heeft hij.

U toont mij nu op een groot scherm pagina A07 0155 van het dossier en u vraagt mij of ik dit herken. Ja.

U vraagt mij of ik toen iets soortgelijks heb gezien. Ja, het was zoiets.

U vraagt mij of ik het rode embleem herken. Dat was toen in het zwart.

U vraagt mij wat het voorstelt. Dat is van de Tamiltijgers. Dat staat er ook in de Tamil taal.

U vraagt mij in welke periode [betrokkene 19] bij mij is geweest. Mijn winkel is in februari 2009 geopend. Ik denk dat het ongeveer twee maanden na de opening was.

De eerste keer dat hij langskwam zei hij dat ze langs alle Tamilwinkels gingen om geld in te zamelen. Hij zei dat wij moesten helpen.

U vraagt mij naar de tweede keer dat [betrokkene 19] langskwam.

Hij vroeg mij toen of ik nagedacht had. Hij liet mij weer een brief zien en zei “het geld is niet voor mij, maar het is voor ons”.

U vraagt mij wie hij met ‘ons’ bedoelde. Ik denk dat hij de LTTE bedoelde, want op de brief die hij liet zien stond LTTE. Ik weet zeker dat de LTTE problemen maakt voor de mensen die geen geld geven.

U vraagt mij of er andere personen bij mij zijn langs geweest. [bijnaam verdachte 4] is met een brief langs geweest. Hij vertelde dat zij bij iedereen 1000 euro inzamelden. Toen ik zei dat ik geen 1000 euro had, zei hij dat ik ook elke maand 50 euro kon geven.

Hij zei “Je bent Tamil, je moet ons helpen”.

U vraagt mij of ik mij op enigerlei wijze onder druk gezet voelde door [betrokkene 19] of [betrokkene 20]. Ja, dat voelde ik wel zo.

U vraagt mij of ik kan toelichten waarom ik dat zo voelde. Toen [betrokkene 19] mij om geld ging vragen ben ik een beetje bang geworden.

U vraagt mij wat hij deed waardoor ik bang werd. Als er geen geld werd betaald, misschien kreeg ik dan problemen.

U vraagt mij of ik dat dacht of dat hij dat zo gezegd heeft. Hij heeft gezegd dat hij iemand is die problemen kan maken en dat hij andere mensen die niet hebben betaald heeft geslagen.

U vraagt mij of hij nog andere dingen heeft gezegd waardoor ik bang werd. Hij zei “je moet betalen” en ja, ik heb ook kinderen.

U vraagt mij of hij mij op enige wijze bedreigd heeft met mijn kinderen. Hij heeft gezegd “als je niet betaalt dan heb je een probleem”.

Hij heeft gezegd “je moet geld geven, anderen hebben dat ook al gedaan”.

Daarnaast heeft hij gezegd “ik heb al problemen gemaakt bij andere mensen die niet betalen”. Toen dacht ik dat hij problemen met mijn kinderen kon maken.

U houdt mij in dit kader voor dat ik in antwoord op vragen van de rechter-commissaris heb gezegd dat hij had gezegd “Je moet geld betalen of jij moet hulp aanbieden aan de Tijgers”, dat “hij had deelgenomen aan de strijd en scherven in zijn hart heeft” en “Als jij niet helpt, ga ik kinderen ontvoeren”. U vraagt mij of ik dit zo bij de rechter-commissaris heb gezegd. Dit klopt. Ik heb dit zo bij de rechter-commissaris gezegd. Het is zo dat als men problemen met kinderen verwacht, men automatisch geld gaat geven.

U vraagt mij of hij heeft gezegd op welke kinderen hij doelde. Hij kwam geld vragen bij mij, dus ik dacht dat het over mijn kinderen ging.

Hij heeft gezegd dat als ik geld gaf ik geen problemen zou krijgen.

U houdt mij voor dat ik bij de rechter-commissaris heb gezegd dat hij zei “jouw kinderen”. Omdat hij geld aan mij vroeg, ging het over mijn kinderen.”576

11.3.3.3.1. Het oordeel van het hof

Uit deze getuigenverklaringen en bescheiden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof, met de rechtbank dat door degenen die geld inzamelden voor de LTTE (waaronder dus begrepen de TCC en andere sub-organisaties) een indringend beroep werd gedaan op leden van de Tamilgemeenschap in Nederland om financieel bij te dragen aan de activiteiten en/of doelstellingen van de LTTE (en sub-organisaties). Mensen werden herhaaldelijk door twee of drie leden van de organisatie bezocht, ook al hadden zij laten weten niet te willen bijdragen of het geld niet te kunnen missen. Er was sprake van een minimaal te betalen bijdrage. Er werd nauwkeurig geregistreerd wie wel en wie niet betaalde en deze registratie werd ook aan Sri Lanka doorgegeven. Bij deze (huis)bezoeken werd mensen te verstaan gegeven dat zij, als zij niet zouden betalen, het onder controle van de LTTE staande gebied in Sri Lanka niet zouden kunnen inreizen of daar problemen zouden kunnen ondervinden. In een geval is gedreigd met ontvoering van kinderen. Veel slachtoffers hadden angst voor de LTTE gelet op hetgeen zij zelf of hun familie in Sri Lanka hadden meegemaakt. Door dit alles werd zodanig op de slachtoffers ingewerkt en ingepraat dat sprake is van

bedreiging met enige feitelijkheid als bedoeld in artikel 284 Sr. Deze handelwijze leidde tot zodanige psychische druk dat de slachtoffers hieraan geen weerstand konden bieden en uiteindelijk gingen zij overstag en betaalden. Immers, veel van de slachtoffers wilden de mogelijkheid openhouden om hun moederland, Sri Lanka, te bezoeken of hadden daar nog familie om wier welzijn zij zich zorgen maakten. Zij vreesden dat die mogelijkheid hun zou worden onthouden als zij niet betaalden. Van die angst werd misbruik gemaakt.

Anders dan wel door de verdediging is betoogd ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hier weergegeven (onderdelen van de) verklaringen van de getuigen. Voor bewijsuitsluiting is dan ook geen grond.

Gelet op het vorenstaande komt het hof, net als de rechtbank, mede gelet op het stelselmatige karakter van de aanpak, tot bewezenverklaring van dwang als één van de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had.

11.3.3.4. Afpersing (Feit 2 sub g)

Onder feit 2 sub g wordt de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) verweten het oogmerk te hebben op afpersing.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Anders dan ten aanzien van “dwang” moet immers, voor bewezenverklaring van het oogmerk van de organisatie op afpersing, komen vast te staan dat dat oogmerk was gericht op het plegen van geweld dan wel het bedreigen met geweld tegen personen, en wel zodanig dat bij de afgifte geen andere motieven dan de dreiging met geweld dan wel het geweld een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Anders dan bij “dwang” in de zin van artikel 284 Sr, kan het dwingende karakter niet worden afgeleid uit andere feitelijkheden dan geweld en dreiging met geweld.

Hoewel uit de hiervoor bewezenverklaarde dwang een aanwijzing kan worden afgeleid dat de Tamils in Nederland, van wie bijdragen ten behoeve van de LTTE werden gevorderd, onder druk werden gezet en er evenzeer aanwijzingen zijn in de daarover afgelegde verklaringen, dat sommige Tamils ook zeer zware druk hebben ervaren, blijkt uit geen van de afgelegde verklaringen dat in die dwang of bedreiging in het algemeen de (enige) reden was gelegen om (financiële) bijdragen aan de LTTE te leveren. Immers: veelal werden de bijdragen kennelijk ook gegeven om humanitaire hulp te doen verstrekken terwijl anderen, ondanks de handelwijze van de collectanten, weigerden een bijdrage te leveren. Andere omstandigheden waaruit het oogmerk op afpersing, anders dan op grond van de door het openbaar ministerie ook wel aangevoerde, meer algemene beschrijvingen van de LTTE in (internationale) rapporten of verder niet gespecificeerde uitspraken van buitenlandse rechters, die op zichzelf in dit verband niet voldoende gewicht in de schaal leggen, zijn niet komen vast te staan, reeds omdat daarbij niet steeds helder is in hoeverre onderscheid wordt gemaakt tussen de (juridische) begrippen “dwang” en “afpersing”.

Onder die omstandigheden acht het hof weliswaar – zoals hiervoor betoogd – het oogmerk van de organisatie op het uitoefenen van dwang in een aantal gevallen, gelet op de bewezenverklaarde feitelijkheden, bewezen, maar het oogmerk op afpersing onvoldoende gespecificeerd en door vaststaande feiten onderbouwd om tot een bewezenverklaring van het oogmerk van de LTTE op het afpersen van Tamils te komen. Van het onder feit 2 sub g. ten laste gelegde zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.

11.3.3.5. Witwassen (Feit 2 sub d)

In feit 2 onder d is tenlastegelegd dat de LTTE (het hof leest: waaronder de TCC) het oogmerk had op (gewoonte)witwassen.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt het dat oogmerk van de LTTE gericht was op het verkrijgen van geld middels het organiseren van loterijen en dwang. De LTTE had dus het oogmerk op het verkrijgen van geld door middel van het plegen van strafbare feiten. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de geldstromen binnen de LTTE verhullend verliepen.

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep als volgt: “Het geld dat contant werd opgehaald, ging naar [verdachte 5]. Het geld dat via de bank kwam haalde [verdachte 5] op zodra ik een koerier geregeld had. De koerier haalde dan al het geld bij [verdachte 5] op.”577

[verdachte 5] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep: “U vraagt mij hoe het nu ging met het feitelijke geld, of het nu contant geld betrof of geld op een bankrekening, van die post, met andere woorden aan wie gaf ik dat geld of aan wie maakte ik dat over. Ik kreeg alle bedragen en namen door van de TCC. Men schreef het op een briefje. Ik kreeg dat toegestuurd. Ik zocht dan de naam op in het programma en voerde het bedrag in.”578

[verdachte 2] verklaart ter terechtzitting in hoger beroep: “U houdt mij voor dat ik eerder heb gesproken over het inzamelen van geld en u vraagt mij of het geld werd ingezameld door een districtsverantwoordelijke. Ik ben de verantwoordelijke. Ik gaf de districtsverantwoordelijken de instructie om geld in te zamelen.

U vraagt mij of het ingezamelde geld daarna naar [verdachte 5] ging. Ja, dat klopt.

U vraagt waar het geld daarna naar toe ging. Het geld werd door een koerier bij hem opgehaald. Wat er daarna met het geld gebeurde weet ik niet.”579

“U vraagt mij of het klopt dat als er geld werd ingezameld dit contant kon worden gegeven, maar ook via een bank kon worden gestort. Ja, dat klopt.

U vraagt mij waar het contante geld dat werd opgehaald naartoe werd gebracht. Dat werd naar [verdachte 5] gebracht.

U vraagt mij of degenen die geld bij mensen aan de deur inzamelden het geld direct naar [verdachte 5] brachten. In sommige situaties brachten ze het eerst naar mij en dan bracht ik het zelf naar hem.”580

De getuige [getuige 26] verklaart: “ Op het moment dat ik die cd's en dvd's van die mensen thuis geleverd krijg, dan bewaar ik ze thuis tot het moment dat er een bijeenkomst of een ander evenement georganiseerd wordt. Vervolgens neem ik de goederen mee naar het evenement en daar verkoop ik ze aan de bezoekers. Wij hebben wel een vaste prijs voor de goederen maar als de mensen meer willen geven mag dat ook. Omdat de mensen weten waar het geld naartoe gaat en waarvoor het is geven ze vaak meer. […] Ja ik maak natuurlijk wel winst maar ik heb ook kosten zoals benzine voor mijn auto. Deze winst is natuurlijk niet voor mij maar voor het eerder genoemde doel. Wij sturen het geld naar de LTTE want als wij het geld naar de Sri Lankaanse regering sturen komt het niet bij de mensen aan. […] Het geld (de winst) gaf ik persoonlijk contant aan iemand anders en die stuurde het geld naar Sri Lanka.”581

Op de bankrekening van de TCC werd van 5 december 2006 tot en met 19 oktober 2009 een totaalbedrag aan giften bijgeschreven van € 116.276,63. De bankafschriften werden verstuurd naar [verdachte 5].582

In dezelfde periode hebben er 44 contante geldopnames plaatsgevonden van deze bankrekening, met een totaalbedrag van € 79.260. De pashouders van de bankrekening zijn [verdachte 5] en [verdachte 2].583

11.3.3.5.1. Het oordeel van het hof

Uit (onder meer) het vorenstaande blijkt dat de organisatie het verkregen geld contant vervoerde, door gebruik te maken van koeriers. Dit gebeurde gedurende een lange periode en door middel van vele transacties. Het hof concludeert op basis hiervan dat de organisatie het oogmerk had op het een gewoonte maken van het voorhanden hebben en het bewust verhullen van de verplaatsing van door misdrijf verkregen geld.

11.3.3.6. Opzettelijke voorbereiding van de hierboven onder feit 2 besproken misdrijven (Feit 2 sub h)

Nu alleen bewijs voorhanden is voor het oogmerk van de LTTE op de onder sub d, e en f ten laste gelegde misdrijven, waaronder derhalve geen misdrijven die met tenminste acht jaar gevangenisstraf worden bedreigd, stelt het hof tenslotte vast dat geen veroordeling kan volgen voor het onder feit 2 sub h ten laste gelegde nu immers, gelet op het bepaalde in artikel 46 Sr, de strafbaarstelling van de voorbereiding tot zodanige misdrijven is beperkt.

12 Beoordeling feiten 5 en 6

12.1.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie verwijt de verdachte, als onderdeel van de onder 2 ten laste gelegde deelname aan een (nationale) criminele organisatie, dat deze organisatie tot oogmerk had (onder meer) het opruien tot enig strafbaar feit en/of tot het gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (feit 2 sub a) en/of het verspreiden en/of in voorraad hebben om verspreid te worden van een geschrift en/of afbeelding waarin daartoe wordt opgeruid (feit 2 sub b).

Daarnaast verwijt het openbaar ministerie de verdachte dat hij alleen, dan wel tezamen en in vereniging met anderen, zich heeft schuldig gemaakt aan opruiing (feit 5) en/of verspreiding ter opruiing (feit 6).

Ten aanzien van alle onder feit 5 ten laste gelegde teksten is het openbaar ministerie van mening dat zij zijn gedaan op openbare bijeenkomsten die gedurende een lange periode in nauwe samenwerking werden georganiseerd door [verdachte 2], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 4] ter uitvoering van hun gemeenschappelijk oogmerk om opruiende propaganda te maken voor de LTTE.

De teksten zijn, aldus het openbaar ministerie, opruiend omdat zij (a) oproepen tot het geven van (met name geldelijke) steun aan de LTTE, hetgeen in strijd is met de artt. 140 lid 4 en 140a lid 3 Sr en/of (b) het terroristisch geweld van de LTTE verheerlijken en daarmee (indirect) oproepen tot zulk geweld.

Ten aanzien van het, alleen of tezamen en in vereniging zich schuldig hebben gemaakt aan het verspreiden en het in voorraad hebben om verspreid te worden van de onder feit 6 in de tenlastelegging nader omschreven opruiende goederen (affiche, kalender, DVD’s met propagandamateriaal) stelt het openbaar ministerie dat met de verspreiding daarvan werd aangezet tot ondersteuning van de LTTE en geweld tegen de overheid van Sri Lanka werd verheerlijkt.

Het openbaar ministerie is daarbij van mening dat de LTTE en zijn leden ingevolge art. 17 EVRM geen beroep kunnen doen op de bescherming van art. 10 EVRM ten behoeve van uitingen, of verspreiding van goederen, ten dienste van de LTTE en dat laatstgenoemd artikel, ook indien art. 10 op zich zelf van toepassing zou zijn, geen bescherming biedt aan opruiende uitingen als ten laste gelegd.

