Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1054

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
200.137.598-01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring vordering wegens beroepsfout advocaat? Daadwerkelijke bekendheid met de aansprakelijke persoon en met de schade. Geen causaal verband tussen de aan de advocaat verweten beroepsfout en de gestelde schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2015/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.137.598/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/426468 / HA ZA 12-1056

arrest van 12 mei 2015

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. W.J.M. Loomans te Hoorn,

tegen

1. BarentsKrans N.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. de maatschap Duijsens & Van der Klei & Zwijnenberg,

gevestigd te Den Haag,

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna te noemen: BarentsKrans, DKZ, respectievelijk [geïntimeerde 3], dan wel tezamen BarentsKrans c.s.,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Het geding

Bij exploot van 27 augustus 2013 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 29 mei 2013.

Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft BarentsKrans c.s. de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 24 maart 2015 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. Loomans voornoemd, en BarentsKrans c.s. door mr. N. Dekker, advocaat te Arnhem, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen uitspraak gevraagd en is een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de met het oog op de pleidooien overgelegde kopiestukken alsmede het griffiedossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1.

In 1992 koopt [appellant] een perceel tuinland met daarop een tuinbouwbedrijf, gelegen tussen de [adres] en de [adres] te [plaats]. Verkoper is [naam] (hierna: [K]), die het bedrijf kort daarvoor heeft gekocht van [naam] (hierna: [V]). [V] heeft het bedrijf geëxploiteerd vanuit een woning aan de [adres], die niet in de koop werd betrokken. [appellant] vraagt bij het College van Burgemeester en wethouders van Bleiswijk (hierna: B en W) een vergunning voor de bouw van een bedrijfswoning aan.

2.2.

Op 28 januari 1993 brengt de Agrarische Adviescommissie Bouw- en Aanlegvergunningen Zuid Holland (hierna: Aaba) een advies aan B en W uit. Op een eerdere aanvraag door [K] heeft de Aaba de woning van [V] als eerste bedrijfswoning op het bedrijf aangemerkt en negatief geadviseerd. In het advies van de Aaba over de aanvraag van [appellant] staat onder meer:

“De heer [appellant] geeft aan dat hij enkele vergunningen die in het verleden aan de heer [V] waren verstrekt, op zijn naam heeft laten overschrijven. Het betreft een vergunning voor de bouw van 8000 m2 glas, de bouw van een bedrijfsruimte van 12.8 bij 32 m aan de achterzijde van het bedrijf en de aanleg van een brug, eveneens aan de achterzijde.

Voor de aanleg van de brug heeft de heer [appellant] opdracht verstrekt. Tevens is een orderbevestiging gegeven voor de bouw van 4000 m2 glas, dat in september 1993 gebouwd zal gaan worden in aansluiting aan de kas van 1200 m2. (...) De heer [appellant] overweegt de bedrijfsruimte van 12.8 bij 32 m in 1994 te bouwen. (...) De aanwezige salonwagen heeft de heer [appellant] voor 5 jaar verhuurd.

De heer [appellant] vraagt vergunning voor de bouw van een bedrijfswoning t.b.v. hemzelf aan de achterzijde van het bedrijf bij de te bouwen bedrijfsruimte. (...)

Advies/conclusie

(...)

Afhankelijk van de vraag in hoeverre de salonwagen als bedrijfswoning wordt aangemerkt betreft de gevraagde woning dan ook een tweede of derde bedrijfswoning. (...)

Samenvatting

Wij achten de bouw van een tweede bedrijfswoning niet nodig voor een goede bedrijfsvoering (art 3 lid 1 sub b).

De bouw van een derde bedrijfswoning is volgens het bestemmingsplan niet mogelijk.

Alvorens een (eerste) bedrijfswoning aan de huidige achterzijde van het bedrijf kan worden gebouwd dient eerst het zwaartepunt van het bedrijf naar deze zijde te worden gelegd door de aanleg van de brug en de bouw van de bedrijfsruimte.

Na de aanleg van de brug, de bouw van 4000 m2 glas en de bouw van de bedrijfsruimte aan de huidige achterzijde kan gezien de aard, omvang en inrichting van het bedrijf een eerste bedrijfswoning bij deze te bouwen bedrijfsruimte t.b.v. de ondernemer noodzakelijk worden geacht voor een doelmatige bedrijfsvoering.

(…)”

2.3.

Bij besluit van 9 maart 1993 weigert B en W de bouwvergunning. [appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tegen de fictieve weigering tot het nemen van een besluit op bezwaar door B en W heeft [appellant] beroep ingesteld, waarin de rechtbank Rotterdam hem bij vonnis van 27 juli 1999 niet ontvankelijk verklaart wegens het (onverschoonbaar) overschrijden van de beroepstermijn.

2.4.

Op 7 juli 1993 sluiten [appellant] en de gemeente […] (hierna: de gemeente) een overeenkomst (hierna: de overeenkomst), waarin onder meer staat:

Artikel 1

[appellant] zal de brug, de nieuwe bedrijfsruimte en de 4.000 m2 extra glas als in de considerans bedoeld, conform de verleende vergunning, gelijktijdig binnen een tijdspanne van 12 maanden realiseren, en aansluitend (zelf) in gebruik nemen (...)”

