Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2015:1029

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2015
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
BK-14-01447
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of aan belanghebbende voor de periode dat hij met auto 1 reed, terecht een naheffingsaanslag is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/961
V-N 2015/33.25.23
FutD 2015-1131 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/1569
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/01447

Uitspraak d.d. 22 april 2015

in het geding tussen:

[X] te Rotterdam, belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Landelijk Coördinatiecentrum Auto, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 september 2014, nummer SGR 14/1490, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 30 april 2013 een naheffingsaanslag in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen, bijdrage Zorgverzekeringswet en premies werknemersverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd ten bedrage van € 2.083.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Terzake daarvan is € 45 griffierecht geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 januari 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Aan belanghebbende zijn in het jaar 2013 door zijn werkgever twee auto's ter beschikking gesteld: van 1 januari 2013 tot en met 28 april 2013 een Audi met kenteken

[A] (hierna: auto 1) en van 29 april 2013 tot en met 31 december 2013 een Volkswagen met kenteken [B] (hierna: auto 2).

3.2.

Op 4 november 2010 heeft de Inspecteur op verzoek van belanghebbende een ‘verklaring geen privégebruik auto’ (hierna: de verklaring) zoals bedoeld in de artikel 13bis van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) afgegeven.

3.3.

Over de periode 1 januari 2013 tot en met 28 april 2013 heeft belanghebbende een sluitende rittenadministratie bijgehouden voor auto 1, waaruit blijkt dat hij met die auto gedurende die periode in totaal 41 privékilometers heeft gereden.

3.4.

Op 18 mei 2013 heeft belanghebbende een wijziging van het kenteken doorgegeven en de verklaring ingetrokken omdat hij vanaf 29 april 2013 naar verwachting meer dan 500

privékilometers met auto 2 zou gaan rijden. Naar aanleiding van deze intrekking heeft

de Inspecteur aan belanghebbende de naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd met inachtneming van de cataloguswaarde van auto 1.

3.5.

Bij brief van 29 december 2014 heeft belanghebbende een verklaring van zijn werkgever gevoegd die luidt als volgt:

"Hierbij verklaar ik, [werkgever], op verzoek van mijn werknemer, [belanghebbende], dat met hem is overeengekomen om in de periode van 12 december 2011 tot en met 29 april 2013 de aan de vennootschap toebehorende bedrijfsauto Audi A4, kenteken [A] uitsluitend voor zakelijke doeleinden te gebruiken, en dat het [belanghebbende] derhalve in die periode verboden is geweest om met deze Audi tevens privéritten te maken.

Deze verklaring is afgelegd in verband met de door [belanghebbende] tegen de Belastingdienst aangespannen procedure over het gebruik van deze Audi."

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of aan belanghebbende voor de periode dat hij met auto 1 reed, terecht een naheffingsaanslag is opgelegd.

4.2.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat zijn werkgever auto 1 in het in geding zijnde tijdvak niet aan hem ook voor privédoeleinden ter beschikking heeft

gesteld in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB. In verbinding met het feit dat belanghebbende in dat tijdvak ook geen privé-kilometers met auto 1 heeft gereden – op 41 kilometer na – heeft belanghebbende te dezer zake generlei belastbaar voordeel genoten. De werkgever heeft belanghebbende verboden auto 1 voor privé te gebruiken, zodat de werkgever auto 1 niet, zoals geëist in artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB, “ook voor privé doeleinden” ter beschikking heeft gesteld. Bovendien heeft belanghebbende met auto 1 bijna geen privékilometers gereden. Het privégebruik van 41 kilometers valt niet onder het forfait – dat immers toepassing mist – maar moet tegen de waarde in het economisch verkeer als resultaat uit overige werkzaamheden worden aangemerkt.

Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het ‘2 auto’s = 1 auto-arrest’ (Hoge Raad 17 december 1997, nr. 33 005, ECLI:NL:HR:1997:AA3332:) niet als richtsnoer kan worden genomen omdat de Hoge Raad daarin een met artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB strijdige en dus buitenwettelijke fictie invoert. De uitkomst is in strijd met het reële stelsel.

4.3.

De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

"8. Artikel 13bis, eerste, vierde en zestiende lid, Wet LB (tekst 2013) luiden voor zover

hier van belang als volgt:

1. 'Indien ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel

op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste:

a. 25% van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het

eerst in gebruik is genomen; (. . .)

De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn

gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor

privé-doeleinden wordt gebruikt.

(. . .)

4. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor

niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel

gesteld op nihil.

(. . .)

16. Indien de verklaring geen privé-gebruik wordt ingetrokken (. . .) wordt de verschuldigde

belasting (. .. ) nageheven van de werknemer. (. . .)’

9. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat auto 1 hem niet ter beschikking is gesteld in de zin van artikel13bis Wet LB omdat de werkgever en eiser hebben afgesproken dat met de auto geen privé-kilometers worden gereden. De autokostenfictie geldt voor een auto die aan een werknemer ter beschikking is gesteld. Onder terbeschikkingstelling wordt verstaan het mogen gebruiken van een auto voor zakelijke doeleinden, (inclusief woon-werkverkeer), waarbij normaliter alle kosten, lasten en afschrijvingen voor rekening komen van degene die de auto ter beschikking stelt (Kamerstukken, 26.727, nr. 3 p. 185). Dit volgt ook uit vaste jurisprudentie waarin is bepaald dat een auto ter beschikking is gesteld zodra een werknemer voor het werk en voor het woon-werkverkeer gebruik kan maken van een auto van de werkgever (HR 26 april 1995, nr. 30.293, ECLI:NL:HR:1995:ZC5946). De Hoge Raad oordeelde bovendien (rechtsoverweging 3.1) dat de omstandigheid dat de werknemer de auto niet voor privédoeleinden mag gebruiken, geen rol speelt bij de vraag of aan de werknemer een auto ter beschikking is gesteld, maar dat die omstandigheid van belang kan zijn bij de zogenaamde tegenbewijsmogelijk in welke mate privégebruik feitelijk al dan niet aanwezig is. Het oordeel van de Hoge Raad is ook onder de huidige wetgeving IB 2001 nog immer van belang, aangezien de wetgeving op dit punt niet is gewijzigd. Aangezien in het onderhavige geval niet in geschil is dat de werkgever de auto voor zakelijke ritten en woon/werkverkeer aan eiser ter beschikking heeft gesteld is daarmee sprake van het ter beschikking stellen van de auto in de zin van artikel 13bis, eerste lid Wet LB. De omstandigheid dat eiser de auto niet privé mocht gebruiken, doet daar - gezien het oordeel van de Hoge Raad - niet aan af.

10. De rechtbank sluit zich niet aan bij de door eiser bepleite grammaticale interpretatiemethode van de wet waaruit zou volgen dat bij opvolgend gebruik afzonderlijk moet worden getoetst of sprake is van privégebruik. De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 december 1997, nr. 33.005, ECLI:NL:HR:1997:AA3332, beslist dat als aan een belastingplichtige gedurende een kalenderjaar meer dan een auto ter beschikking is gesteld, de kilometergrens niettemin op jaarbasis geldt, dus niet per auto. Ook dit oordeel van de Hoge Raad is onder de huidige wetgeving van belang, aangezien op dit punt evenmin een wijziging is beoogd. De rechtbank leidt uit dit arrest af dat doel en strekking van de onderwerpelijke regeling is om op eenvoudige wijze vast te stellen welk bedrag ter zake van het privégebruik tot de inkomsten uit arbeid gerekend moeten worden. In een geval als het onderhavige is hierbij doorslaggevend het antwoord op de vraag of is gebleken dat het privégebruik van de achtereenvolgens ter beschikking gestelde auto's tezamen op jaarbasis minder dan 500 kilometer heeft bedragen. In het geval van eiser staat vast dat hij met auto 1 minder dan 500 kilometer en met auto 2 meer dan 500 kilometer heeft gereden, hetgeen ertoe leidt dat de bijtelling ook voor de eerstbedoelde auto moet plaatsvinden. Dit heeft te gelden, zelfs wanneer vast zou staan, dat - anders dan het geval is bij eiser - met de eerstbedoelde auto in het geheel geen privékilometers zijn gereden (Hof Den Bosch 21 maart 2014, nr. 13/00784, ECLI:NL:GHSHE:2014:797).

11. Ook de omstandigheid dat eiser in de betreffende periode over een verklaring beschikte, staat aan voormelde toepassing op kalenderjaarbasis niet in de weg (HR 6 juni 2008, nr. 44.069, ECLI:NL:HR:2008:BD3192). Aan dit oordeel kan niet afdoen dat eiser noch zijn werkgever op de hoogte waren van de consequenties van een tussentijdse wisseling van auto.

12. Nu slechts voor de maanden vanaf 30 april 2013 door de werkgever loonheffingen

zijn ingehouden ter zake van het ter beschikking stellen van de auto, is wat dit betreft te

weinig belasting betaald. Verweerder heeft daarom terecht op de voet van artikel 13bis,

zestiende lid, Wet LB die verschuldigde belasting van eiser nageheven.

13. Met betrekking tot de door eiser bepleite meer moderne wijze van interpreteren

overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar hetgeen in 10 is overwogen, dat ook dit niet

leidt tot een ander oordeel."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt deze dan ook tot de zijne. Ter aanvulling overweegt het Hof nog het volgende.

7.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 april 2013 geen voordeel heeft genoten in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB, omdat zijn werkgever hem had verboden auto 1 gedurende die periode voor privédoeleinden te gebruiken en hij zich – behoudens in één noodgeval – aan dat verbod heeft gehouden.

Naar het oordeel van het Hof gaat belanghebbende ten onrechte voorbij aan artikel 13bis, eerste lid, laatste volzin, van de Wet LB, waarin is bepaald dat de auto in ieder geval geacht wordt ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Anders dan belanghebbende betoogt dient daarbij het gehele kalenderjaar in ogenschouw te worden genomen, inclusief de periode waarin auto 2 ter beschikking is gesteld. De stelling van belanghebbende dat het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997, nr. 33 005, ECLI:NL:HR:1997:AA3332, door belanghebbende aangeduid als het ‘2 auto’s = 1 auto’-arrest, waarin de Hoge Raad zulks geoordeeld heeft, principieel onjuist is, deelt het Hof niet. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat voormeld arrest weliswaar betrekking had op een geval waarin artikel 42 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op het voordeel uit de terbeschikkingstelling van een auto van toepassing was, maar dat noch in de parlementaire behandeling van het wetsontwerp dat heeft geleid tot de invoering van artikel 3:145 van de Wet inkomstenbelasting 2001, noch in de parlementaire behandeling van het wetsontwerp dat heeft geleid tot de invoering van artikel 13bis van de Wet LB, aanknopingspunten zijn te vinden voor de opvatting dat de wetgever afstand heeft willen nemen van dit arrest.

7.3.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, G.J. van Leijenhorst en A.N. Labohm, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 22 april 2015 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.