Art. 17 EVRM strekt er immers toe om misbruik van de verdragsrechten tegen te gaan.584 Naar de mening van het openbaar ministerie is art. 17 EVRM van toepassing op activiteiten van de LTTE, omdat de LTTE die activiteiten aan de dag legt om te komen tot een door de LTTE bestuurde Tamil-staat waarin aan Tamils nu juist de in het EVRM vastgelegde rechten en vrijheden in hoge mate worden ontzegd. Daarom kunnen de LTTE en individuele LTTE-leden, zoals de verdachten, geen aanspraak maken op de bescherming van art. 10 EVRM voor uitingen die zij doen namens de LTTE en/of ten dienste van de LTTE, aldus het openbaar ministerie.

Naar het hof begrijpt dienen dezelfde teksten en aangetroffen goederen volgens het openbaar ministerie tot bewijs van sub a en b van het onder 2 ten laste gelegde, derhalve in zoverre tot bewijs van het oogmerk van de nationale criminele organisatie, waarvan alle verdachten wordt verweten te hebben deel uitgemaakt.

12.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de ten laste gelegde teksten betoogd dat de verdachte op navolgende gronden dient te worden vrijgesproken:

  • -

    er is geen sprake geweest van een uitlating “in het openbaar” als bedoeld in art. 131 Sr, nu er naar mening van de verdediging geen sprake was van een “willekeurig, onbepaald en onbeperkt publiek” en het uitgesproken woord niet (direct) begrijpelijk is geweest (taal, inhoud);

  • -

    de tekst zoals die is ten laste gelegd is nooit zo uitgesproken; uit het dossier blijkt immers genoegzaam dat deze tekst in ieder geval niet in de Nederlandse taal is uitgesproken;

  • -

    er is door de ten laste gelegde teksten niet tot “enig strafbaar feit” opgeruid;

  • -

    er dient sprake te zijn van opruiing tot enig strafbaar feit dat in relatie staat tot het Nederlandse openbare gezag, gelet op Titel V van het Wetboek van Strafrecht, te weten “Misdrijven tegen het openbaar gezag”, waarin art. 131 Sr is opgenomen; dat betekent dat opruiing ex art. 131 Sr niet kan zien op terroristische misdrijven tegen een ander openbaar gezag, nu deze feiten niet kunnen worden gezien als strafbare feiten gericht tegen het Nederlands openbaar gezag;

  • -

    de verdachte is niet betrokken geweest bij de ten laste gelegde teksten en derhalve kan niet worden bewezen dat hij zich als pleger, dan wel medepleger schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten585;

- de ten laste gelegde teksten vallen onder de bescherming van art. 10 EVRM terwijl art. 17 EVRM daaraan niet in de weg staat.

Voorts, voor zover nog specifiek betrekking hebbend op het onder 6 ten laste gelegde, heeft de verdediging vrijspraak bepleit op de volgende gronden:

  • -

    er is in de ten laste gelegde afbeeldingen en/of geschriften niet tot “enig strafbaar feit” opgeruid;

  • -

    de verdachte is niet betrokken geweest bij het verspreiden en het in voorraad hebben om verspreid te worden van de ten laste gelegde goederen en derhalve kan niet worden bewezen dat hij zich als pleger, dan wel medepleger schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten586;

- ook de teksten in of op de ten laste gelegde afbeeldingen en/of geschriften vallen onder de bescherming van art. 10 EVRM, terwijl art. 17 EVRM daaraan niet in de weg staat.

Nu het onder 5 en 6 ten laste gelegde niet kan worden bewezen zullen alle verdachten voorts moeten worden vrijgesproken van hetgeen onder 2 sub a en b ten laste is gelegd, aldus de verdediging.

12.3.

Het oordeel van het hof

12.3.1.

Beoordelingskader van de feiten 5 en 6

Het hof stelt bij de bespreking van deze feiten het volgende voorop waarin de door partijen ingenomen standpunten worden betrokken.

De artt. 131 en 132 Sr beogen de openbare orde te beschermen en te voorkomen dat met bepaalde middelen tot het begaan van strafbare feiten of van gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt aangezet. Onder openbaar gezag wordt het Nederlands openbaar gezag verstaan587.

Voorts bevatten de artt. 131 en 132 Sr het bestanddeel ‘openbaar’ waaronder het hof verstaat dat de opruiing geschiedt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden opgenomen.

Bij de beoordeling of een uitlating of een geschrift in strafbare zin al dan niet als opruiend moet worden aangemerkt is voorts van belang een toetsing aan de vrijheid van meningsuiting – zoals onder meer beschermd door art. 10 EVRM – die immers tot de fundamenten van de Nederlandse rechtsorde behoort.

De artt. 131 en 132 Sr moeten worden beschouwd als, in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat “noodzakelijk” inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak.588 Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht)en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang) plaatsvinden. Een aanvaardbare beperking van de vrijheid van meningsuiting dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit.

Tegen deze achtergrond is de vraag in hoeverre de overheid gerechtigd is een inbreuk te maken op het grondrecht niet in algemene zin te beantwoorden zijn, maar zullen, naast de letterlijke betekenis van de uitlating of boodschap, de omstandigheden van het geval uitsluitsel moeten geven.

Het hof neemt bij de beoordeling van de ten laste gelegde uitingen en goederen ter verspreiding de navolgende omstandigheden en factoren in aanmerking:

  • -

    de uitlatingen als geheel;

  • -

    de kennelijke bedoeling van de uitlating;

  • -

    de context waarin de uitlating heeft plaatsgevonden;

  • -

    onder wiens verantwoordelijkheid werd de uitlating gedaan;

  • -

    de plaats of gelegenheid waar de uitlating wordt gedaan.

Het hof tekent daarbij aan dat niet gebleken is dat, voor zover al vereist, geen toestemming door de (lokale) autoriteiten zou zijn gegeven voor de hierna te bespreken manifestaties. Evenmin is gebleken dat deze manifestaties niet vreedzaam zouden zijn verlopen, noch dat er enig gevaar voor de openbare orde zou zijn geweest.

Verdachte en diens medeverdachten, behorend tot de Tamil bevolkingsgroep, hebben gesteld zich te hebben ingespannen voor de Tamilgemeenschap en zich betrokken te hebben gevoeld bij de toenmalige gewapende strijd van de Tamilgemeenschap op Sri Lanka en bij de gevolgen daarvan voor de (Tamil-)inwoners van Sri Lanka. Zij hebben aangegeven dat de bijeenkomsten, waarop de onder 5 ten laste gelegde uitingen (zouden) zijn gedaan, het karakter hadden van herdenkingen van de slachtoffers van de strijd en van het vereren van de strijders met de bedoeling om het moreel van de Tamils te versterken voor de voortdurende strijd en om de toehoorders te bewegen die strijd te (blijven) ondersteunen.

12.3.1.1. De onder 5 ten laste gelegde uitingen

12.3.1.1.1. Onder 5 sub a

Deze tekst is, zo blijkt uit het dossier, afkomstig uit een toneelstuk dat is uitgevoerd tijdens de Zwarte Tijgerdag op 9 juli 2005 in een zalen & party-centrum te Oosterbeek. Deze Zwarte Tijgerdag was een herdenkingsdag voor de Zwarte (Tamil) Tijgers en blijkens het affiche georganiseerd door de TCC.

[verdachte 5] heeft een rol gehad in dit toneelstuk en in zijn huis is de DVD gevonden waarop onder meer dit toneelstuk is vastgelegd.589

De tekst bevat geen concrete, directe aansporingen tot geweldsuitoefening door de toehoorders. Het daarbij – in positieve zin – bezingen van (strijd)geweld kan gelet op de theatrale vorm en in het licht van het karakter van de Zwarte Tijgerdag als herdenking van slachtoffers naar het oordeel van het hof niet worden gekwalificeerd als opruiend in strafrechtelijke zin.

12.3.1.1.2. Onder 5 sub b

Uit het politieonderzoek is gebleken dat deze uitlatingen zijn gedaan op een Zwarte Juli herdenkingsdag op de Dam in Amsterdam op 25 juli 2007. Herdacht werden de vele Tamils die gedood werden tijdens de onlusten die uitbraken op Sri Lanka in 1983590.

Hoewel de tekst in positieve zin geweld beschrijft kan daarin, gelet ook op het herdenkende karakter ervan, geen directe aanzet tot het plegen van geweld door de toehoorders worden gelezen, anders dan in termen die het belang van de strijd van de Tamilgemeenschap beschrijven, een overigens ook niet ongewoon kenmerk van oorlogs-strijdliederen en -toespraken.

12.3.1.1.3. Onder 5 sub c

Deze tekst werd uitgesproken bij een herdenkingsbijeenkomst op 4 november 2007 in het zalencomplex Maresca te Utrecht.

Van deze herdenkingsbijeenkomst ter gelegenheid van zes omgekomen LTTE strijders, waaronder [betrokkene 6], de politiek leider van de LTTE, zijn op DVD’s beelden aangetroffen.591

Op de beelden is te zien en te horen dat [verdachte 2] op een podium achter een spreekgestoelte staat en daar in het Tamil spreekt.

Uit de zich in het dossier bevindende teksten, waarvan de ten laste gelegde passages een onderdeel vormen, moet worden afgeleid dat de teksten zijn uitgesproken in een duidelijk herdenkingskader van grote strijders en slachtoffers. Weliswaar wordt de strijd van de Tamilgemeenschap bewierookt, maar uit de tekst valt geen (directe) aanzet tot het plegen van geweld door het aanwezige publiek te destilleren.

12.3.1.1.4. Onder 5 sub d

In de woning van [verdachte 2] is een DVD inbeslaggenomen met daarop de tekst: ‘Nederland Pongu Tamil 22-06-2008’. Op deze DVD zijn beelden aangetroffen van een zogeheten Pongu Tamil manifestatie op 22 juni 2008 op het Plein in Den Haag, waar [verdachte 4] optrad als ‘gastheer’.592

Een Pongu Tamil manifestatie is een LTTE evenement dat in meerdere landen wordt gehouden en waarbij wordt beleden dat de LTTE de enige vertegenwoordiger is van de Tamils.593

Bij de beelden van de DVD is een lied “Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen” te horen.594

Op de beelden is voorts een toneelstuk te zien waarin de ten laste gelegde uiting: ”Er is geen andere weg om te strijden” voorkomt.

Blijkens de beelden op de DVD heeft [betrokkene 21] een toespraak gehouden, waarin de volgende ten laste gelegde uitingen voorkomen: Wij zullen zeker winnen/ Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grote bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden/ Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen.”

Ook hier kunnen naar het oordeel van het hof de uitingen niet worden gekwalificeerd als directe aanzet tot geweld door de toehoorders, mede gelet op het duidelijke herdenkings- en vereringskader van de – weliswaar – gewapende strijd en de strijders, waarbij ook de vorm van liederen en toneelstukken bijdraagt aan dat herdenkings- en vereringskarakter van de bijeenkomst.

12.3.1.1.5. Onder 5 sub e

Tijdens een doorzoeking van het perceel Iepensingel 84 te Raalte is een DVD aangetroffen en inbeslaggenomen. Op deze DVD zijn beelden aangetroffen van een speech van [verdachte 2], waarin de ten laste gelegde teksten voorkomen.595

De speech was onderdeel van de Heldendag die op 27 november 2009 plaatsvond in Partycentrum Maresca te Utrecht.596

Heldendag is de nationale dag van de grote helden van Tamil Eelam. Op deze dag worden grote helden die hun leven hebben opgeofferd herdacht.597Deze bijeenkomst vond derhalve plaats na 18 mei 2009, zijnde de dag waarop het leger van de LTTE door het Sri Lankaanse leger werd verslagen.

De bijeenkomst was aangekondigd middels een affiche.598

Naar het oordeel van het hof kunnen de gewraakte uitlatingen niet worden uitgelegd als een directe aanzet van de toehoorders tot geweldpleging, mede gelet op het hiervoor weergegeven karakter van de bijeenkomst.

12.3.1.1.5.1. Conclusie van het hof ten aanzien van feit 5

Het hof komt bij de beoordeling van feit 5 tot het eindoordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen in de gegeven omstandigheden en context niet kunnen worden gekwalificeerd als opruiing tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag noch tot enig strafbaar feit, als bedoeld in art. 131 Sr. Voor zover de uitingen een opzwepend karakter hebben – daarvan is zeker sprake, soms in onomfloerste bewoordingen – beoordeelt het hof die, gelet op alle omstandigheden, vooral als een moreel appel op het gehoor, passend bij het saamhorige karakter van de (herdenkings- en vererings-) bijeenkomsten. Het hof hoort in de ten laste gelegde teksten onvoldoende directe aansporingen tot financiële steun of concrete deelneming aan gewelddadige (terroristische) activiteiten van de LTTE, zodat ook in zoverre van strijd met art. 131 Sr geen sprake is.

Al met al ziet het hof ten aanzien van geen van de gewraakte uitingen grond voor de conclusie dat op het uitgangspunt, neergelegd in de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, een uitzondering gerechtvaardigd zou zijn.

Het door het openbaar ministerie gedane beroep op art. 17 EVRM treft geen doel, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat met de ten laste gelegde uitingen enig in het EVRM gegarandeerd recht door de verdachten of door een organisatie zou zijn aangetast. Dat de LTTE, zoals het openbaar ministerie stelt, nu juist activiteiten aan de dag legt om te komen tot een Tamil-staat (op Sri Lanka) waarin aan Tamils de in het EVRM vastgelegde rechten en vrijheden in hoge mate zouden worden ontzegd, doet daaraan – wat er overigens van zij – niet af.

Het hof zal derhalve, alles afwegende en net als de rechtbank, de verdachte vrijspreken van feit 5.

12.3.1.2. De onder 6 ten laste gelegde opruiende goederen

12.3.1.2.1. Onder 6 sub a

In de woning van [verdachte 2] is een externe harde schijf in beslag genomen met daarop tal van affiches. Daarbij gaat het om uitnodigingen voor bijeenkomsten, herdenkingsdagen, demonstraties en sportdagen in de periode van 2004 tot en met 2010, waaronder die van de Heldendag op 27 november 2007 te Utrecht.599

Op de affiche staat onder meer als tekst weergegeven:

“Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in het vuur van het ware doel.

- Tamil Eelam nationale leider -”.600

12.3.1.2.2. Onder 6 sub b

Tijdens doorzoekingen binnen het onderzoek Koninck op maandag zijn op diverse plaatsen scheurkalenders van het jaar 2010 aangetroffen, onder meer op het woonadres van [verdachte 5]. Op de veel grotere achtergrond plaat van de kalender staat een afbeelding van de oprichter en leider (tot aan zijn dood) van de LTTE, [betrokkene 1]. Op tal van dagen in de kalender zijn afbeeldingen en namen weergegeven van omgekomen Black Tigers601, waarbij in het kort, heroïsch, wordt weergegeven bij welk incident zij om het leven zijn gekomen.

Naast deze afbeeldingen zijn in de kalender ook afbeeldingen te vinden van internationaal bekende personen, zoals Mahatma Ghandi602, Martin Luther King603, David Ben-Gurion604.

12.3.1.2.3. Onder 6 sub c, sub d en sub e

Onder het in het onderzoek Koninck aangetroffen propagandamateriaal zijn onder meer DVD's aangetroffen, getiteld (vertaald) "Levend wapen", versie 5 tot en met 9. Volgens opdruk zijn ze vervaardigd door, of in opdracht van, de LTTE.