Artikel 2

De gemeente zal na ondertekening van de overeenkomst binnen het kader van de terzake geldende wettelijke en planologische regelingen al het redelijkerwijs mogelijke doen om de door [appellant] gevraagde vergunning voor de nieuwe bedrijfswoning zo spoedig mogelijk te verlenen.

Artikel 3

[appellant] zal de salonwagen, (...), uiterlijk 1 juli1994, doch vóór de voltooiïng van en ingebruikneming van de nieuwe bedrijfswoning voor zijn rekening en risico, van het betrokken perceel doen verwijderen.

Artikel 4

[appellant] zal de nieuwe bedrijfswoning slechts betrekken nadat:

1. het zwaartepunt van het bedrijf (bedrijfscentrum) is verplaatst naar het oostelijk kopeinde van het bedrijf;

2. de bedrijfsruimte (in- of uitpandig) in het nieuwe bedrijfscentrum is opgericht;

3. de ontsluitingsbrug is aangelegd:

4. de bouw van 4.000 m2 glas is gerealiseerd;

5. de voornoemde salonwagen is verwijderd of gesloopt.

Artikel 5

Indien [appellant] zijn verplichtingen als sub 1, 2, 3 en 4 van deze overeenkomst bedoeld niet of niet naar behoren nakomt, zal hij een aanstonds opeisbare boete aan de gemeente verbeuren van f. 250.000,--.

(...)”

2.5.

Op 16 november 1993 schrijft de Rabobank aan [appellant]:

Uw financieringsaanvraag betreffende het te bouwen woonhuis aan de [adres] te [plaats] kan niet gehonoreerd worden door onze bank. De reden hiervoor is de boeteclausule die vermeld staat in de bouwvergunning d.d. 7-7-1993 onder artikel 5.”

2.6.

Op 28 januari 1994 dagvaardt [geïntimeerde 3] namens [appellant] de gemeente voor de rechtbank Rotterdam en vordert dat de hele overeenkomst bij vonnis nietig wordt verklaard, althans wordt vernietigd, dan wel dat dit gebeurt ten aanzien van de artikelen 1, 3, 4 en 5 van de overeenkomst. De hierop gevolgde procedure wordt hierna aangeduid als: de eerste procedure. Bij vonnis van 8 januari 1998 wijst de rechtbank de vordering af. Bij arrest van 26 april 2001 vernietigt dit hof het vonnis van de rechtbank en verklaart het hof de overeenkomst tussen de gemeente en [appellant] nietig wegens strijd met artikel 122 Woningwet, omdat in de overeenkomst privaatrechtelijke voorwaarden zijn verbonden aan de verlening van een bouwvergunning. Bij arrest van 4 april 2003 verwerpt de Hoge Raad het door de gemeente ingestelde cassatieberoep.

2.7.

Op 2 juni 2004 dagvaardt [geïntimeerde 3] namens [appellant] opnieuw de gemeente voor de rechtbank Rotterdam en vordert, samengevat, een verklaring voor recht dat de gemeente gehouden is tot teruggave van hetgeen zij verkregen heeft op grond van de nietige overeenkomst althans tot vervangende schadevergoeding, op te maken bij staat. De hierop gevolgde procedure wordt hierna aangeduid als: de tweede procedure. In haar vonnis van 2 november 2005 overweegt de rechtbank onder meer:

“De Gemeente heeft zich ten aanzien van de vordering uit onverschuldigde betaling primair op het standpunt gesteld dat deze vordering is verjaard (...)

[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de verjaring is gestuit door het instellen van de eis in de eerste procedure dan wel door een schriftelijke mededeling waarin [appellant] zich zijn recht op nakoming van de verbintenis uit onverschuldigde betaling heeft voorbehouden, namelijk in de processtukken in die eerste procedure. (...) De juridische grondslag van de vordering in de eerste procedure is de nietigheid van de overeenkomst. In de onderhavige procedure is de juridische grondslag van de vordering waarop het verjaringsverweer ziet onverschuldigde betaling. In beginsel komt aan de in de eerste procedure ingestelde eis derhalve geen stuitende werking toe ten aanzien van de vordering uit onverschuldigde betaling in de onderhavige procedure. Dit kan echter anders liggen indien in de eerste procedure ondubbelzinnig is duidelijk gemaakt dat het doel van de verkrijging van de verklaring van recht dat de overeenkomst nietig is, is het verkrijgen van een waardevergoeding voor de alsdan onverschuldigd verrichte prestaties dan wel een schadevergoeding. Nu de processtukken van de eerste procedure niet in onderhavige procedure zijn overgelegd, kan de rechtbank niet tot een eindoordeel op dit punt komen. Dit eindoordeel kan echter achterwege blijven, nu de vordering uit onverschuldigde betaling op andere gronden afgewezen dient te worden, zoals hierna wordt overwogen.”

2.8.