De DVD's bevatten videobeelden en gesproken tekst. Onderwerpen zijn overwegend geslaagde zelfmoordaanslagen. Naast die aanslagen komen meermaals de zelfmoordenaars in beeld, soms met de grote leider. De gebeurtenissen worden mondeling toegelicht door leidinggevenden van de LTTE.605

12.3.1.2.3.1. Conclusie van het hof ten aanzien van feit 6

Het hierboven besproken beoordelingskader in acht nemend komt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde goederen tot de navolgende overwegingen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de inhoud van de drie dvd’s en de scheurkalender, vermeld in feit 6, hoewel daaruit bewondering voor (ernstige) gewelddadigheden en het sterven in een strijd blijkt, een voornamelijk verhalend en herdenkend karakter heeft. Enige directe of indirecte oproep aan de toehoorders tot het plegen van strafbare feiten, als bedoeld in art. 132 Sr, kan daarin niet voldoende gevonden worden. Ook de tekst op het affiche voor de Heldendag 2009, die eerder als bombastisch gekwalificeerd moet worden, overschrijdt niet de in art. 132 Sr bedoelde norm. De hier genoemde bescheiden roepen niet op tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag.

Voor zover de activiteiten van de LTTE, en de LTTE zelf, worden bewierookt en voor zover beoogd wordt de verkrijgers van de verspreide of te verspreiden goederen aan te sporen de LTTE te ondersteunen, kan naar het oordeel van het hof, gelet op de hierboven weergegeven context, niet worden geconcludeerd dat daarmee wordt opgeruid tot het plegen het plegen van strafbare feiten, dan wel tot gewelddadig optreden tegen het Nederlands openbaar gezag.

Het hof zal verdachte derhalve, alles afwegende en net als de rechtbank, ook vrijspreken van feit 6.

13 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het cumulatief/alternatief onder 1A, 1B en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1. De internationale criminele organisatie

1.A.

hij in de periode van 10 augustus 2004 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist, en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka telkens tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven (te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE)) te weten:

a. a) het voorhanden hebben en/of overdragen van wapens en munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en 31 lid 1 van de Wet wapens en munitie) te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 55 lid 5 van de Wet wapens en munitie) en

b) het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en

c) het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 WvSr) (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en

d) doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en

e) de opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van en/of samenspanning tot eerder vermelde misdrijven en

f) samenspanning tot moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a van het Wetboek van Strafrecht)

(art. 140a Wetboek van Strafrecht)

en

1.B.

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist, en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka telkens tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE)) te weten:

a. a) het werven voor gewapende strijd (op Sri Lanka), zonder toestemming van de Koning (zoals bedoeld in artikel 205 Wetboek van Strafrecht, met ingang van 10 augustus 2004) en

b) het onder de wapenen roepen en/of in militaire dienst nemen en/of gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden van kinderen beneden de vijftien jaar in een niet-internationaal gewapend conflict (op het grondgebied van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub f van de Wet internationale misdrijven) en

c) het gevangennemen en/of ernstig beroven van de lichamelijke vrijheid (van burgers in Sri Lanka) in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen de/een (Tamil) burgerbevolking (op Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 sub e van de Wet internationale misdrijven) en

d) het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en/of 31 lid 1 en 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie) en

e) het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht) en

f) het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken er/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht) en

g) doodslag, (zoals bedoeld in artikel 287 Wetboek van Strafrecht) en

h) moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) en

i. i) de opzettelijke voorbereiding van eerder vermelde misdrijven.

(art. 140 Wetboek van Strafrecht)

2. De nationale criminele organisatie

hij in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

d) gewoontewitwassen (zoals bedoeld in artikel 420ter en/of 420bis Wetboek van Strafrecht) en

e) overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen, opzettelijk begaan en

f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) en

h) de opzettelijke voorbereiding van eerdervermelde misdrijven.

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof heeft daarbij, evenals de rechtbank, tevens als een kennelijke omissie ten aanzien van feit 2 betreffende onderdeel e) ingelezen "opzettelijk begaan", aangezien dit feit anders geen misdrijf zou opleveren en de steller van de tenlastelegging, gelet op de aanhef van dit ten laste gelegde feit, het oog heeft gehad op het ten laste leggen van misdrijven. Ook door deze verbetering is verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

14 Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

15 Nadere bewijsoverwegingen

15.1.

Gevoerde verweren met betrekking tot bewijsuitsluiting

15.1.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gemotiveerd, het volgende – verkort en zakelijk – weergegeven aangevoerd dat:

  1. Op grond van artikel 359a lid 2 onder b Sv moet bewijsmateriaal worden uitgesloten van gebruik voor enig bewijs, voor zover dat afkomstig is uit het AIVD onderzoek, waaronder ook de doorzoekingen en de telefoontaps worden begrepen, omdat dat AIVD onderzoek onrechtmatig is.

  2. Het op Sri Lanka inbeslaggenomen materiaal alsmede de verklaringen van de op Sri Lanka gehoorde getuigen [getuige 27], [getuige 28], [getuige 11], [getuige 8] en [getuige 29] van gebruik voor enig bewijs moeten uitgesloten omdat het materiaal en de verklaringen op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Gesteld wordt dat bij de verkrijging van het bewijsmateriaal mensenrechten op verregaande wijze zijn geschonden en getuigen voorafgaande aan hun verhoor vermoedelijk zijn gemarteld.

  3. De verklaring van de getuige [getuige 5] van gebruik voor enig bewijs dient te worden uitgesloten aangezien deze getuige in een parallel opsporingsonderzoek is gehoord, hetgeen een schending van de algemene beginselen van een goede procesorde oplevert.

  4. Ten aanzien van de stukken van overtuiging die in beslag zijn genomen onder [betrokkene 11] kan de authenticiteit ervan niet door de verdediging worden getoetst, zodat zij van gebruik voor enig bewijs moeten worden uitgesloten.

15.1.2.

Het oordeel van het hof

Het hof verwerpt het onder a. vermelde verweer onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer met betrekking tot het AIVD-onderzoek: daarbij zijn ten aanzien van dat onderzoek geen relevante verzuimen aannemelijk geacht, zodat voor bewijsuitsluiting van resultaten van dat onderzoek geen grond is.

Met de rechtbank – en met de verdediging en het openbaar ministerie – is het hof van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat de verklaringen van de getuigen [getuige 27] en [getuige 29] onder onaanvaardbare druk, mogelijk (eerdere) marteling, zijn afgelegd. Als sanctie op die aanwijzingen past naar het oordeel van het hof de ook door de rechtbank toegepaste sanctie van uitsluiting van die verklaringen van gebruik voor enig bewijs.

Dat de getuigen [getuige 28], [getuige 11] en [getuige 8] voor hun verhoor aan martelingen zouden zijn onderworpen is wel gesteld, maar overigens niet aannemelijk geworden, zodat voor uitsluiting van die verklaringen van het gebruik voor enig bewijs, zoals hiervoor onder b. bepleit, geen reden is.

Het onder c. weergegeven verweer wordt door het hof verworpen onder verwijzing naar de hiervoor opgenomen overwegingen ten aanzien van de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer met betrekking tot de parallelle opsporing. Het hof verwerpt daarom ook het verweer gericht op uitsluiting van het gebruik van de verklaring van [getuige 5] voor enig bewijs.

Het onder d. weergegeven verweer met betrekking tot de onder [betrokkene 11] in beslag genomen stukken van overtuiging faalt evenzeer op de door de rechtbank verwoorde grond: het enkele feit dat de authenticiteit van de stukken door de verdediging niet kon worden getoetst, is onvoldoende voor bewijsuitsluiting, temeer nu gesteld noch gebleken is dat er aan (de inbeslagneming van) deze stukken gebreken kleven.

16 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Op gronden als eerder vermeld in het arrest leveren de navolgende bewezenverklaarde feiten geen strafbare feiten op:

  • -

    1.A. sub e, voor zover betrekking hebbend op de onder 1.A. sub a opgenomen “samenspanning”;

  • -

    1.B. sub a, voor zover betrekking hebbend op het werven voor gewapende strijd op Sri Lanka;

  • -

    1.B. sub i, voor zover betrekking hebbend op 1.B. sub a en sub d;

  • -

    2 sub h, voor zover betrekking hebbend op sub d, e en f.

De verdachte zal ter zake van die feiten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het overigens bewezenverklaarde levert op de volgende misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1.A. bewezenverklaarde:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Ten aanzien van het onder 1.B. bewezenverklaarde:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Het als leider en/of bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

17 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

18 Strafmotivering

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het behoeft geen betoog dat de vaststelling dat een organisatie onder meer het oogmerk had om als terroristisch aan te merken aanslagen te plegen, schreeuwt om zware straffen voor de deelnemers aan een dergelijke organisatie, die van dat oogmerk kennis dragen. Geen enkele samenleving mag immers aan terreurdaden worden blootgesteld. Dat is niet beperkt tot de samenleving die door dergelijke aanslagen rechtstreeks wordt bedreigd of getroffen. Het openbaar belang, ook in de Nederlandse samenleving, eist dat ook deelnemingshandelingen aan zulke feiten serieus worden bestraft, ook al richt het oogmerk van de organisatie zich niet op het plegen van terroristische daden, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven in Nederland zelf, zoals in dit geval. Van de op te leggen straf dient daarom een duidelijk – ook internationaal gehoord – signaal uit te gaan van afkeuring en afschrikking. Het spreekt vanzelf dat het bijdragen aan het plegen van terroristische aanslagen leidt tot onnoemelijke angst en ontreddering van de door aanslagen getroffenen, maar ook van degenen die er van kennisnemen en angst onder burgers wekt. Aan directe slachtoffers wordt veelal ernstig fysiek leed toegebracht of zij verliezen daarbij zelfs het leven.

Voor de bepaling van de strafmaat is van belang, in het algemeen bij deelneming aan (criminele) organisaties en ingeval bewezenverklaring van een terroristisch oogmerk in het bijzonder, rekening te houden met de aard en de omvang van de door de verdachte verrichte deelnemingshandelingen. Ook komt daarbij betekenis toe aan de afstand – binnen de organisatie – van de verdachte tot de daadwerkelijke uitvoering van de door de organisatie beoogde misdrijven.

In dat verband is het volgende van belang.

De verdachte heeft een leidinggevende rol vervuld binnen de in Nederland opgerichte afdeling van de LTTE, genaamd de TCC (Tamil Coordinating Committee Nederland), waaronder weer een aantal suborganisaties ressorteerde. De deelnemingshandelingen betroffen, samengevat, het organiseren van inzamelingen van geld, waarbij op de contribuanten zeer zware druk werd uitgeoefend om bijdragen te leveren. In bijeenkomsten werden deelnemers opgezweept om de strijd op Sri Lanka te steunen en om daaraan geldelijke bijdragen te leveren. Ook werden er illegale loterijtjes georganiseerd. Het opgehaalde geld werd witgewassen en op min of meer slinkse wijze naar Sri Lanka overgebracht. De verdachte hield contact met de LTTE op Sri Lanka en met de zusterorganisaties in Europa. Daardoor konden jarenlang in Nederland verzamelde, grote geldbedragen naar Sri Lanka worden overgebracht en aldaar onder meer besteed aan de aanschaf van (zware) wapens. De verdachte heeft uitdrukkelijk erkend dat de ingezamelde gelden vooral bedoeld waren voor de steun aan de gewapende strijd.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich in de strijd van zijn Tamil-volksgroep op Sri Lanka laten meeslepen en zich niet laten weerhouden van zijn deelname aan de activiteiten, die – naar de verdachte moet hebben begrepen – onder meer het plegen van die aanslagen en het gebruik van heftig geweld, ook tegen burgers, hebben gefaciliteerd. Mede daardoor is aan burgers op Sri Lanka veel onherstelbaar leed en ernstige schade toegebracht. De verdachte moet daarvoor mede verantwoordelijk worden gehouden.

Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat zijn deelname aan de activiteiten een groot aantal jaren heeft voortgeduurd en dat hij die heeft voortgezet, ook nadat hem duidelijk was tot welke verschrikkelijke misdrijven die activiteiten (mede) hebben geleid, onder meer met behulp van in Nederland onder leiding van de verdachte ingezamelde gelden.

Weliswaar heeft de verdachte aan de door de LTTE beoogde misdrijven zelf geen directe bijdrage geleverd en weliswaar hebben die misdrijven zich vrijwel zonder uitzondering voorgedaan op Sri Lanka, maar aan de strafbaarheid van de verdachte doet dat niet af nu zwaar moet wegen dat een algemeen volkenrechtelijk belang eist dat vervolging en bestraffing plaatsvindt, ook indien dat niet kan in de landen waarin de misdrijven hun gevolgen ondervinden. Dat belang wordt onderstreept door talloze bilaterale en multilaterale verdragen en afspraken daarover. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard de aan de LTTE toegerekende aanslagen te hebben beoordeeld als gevechtshandelingen in een in zijn ogen gerechtvaardigde strijd, maar had naar het oordeel van het hof oog kunnen en moeten hebben voor het kennelijk niets ontziende oogmerk van de LTTE in die gewapende strijd.

In enigszins strafmatigende zin heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid, dat de verdachte – die in Nederland een blanco strafblad heeft – bijzonder gemotiveerd was om zich in te zetten voor een door hem als een gerechtvaardigd ervaren gewapende strijd op Sri Lanka tussen de regering en de vertegenwoordigers van de Tamil-bevolkingsgroep. Vast staat dat vele gevechtshandelingen, van beide zijden, in dat kader hebben plaatsgevonden in de laatste decennia van de vorige, en het eerste decennium van de huidige eeuw waaronder – ook – de Tamilbevolking zwaar heeft geleden. Het hof heeft daarbij mede betrokken dat het familieleven van de verdachte zelf naar zijn zeggen ook bijzonder ernstig is getroffen door bruut optreden van het regeringsleger. De verdachte is daarvan op jonge leeftijd zelf getuige geweest. Ook heeft het hof in de strafmaat betrokken dat er geen twijfel is over het ontbreken, bij de verdachte, van enig machts- of zelfverrijkingsmotief: aannemelijk is geworden dat zijn motieven geheel gelegen zijn geweest in de drang om waar mogelijk het Tamilvolk op Sri Lanka te steunen, zowel in humanitaire projecten als in de gewapende strijd tegen een in hun ogen de Tamilbevolking onderdrukkend regiem. Ook acht het hof in strafmatigende zin van betekenis dat niet is gebleken dat de verdachte zelf een (mede-)beslissend aandeel heeft gehad bij de – vooral militaire – besluitvorming binnen de LTTE over de te plegen terroristische aanslagen.

De verdachte heeft zich in Nederland met name met allerlei organisatorische zaken bezig gehouden die mede het oog hadden op de inzameling van fondsen voor hulp aan de Tamil-bevolking, en dus niet alleen voor de gewapende strijd, en zich van door hem zelf gebruikt geweld onthouden. De verdachte onderhield daarover ook contacten met zusterorganisaties in andere Europese landen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij – voor het eerst – opening van zaken gegeven en verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Het hof houdt daarmee in strafmatigende zin rekening.

Alhoewel het hof de indruk heeft gekregen dat de verdachte van de kern van het gedachtengoed van de Tamil-organisatie LTTE op zichzelf geen afstand heeft genomen, acht het hof de kans gering, dat de verdachte zich daarmee in de toekomst opnieuw zodanig zal inlaten, dat moet worden gevreesd voor hernieuwde terroristische of anderszins ernstige strafbare activiteiten. Ook daarmee zal het hof in strafmatigende zin rekening houden.

Voorts heeft het hof begrepen dat de detentie van verdachte zwaar is geweest, niet alleen voor hemzelf maar met name voor zijn gezin mede gezien de slechte gezondheidstoestand van zijn vrouw.

Aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur kan evenwel, gelet op de ernst van de feiten en de rol van de verdachte daarbij, niet worden ontkomen. Niet alleen voor de verdachte, ook voor anderen, in Nederland en waar ook, moet immers duidelijk zijn dat de strafrechtelijke normen niet uit ideologische motieven terzijde mogen worden gesteld.

Bij de straftoemeting heeft het hof zich mede georiënteerd op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd door rechters in onder meer de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland, waarin straffen variërend van 2 tot 7 jaar zijn opgelegd, met een enkele uitzondering naar boven en naar beneden.606

Het hof ziet aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met de bepalingen over de eendaadse samenloop aangezien (onderdelen van de) bewezenverklaarde feiten in meer dan één wettelijke bepaling strafbaar zijn gesteld.

De behandeling van de strafzaak heeft een zeer lange tijd in beslag genomen. De gebruikelijke, als wenselijke te beschouwen termijn is met ongeveer twaalf maanden overschreden, deels als gevolg van de moeizame loop van het ook in hoger beroep voortdurende, zeer gecompliceerde onderzoek en de samenhang met Europese procedures, deels als gevolg van de aanvankelijk weinig meewerkende houding van de verdachte en de noodzaak tot vervanging van de verdediging in de zaken van [verdachte 2] en [verdachte 4]. Hoewel de overschrijding van de termijn aldus in redelijkheid te verklaren is ziet het hof, evenals het openbaar ministerie een correctie van ongeveer 10% op de op te leggen straf gerechtvaardigd. Het hof ziet mitsdien aanleiding de passend en geboden geachte straf van

5 jaren en 6 maanden te verminderen met 7 maanden.

Met name gelet op de (gedeeltelijke) vrijspraken en alle door het hof in acht genomen strafmatigende factoren komt het hof aldus tot een beduidend lagere strafoplegging dan door het openbaar ministerie gevorderd.

Alles afwegende komt het hof tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van

4 ( vier) jaar en 11 (elf) maanden, met aftrek van voorarrest.

19 In beslag genomen voorwerpen

Het hof stelt voorop dat in het onderzoek “Koninck” waar de onderhavige strafzaak deel van uitmaakt het beslagdossier (A06) meer dan 5000 pagina’s beslaat. In hoger beroep is door het openbaar ministerie op verzoek van het hof de ‘aangevulde lijst resterend beslag d.d.

29-04-14 [verdachte 2] ([adres verdachte 2])’ aangeleverd, waarvan een kopie aan dit arrest zal worden gehecht.

Het openbaar ministerie heeft blijkens het requisitoir gevorderd –zakelijk weergegeven- dat het inbeslaggenomen en nog niet teruggeven materiaal dient te worden verbeurdverklaard, nu de strafbare feiten daarmee gepleegd zijn.

Dit betreft alle gegevensdragers, in welke vorm dan ook, telefoons, alle correspondentie tussen verdachten en aantekeningen van nummers en namen, reisbescheiden,

bankbescheiden, merchandise en propaganda materiaal. Daarnaast dient het geld dat bij de verdachte in beslag is genomen verbeurd te worden verklaard.

Voorts is het openbaar ministerie van oordeel dat genoemde merchandise, het propagandamateriaal (flyers en posters) en de administratie onttrokken kunnen worden aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang.

19.1.

Oordeel van het hof

De inbeslaggenomen voorwerpen, zoals deze vermeld zijn op de (aangevulde) beslaglijst onder de nummers:

- 17 (boekhouding);

- 21 (kasboek);

- 22 (kasboek);

- 39 (boek bonnen);

- 41 (adressenlijst);

- 42 (lijst namen verantwoordelijken);

moeten naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten, waarvoor de verdachte wordt veroordeeld, zijn begaan of voorbereid. Het hof heeft daarvan immers in genoegzame mate vastgesteld dat het daarbij om (gegevensdragers met) administratieve gegevens ging die betrekking hadden op de LTTE en/of de sub-organisaties en/of betrekking hadden op het werven van gelden daarvoor, dan wel de gelden zelf. De gelden en de overige genoemde in beslag genomen voorwerpen hebben dan ook rechtstreeks betrekking op de strafbare deelneming van de verdachte aan de organisatie en het oogmerk daarvan, zodat een en ander ook voor verbeurdverklaring vatbaar is.

Het hof zal deze voorwerpen dan ook verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij de draagkracht van verdachte in acht genomen. Voor zover de voorwerpen niet aan de verdachte toebehoren heeft het hof niet kunnen vaststellen aan wie zij wel toebehoren.

Wat betreft de overige inbeslaggenomen voorwerpen vermeld op de voormelde lijst zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten, nu niet dan wel onvoldoende is komen vast te staan dat zij vanwege enig direct verband met een bewezenverklaard feit, als bedoeld in artikel 33a en 36c Sr, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

20 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 33, 33a, 55, 57, 83, 140, 140a, 157, 168, 176a, 205, 284, 287, 288a, 289, 289a, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie, de artikelen 1, aanhef en onder 3º, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 1 van de Wet op de kansspelen en de artikel 4, lid 1 sub e, 6 lid 3 sub f van de Wet internationale misdrijven, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

21 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake onder 2 sub c, 3 en 4 ten laste gelegde.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1.B. sub a – voor zover betrekking hebbend op het werven in Nederland –, 2 sub a, b en g, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1.A. sub a, b, c, d, e en f, 1.B. sub a – voor zover betrekking hebben op het werven op Sri Lanka – b, c, d, e, f, g, h en i en 2 sub d, e en f ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1.A. sub e – voor zover betrekking hebbend op 1.A. sub a, 1.B. sub a – voor zover betrekking hebbend op het werven op Sri Lanka –, 1.B. sub i – voor zover betrekking hebbend op 1.B. sub a en sub d –, 2 sub h – voor zover betrekking hebbend sub d, e en f – bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1.A. sub a, b, c, d, e – voor zover betrekking hebbend op 1.A. sub b, c en d – en f, 1.B. sub b, c, d, e, f, g, h en i – voor zover betrekking hebbend op 1.B. sub b, c, e, f, g en h –, 2 sub d, e, f bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 11 (elf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 17 ( boekhouding);

- 21 ( kasboek);

- 22 ( kasboek);

- 39 ( boek bonnen);

- 41 ( adressenlijst);

- 42 ( lijst namen verantwoordelijken).

Gelast de teruggave aan verdachte van de overige op de beslaglijst vermelde in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. T.E. van der Spoel,

mr. R.A.Th.M. Dekkers en mr. S. van Dissel,

in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.

Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 april 2015.

Mrs. Van der Spoel en Jans zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO9998.

2 Requisitoir aantekeningen d.d. 26 januari 2015, p. 5.

3 Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7.

4 Brieven mr. Knoops en mr. Vosman d.d. 5/11/2014 en 23/1/2015 aan de voorzitter mr. Van der Spoel.

5 Brief mr. Knoops en mr. Vosman d.d. 5/11/2014 aan de voorzitter mr. Van der Spoel.

6 Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308.

7 De Nederlandse vertaling van het deskundigenrapport van dr. A.J. Keenan en prof. dr. ir. G.E. Frerks, ondertekend op 7 juni 2013 respectievelijk 12 juni 2013 (hierna: deskundigenrapport).

8 Het hof heeft vastgesteld dat deze naam van de oprichter en leider van de LTTE op verschillende schrijfwijzen in het dossier voorkomt. Het hof gaat uit van de naam [betrokkene 1]. Voor zover in het arrest deze naam is aangeduid met een andere schrijfwijze wordt deze door het hof verbeterd gelezen.

9 Government of Sri Lanka.

10 Hoge Raad 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AB7528, NJ 1994, 427.

11 Gerechtshof Den Haag 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR068 (Mpambara), p. 26 e.v.

12 Ibid., p. 32 en de aldaar aangehaalde uitspraak in de zaak Kupreskic.

13 Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288, r.o. 3.1.2.

14 Wet van 19 juni 2003, houdende regels met betrekking tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, Stb. 2003, 270 (i.w.tr. op 1 oktober 2003), zoals laatstelijk gewijzigd op 4 november 2010, Stb. 2010, 773 (i.w.tr. op 1 januari 2011).

15 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 4.

16 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 5.

17 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2003, 28 337, nr. 3, p. 6; Kamerstukken I, vergaderjaar 2002-2003, 28 337, nr. 108a, p. 1 en Kamerstukken I, vergaderjaar 2002-2003, 28 337, nr. 108b, p. 1.

18 J.M. Henckaerts & L. Doswald-Beck, Customary International Humanitarian Law, Cambridge: CUP, 2010; Jean S. Pictet (eds.), Commentary Geneva Conventions I-IV, ICRC Geneva 1994; Jean Pictet, Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1947, (1987), ICRC/Geneva.

19 Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde van 12 augustus 1949 (Genève I), Trb. 1951,72 (i.w.tr. op 21 oktober 1950); Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee van 12 augustus 1949 (Genève II), Trb. 1951, 73 (i.w.tr. op 21 oktober 1950); Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen van 12 augustus 1949, (Genève III) Trb. 1951, 74 (i.w.tr. op 21 oktober 1950); Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949 (Genève IV), Trb. 1951, 75 (i.w.tr. op 21 oktober 1950).

20 Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van internationaal gewapende conflicten van 8 juni 1977, (Protocol I), Trb. 1978, 41 en Aanvullend Protocol bij de Verdrag van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationaal gewapende conflicten van 8 Juni 1977 (Protocol II), Trb. 1978, 42.

21 Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 28 337, nr. 22, p. 20.

22 Hoge Raad 16 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0044, r.o. 3.2.3.; Hoge Raad, 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471 en Hoge Raad, 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7418.

23 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2013 ECLI:NL:PHR:2013:2659 (Pupino), § 8.1.

24 Hoge Raad 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7418.

25 Hoge Raad 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471 (Bouterse).

26 Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding, PbEU L 164 van 22 juni 2002, zoals gewijzigd bij het Kaderbesluit (2008/919/JBZ) van de Raad van 28 november 2008, PbEU L.

27 Wet terroristische misdrijven van 24 juni 2004, Stb. 290 (i.w.tr. op 10 augustus 2004), gewijzigd bij Wet van 20 november 2006, Stb. 580 (i.w.tr. op 1 februari 2007) en laatstelijk gewijzigd bij Wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 292 (i.w.tr. op 1 september 2013).

28 Zie o.a. G. Werle, Principles of International Criminal Law, The Hague, 2005; A. Cassese, International Criminal Law, Oxford, 2003; Antonio Cassese and Paola Gaeta (eds.)., International Criminal Law, Oxford, 2013; Jean S. Pictet (eds.), Commentary Geneva Conventions I-IV, ICRC Geneva 1994; J.M. Henckaerts en L. Doswald-Beck, Customary International Humanitarian Law, Volumes: I and II, Cambridge, 2010; K. Veegens, A Disrupted Balance?, Prevention of terrorism and compliance with fundamental legal rights and principles of law – Dutch anti-terrorism legislation, Cambridge-Antwerp-Portland, 2012; B. Swart en A. Klip (eds.), International Criminal Law in the Netherlands, Freiburg im Breisgau 1997; I. Bantekas and S. Nash, International Criminal Law, London and New York, 2007. R.R. Baxter, A sceptical Look at the concept of Terrorism, Akron Law Review, Vol. 7:3, p. 380 e.v.; M. Cherif Bassiouni, International terrorism: a compilation of U.N. documents 1972-2001, Volume I and II, New York 2002; M. Cherif Bassiouni, International terrorism: multilateral conventions (1937-2001), New York 2001; R. Higgins and M. Flory, Terrorism and International Law, London and New York 2003.

29 Zie o.a. J.M. Lintz, De plaats van de Wet terroristische misdrijven in het materiële strafrecht, Nijmegen 2007. A. Cassese, The Multifaced Criminal Notion of Terrorism in International Law, 4 JICJ (2006) p. 933-958. B. Saul, Defining Terrorism in International Law, Oxford University Press, 2006. Steffano Betti, The Duty to Bring Terrorists to Justice and Discretionary Prosecution, JICJ 4 (2006), p. 1104-1116; Thomas Weigend, The Universal Terrorist, JICL 4 (2006), p. 912-932; J.M. Henckaerts en L. Doswald-Beck, Customary International Humanitarian Law, Volumes: I en II, Cambridge 2010; K. Veegens, A Disrupted Balance?, Prevention of terrorism and compliance with fundamental legal rights and principles of law – Dutch anti-terrorism legislation, Cambridge-Antwerp-Portland, 2012. B. Swart en A. Klip (eds.), International Criminal Law in the Netherlands, Freiburg im Breisgau 1997; R. Higgins and M. Flory eds. Terrorism and international law, New York 1997.

30 A. Cassese, International criminal law, Oxford University Press, 2003, p. 120 e.v.; I. Bantekas and S. Nash, International Criminal Law, London and New York, 2007.

31 Zie voor de door het hof gebruikte Nederlandse vertaling van de Verdragen van Genève en de Aanvullend Protocollen in: Instrumenten van humanitair oorlogsrecht, De vier Verdragen van Genève en de drie Aanvullend Protocollen, Nederlandse Rode Kruis, Nijmegen 2006.

32 J. Pictet (gen.ed.), Commentary, Geneva Convention Relative to the Protection of Civilian Persons, Convention IV, Geneva: ICRC 1960, p. 225-226.

33 In de voorbije conflicten was het toebrengen van collectieve straffen bedoeld om wetsovertredingen te voorkomen. Door toevlucht te nemen tot intimiderende maatregelen om de burgerbevolking te terroriseren, hoopten de strijdende partijen vijandige daden te voorkomen. Dergelijke maatregelen zijn evenwel tegen alle principes van menselijkheid en rechtvaardigheid en het is om die reden dat het verbod op collectieve straffen formeel wordt gevolgd door het verbod van alle maatregelen van intimidatie en terrorisme ten aanzien van beschermde personen, waar ze zich ook bevinden. Zie hierover: J. Pictet (gen.ed.), Commentary, Geneva Convention Relative to the Protection of Civilian Persons, Convention IV, Geneva: ICRC 1994, 204.

34 Y. Sandoz, C. Swinarski, and B. Zimmerman (eds.), Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1949, Geneva: ICRC/The Hague, 1987; en voor artikel 4 Protocol II:
p. 1399 ev. (§ 4538 ev.).

35 Zie o.a. A. Cassese, International Criminal Law, Oxford, 2003, p. 127.

36 UN General Assembly, Declaration on Measures to Eliminate International terrorism, 9 December 1994, A/Res/49/60. Idem: UN General Assembly, 30 January 2001, A/Res/55/158.

37 International Convention for the Suppression of the Financing of Terrorism, New York, 9 December 1999, UN GA Res. 54/109, Trb. 2000, 12 (i.w.tr. op 10 april 2002). Zie ook, laatstelijk, Trb. 2010, 151. En voorts: Declaration on Measures to Eliminate International Terrorism, UN GA Res. 49/60, 9 December 1994.

38 Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, 2001/931/GBVB, PuEU L344/93. Artikel 1, lid 3 bevat een definitie van ‘terroristische daad’ alsmede van een ‘terroristische groepering’.

39 UNSC Doc. S/Res. 1373 (2001), 28 September 2001. Zie hierover o.a. M. Sossai, UN SC Res. 1373 (2001) and International Law-making: A Transformation in Nature of the Legal Obligations for the Fight against Terrorism?

40 UNSC Doc. S/Res. 1566 (2004), 8 October 2004.

41 Zie o.a. A. Cassese, International Criminal Law, Oxford, 2003, p. 124.

42 Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003 en Prosecutor v. Galić, IT-98-29-A, Judgment, 30 November 2006.

43 Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, §§ 91-138.

44 Prosecutor v. Galić, IT-98-29-A, Judgment, 30 November 2006, § 104; zie voorts in vergelijkbare zin: Prosecutor v. Fofana and Kondewa, SCLC-04-14-T, Judgment, 2 August 2007 en Prosecutor v. Brima et al., SCSL-04-16-T, Judgment, 20 June 2007, §§ 660-671.