De rechtbank verklaart voor recht dat de gemeente gehouden is aan [appellant] een schadevergoeding te betalen van € 9.075,60 met wettelijke rente voor de kosten die [appellant] heeft gemaakt voor de sloop van de salonwagen, welke kosten zonder de overeenkomst met de gemeente niet voor rekening van [appellant] waren gekomen maar voor rekening van de verkoper/eigenaar van de salonwagen.

2.9.

[geïntimeerde 3] stelt namens [appellant] appel in. Bij arrest van 26 januari 2010 vernietigt dit hof het vonnis van de rechtbank en wijst het de vorderingen van [appellant] af op grond van verjaring. Het hof overweegt hiertoe dat [appellant] zijn prestaties jegens de gemeente verrichtte terwijl hij zich ervan bewust was dat hij dat deed zonder rechtsgrond en dat deze prestaties waren verricht meer dan vijf jaren voor de dagvaarding in eerste aanleg in deze (tweede) procedure. Voorts overweegt het hof dat de verjaring niet (tijdig) is gestuit. Meer in het bijzonder overweegt het hof dat de eerste procedure geen vorderingen bevat die de verjaring hebben gestuit en dat in de processtukken geen mededelingen zijn te vinden waarin [appellant] zich ondubbelzinnig het recht op vergoeding van schade jegens de gemeente heeft voorbehouden. Ook ziet het hof geen gronden waarop het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

2.10.

Bij arrest van 24 december 2010 verwerpt de Hoge Raad het door [geïntimeerde 3] namens [appellant] ingestelde cassatieberoep.

2.11.

Op 31 maart 2011 schrijft [appellant] in een aangetekende brief aan BarentsKrans, het kantoor waar [geïntimeerde 3] tot eind september 2000 werkte:

“Geruime tijde geleden, medio 1993, heb ik uw kantoor benaderd met het verzoek mij bij te staan in een procedure tegen de gemeente [plaats] (...)

De Hoge Raad is met het Gerechtshof 's-Gravenhage van mening, dat de termijn voor het instellen van een dergelijke vordering aanvang neemt op het moment dat de schade en de veroorzaker hiervan bekend zijn. Aangezien de verjaring gedurende de eerste procedure niet is gestuit, noch dat in de procedure ondubbelzinnig aanspraak op vergoeding van de schade is gemaakt, was de vordering kennelijk bij het uitbrengen van de dagvaarding reeds verjaard.

Het lijkt mij dat dit een fout is van uw kantoor. (...) Hierbij stel ik u dan ook aansprakelijk voor de schade die ik lijd als gevolg van deze beroepsfout en nog zal lijden, welke ik tot op heden met inbegrip van renten begroot op € 2.000.000,00.

(...)

Opmerking: deze brief heeft tevens als doel eventuele verjaring te stuiten.”

2.12.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, een verklaring voor recht dat BarentsKrans en/of DKZ toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis uit hoofde van een overeenkomst van opdracht met [appellant] en veroordeling van BarentsKrans en/of DKZ tot vergoeding van de hieruit voortvloeiende schade, nader op te maken bij staat. Daarnaast vordert [appellant] een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 3] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en veroordeling van [geïntimeerde 3] tot het vergoeden van de door [appellant] als gevolg hiervan geleden schade, nader op te maken bij staat. Ten slotte vordert [appellant] BarentsKrans c.s. te veroordelen in de proceskosten.

2.13.

De rechtbank heeft in het thans bestreden vonnis de vorderingen afgewezen, omdat de vordering tegen BarentsKrans en [geïntimeerde 3] tot schadevergoeding wegens het niet tijdig stuiten van de verjaring tegen de gemeente is verjaard op grond van art. 3:310 BW, de vordering tot schadevergoeding wegens het niet informeren over de gestelde beroepsfout daarmee zo sterk samenhangt dat deze eveneens is verjaard en de stellingen van [appellant] omtrent de overeenkomst van opdracht met DKZ onvoldoende zijn onderbouwd.

3.1.

In hoger beroep heeft [appellant] zijn vordering tegen DKZ ingetrokken en aan de vordering tegen [geïntimeerde 3] mede wanprestatie ter zake van de overeenkomst van opdracht/dienstverlening ten grondslag gelegd. BarentsKrans c.s. heeft zich tegen deze wijziging van (de grondslag van) de eis niet verzet. Het hof zal van de gewijzigde eis uitgaan.

3.2.

Grief 1 houdt in dat de opsomming van feiten in het bestreden vonnis onvolledig is, althans aanvulling verdient. Deze grief faalt, omdat de rechtbank niet gehouden was tot vermelding van alle vaststaande feiten maar slechts van die feiten die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing. Voor zover relevant zal het hof met de in de toelichting op de grief aangevoerde feiten in het navolgende rekening houden.

3.3.

Grief 2 keert zich tegen, samengevat, de honorering van het door BarentsKrans c.s. gedane beroep op verjaring van de vordering uit hoofde van het niet tijdig stuiten door [geïntimeerde 3] van de verjaring tegen de gemeente. Het Hof oordeelt daarover als volgt.

3.4

Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart op grond van art. 3:310 lid 1 BW door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon betreft een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat (HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688; HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241). De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen (HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0694). Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is niet vereist dat de benadeelde – behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon – daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden (HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739). Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaring is gaan lopen is afhankelijk van alle terzake dienende omstandigheden (HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688).

3.5

Beslissend voor de aanvang van de verjaringstermijn is derhalve op welk moment [appellant] voldoende zekerheid had verkregen dat zijn rechtsvordering tegen de gemeente door een beroepsfout van [geïntimeerde 3] was verjaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit het geval was met het vonnis van 2 november 2005 van de rechtbank Rotterdam. Daartegen keert zich grief 2. Het hof zal de vraag of [appellant] op (of kort na) 2 november 2005 de vereiste voldoende zekerheid – meer dan een enkel vermoeden maar niet een absolute zekerheid – had verkregen, beantwoorden aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval.

3.6

Het hof acht de volgende omstandigheden in het bijzonder van belang:

- in de eerste procedure heeft het hof ’s-Gravenhage in zijn arrest van 26 april 2001 onder meer overwogen: “[appellant] heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat hij bij zijn vordering nog steeds belang heeft (…). Indien, aldus [appellant], komt vast te staan dat de overeenkomst nietig is (…) zou hij (…) een betere positie verkrijgen bij een tegen de Gemeente gerichte vordering tot schadevergoeding. (…) Het hof acht de (…) aangevoerde omstandigheden voldoende voor het vereiste procesbelang (…).”

- in het vonnis van 2 november 2005 overwoog de rechtbank dat aan de eis in de eerste procedure, anders dan [geïntimeerde 3] had betoogd, in beginsel geen stuitende werking toekwam ten aanzien van de vordering uit onverschuldigde betaling in de tweede procedure;

- dit kon volgens de rechtbank anders liggen als in de eerste procedure ondubbelzinnig is duidelijk gemaakt dat het doel van de gevorderde verklaring voor recht was gelegen in het verkrijgen van een waardevergoeding voor de onverschuldigde verrichte prestaties dan wel een schadevergoeding;

- de rechtbank overwoog voorts dat zij over de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling geen eindoordeel kon geven, nu de processtukken van de eerste procedure niet waren overgelegd;

- in het vonnis van 2 november 2005 beperkte de rechtbank haar overwegingen over verjaring uitdrukkelijk tot de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling;

- [appellant] was steeds op de hoogte van de inhoud van de stukken die in en rondom de procedures werden gewisseld;

- bij brief van 4 november 2005 schreef [geïntimeerde 3] over het vonnis van 2 november 2005 aan [appellant]: “Het is een vreemde uitspraak en we dienen in ieder geval in hoger beroep te gaan”;

- in het hoger beroep tegen het vonnis van 2 november 2005 heeft [geïntimeerde 3] namens [appellant] stelling genomen tegen hetgeen de rechtbank over verjaring had geoordeeld;

- in zijn brief van 19 februari 2010 naar aanleiding van het arrest van het hof van 26 januari 2010 adviseerde [geïntimeerde 3] aan [appellant] om, kennelijk in verband met de honorering van het verjaringsverweer, beroep in cassatie in te stellen omdat het hof zou hebben miskend dat het in de eerste procedure en de tweede procedure ging om vorderingen binnen dezelfde grondslag;

- naar aanleiding van het arrest van het hof van 26 januari 2010 schreef [geïntimeerde 3] op 22 februari 2010 aan [appellant]: “De Rechtbank zag geen termen aanwezig voor verjaring en het Hof blijkbaar wel. We zullen trachten in cassatie het tij wederom te keren.”

3.7

Op basis van de in 3.6 genoemde omstandigheden, in onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat bij [appellant] door het vonnis van 2 november 2005 onvoldoende zekerheid bestond dat hij als gevolg van een door [geïntimeerde 3] begane beroepsfout schade leed of had geleden. Op grond van de in r.o. 3.6, eerste gedachtestreepje, aangehaalde overweging uit het arrest van 26 april 2001, heeft [appellant] redelijkerwijs kunnen begrijpen dat voldaan was aan het in het vonnis van 2 november 2005 geformuleerde vereiste voor stuiting, te weten dat al in de eerste procedure ondubbelzinnig was duidelijk gemaakt dat het doel van de gevorderde verklaring voor recht was gelegen in het verkrijgen van een waardevergoeding voor de onverschuldigde verrichte prestaties dan wel een schadevergoeding door de gemeente. Derhalve is bepaald niet aannemelijk dat het voor [appellant] na kennisneming van dat vonnis voldoende duidelijk was dat de eerste procedure geen stuiting van de rechtsvordering tegen de gemeente tot gevolg had gehad. Daaraan doet niet af dat de rechtbank in het vonnis van 2 november 2005 overwoog dat zij, nu de processtukken van de eerste procedure niet waren overgelegd, met betrekking tot de verjaring niet tot een eindoordeel kon komen. Uit die overweging hoefde [appellant] niet af te leiden dat de uitlating bij pleidooi in de eerste procedure naar het oordeel van de rechtbank geen stuiting van de verjaring tegen de gemeente tot gevolg kon hebben gehad. Duidelijk was slechts dat de rechtbank er de voorkeur aan gaf de op onverschuldigde betaling gebaseerde rechtsvordering af te wijzen op een andere grond. Zelfs als [appellant] uit het vonnis van 2 november 2005 heeft kunnen begrijpen dat er, zoals in het bestreden vonnis is overwogen, mogelijk schade zou voortvloeien uit het achterwege laten van een ondubbelzinnige mededeling door [geïntimeerde 3] aan de gemeente, is dat niet doorslaggevend. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade is immers niet voldoende om de verjaringstermijn te laten aanvangen. Van belang is ook dat niet is gebleken dat [geïntimeerde 3] naar aanleiding van het vonnis van 2 november 2005 op enig moment aan [appellant] heeft doen blijken van onzekerheid met betrekking tot het voor [appellant] ingenomen standpunt over de verjaring; sterker nog, [geïntimeerde 3] vond het een vreemde uitspraak. Ook de uitlatingen van [geïntimeerde 3] gaven [appellant] derhalve geen reden om aan te nemen dat [geïntimeerde 3] een beroepsfout had gemaakt (vgl. HR 4 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3569).