45 Zie o.a.: Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 133. Deze elementen werden bevestigd door in hoger beroep: Prosecutor v. Galić, IT-98-29-A, Judgment, 30 November 2006, § 104. L.C. Green, The contemporary law of armed conflict, 3rd edition, Manchester 2008.

46 Zie tevens: J.M. Lintz, De plaats van de Wet terroristische misdrijven in het materiele strafrecht, Nijmegen 2012, p. 14.

47 Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, Straatsburg, 27 januari 1977, European Treaty Series, No. 90, Trb. 1977, 63 (i.w.tr. op 19 juli 1985). Zie voorts: Protocol bij het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, Straatsburg, 15 mei 2003, European Treaty Series, No. 190.

48 Informele verklaring van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van de lidstaten van 14 oktober 1995 te La Gomera.

49 Verdrag ter voorkoming van terrorisme, Warschau 16 mei 2005, Trb. 2006, 34.

50 Hoge Raad 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858.

51 Hoge Raad 16 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1248.

52 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 463, nr. 3, p. 9.

53 Gerechtshof ’s-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:BR0686 (Mpambara); bevestigd in: Hoge Raad 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1420.

54 Verordening (EG) Nr. 2580/2001 van de Raad van Europa van de Europese Unie inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, Brussel, 27 december 2001, PbEU L 344/70, p. 93.

55 Wet terroristische misdrijven van 24 juni 2004, Stb. 290 (i.w.tr. op 10 augustus 2004), gewijzigd bij Wet van 20 november 2006, Stb. 580 (i.w.tr. op 1 februari 2007) en laatstelijk gewijzigd bij Wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 292 (i.w.tr. op 1 september 2013).

56 Verslag van de Commissie van 6 november 2007 op basis van artikel 11 van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding.

57 Wet van 24 juni 2004 (Kamerstukken II, 28 463), Stb. 290 (i.w.tr. op 10 augustus 2004).

58 Wet van 12 juni 2009, Stb. 245 (i.w.tr. op 1 april 2010).

59 Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, New York, 9 december 1999, Trb. 2001, 62 (i.w.tr. op 10 april 2002).

60 Een ad hoc comité van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, ingesteld bij resolutie 51/210, tracht sinds 2000 te komen tot afronding van een ontwerp voor een alomvattend verdrag inzake internationaal terrorisme. Dit verdrag is bedoeld als aanvulling op de bestaande 13 verdragen en 3 protocollen die sinds 1963 in VN-verband tot stand zijn gekomen tegen specifieke vormen van terrorisme. De totstandkoming van dit verdrag draagt bij aan de vervolmaking van het mondiale internationaalrechtelijke kader voor de bestrijding van terrorisme met inbegrip van de normen zoals neergelegd in de internationale mensenrechtenverdragen.

61 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 463, nr. 3, p 3.

62 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, regels met betrekking tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (Wet Internationale Misdrijven), p. 10.

63 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4822; Hoge Raad 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4822.

64 H.G. van der Wilt, De nationale berechting van internationale misdrijven; enkele kanttekeningen bij recente uitspraken, in: Geleerde lessen, Liber Amicorum Simon Stolwijk 2007, pp. 302-303.

65 Vgl. A.A.M. Orie, J.G. van der Meys, A.M.G. Smit, Internationaal strafrecht, studiepocket strafrecht, p. 166-167.

66 J. Pictet (gen.ed.), Commentary, Geneva Convention Relative to the Protection of Civilian Persons, Convention IV, Geneva: ICRC 1960, p. 20.

67 Gerechtshof ’s-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686, r.o. 16.3.1 en de aldaar genoemde jurisprudentie.

68 Zie Prosecutor v. Tadić, IT-94-1-T, Judgment, 7 May 1997, §568: “protracted armed violence between governmental authorities and organised armed groups or between such groups within a State”.

69 Prosecutor v. Tadić, IT-94-1, Decision on the Defence Motion for Interlocutory Appeal on Jurisdiction, 2 October 1995, § 67.

70 Prosecutor v. Kunarac et al., IT 98-23&23/1-A, Judgment, 12 june 2002, § 64 en in vergelijkbare zin: Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-T, Judgment, 3 March 2000, § 64.

71 Zie hierover Prosecutor v. Tadić, IT-94-1, Decision on the Defense Motion for Interlocutory Appeal on Jurisdiction, 2 October 1995, §§ 69 en 70; Prosecutor v. Kunarac et al., IT-98-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, §§ 57 en 64; Prosecutor v. Delalić et al., IT-96-21-T, Judgment, 16 November 1998 (a.k.a. Čelebići), §§ 209-210 en Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-T, Judgment, 3 March 2000, § 64.

72 Prosecutor v. Akayesu, ICTR-96-04-T, Judgment, 2 September 1998, § 603.

73 Zie o.a. Prosecutor v. Tadić, IT-94-1-T, Judgment, 7 May 1997, § 562 en Prosecutor v. Milošević, IT-02-54-T, Decision on Motion for Judgment of Acquittal, 16 June 2004, §§ 23-25.

74 Prosecutor v. Akayesu, ICTR-96-4-T, Judgment, 2 September 1998, §§ 625-626.

75 Ook indien geen van de partijen bij een conflict het bestaan van een gewapend conflict erkent, zijn de verdragen van toepassing. Zie ook: Dieter Fleck, The Handbook of International Humanitarian Law, Oxford 2008, p. 47.

76 Zie ook: Prosecutor v. Thomas Lubanga Dyilo, Judgment pursuant to Article 74 of the Statute, Case No. ICC-01/04-01/06, TC I, 14 March 2012, para. 531-533; Prosecutor v. Tadić, IT0-94-1, Decision on Defence Motion on for Interlocutary Appeal on Jurisdiction, 2 October 1995, §§ 70, 96 and 97; Prosecutor v. Kunarac, IT-96-23 and IT-96-23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 56 en ook: Gerechtshof ’s-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR068 (Mpambara) alsmede Gerechtshof ’s-Gravenhage 29 januari 2007 ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ7147 (Jalazoy), r.o. 5.3.

77 Jean S. Pictet (gen. ed.), Commentary on the Geneva Convention for the Amelioration of the Condition of the Wounded and Sick in Armed Forces in the Field(Geneva Convention I), Geneva/ICRC (2006), p. 32.

78 Zie: Jean S. Pictet (gen.ed.), Commentary, Geneva Convention Relative to the Treatment of Prisoners of War (, Geneva Convention III), Geneva/ICRC (2006), specifiek art. 2(1), p. 23.

79 Zie eveneens: Prosecutor v. Tadić, IT0-94-1, Decision on Defence Motion on for Interlocutary Appeal on Jurisdiction, 2 October 1995, §§ 70, 96 and 97; Prosecutor v. Kunarac, IT-96-23 and IT-96-23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 56.

80 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 10.

81 Zie o.a. Prosecutor v. Tadić, IT-94-1, Decision on the Defense Motion for Interlocutory Appeal on Jurisdiction, 2 October 1995, §§ 98 en 134; Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23-T & IT-96-23/1, Judgment, 22 February 2001, § 406; Prosecutor v. Delalić et al., IT-96-21-A, Judgment, 20 February 2001 (a.k.a. ‘Čelebići’), § 143. En voorts: J-M Henckaerts en L. Doswald-Beck, Customary International Humanitarian Law - Volume I: Rules, Cambridge, 2005, p. 590-591 en p. 593.

82 Prosecutor v. Galić, IT-98-29-A, Judgment, 30 November 2006, § 90.

83 Prosecutor v. Galić, IT-98-29-A, Judgment, 30 November 2006, § 98.

84 Zie o.a. Prosecutor v. Tadić, IT-94-1-T, Judgment, 7 May 1999, §§ 561-568; Prosecutor v. Aleksovski, IT-95-14/1, Judgment, 25 June 1999, §§ 43-44; Prosecutor v. Jelisić, IT-95-10, Judgment, 14 December 1999, §§ 29-31; Prosecutor v. Furundžija, IT—95-17/1-T, Judgment, 10 December 1998, § 59; Prosecutor v. Kordić and Čerkez, IT-95-14/2, Judgment, 26 February 2001, §§ 22-31, 160; Prosecutor v. Kunarac, IT-98-23&23/1-T, Judgment, 22 February 2001, § 402 en §§ 567-569; Prosecutor v. Delalić et al., IT-96-21-A, Judgment, 20 February 2001 (Čelebići Appeal Judgment), §§ 183-192; Prosecutor v. Stakić, IT-97-24, Judgment, 31 July 2003, §§ 566-574; Prosecutor v. Limaj, IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 83-174; Prosecutor v. Milošević, IT-02-54-T, Decision on Motion for Judgment of Acquittal, 16 June 2004, §§ 23-25, 30-31.

85 Prosecutor v. Thomas Lubanga Dyilo, Judgment pursuant to Article 74 of the Statute, Case No. ICC-01/04-01/06, TC I, 14 March 2012, para. 534-538.

86 Y. Sandoz, C. Swinarski and B. Zimmermann (gen. eds.), Commentary on Protocol Additional to the Geneva Conventions of 12 August 1949, and relating to the Protection of Victims of Non-International Armed Conflicts (Protocol II), Geneva: ICRC, 1960, p. 1354 e.v.

87 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 12.

88 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 13. Dit komt ook terug in de beslissing van de Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak d.d. 20 juli 2007, nr. 2006.08939/1, ECLI: NL:RVS:2007:BB0917.

89 Indian Peace Keeping Force.

90 Prosecutor v. Tadić, IT-94-1-A, Judgment, 15 July 1999, para 84.

91 S. Sivakumaran, The Law of Non-international Armed Conflict, Oxford, 2014, P. 222 e.v.

92 Yearbook of International Humanitarian Law, Volume 2, 1999, p. 364.

93 Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-T Judgment, 3 March 2000, § 94; Prosecutor v. Kordić and Čerkez, IT-95-14/2-T, Judgment, 26 February 2001, §§ 108-9. En voorts: C. Byron, Armed conflicts: International or Non-International? (2001), Journal of Conflict and Security Law 63, p. 82.

94 Prosecutor v. Rajić and Andrić, IT-95-12-R61, Review of the Indictment pursuant to Rule 61 of the Rules of Procedure and Evidence, 13 September 1966, § 61.

95 T. Meron, Classification of Armed Conflict in the Former Yugoslavia: Nicaragua’s Fallout, (1998) 92 AJIL 236, p. 241.

96 A09-0353 en deskundigenrapport p. 33.

97 Antonio Cassese, International Law, Oxford 2005, p. 420.

98 Nicaragua v. United States of America, International Court of Justice, Judgment of 27 June 1986 (Judgment of Merits on the Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua), in ICJ Reports, 1986, 14-50. 27 juni 1986, § 219.

99 Antonio Cassese, International Law, Oxford 2005, p. 420.

100 Antonio Cassese, International Law, Oxford 2005, p. 430 en Prosecutor v. Tadić, IT0-94-1, Decision on Defence Motion on for Interlocutary Appeal on Jurisdiction, 2 October 1995, §§ 96 - 127.

101 Zie: EHRM, 17 June 2008, no. 25904, (N.A. v. United Kingdom) r.o. 54; Algemeen ambtsbericht Sri Lanka Augustus 2009 van de Directie Personenverkeer, Migratie en Vreemdelingenzaken, Afdeling Asiel- en Migratiezaken Den Haag , p. 25 en 26 (A09-372 en A09-373); Rapport van Human Right Watch ‘Trapped and Mistreated LTTE Abuses Against Civilions in the Vanni’, December 2008 (B05-364, voetnoot 4): “The conflict between the Sri Lankan government and the LTTE is considered a non·international armed conflict under International humanitarian law, or the laws of war.”; Report of the Secretary-General’s Panel of Experts on accountability in Sri Lanka, 31 March 2011 (A08-697); Ambtsbericht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Landelijk Officier van Justitie Terrorismebestrijding mr. D. van der Bel d.d. 14 oktober 2008 (A08-007); Raad van State 18 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2513, r.o. 2.5.4.

102 Y. Sandoz, C. Swinarski and B. Zimmermann (eds.), Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1949 (ICRC, 1987), p. 41 e.v. en Hans-Peter Gasser, International Humanitarian Law – an Introduction, in H. Haug (ed.), Humanity for All: the International Red Cross and Red Crescent Movement, Bern 1993, p. 31.

103 Zie o.a. J. Henckaerts en L. Doswald-Beck, Customary International Humanitarian Law, Cambridge: CUP 2005, p. xxviii.

104 Zie artikel 75 Aanvullend Protocol I betreffende fundamentele rechten. En voorts: L.C. Green, The Contemporary Law of Armed Conflict, Manchester 1993, p. 107.

105 Y. Sandoz, C. Swinarski and B. Zimmermann (eds.), Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1949 (ICRC, 1987), nr. 3771 e.v., p. 1091.

106 Zie proces-verbaal van de terechtzitting van 14 april 2001, bijlage 3. En voorts: http://www.sangram.org/NEWSEXTRA/ltte.htm.

107 Brief van [betrokkene 5], Representative, LTTE International Secretariat, to Honourable Judges of the US Supreme Court of Appeal District of Colombia Circuit (ongedateerd), gepubliceerd in Sunday Times (Sri Lanka), 16 November 1997.

108 Convention (IV) respecting the Laws and Customs of War on Land and its annex: Regulations concerning the Laws and Customs of War on Land, The Hague, 18 October 1907.

109 Zie ook: Parket bij de Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY3440.

110 Zie ook: Kamerstukken II, vergaderjaar 1983-1984, 18 277, nr. 3, p. 19 en 20.

111 Y.Sandoz, C. Swinarski and B. Zimmerman (eds.), Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1947, (1987), ICRC/Geneva, p. 512 en P. Verri, Combattants armés ne pouvant se distinguer de la pupulation civile, (1982), p. 355.

112 Zie hierover o.a.: W.T. Mallison and S.V. Mallison, The Juridical Status of Privileged Combatants under the Geneva Protocol of 1977 concerning International Conflicts, 62 Law and Contemporay Problems 2, 1978, p. 10; A. Cassese, Wars of National Liberation and Humanitarian Law, in: Studies and Essays in Honour of Jean Pictet, p. 313.

113 Resolutie XXIII van de Internationale Conferentie over de mensenrechten in Teheran in 1968.

114 Zie: Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BuPo), New York, 16 december 1966 (artikel 1) en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele Rechten (EcSoCu), New York, 16 december 1966 (artikel 1); United Nations General Assembly Resolution 1514 of 14 December 1960, titled "Declaration on the Granting of Independence to Colonial Countries and Peoples. United Nations General Assembly Resolution 2625, titled "The Declaration on Principles of International Law concerning Friendly Relations and Co-operation among States" of 24 October 1970.

115 Resolutie 2625 (XXV) en United Nations General Assembly, Resolution 3103 (XXVIII) Basic principles of the legal status of the combatants struggling against colonial and alien domination and racist régimes, 2197th plenary meeting, 12 December 1973.

116 Y. Sandoz, C. Swinarski and B. Zimmermann (eds.), Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1947, (1987), ICRC/Geneva, p. 54, § 112.

117 UN General Assembly, Universal Declaration of Human Rights, New York, 10 December 1948, 217 A (III).

118 International Convenant on Political and Civil Rights, New York, 19 December 1966.

119 International Convenant on Economic, Social and Cultural Rights, New York, 16 December 1966.

120 Zie: het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, New York, 7 maart 1966, Trb. 1966, 237 (i.w.tr. op 4 januari 1969). Het Verdrag richt zich tegen discriminatie op grond van ras, huidskleur en nationale of etnische afkomst. Het Verdrag verdedigt grondrechten die als gelijkheidsrechten aan te merken zijn. En voorts o.a. de Universele Verklaring van de Rechten van en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 maart 1966.