3.8

Het hof is derhalve, anders dan de rechtbank in het bestreden vonnis, niet van oordeel dat het [appellant] met het vonnis van 2 november 2005 duidelijk moet zijn geworden dat hij zijn schade niet op de gemeente kon verhalen als gevolg van een beroepsfout van [geïntimeerde 3]. Pas met het arrest van het hof van 26 januari 2010 is het [appellant], zoals hij bij memorie van grieven erkent, duidelijk geweest dat [geïntimeerde 3] een beroepsfout had gemaakt en dat [appellant] daardoor geen verhaal op de gemeente kon nemen. De verjaringstermijn is dan ook pas gaan lopen na kennisneming van het arrest van 26 januari 2010. De rechtsvordering van [appellant] tegen BarentsKrans c.s. is derhalve nog niet verjaard. Grief 2 slaagt.

3.9

Met grief 3 bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat de rechtsvordering, gebaseerd op het verwijt dat op [geïntimeerde 3] de verplichting rustte [appellant] te informeren over het niet tijdig gestuit zijn van de verjaring van de vordering op de gemeente, eveneens verjaard is. Bij deze grief heeft [appellant] slechts belang indien de rechtsvordering uit hoofde van de aan [geïntimeerde 3] verweten beroepsfout is verjaard. Het slagen van grief 2 brengt derhalve mee dat grief 3 geen bespreking meer behoeft.

3.10

Grief 4 betreft het causaal verband tussen de aan [geïntimeerde 3] verweten – en door BarentsKrans c.s. betwiste – beroepsfout en de schade die [appellant] stelt te hebben geleden.

3.11

Wanneer aan een advocaat wordt verweten dat hij niet tijdig een vordering heeft ingesteld, dient voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in welke mate, de cliënt als gevolg van die fout schade heeft geleden, in beginsel te worden beoordeeld hoe op de vordering had behoren te worden beslist, althans het te dier zake toewijsbare bedrag te worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt zou hebben gehad indien de vordering tijdig zou zijn ingesteld (vgl. HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0859). Het hof zal derhalve beoordelen hoe in de tweede procedure had behoren te worden beslist als de verjaring tijdig zou zijn gestuit, althans aan de hand van de goede en kwade kansen een schatting maken van hetgeen aan [appellant] had kunnen worden toegewezen.

3.12

Hoewel [appellant] in de toelichting op grief 4 slechts de vraag aan de orde stelt in hoeverre in de tweede procedure de vordering zou zijn toegewezen op grond van onrechtmatige daad, ligt het voor de hand dat [appellant] met deze grief ook beoordeeld wenst te zien of zijn vordering in de tweede procedure op de grondslag van wanprestatie of onverschuldigde betaling zou zijn toegewezen. BarentsKrans c.s. is in de memorie van antwoord ook op die grondslagen ingegaan en heeft de grief derhalve kennelijk in deze ruime zin opgevat. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

3.13

Het hof zal eerst beoordelen of de vordering van [appellant] in de tweede procedure op de grondslag van onrechtmatige had behoren te worden toegewezen. De rechtbank heeft de vordering op deze grondslag in het vonnis van 2 november 2005 afgewezen, behalve ten aanzien van de kosten van sloop van de salonwagen, op de volgende gronden:

- [appellant] heeft onvoldoende weersproken dat geen causaal verband bestaat tussen het sluiten van de overeenkomst met [appellant] en de gestelde schade, omdat [appellant] reeds van plan was de prestaties vermeld in artikel 1 van de overeenkomst (vergroting en kanteling van het bedrijf) uit te voeren;

- zonder de prestaties, vermeld in artikel 1 van de overeenkomst, had de door [appellant] gewenste vergunning niet kunnen worden verleend.

3.14

De gemeente heeft in de tweede procedure uiteengezet dat de achtergrond van de overeenkomst was dat de gemeente [appellant] in staat wilde stellen de door hem gewenste (bedrijfs)woning te bouwen, voordat hij aan alle op grond van het bestemmingsplan daarvoor te stellen eisen had voldaan – te weten renovatie, uitbreiding en modernisering van het bedrijf, gelijktijdig met de brug, nieuwe bedrijfsruimte en 4000 m2 extra glas, zodanig dat een "gekanteld" volwaardig agrarisch bedrijf op die plek een bedrijfswoning rechtvaardigde. Tegenover de bereidheid van de gemeente om zich in te spannen de bouwvergunning te verlenen verkreeg de gemeente door het, overigens op voorstel van [appellant] zelf, in de overeenkomst opgenomen boetebeding de zekerheid dat [appellant] zijn verplichtingen zou nakomen.

3.15

De rechtbank heeft causaal verband onder meer niet aanwezig geacht, omdat een bouwvergunning slechts kon worden verleend – althans zonder vrijstelling – na realisatie van de prestaties als vermeld in artikel 1 van de overeenkomst. De achtergrond daarvan was dat de woning [adres] als (eerste) bedrijfswoning bij het door [appellant] gekochte bedrijf was aangemerkt en de bedoelde prestaties nodig waren om daarin verandering te brengen. In het hoger beroep heeft [appellant] betoogd dat de woning [adres] ten onrechte als bedrijfswoning bij zijn bedrijf was aangemerkt. Dit betoog faalt. Uit de kaart die behoort bij het indertijd ter plaatse geldende Bestemmingsplan Buitengebied (2e herziening) volgt, naar de gemeente heeft gesteld en door [appellant] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is weersproken, dat het perceel van [appellant] is aangewezen voor “Agrarische doeleinden, klasse A (AA)”. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de bij het bestemmingsplan behorende Voorschriften bestemmingsplan Buitengebied, zoals deze luiden na de tweede herziening, zijn de als zodanig aangewezen gronden aangewezen voor akkerbouw, tuinbouw, fruitteelt, bloem- of boomkwekerij of pluimveehouderij, met de daartoe behorende bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat voor ieder bedrijf één bedrijfswoning mag worden gebouwd. Onder bepaalde voorwaarden kan een vrijstelling voor een tweede bedrijfswoning worden verkregen indien deze woning voor een goede bedrijfsvoering nodig is. De bouw van een derde bedrijfswoning is niet toegestaan. Volgens artikel 1, onder r, van de zojuist bedoelde voorschriften wordt onder ‘bedrijfswoning’ verstaan ‘een woning (…) op of bij een terrein bestemd voor (…) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming of het feitelijk gebruik van (…) het terrein, noodzakelijk is’. Uit dit een en ander volgt dat, zoals ook door de gemeente gesteld en door [appellant] niet voldoende gemotiveerd betwist, dat aanwezigheid van een burgerwoning ter plaatse niet was toegestaan. Vast staat dat [V] het bedrijf gedurende dertig jaar heeft uitgeoefend vanuit de woning [adres]. Verder staat vast dat de afstand tussen die woning en het bedrijf slechts 100 meter, en over de weg 500 meter, bedroeg en dat het bedrijf op die wijze goed bereikbaar was. Daarom valt niet in te zien waarom de gemeente de woning [adres] niet heeft mogen aanmerken als bedrijfswoning bij het terrein waar het bedrijf van [appellant] werd uitgeoefend. Daaraan stond naar het oordeel van het hof niet in de weg dat in de bouwvergunning uit 1960 voor de woning slechts sprake was van een ‘woning’, nu de gemeente heeft aangevoerd en door [appellant] niet of onvoldoende is betwist dat ter plaatse van de [adres] in 1960 op grond van het toen geldende Uitbreidingsplan in Hoofdzaak de bestemming ‘agrarische doeleinden’ gold, hetgeen evenmin ruimte liet voor een burgerwoning. Evenmin stond daaraan in de weg dat de woning bij de overdracht van het bedrijf aan [K] en vervolgens aan [appellant] buiten de transactie was gebleven, aangezien de planologische kwalificatie als bedrijfswoning niet ongedaan kan worden gemaakt door te bewerkstelligen dat het bedrijf en de bedrijfswoning civielrechtelijk niet langer aan dezelfde persoon toebehoren of niet langer feitelijk als bedrijfswoning wordt gebruikt (ABRvS 12 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD3921, ARRvS 28 augustus 1986, ECLI:NL:RVS:1986:AS8700). Nu derhalve de woning waarvoor [appellant] vergunning verlangde, zonder de in artikel 1 van de overeenkomst bedoelde aanpassingen niet als eerste bedrijfswoning zou kunnen worden aangemerkt, is de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat [appellant] om de door hem verlangde woning te mogen bouwen, ook zonder de overeenkomst steeds zou zijn verplicht om de aanpassingen uit te voeren. Door [appellant] is nog een beroep gedaan op andere, volgens hem vergelijkbare, gevallen waarin wel een vergunning was verleend. Het hof acht het onwaarschijnlijk dat dit beroep succes zou hebben gehad, nu de gemeente gemotiveerd heeft betwist dat het gaat om vergelijkbare gevallen en [appellant] zijn betoog onvoldoende (nader) heeft geadstrueerd. Ook als dat anders zou zijn, stond het de gemeente niet vrij om in strijd met het bestemmingsplan vergunning te verlenen.