121 United Nations General Assembly, Resolution 3103 (XXVIII) Basic principles of the legal status of the combatants struggling against colonial and alien domination and racist régimes, 2197th plenary meeting, 12 December 1973.

122 Y. Sandoz, C. Swinarski, and B. Zimmerman (eds.), Commentaries on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1949, Geneva: ICRC/The Hague, 1987, §§ 112 en 85.

123 Zie o.a. deskundigenrapport, p. 61 e.v.

124 Proces-verbaal van getuigenverhoor ter terechtzitting d.d. 16 september 2013, p. 43.

125 E.J. Husabo en I.Bruce, Fighting Terrorism through Multilevel Criminal Legislation, Leiden/Boston, 2009, p. 395.

126 Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988 (Kesbir).

127 Arrest van 16 oktober 2014 in de zaken T-208/11 en T-508/11, LTTE/Raad van de Europese Unie (Gerecht van eerste aanleg 2014, r.o. 56 t/m 59).

128 Zie ook: Rechtbank Den Haag 1 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:14652.

129 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 463, nr. 3, blz. 9.

130 Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651.

131 Hoge Raad 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858; en voorts Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122.

132 Hoge Raad 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502.

133 Gerechtshof Den Haag 21 juni 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP3601,met name r.o. 10.

134 Hoge Raad 16 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1990:AD1248.

135 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 463, nr. 3, p. 9.

136 Hoge Raad 8 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858.

137 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 10.

138 Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651.

139 Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 28 463, nr. 6, p. 12; Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 28 463, nr. 7, p. 2.

140 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 19-20; Kamerstukken I, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, C, p. 13-14.

141 Hoge Raad 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD8636.

142 M.J.H.J. de Vries-Leemans, Rechtspersonen en art. 140 Sr, in: M. van Kraaij en A. van Veen (red.), Onderneming en strafrecht, Lustrum ‘Nico Muller’ 1966-1996, Ars Aequi Libri, Nijmegen 1997, p. 80-81 en M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht, Arnhem 1995, p. 32.

143 Hoge Raad 16 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1248 (Mariënburcht).

144 Hoge Raad 29 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8707 (niet gepubliceerd).

145 Rechtbank Rotterdam 10 maart 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AV5108, (Hofstad) en voorts (in hoger beroep) Gerechtshof Amsterdam 17 december 2010 ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7690.

146 Hoge Raad 30 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD7801 (niet gepubliceerd).

147 Hoge Raad 9 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC0935.

148 Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, aantekening 2 artikel 47 Sr.

149 Zie o.a. Kamerstukken, vergaderjaar 1991-1992, 22 268, nr. 5, p. 15.

150 De Vries-Leemans, t.a.p., 178.

151 O.a. Hoge Raad 13 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC3222; Hoge Raad 6 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9454; en Hoge Raad 16 oktober 1990; ECLI:NL:HR:1990:AD1248.

152 Hoge Raad 12 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC2372.

153 Prosecutor v. Tadić, IT-94-1-T, Judgment, 2 October 1995, § 134.

154 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 5 en 47 en Kamerstukken I, vergaderjaar 2002-2003, nr. 108b, pp. 1-2.

155 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 25.

156 Zie ook: H.G. van der Wilt, Grenzen aan de strafbaarheid van deelnemers in het internationaal strafrecht, in: Joegoslavië- en Rwanda-tribunalen: impact op het Nederlands strafrecht, UvA, Amsterdam 2001.

157 Sri Lanka: Penal Code [Sri Lanka], Chapter 19, 1 January 1885, vindplaats: http://www.refworld.org/docid/4c03e2af2.html [accessed 23 July 2014]. Consolidated version up to Act No. 16 of 2006 of 24 April 2006, provided by LawNet - Sri Lanka's Legal Information Network.

158 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 29 451 (Dubbele strafbaarheid in het Nederlandse strafrecht), nr. 1, pp. 14 en 16.

159 Zie ook: Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 10.

160 Prosecutor v. Tadić, IT-94-1, Decision on the Defense Motion for Interlocutory Appeal on Jurisdiction, 2 October 1995, pars. 98 en 134; Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23-T & IT-96-23/1, Judgment, 22 February 2001, pars. 406; Prosecutor v. Delalić et al., IT-96-21-A, Judgment, 20 February 2001, § 143.

161 Zie o.a. art. 8(2)c ICC Statuut en voorts: J-M. Henckaerts and L. Doswald-Beck, Customary International Humanitarian Law, Vol. I: Rules, ICRC (2005), p. 590-591 en p. 593.

162 Zie ook hiervoor onder het ‘Kopje Preambule Kaderbesluit terrorismebestrijding’.

163 Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988 (Kesbir) en Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3440 (Wesam Al D.).

164 Zie ook: Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 29 451, nr. 2, p. 13.

165 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 32.

166 De Nederlandse vertaling van het proces-verbaal van verhoor bij de rechtbank Oslo, Noorwegen, d.d. 18 mei 2011 (rc-map getuigen II, p. 819).

167 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1294 en 1295).

168 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 2 augustus 2011 (rc-map getuigen III, p. 1348).

169 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 55.

170 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 31.

171 De Nederlandse vertaling van het proces-verbaal van verhoor bij de rechtbank Oslo, Noorwegen, d.d. 18 mei 2011 (rc-map getuigen II, p. 822).

172 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 20 juni 2001 (rc-map getuigen II, p. 932 en 935).

173 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1294).

174 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 2 augustus 2011 (rc-map getuigen III, p. 1349).

175 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 5.

176 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 11.

177 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 12.

178 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d. d. 1 en 2 april 2014, p. 32.

179 De Nederlandse vertaling van het proces-verbaal van verhoor bij de rechtbank Oslo, Noorwegen, d.d. 18 mei 2011 (rc-map getuigen II, p. 820).

180 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 22 en 23 juni 2011 (rc-map getuigen III, p. 1151).

181 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1291).

182 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1304).

183 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1294).

184 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1304).

185 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 2 augustus 2011 (rc-map getuigen III, p. 1349).

186 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 2 augustus 2011 (rc-map getuigen III, p. 1355).

187 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 2 augustus 2011 (rc-map getuigen III, p. 1356).

188 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 5.

189 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 7.

190 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 37.

191 De Nederlandse vertaling van het proces-verbaal van verhoor bij de rechtbank Oslo, Noorwegen, d.d. 18 mei 2011 (rc-map getuigen II, p. 819).

192 De Nederlandse vertaling van het proces-verbaal van verhoor bij de rechtbank Oslo, Noorwegen, d.d. 18 mei 2011 (rc-map getuigen II, p. 821).

193 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1294).

194 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 2 augustus 2011 (rc-map getuigen III, p. 1348).

195 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 2 augustus 2011 (rc-map getuigen III, p. 1350).

196 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 4 augustus 2011 (rc-map getuigen III, p. 1370).

197 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 63.

198 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 7-8.

199 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 14.

200 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 62.

201 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 64.

202 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 21.

203 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 23.

204 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 24.

205 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 66.

206 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 58-59.

207 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 59-60.

208 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 67.

209 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 67.

210 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 37.

211 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 55.

212 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 72.

213 B02-0791 en B02-0793.

214 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1305).

215 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1306).

216 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 27.

217 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 7.

218 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 5.

219 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 60.

220 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 10.

221 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 11.

222 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 60.

223 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 30.

224 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 31.

225 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 31-32.

226 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 12.

227 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 12.

228 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 13.

229 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 29.

230 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 16-17.

231 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 17-18.

232 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 18.

233 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 51.

234 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 68.

235 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 51.

236 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 19-20.

237 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 20.

238 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 20.

239 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 20.

240 Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 22 september 2009 (A01-0180).

241 Proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg d.d. 15 september 2011, p. 4.

242 B00-2338 en B00-2339.

243 Een geschrift, zijnde het inschrijfformulier [verdachte 2] (Nederlands: B00-2353 en Tamil: B00-2346).

244 Een geschrift, zijnde het inschrijfformulier [verdachte 2] (Nederlands: B00-2359 en Tamil: B00-2351).

245 Proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg d.d. 15 september 2011, p. 4.

246 Proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg d.d. 21 september 2011, p. 10.

247 B00-00053.

248 Een geschrift, zijnde een document betreffende een ‘bijeenkomst van de verantwoordelijken en geldinzamelaars/financieel verantwoordelijken in Duitsland’ (Nederlands: B00-2155 en Tamil: B00-2164).

249 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 52-53.

250 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 63.

251 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 27.

252 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 64.

253 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 14.

254 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 54.

255 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 52.

256 De op 14 september 2011 gefaxte schriftelijke verklaring [verdachte 1], p. 4.

257 De op 14 september 2011 gefaxte schriftelijke verklaring [verdachte 1], p. 5.

258 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 22 en 23 juni 2011 (rc-map getuigen III, p. 1161).

259 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 22 en 23 juni 2011 (rc-map getuigen III, p. 1162).

260 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 142.

261 Een geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 2] d.d. 16 november 2003 (Nederlands: B00-3628 en Tamil: B00-0327).

262 Een proces-verbaal inzake admin usb stick [verdachte 1] en laptop [betrokkene 8], pv-nummer 29-566360, d.d. 23 juni 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B02-2218).

263 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 150.

264 B00-00053; Een geschrift, zijnde een document betreffende een ‘bijeenkomst van de verantwoordelijken en geldinzamelaars/financieel verantwoordelijken in Duitsland’ (Nederlands: B00-2154 en Tamil: B00-2161).

265 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pv-nummer 29685161, d.d. 15 november 2010 (C01-490).

266 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 142 en 144.

267 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 141.

268 B02-1590.

269 B02-2570.

270 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 165.

271 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 63.

272 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 73.

273 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 52.

274 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 60.

275 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 73.

276 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 72.

277 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 72-73.

278 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 24 november 2010 (rc-map getuigen I, p. 161).

279 Het proces-verbaal van verhoor getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 29 en 30 juli 2011 (rc-map getuigen III, p. 1306).

280 Proces-verbaal Zaaksdossier 2 fondsenwerving tbv de LTTE, pv-nummer 29212994, d.d. 1 december 2010 (B02-00083).

281 B00-2338 en 2339.

282 Een geschrift, zijnde het inschrijfformulier [verdachte 3] (Nederlands: B00-2390 en Tamil: B00-2382).

283 Een geschrift, zijnde het inschrijfformulier [verdachte 2] (Nederlands: B00-2395 en 2397, Tamil: B00-2386 en 2388).

284 Een geschrift, zijnde een document betreffende een ‘bijeenkomst van de verantwoordelijken en geldinzamelaars/financieel verantwoordelijken in Duitsland’ (Nederlands: B00-2155 en Tamil: B00-2164 en B00-2165).

285 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 112, 113 en 114.

286 Proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 110.

287 Proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 111.

288 Proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 111.

289 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 125.

290 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 63.

291 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 52.

292 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 58.

293 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 71.

294 Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 22 september 2009 (A01-0180 en A01-0181).

295 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 17.

296 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 17.

297 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 18.

298 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 20.

299 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 26.

300 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 31.

301 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 33.

302 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 51.

303 Een geschrift, te weten verschillende, in de Tamil taal opgestelde, betalingsbewijzen, telkens voorzien van een embleem van de LTTE (A07-0155).

304 B00-2338 en B00-2339.

305 Een geschrift, zijnde het inschrijfformulier [verdachte 4] (Nederlands: B00-2412 en Tamil B00-2400).

306 Een geschrift, zijnde het inschrijfformulier [verdachte 4] (Nederlands: B00-2415 en Tamil: B00-2411).

307 Een geschrift, zijnde het inschrijfformulier [verdachte 4] (Nederlands: B00-2420 en Tamil: B00-2409).

308 Een geschrift, zijnde een document betreffende een ‘bijeenkomst van de verantwoordelijken en geldinzamelaars/financieel verantwoordelijken in Duitsland’ (Nederlands: B00-2155 en Tamil: B00-2164 en B00-2165).

309 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 63.

310 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 14.

311 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 15.

312 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 60.

313 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 52.

314 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 67.

315 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 68.

316 Relaasproces-verbaal, pv-nummer 29662259, d.d. 26 november 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B00-0008 t/m B00-0132), inhoudende de weergave het organisatieschema van de LTTE ingevuld naar de Nederlandse situatie (B00-000112).

317 Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 22 september 2009 (A01-0180).

318 B02-1590.

319 B00-2338 en B00-2339.

320 Een geschrift, zijnde het inschrijfformulier [verdachte 5] (Nederlands: B00-2372 en Tamil: B00-2362).

321 Een geschrift, zijnde het inschrijfformulier [verdachte 5] (Nederlands: B00-2378 en 2379 en Tamil: B00-2369 en 2370).

322 Een geschrift, zijnde een document betreffende een ‘bijeenkomst van de verantwoordelijken en geldinzamelaars/financieel verantwoordelijken in Duitsland’(Nederlands: B00-2156 en Tamil: B00-2166 en B00-2167).

323 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 70.

324 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 70.

325 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 71-72.

326 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 72.

327 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 85 ev.

328 Hoge Raad 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193 (Hofstad).

329 Hoge Raad 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502.

330 Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651.

331 Anton Balasingham, War and Peace. Armed Struggle and Peace Efforts of Liberation Tigers. Mitcham, England 2004, p.31. (A10-1478); Peter Chalk, "The Liberation Tigers of Tamil Eelam Insurgency in Sri Lanka", in: R. Ganguly, and I. Macduff (ed.), Ethnic Conflict and secessionism in South and Southeast Asia, Causes, Dynamics, Solutions, Sage Publications, New Delhi 2003, p.130. (A10-1513). LTTE PS (2006). LTTE National Leader Mr. [betrokkene 1]'s Speech - 2006. Geraadpleegd op 22 april 2010 op http://lwww. tamilcanadian.com/page.php?id=4603. Benaderd op 25 oktober 2010. (A10-1556). LTTE Handboek internationaal secretariaat (B01-3682).

332 "Socialist Tamil Eelam. Political Programme of the LTTE" in: G. Frerks, and B. Klem (eds.), Dealing with Diversity. Sri Lankan Discourses on Peace and Conflict. The Netherlands Institute of International Relations 'Clingendael', Den Haag 2004, p.307 (A10-1523). Deskundigenrapport, p. 34-36.

333 Requisitoir hoger beroep, p. 43 ev. en de aldaar aangehaalde uitspraken.

334 Deskundigenrapport, p. 52.

335 Zie onder meer: B04-0140 t/m B04-0143; B04-0144 en B04-0145; B04-0172 en B04-0173, B04-0174 en B04-175; B04-0177 t/m B04-209; B04-0210 t/m B04-0218; B04-0221 t/m B04-0223; B04-0224 en B04-0225; B04-0226 en B04-0227; B04-0228 en B04-0229; B04-0230 en B04-0231; B04-0265 t/m B04-270.

336 B04-0614 t/m B04-0667.

337 B04-0792 ev.

338 B04-0114 en B04-0140.

339 B04-08 en B04-0140 en B04-012 en B04-0210 e.v.

340 B04-0413 t/m B04-0417.

341 B04-0416.

342 D11-425 en D11-423 en D11-424.

343 B04-0333 ev.

344 D11-0425 en D11-0423 en D11-0424.

345 D11-0408.

346 B04-0070.

347 B04-0426.

348 B04-0426.

349 C01-0179.

350 Een proces-verbaal van verhoor van getuige van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 22 en 23 juni 2011 (RC-map getuigen III, p. 1178).

351 C01-0556.

352 C01-0453.

353 A06-1670 en A06-1671.

354 B00-090.

355 B00-2505.

356 B04-0004.

357 Een geschrift, zijnde de Nederlandse vertaling van hetgeen is gezegd op twee onder nummer BE040.06.010.001 in [adres verdachte 5] Breda inbeslaggenomen videobanden, gevoegd als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, pv-nummer 29607770, d.d. 30 augustus 2010 (B04-0279 en B04-280).