3.16

Ten aanzien van de sloopkosten van de salonwagen die zich op het terrein van [appellant] bevond, heeft de rechtbank in het vonnis van 2 november 2005 aangenomen dat deze wel in causaal verband staan met het sluiten van de overeenkomst, nu de gemeente aan het verlenen van de bouwvergunning de sloop van de salonwagen niet als voorwaarde heeft verbonden en uit het advies van Aaba niet volgt dat verwijdering van de salonwagen nodig was om een bouwvergunning te verkrijgen. De gemeente heeft in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat voor zover de salonwagen niet als bedrijfswoning maar als burgerwoning moet worden beschouwd, de aanwezigheid daarvan in strijd was met het bestemmingsplan, en dat voor zover deze als bedrijfswoning moet worden beschouwd, daarvoor nooit vergunning was verleend. Voorts voert de gemeente aan dat de afbraak/verwijdering van de salonwagen uitdrukkelijk onderdeel had uitgemaakt van het eerste verzoek om de bouwvergunning, zodat deze had kunnen worden ingetrokken als [appellant] de salonwagen niet verwijderde. Verder zou de gemeente zonder de overeenkomst verwijdering van de salonwagen als voorwaarde aan de bouwvergunning hebben verbonden. De gemeente mocht op grond van het advies van Aaba ervan uitgaan dat voor het bedrijf van [appellant] één bedrijfswoning volstond. Nu het bestemmingsplan ter plaatse slechts (beperkt) ruimte bood voor tweede bedrijfs- of dienstwoningen, acht het hof aannemelijk dat de gemeente – de overeenkomst weggedacht – aan verlening van de bouwvergunning de voorwaarde van sloop van de salonwagen zou hebben verbonden en tot intrekking van de bouwvergunning zou zijn overgegaan (vgl. ABRvS 6 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE9879) indien [appellant] niet aan die voorwaarde zou hebben voldaan. [appellant] zou in dat geval naar redelijke verwachting aan die voorwaarde hebben voldaan, gelet op de daaraan voor hem verbonden belangen, zodat niet kan worden geoordeeld dat de verwijdering van de salonwagen in causaal verband staat met de overeenkomst.

3.17

De conclusie uit het voorgaande is dat de gemeente de verlening van een bouwvergunning aan [appellant] afhankelijk heeft mogen stellen van zowel de in artikel 1 als de in artikel 3 van de overeenkomst vermelde prestaties. In de brief van 19 maart 1993 ter gelegenheid van de afwijzing van de eerste aanvraag, heeft de gemeente dit duidelijk aan [appellant] meegedeeld. Indien [appellant] zich niet contractueel tot de prestaties had verbonden, dan had de gemeente naar redelijke verwachting ervoor gekozen deze als voorwaarden aan de vergunning te verbinden (indertijd artikel 56 Woningwet). In dat geval had de gemeente die voorwaarden langs bestuursrechtelijke weg kunnen afdwingen (artikel 59 Woningwet), hetgeen overigens ook zonder nadere vastlegging mogelijk was geweest aangezien [appellant] tegenover de gemeente geen twijfel erover liet bestaan dat hij de van hem verlangde prestaties zou uitvoeren (zie bijvoorbeeld bijlage IX bij productie 15 bij de memorie van grieven in de tweede procedure). Nu [appellant] ook zonder het sluiten van de overeenkomst zou zijn verplicht de in artikel 1 en artikel 3 van de overeenkomst vermelde prestaties uit te voeren, diende de vordering van [appellant] op de grondslag van onrechtmatige daad te worden afgewezen. Waar [appellant] wel een woning in het desbetreffende gebied wenste te verkrijgen maar niet de verplichting tot het doen van de daarvoor vereiste investeringen in een volwaardig bedrijf, staat de omstandigheid dat dit niet kon worden bereikt los van eventueel door [geïntimeerde 3] gemaakte fouten.

3.18

De rechtbank heeft in het vonnis van 2 november 2005 geoordeeld dat de vordering niet op grond van wanprestatie kon worden toegewezen, nu de overeenkomst niet slechts partieel maar geheel nietig was verklaard. In het hoger beroep in de tweede procedure is hiertegen opgekomen met grief V. Uit de toelichting op die grief wordt echter in het geheel niet duidelijk op welke grond [appellant] het oordeel van de rechtbank onjuist acht. Nu ook overigens niet valt in te zien dat het oordeel van de rechtbank onjuist is, moet worden aangenomen dat de vordering van [appellant] niet zou zijn toegewezen op grond van wanprestatie.