358 B04-0326 en B04-0327.

359 B06-0038 en B06-0283.

360 B06-00022.

361 B04-0538.

362 B04-0550.

363 Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988 (Kesbir); en Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3440 (Wesam Al D.).

364 ZD B07 en voorts het overzicht op B00-0124 t/m B00-0128 en B07-0013 en B07-0014.

365 D08-0095 t/m D08-0097 en D08-0104 en D08-0105.

366 Proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep van 1 en 2 april 2014, p. 8.

367 A10-0036 t/m A10-0050.

368 Zie o.a. B07-0215; D07-0090 en D07-0091; B00-0017; D09-0339; D09-0342 en D09-0349; D03-0364 en B07-0211 en B07-0213.

369 Zie de aanvulling op het deskundigenrapport van Keenan en Frerks, p. 5-6 en p. 14.

370 B07‐0082 t/m B07-0091.

371 Zie o.a. A08-0714; B05-0051 en B05-0052 en B05-3041 e.v.; B07-3337, B07-3339, B07-3405, B07-3010, B07-3411, B07-0221, B07-3414, B07-3417, B07-3421.

372 Deskundigenrapport, p. 59.

373 B07-0091.

374 Zie o.a. A01-452 en B07‐162 t/m B07-172.

375 B07-4102, B07-4103, B07-4104, B07-4111, B07-4201, B07-4212, B07-3444.

376 B07‐172 t/m B07-180.

377 B07-4227, B07-3427, B07-4267.

378 A01-3041h.

379 B04-380 en B04-381.

380 B05-60 t/m B05-65.

381 B09-1086 en B07-2998 t/m B07-3012.

382 Zie o.a. B07-28 t/m B07-50, B07-2101, B07-2104 en B07-2107. Zie voorts overzicht beslag A01-2079.

383 B09-1086.

384 A01-2088 en A01-2131.

385 A01-2085 en A01-2129.

386 Requisitoir in eerste aanleg, p. 100-113 en requisitoir hoger beroep, p. 90-101.

387 Requisitoir in eerste aanleg, p. 101-102 en requisitoir hoger beroep, p. 92-93.

388 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 9.

389 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 11.

390 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 16.

391 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 11.

392 Gerechtshof ’s-Gravenhage 2 oktober 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BF3987.

393 Hoge Raad 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7585 (Piranha); Rechtbank Rotterdam 30 oktober 200 ECLI:NL:RBROT:2007:BB7203.

394 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 11.

395 Hoge Raad 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7585 (Piranha).

396 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 9.

397 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 12.

398 Gerechtshof ’s-Gravenhage 2 oktober 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BF3987.

399 Gerechtshof Amsterdam 17 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9017 (Hofstad).

400 Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, art. 205 Sr, aant. 5.

401 H.J. Schmidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, volledige verzameling van Regeringsontwerpen, gewisselde stukken, gevoerde beraadslagingen, enz., tweede deel, Haarlem 1881, p. 215-216.

402 Ibid., p. 215.

403 Kamerstukken II, 2002-2003, 28 463, nr. 10, p. 8; Gerechtshof ’s-Gravenhage 2 oktober 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BF3987.

404 Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 28 463, nr. 10, p. 8.

405 Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, art. 205 Sr, aant. 4.

406 Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 27 925, nr. 94, p. 7-8; Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 28 463, nr. 8, p. 4.

407 Requisitoir eerste aanleg, p. 101-102 en requisitoir in hoger beroep, p. 92-93.

408 Proces-verbaal van terechtzitting hoger beroep inhoudende de verklaring van [verdachte 2] d.d. 1 en 2 april 2014, p. 63.

409 B01-3747.

410 B01-3739.

411 Charu Lata Hogg, Children Recruitment in South Asian Conflicts, a comparative Analysis of Sri Lanka, Nepal and Bangladesh, Royal Institute of International Affairs, 2006 (B09-2439).

412 D.B.S. Jeyaraj, What Will The LTTE Leader Say On Great Heroes Day?, November 2007 (A10-1679).

413 Peter Schalk, The Revival of Martyr Cults among Ilavar, Temenos 33 (1977), 151190, http://www.tam,ilnation.org/ideology/schalk03.ht, (A10-1711).

414 A10-2312.

415 B09-0023; B09-637 en B0-638 en B02-2941.

416 B09-2539 t/m B09-2550.

417 Requisitoir OM eerste aanleg, p. 109.

418 Zie hierover meer in het bijzonder o.a.: A. Smith, Child Recruitment and the Special Court for Sierra Leone, 2 JICJ (2004) 1141; M. Happold, Child Soldiers in International Law, Manchester, 2005.

419 Rome Statute of the International Criminal Court, Rome 17 July 1998, U.N. Doc.A/CONF. 183/9, International Legal Materials, 1998, 999.

420 Zie: Prosecutor v. Tadić, IT-94-1-A, Judgment, 15 July 1999, § 137. In de Rechtspraak van de internationaal ad hoc tribunalen is voor wat betreft de strafrechtelijke aansprakelijkheid het onderscheid tussen internationaal en niet-internationale gewapende conflicten vergaand gerelativeerd.

421 Zie o.a. Prosecutor v. Semanza, ICTR-97-20-T, Judgement and Sentence, 15 May 2003, § 358-360; Prosecutor v. Akayesu, ICTR-96-4-A, Judgement, 1 June 2001, §§ 435, 444-445.

422 K. Dörmann, Elements of war crimes under the Rome Statute of the International Criminal Court, Cambridge:CUP, 2003, p. 470-471.

423 K. Dörmann, Elements of war crimes under the Rome Statute of the International Criminal Court, Cambridge:CUP, 2003, p. 377. En voorts: S. Junod, “Art. 4”, in: Y. Sandoz et al. (eds.), Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1949, Geneva: ICRC, 1987, no. 4557, zoals aangehaald in K. Dörmann, t.a.p., p. 377.

424 Convention on the Rights of the Child, New York, 2 September 1990.

425 Convention concerning the Prohibition and Immediate Action for the Elimination of the Worst Forms of Child Labour (nr. 182), Geneva, 17 Jun 1999.

426 Zie voorts o.a. art. 22 African Charter on the Rights and Welfare of the Child 1999 en Optional Protocol to the Convention on the Rights of the Child on the Involvement of Children in Armed Conflicts 2002.

427 Procecutor v. Norman, SCSL-2004-14-AR72(E), Decision on Preliminary Motion Based on Lack of Jurisdiction (Child Recruitment), Appeals Chamber, 31 May 2004. En ook: Prosecutor v. Fofana and Kondewa, SCSL-04-14-T, Judgment, 2 August 2007 en Procecutor v. Brima et al., SCSL-04-16-T, Judgment, 20 June 2007. Zie voorts: J. Henckaerts en L. Doswald-Beck, Customary International Humanitarian Law, Cambridge:CUP 2005, p. 485 en 488.

428 Zie ook: A. Smith, Child Recruitement and the Special Court for Sierra Leone, 2 JICJ (2004) 1141.

429 Commentary on the Additional Protocols of 8 June 1977 to the Geneva Conventions of 12 August 1949, Geneva: ICRC, 1987, no. 4557.

430 Zie ook: No Peace without Justice and UNICEF Innocenti and Children, Rome Italy XPRess srl, 2002, p. 73-74: ‘[w]hen it comes to children – especially children under 15 – so-called “voluntary recruitment” is always misnomer’.

431 Prosecutor v. Rutaganda, ICTR-96-3-T, Judgment, 6 December 1999, § 100.

432 Prosecutor v. Brima et al., SCSL-04-14-T, Judgment, 20 June 2007, § 736-737. En voorts: Report of the Prepatory Committee on the Establishment of an International Criminal Court, Draft Statute & Draft Final Act, UN Doc. A/Conf.183/2/Add.1, 1998, 25, fn. 12.

433 Zie: Prosecutor v. Rutaganda, ICTR-96-3-T, Judgment, 6 December 1999, § 100.

434 B05-0347 (2007), B05-0361 (2008) en B05-0468 (2009).

435 UN General Assembly, Report of the Secretary-General: Children and Armed Conflict, 26 October 2006, A/61/529–S/2006/826, p. 23-25 en 38.

436 B05-0295.

437 B05-0298.

438 B05-0331.

439 B05-0334.

440 B05-0409.

441 Zie ook B05-0890 (PV bevindingen opmerkingen UNICEF medewerker Aguilar over de werkwijze van UNICEF).

442 A08-0659 en A08-0660.

443 A08-0695.

444 A08-0710.

445 B05-0436 en B05-0437.

446 B05-0801 t/m B05-0804.

447 B05-0805 t/m B05-0825.

448 B05-0180 en B05-0181.

449 B05-1013 en RC verklaring p. 383.

450 B05-0021 en B05-0188 en B05-0189.

451 B05-0819.

452 B05-0819.

453 B05-0216.

454 Child Soldiers, Global Report 2008, p. 313. http://www.childsoldiers.org/user_uploads/pdf/2008globalreport1245411.pdf.

455 A07-0433 en RC verklaring p. 1015 e.v.

456 A07-0449.

457 Deskundigenrapport, p. 78.

458 Deskundigenrapport, p. 79.

459 Deskundigenrapport, p. 79.

460 Deskundigenrapport, p. 80.

461 Deskundigenrapport, p. 80.

462 Deskundigenrapport, p. 81.

463 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 september 2013, p. 54.

464 B05-9292.

465 B05-948; B05-962; B05-968 en B05-991.

466 B05-1052, B05-1053, B05-1054, B05-1055, B05-1056, B05-1057, B05-1058, B05-1059, B05-1060 en B05-1061; A06-4059, A06-4069 en A06-4081.

467 A06-6052.

468 B00-3171.

469 Zie hierover o.a.: O. Triffterer (ed.), Commentary on the Rome Statute, 2008, Article 7 – chapeau; M. Boots, Nullum Crimen Sine Lege and the Subject Matter Jurisdiction of the International Criminal Court, 2002, p. 477-490; D. Robinson, The Context of Crimes Aganist Humanity, in: R. Lee (ed.), The International Criminal Court – Elements of Crimes and Rules of Procedure and Evidence, 2001, p. 61-79.

470 Prosecutor v. Limaj et. al, IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 181.

471 Zie, algemeen, o.a. Prosecutor v. Naletilić and Martinović, IT-98-34-T, Judgment, 31 March 2003, par 232; Prosecutor v. Tadić , IT-94-1-T, Judgment, 7 May 1997, pars 618 en 626, Prosecutor v. Tadić, IT-94-1-A, Judgment, 15 July 1999, pars 247-272; Prosecutor v. Kupreŝkić. IT-95-16-T, Judgment, 14 January 2000, § 543; Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-T, Judgment, 4 March 2000, pars 201-214; Prosecutor v. Kunarac, et al., IT-98-23&23/1-T, Judgment, 22 February 2001, par 410, Prosecutor v. Kunarac, et al., IT-98-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, pars 82-105; Prosecutor v. Akayesu, ICTR-96-04-T, Judgment, 2 September 1998, pars. 460-469, Prosecutor v. Semanza, ICTR-97-20-T, Judgment, 15 May 2003, par 326 en Prosecutor v. Kayishema and Ruzindana, ICTR-95-1-T, Judgment, 21 May 1999, pars 119-134.

472 Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 181; Prosecutor v. Blagojević and Jokić, IT-02-60-T, Judgment, 17 January 2005, § 541; Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 140; Prosecutor v. Simić et al., IT-95-09-T, Judgment, 17 October 2003, § 37; Prosecutor v. Stakić, IT-97-24-T, Judgment, 31 July 2003, § 621; Prosecutor v. Kunarac et.al, IT-98-23&23/1-T, Judgment, 22 February 2001, § 410.

473 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 41.

474 Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, par 181; Prosecutor v. Kunarac, IT-98-23/23-1-T, Judgment, 22 February 2001, § 410 and 415. Prosecutor v. Vasiljevic, IT-98-32-IT, Judgment, 29 November 2002, § 28. Prosecutor v. Blagojević and Jokić, IT-02-60-T, Judgment, 17 January 2005, § 543; Prosecutor v. Simić et al., IT-95-09-T, Judgment, 17 October 2003, § 37; Prosecutor v. Stakić, IT-97-24-T, Judgment, 31 July 2003, § 621.

475 Procecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, November 2005, § 182; idem: Prosecutor v. Brđjanin, IT-99-36-T, Judgment 1 September 2004, § 131; Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 141; en Prosecutor v. Naletilić and Martinović, IT-98-34-T, Judgment, 31 March 2003, § 233.

476 Prosecutor v. Tadić, IT-94-1-A, Judgment, 15 July 1999, § 251; idem o.a.: Prosecutor v. Limaj et al., IT-T, Judgment 30 November 2005, § 182; Prosecutor v. Brđjanin, IT-99-36-T, 1 September 2004, § 131; Prosecutor v. Stakić, IT-97-24-T, 31 July 2003, § 623; Prosecutor v. Vasiljević, IT-98-32-T, Judgment 29 November 2002, § 30; Prosecutor v. Simić et al., IT-95-09-T, Judgment, 17 October 2003, § 39 en Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 141.

477 Prosecutor v. Kunarac et. al, IT-98-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 86. Idem o.a.: Prosecutor v. Tadić, IT-94-1-A, Judgment, 15 July 1999, § 251; Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment 30 November 2005, § 182; Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 2003, § 141 en Prosecutor v. Simić et al., IT-95-9-T, Judgment, 17 October 2003, § 139.

478 Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23 and IT-96-23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 86; Prosecutor v. Vasiljević, IT-98-32-T, Judgment, 29 November 2002, § 29; Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 182.

479 Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 2003, § 141.

480 Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 194.

481 Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23 and IT-96-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, pars. 97, 87-88; en voorts o.a. Prosecutor v. Brđjanin, IT-99-36-T, Judgment, 1 September 2004, § 131; Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 145.

482 Prosucutor v. Kunarac et al., IT-96-23 en IT-96-23A, Judgment, 12 June 2002, § 99 and 417; Prosecotor v. Tadić, IT-94-1-A, Judgment, 15 July 1999, pars 248 and 255; Prosecutor v. Kayishema and Ruzindana, ICTR-95-1-T, Judgment, 21 May 1999, § 99; Prosecutor v. Deronjić, IT-02-61-A, Judgment, 20 July 2005, § 109.

483 Prosucutor v. Kunarac et al., IT-96-23 en IT-96-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 418; en voorts: Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 188; Prosecutor v. Blagojević and Jokić, IT-02-60-T, Judgment, 17 January 2005, § 547; Prosecutor v. Simić at al., IT-95-09-T, Judgment, 17 October 2003, § 41.

484 Prosecutor v. Tadič, IT-94-1-T, Judgment, 7 May 1997, § 101.

485 Prosecutor v. Tadič, IT-94-1-T, Judgment, 7 May 1997, § 649.

486 Prosucutor v. Kunarac et al., IT-96-23 en IT-96-23A, Judgment, 12 June 2002, § 100 en Prosecutor v. Kupreškić, IT-95-16-T, Judgment, 14 January 2000, § 550.

487 Prosucutor v. Kunarac et al., IT-96-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 100.

488 Zie hierover tevens: Prosecutor v. Kajelijeli, ICTR-98-44A-T, Judgment and Sentence, 1 December 2003, § 866 en Prosecutor v. Semanza, ICTR-97-20-T, Judgment and Sentence, 15 May 2003, § 326.

489 Prosucutor v. Kunarac et al., IT-96-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 91; Prosecutor v. Naletilić and Martinović, IT-98-34-T, Judgment, 31 March 2003, par 235; Prosecutor v. Kunarac, IT-98-23/23-1-T, Judgment, 22 February 2001, § 421.

490 Prosecutor v. Blagojević and Jokić, IT-02-60-T, 17 January 2005, § 544; Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 143; Prosecutor v. Naletilic and Martinovic, IT-T, Judgment, 31 March 2003, § 235 en Prosecutor v. Kordić and Čerkez, IT-95-14/2-T, Judgment, 26 February 2001, § 180; Prosecutor v. Simić et al., IT-95-09-T, Judgment, 17 October 2003, § 42.

491 Prosecutor v. Blaškić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 112.

492 Prosecutor v. Jelisić, IT-95-10-T, 14 December 1999, § 54.

493 Prosecutor v. Brđjanin, IT-99-36-T, Judgment, 1 September 2004, § 134; Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 115.

494 Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 186. Prosecutor v. Naletilić and Martinović, IT-98-34-T, Judgment, 31 March 2003, § 235; Prosecutor v. Blaškic, IT-95-14-T, Judgment, 3 March 2000, § 214.

495 Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, 30 November 2005, § 186; Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 143; Prosecutor v. Blaškić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 113; Prosecutor v. Blagojević and Jokić, IT-02-60-T, Judgment, 17 January 2005, § 544.

496 Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 186.

497 Elements of crime International Criminal Court, PCNICC/2000/1/Add.2 (2000), Article 7, Crimes against humanity, Introduction, onderdeel 3.

498 Elements of Crimes – International Criminal Court (2000), New York, 30 June 2000.

499 Prosecutor v. Tadić, IT-94-1- A, Judgment, 15 July 1999, § 248; Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23&23/1--T, Judgment, 22 February 2001, pars 410, 421-422.

500 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3 p. 41. Zie ook de richtinggevende uitspraak Prosecutor v. Tadič, IT-94-1, Judgment, 7 May 1997, § 648 en, in gelijke zin o.a., Prosecutor v. Kordić and Čerkez, IT-95-14/2-A, 17 December 2004, § 94; Prosecutor v.Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 183; Prosecutor v. Blagojević and Jokić, IT-02-60-T, Judgment, 17 January 2005, § 545; Prosecutor v. Brđjanin, IT-99-36-T, Judgment, 1 September 2004, § 135; Prosecutor v. Stakić, IT-97-24-T, Judgment, 31 July 2003, § 625; Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 101.

501 Prosecutor v. Tadič, IT-94-1-T, Judgment, 7 May 1997, § 648.

502 Prosecutor v. Deronjić, IT-02-61-A, 20 July 2005, § 109; idem o.a.: Kordić and Čerkez, IT-95-14/2-A, 17, Judgment, 17 December 2004, § 94; Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 101; Prosecutor v. Kunarac, IT-96-23 and IT-96-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 96.

503 Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23 and IT-96-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 95. In gelijke zin: Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 183; Prosecutor v. Galić, IT-98-29-T, Judgment, 5 December 2003, § 146; Prosecutor v. Simić et al., IT-T, Judgment, 17 October 2003, § 43.

504 Prosecutor v. Blagojević and Jokić, IT-02-60-T, Judgment, 17 January 2005, § 546 en Prosecutor v. Brđjanin, IT-99-36-T, Judgment, 1 September 2004, § 136.

505 Prosecutor v. Deronjić, IT-02-61-A, 20 July 2005, par 109; Prosecutor v. Kordić and Čerkez, A, Judgment, 17 December 2004, § 94; Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 101; Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23 and IT-96-23A, Judgment, 12 June 2002, § 96.

506 Prosecutor v. Kordić and Čerkez, A, Judgment, 17 December 2004, § 98: “The Appeals Chamber notes that the Prosecution has withdrawn its first ground of appeal [regarding whether the acts of the accused and the attack must have been committed in pursuance to a pre-existing criminal policy of plan]. [S]ince the Kunarac et al. Appeal Judgment, the jurisprudence on this point is settled.” In gelijke zin: Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 12.

507 Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 107.

508 Prosecutor v. Kordić and Čerkez, IT-95-14/2-A, Judgment, 17 December 2004, pars. 99-100 en voorts o.a.: Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 124; Prosecutor v. Blagojević and Jokić, IT-02-6-T, Judgment, 17 January 2005, § 548; Prosecutor v. Kupreškić et al., IT-95-16-T, Judgment, 14 January 2000, § 556, Prosecutor v. Tadić, IT-94-1- A, Judgment, 15 July 1999, § 271.

509 Prosecutor v Kayishema and Ruzindana, ICTR-95-1-T, Judgment, 21 May 1999, § 133-134.

510 Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23 and IT-96-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 102 en voorts: Prosecutor v. Blagojević and Jokić, T, Judgment, 17 January 2005, § 548: “The mens rea requirement …. does not entail knowledge of the details of the attack”.

511 Prosecutor v. Kordić and Čerkez, IT-95-14/2-A, Judgment, 17 December 2004, § 99; en voorts: Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 124; Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 548; Prosecutor v. Simić et al., IT-95-09-T, Judgment, 17 October 2003, § 45.

512 Zie o.a.: Prosecutor v. Limaj et al., IT-01-47-T, Judgment, 30 November 2005, § 190; Prosecutor v. Brđjanin, IT-99-36-T, Judgment, 1 September 2004, § 138.

513 Prosecutor v Kordić & Čerkez, IT-95-14/2-A, Judgment, 17 December 2004, pa. 99 en voorts: Prosecutor v. Blaskić, IT-95-14-A, Judgment, 29 July 2004, § 124; Prosecutor v. Kunarac et al., IT-96-23 and IT-96-23&23/1-A, Judgment, 12 June 2002, § 103.

514 Control Council Law No. 10, Punishment of Persons Guilty of War Crimes, Crimes against Peace and against Humanity, Berlin, 20 December 1945, Official Gazette of the Council for Germany, No. 3, Berlin, 31 January 1946.

515 Statute of the International Tribunal for the Former Yugoslavia, New York, 25 May 1993, as amended 13 May 1998, as amended 30 November 2000, as amended 17 May 2002, as amended 14 August 2002, as amended 19 May 2003.

516 Statute of the International Tribunal for Rwanda, New York, 8 November 1994.

517 C.K. Hall in O. Triffterer (ed.), Commentary on the Rome Statute of the International Criminal Court (1999), Art. 7, marginal no. 38.

518 Zie de Draft Code Crimes Peace and Security Mankind 1996, Geneva, 5 July 1996, publ. in Yearbook of the International Law Commission, 1996, vol. II(2), Commentary on Art. 18 § 14: “Sub-paragraph (h) would cover systematic and large scale instances of arbitrary imprisonment such as concentration camps or detention camps or other forms of long term detention”.

519 C.K. Hall in O. Triffterer (ed.), Commentary on the Rome Statute of the International Criminal Court (1999), Art. 7, marginal no. 38.

520 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 42.

521 International Covenant on Civil and Political Rights, New York, 19 December 1966, International Legal Materials, 1967, 368; United Nations Treaty Series, 171.

522 Universal Declaration of Human Rights, A/RES/207, New York, 10 December 1948.

523 Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms, CETS No.: 005, Rome, 4 November 1950.

524 Prosecutor v. Kordić & Čerkez, IT-95-14/2-T, Judgment, 26 February 2001, § 302; Prosecutor v. Krnojelac, IT-97-25-T, Judgment, 15 March 2002, pars 112 en 115 en Prosecutor v. Naletilić and Martinović, IT-98-34-T, Judgment, 31 March 2003, § 642. Zie ook: G. Mettraux, Using Human Rights Law for the Purpose of Defining International Criminal Offenses: The Practise of the International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia’, in: R. Roth and M. Henzelin (eds.), Le Droit pénal à l’epreuve de l’internalisation, Paris/Geneva/Brussels, 2002, p. 183 et seq.

525 Prosecutor v. Kordić & Čerkez, IT-95-14/2-A, Judgment, 17 December 2004, § 302.

526 Zie: Prosecutor v. Kordić & Čerkez, IT-95-14/2-T, Judgment, 26 February 2001, pars. 302-303; Prosecutor v. Kordić & Čerkez, IT-95-14/2-A, Judgment, 17 December 2004, § 116 en voorts: Prosecutor v. Ntagerura, Bagambiki, Imanishimwe, ICTR-99-46-T, Judgment and Sentence, 25 February 2004, pars 702 en 728.

527 Prosecutor v. Kordić & Čerkez, IT-95-14/2-A, Judgment, 17 December 2004, pars. 114-115.

528 Prosecutor v. Ntagunera, Bagambiki and Imanishimwe, ICTR-99-46-T, Judgment and Sentence, 25 February 2004, § 728 en § 702: “[…] it is not every minor infringement of liberty that forms the material element of imprisonment as a crime against humanity; the deprivation of liberty must be of similar gravity and seriousness as the other crimes enumerated as crimes against humanity [….] in Article 3(a) to (i) [of the ICTR Statute]”.

529 Prosecutor v. Simić et al., IT-95-09-T, Judgment, 17 October 2003, § 64; Prosecutor v. Kordić & Čerkez, IT-95-14/2-T, Judgment, 26 February 2001, § 303; Prosecutor v. Krnojelac, IT-97-25-T, Judgment, 15 March 2002, pars 112 en 115 en Prosecutor v. Naletilić and Martinović, IT-98-34-T, Judgment, 31 March 2003, § 642.

530 Prosecutor v. Krnojelac, IT-97-25-T, Judgment, 15 March 2002, par 115.

531 Zie: B09-0045 en B09-0067 en B09-1002; B05-0468 en B05-0560 en A08-0679.

532 B05-0442.

533 A09-0448.

534 Deskundigenrapport, p. 50.

535 Deskundigenrapport, p. 55.

536 B05-0468.

537 B05-0301.

538 B05-0338.

539 B05-0413.

540 A09-0216 en A09-0218.

541 A09-0328 en A09-0331.

542 A09-0448.

543 B05-0442.

544 A07-0451.

545 A07-0482.

546 A07-0466.

547 Deskundigenrapport, p. 79.

548 A08-0714.

549 B05-0375.

550 B05-0382.

551 B05-0384.

552 A10-1124.

553 Deskundigenrapport, p. 51.

554 Deskundigenrapport, p. 53.

555 Zaaksdossier B07 en voorts het overzicht op B00-0124 t/m B00-0128 en B07-0013 en B07-0014.

556 D08-0095 t/m D08-0097 en D08-0104 en D08-0105.

557 Proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep van 1 en 2 april 2014, p. 8.

558 A10-0036 t/m A10-0050.

559 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 15-16.

560 Proces-verbaal van bevindingen 1e verhoor verdachte [getuige 23], pv-nummer 29575997, d.d. 8 juli 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B03-595 en B03-596).

561 Proces-verbaal Zaaksdossier 3 Loterij, pv-nummer 29-244301, d.d. 18 oktober 2010 (B03-0015).

562 Proces-verbaal van bevindingen overeenkomsten aangetroffen administraties, pv-nummer 29621105, d.d. 29 september 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B03-359).

563 Proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg, d.d. 21 september 2011, p 11.

564 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep, d.d. 1 en 2 april 2014, p. 12.

565 Een geschrift, in het Engels getiteld: “Re-Organization of foreign branches of the liberation tigers of Tamil eelam” van International secretariat Liberation tigers of Tamil eelam Tamil eelam (B01-3679 t/m B01-3734).

566 Een geschrift, in het Engels getiteld: “Re-Organization of foreign branches of the liberation tigers of Tamil eelam” van International secretariat Liberation tigers of Tamil eelam Tamil eelam p. B01-3700.

567 Proces-verbaal nader onderzoek beslag, pv-nummer 29-580919, d.d. 13 juli 2010 van het Korps landelijke politiediensten (A06-2879); Een geschrift, zijnde de Nederlandse vertaling van een brief d.d. 11 februari 2007 (B02-640).

568 Proces-verbaal (onderzoek naar betalingen), pv-nummer 29589554, d.d. 29 juli 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B02-228); Een geschrift, zijnde de Nederlandse vertaling van een brief d.d. 16 februari 2007 (B02-232).

569 Proces-verbaal onderzoek beslag, pv-nummer 29297701, d.d. 6 mei 2010 van het Korps landelijke politiediensten (stuk A06-2832, A06-2842 t/m A06-2875).

570 Proces-verbaal Nader onderzoek digitale beslag [betrokkene 11] Engeland, pv-nummer 29-603409, d.d. 27 augustus 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B06-180).

571 Proces-verbaal Nader onderzoek digitale beslag [betrokkene 11] Engeland, pv-nummer 29-603409, d.d. 27 augustus 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B06-184); Een geschrift, zijnde de Nederlandse vertaling van een brief (B06-188).

572 Proces-verbaal van verhoor getuige, pv-nummer 29-593111, d.d. 3 augustus 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B06-274).

573 Proces-verbaal van verhoor getuige, pv-nummer 29-593111, d.d. 3 augustus 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B06-275).

574 Proces-verbaal van verhoor getuige, pv-nummer 29-593111, d.d. 3 augustus 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B06-276).

575 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 31 mei 2013, p. 21 ev.

576 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 maart 2014, p. 11 t/m 14.

577 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep d.d. 1 en 2 april 2014, p. 24.

578 Proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep d.d. 13, 15, 16 mei en 3 juni 2014, p. 78.

579 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep, d.d. 1 en 2 april 2014, p. 21.

580 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep, d.d. 1 en 2 april 2014, p. 22.

581 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pv-nummer 29576440, d.d. 6 juli 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B02-334).

582 Proces-verbaal van bevindingen Fortis Bank Tamil Coördinating Committee (TCC) Nederland, pv-nummer 29-216983, d.d. 3 maart 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B02-596 en B02-597).

583 Proces-verbaal van bevindingen Fortis Bank Tamil Coördinating Committee (TCC) Nederland, pv-nummer 29-216983, d.d. 3 maart 2010 van het Korps landelijke politiediensten (B02-597 en B02-598).

584 Artikel 17 EVRM luidt als volgt: “Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.”

585 Dit standpunt is niet ingenomen in de zaak [verdachte 2], voor zover betreffende de teksten onder 5c en 5e, en in de zaak [verdachte 5], voor zover betreffende de tekst onder 5a.

586 Dit standpunt is niet ingenomen in de zaak [verdachte 2], voor zover betreffende het onder 6a en 6c ten laste gelegde, en in de zaak [verdachte 3], voor zover betreffende het onder 6b ten laste gelegde.

587 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132.

588 Zie bijvoorbeeld EHRM 7 december 1976, NJ 1978/236 (Handyside) en EHRM 25 november 1997, nr. 18954/91 (Zana vs. Turkije).

589 B09-0037.

590 B09-1504 en B09-1505; B09 1062 en B09-1063.

591 B09-1392; B09-1111.

592 B09-0037 en B09-0038 en B09-1197.

593 A06-0076; A10-0166.

594 B09-1318.

595 B09-0032.

596 B02-0092; B02-1737.

597 B02-0646.

598 B02-1734 t/m B02-1736.

599 B09-0035 en B09-0036.

600 B09-1263.

601 B07-0067.

602 B07-1720.

603 B07-1785.

604 B07-1924.

605 B09-0023.

606 Zie o.a. United States v. Thavaraja, United States Court of Appeals, Second Circuit (Docket no. 12-4330-cr.), d.d. 23 January 2014, zie: http://caselaw.findlaw.com/us-2nd-circuit/1655425.html (gezien op 20 april 2015); Gerechtshof Parijs (Cour d’Appel de Paris, pool 8, kamer 1, RG nr. 09.13096) d.d. 22 februari 2012, p. 34-36 (D03-1043 t/m 1045) en Federaal Gerechtshof Düsseldorf (III-6 StS 4/10, III-6 StS 1/11), d.d. 20 oktober 2011, p. 41-45 (D09-0464 t/m 0468).