3.19

Ten slotte zal het hof beoordelen hoe beslist had behoren te worden op de vordering tegen de gemeente op de grondslag van onverschuldigde betaling. De rechtbank heeft hierover geoordeeld dat [appellant] op grond van de nietige overeenkomst geen goed heeft gegeven dan wel een geldsom heeft betaald, zodat de leden 1 en 2 van artikel 6:203 BW niet van toepassing zijn. [appellant] is daartegen opgekomen met het betoog dat de overeenkomst weliswaar niet had geleid tot verrijking van de gemeente in haar ‘particuliere’ vermogen, ten aanzien van activa op naam van de gemeente, maar dat zij wel belang zag in het afdwingen van nakoming van de overeenkomst, dat uit de opneming van het boetebeding blijkt dat de gemeente meende schade te lijden bij niet-nakoming door de overeenkomst en dat een verrijking heeft plaatsgevonden in het openbare belang dat de gemeente zich aantrok. Dit betoog faalt, omdat de regeling van artikel 6:203 lid 1 en 2 BW beperkt is tot – zich hier niet voordoende – gevallen dat iemand een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven of een geldsom. [appellant] heeft voorts betoogd dat zich hier het in artikel 6:203 lid 3 BW bedoelde geval voordoet dat zonder rechtsgrond prestaties van andere aard zijn verricht, zodat hij op grond van artikel 6:210 lid 2 BW recht heeft op vergoeding van de waarde van de prestaties. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering op deze grondslag niet kan worden toegewezen, nu de gemeente niet als ontvanger van de prestaties kan worden aangemerkt en voorts omdat de grondslag voor een vordering uit onverschuldigde betaling gelegen is in een (ongegronde) vermogensverschuiving, waarvan tussen [appellant] en de gemeente geen sprake is.

3.20

Het hof kan in het midden laten of de gemeente kan worden aangemerkt als ontvanger van de prestaties waartoe [appellant] zich had verbonden. De gemeente is door de prestaties in elk geval niet verrijkt in vermogensrechtelijke zin. Dat is van belang, omdat op grond van artikel 6:210 lid 2 BW slechts aanspraak bestaat op vergoeding van de waarde ‘voor zover dit redelijk is’. Nu de gemeente in vermogensrechtelijke zin niet is verrijkt door de prestaties, terwijl [appellant], naar hij onvoldoende heeft weersproken, de prestaties die hij op grond van de overeenkomst heeft verricht, toch al wilde verrichten en hij daartoe, indien de overeenkomst niet was gesloten, langs bestuursrechtelijke weg ook zou zijn verplicht, is het naar het oordeel van het hof niet redelijk als [appellant] ter zake van die prestaties aanspraak zou hebben op enige vergoeding. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat de gemeente in voorwaardelijke reconventie slechts aanspraak maakte op vergoeding van de waarde van de tegenprestatie die zij bij de overeenkomst aan [appellant] had toegezegd – te weten: al het redelijkerwijs mogelijke doen om de door [appellant] gevraagde vergunning zo spoedig mogelijk te verlenen – voor zover de vordering van [appellant] in conventie voor toewijzing in aanmerking zou komen. Zou aan [appellant] wél een vergoeding op grond van artikel 6:210 lid 2 BW worden toegekend, dan zou de gemeente van haar kant eveneens aanspraak hebben op vergoeding van de waarde van de van haar kant toegezegde prestatie, in welk geval deze waarde niet op nihil moet worden gesteld op de grond dat het de gemeente niet vrijstond de overeengekomen prestaties van [appellant] te bedingen (HR 12 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8443). Er is in de onderhavige procedure, de goede en kwade kansen van [appellant] in de procedure tegen de gemeente afwegend, geen reden om aan te nemen dat de vergoeding voor de door [appellant] toegezegde prestaties op een hoger bedrag zou zijn vastgesteld dan de vergoeding voor de door de gemeente toegezegde prestatie.

3.21

De vordering op de grondslag van onverschuldigde betaling zou derhalve, als deze niet was verjaard, behoren te worden afgewezen, althans zou daartegenover een ten minste even groot bedrag zijn toegewezen aan de gemeente zodat [appellant] per saldo daarvan geen voordeel zou hebben gehad.

3.22

De conclusie is dat de vordering in de tweede procedure op geen van de aangevoerde grondslagen zou zijn toegewezen, althans dat bij toewijzing daartegenover een ten minste even groot bedrag aan de gemeente zou zijn toegewezen. Het slagen van grief 4 kan [appellant] om die reden niet baten. Nu de tweede procedure [appellant], als de vordering tegen de gemeente was verjaard, per saldo geen voordeel zou hebben opgeleverd, komt aan [appellant] ter zake van de aan [geïntimeerde 3] verweten beroepsfout geen vergoeding toe.

3.23

Grief 5 klaagt dat de vorderingen van [appellant] ten onrechte zijn afgewezen en dat [appellant] ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld. Deze grief mist zelfstandige betekenis en faalt derhalve.

3.24

Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [appellant] nu dit niet specifiek en niet ter zake dienend is.

3.25

De slotsom is dat het hof het bestreden vonnis met wijziging van gronden zal bekrachtigen. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). Ingevolge artikel 237 lid 3 Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als hierna te melden.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van BarentsKrans c.s. begroot op € 683,= aan griffierecht en € 2.682,= aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, M.J. van der Ven en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2015 in aanwezigheid van de griffier.