Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:980

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
200.109.989-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vertrekregeling, ontslag, uitleg toezegging, waardebepaling certificaten van aandelen, certificaten van aandelen, opgewekt vertrouwen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/228
AR-Updates.nl 2014-0363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.109.989/01

Rolnummer rechtbank : 1117310 RL EXPL 11-32649

arrest van 25 maart 2014

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M. Cota te Den Haag,

tegen

Brink Groep B.V.,

gevestigd te Leidschendam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Brink,

advocaat: mr. P.H. Mahieu te Den Haag.

Het geding

Bij tussenarrest van 14 augustus 2012 is een comparitie van partijen bepaald, die op 16 november 2012 heeft plaatsgevonden. Van die comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellante] negen grieven aangevoerd die door Brink bij memorie van antwoord zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten doen bepleiten, [appellante] door mr. M. Cota voornoemd en Brink door mr. P.H. Mahieu voornoemd. Beiden hebben een pleitnota overgelegd. Na afloop van de pleidooien is een datum voor arrest bepaald. Arrest wordt gewezen op basis van het pleitdossier.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1.

Voor de vastgestelde feiten wordt uitgegaan van de - niet bestreden - weergave daarvan in r.o. 1.1 tot en met 1.14 van het vonnis. Het gaat om het volgende.

1.1.

Tussen [appellante] en Brink Groep heeft van 1 juni 2007 tot 1 oktober 2010 een arbeidsovereenkomst bestaan. [appellante] was werkzaam als directiesecretaresse.

1.2.

In 2008 is Brink Groep Invest (hierna: BGI) opgericht teneinde het aandelenbezit onder de medewerkers van Brink Groep te faciliteren. In 2008 heeft [appellante] 1.060 certificaten van aandelen in BGI (hierna: de certificaten) gekocht voor een bedrag van € 34,13 per certificaat, derhalve in totaal € 36.177,80. Brink Groep was geen partij bij die overeenkomst.

1.3.

De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden beëindigd per (uiteindelijk) 1 september 2010. Het overleg daaromtrent is gestart in december 2009. In het kader van dat overleg, waarbij beide partijen werden bijgestaan door een advocaat, zijn over en weer diverse voorstellen gedaan.

1.4.

Bij brief van 16 maart 2010 schreef de toenmalige advocaat van [appellante] aan de advocaat van Brink “[...] Daarnaast heb ik van cliënte begrepen, dat zij aandelen bezit die zij op einddatum van haar dienstverband dient in te leveren. Zij gaat er dan ook vanuit, dat per einddatum van haar dienstverband de afwikkeling van die aandelen op correcte en juiste wijze plaatsvindt en conform de daarvoor geldende regeling(en).”

1.5.

Bij brief van 26 maart 2010 heeft de advocaat van Brink aan de toenmalige advocaat van [appellante] bericht “In uw brief brengt u nog een aantal punten naar voren, die eerder niet zijn behandeld. [...] De afwikkeling van de bij uw cliënte in bezit zijnde aandelen zal conform de daarvoor geldende regeling plaatsvinden. [...]”.

1.6.

Vervolgens hebben partijen op 21/29 april 2010 een vaststellingsovereenkomst getekend (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat [appellante] werd vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2010 zou eindigen, maar dat [appellante] het recht had de arbeidsovereenkomst met ingang van een eerdere datum op te zeggen, in welk geval laatste geval het tot 1 oktober 2010 resterende bedrag aan salaris ineens zou worden betaald. In de vaststellingsovereenkomst is niets opgenomen omtrent de certificaten.

1.7.

Ten aanzien van deze certificaten geldt het volgende.

1.8.

De certificaten zijn ondergebracht bij de Stichting Administratiekantoor Personeelsaandelen Brink Groep (hierna: SAP). De Stichting houdt 10% van de aandelen in BGI.

1.9.

Als certificaathouder was [appellante] gebonden aan de Administratievoorwaarden en het bijbehorende Huishoudelijk Reglement van SAP. In artikel 14 lid 1 van de Administratievoorwaarden is bepaald “Door inwisseling van aandelen in de vennootschap tegen certificaten of het op andere wijze verkrijgen van certificaten, worden de certificaathouders geacht aan deze voorwaarden van administratie te zijn gebonden en daarmee en met eventuele toekomstige wijzigingen onherroepelijk akkoord te gaan en worden zij geacht aan de stichting onherroepelijk volmacht te hebben gegeven ten aanzien van de aan deze in eigendom overgedragen aandelen met inachtneming van deze voorwaarden, alles te doen wat de stichting dienstig of nodig acht, daaronder begrepen het uitoefenen van het stemrecht op aandelen op de wijze als door het bestuur van de stichting gewenst zal worden geoordeeld [...]”.

1.10.

In artikel 7 van de Administratievoorwaarden en artikel 02.2 van het Huishoudelijk Reglement is bepaald dat in geval van beëindiging van het dienstverband met BGI dan wel een groepsmaatschappij de certificaten aan SAP te koop dienen te worden aangeboden.

1.11.

In artikel 04 van het Huishoudelijk Reglement is bepaald dat de algemene vergadering van aandeelhouders van BGI (hierna steeds: de AvA) jaarlijks de waarde van de aandelen in BGI, waarop ook de waarde van de certificaten is gebaseerd, zal vaststellen. De daarvoor geldende formule is vastgelegd in artikel 8.6 van het Aandeelhoudersreglement.

1.12.

In artikel 02.2 van het Huishoudelijk Reglement is bepaald “Bij vertrek uit Brink Groep moeten de certificaten direct worden aangeboden. [...] De datum van einde dienstverband is bepalend voor de prijs die de uittredende certificaathouder ontvangt voor de aangeboden certificaten”.

1.13.

In de memo van 8 maart 2009 “Voorlopige waardering 2009” van de directie van BGI aan de raad van commissarissen wordt aangegeven dat de resultaten over 2009 buitengewoon goed zijn en wordt aandacht gevraagd voor de toekomstige waardeontwikkeling, als volgt: “De waarde die op 28 juni 2010 zal worden vastgesteld zal leiden tot niet financierbare aandelen, omdat de toekomstige dividendstroom niet voldoende zal zijn voor dekking van rente en aflossing. In de jaren daarna zal de waarde naar verwachting dalen met 10 tot 15% omdat dan de buitengewoon goede cijfers over 2009 niet meer meewegen in de berekening. We komen later dit jaar terug met voorstellen voor de oplossing van dit probleem dat vooral nieuw intredende aandeelhouders zou treffen.” Deze memo is door [appellante] in haar functie van directiesecretaresse uitgetypt.

1.14.

In de notulen van de vergadering van certificaathouders in BGI d.d. 22 juni 2010, waarvoor [appellante] was uitgenodigd, is vermeld “[...]De aanwezigen zijn akkoord met het voorstel om te onderzoeken of herziening [van de waardering van de aandelen] mogelijk is. [...] Het bestuur zal instemmen met het onderzoek in de komende AvA van 28 juni. [...]”.

1.15.

In de notulen van de AvA d.d. 28 juni 2010 is vermeld “[...]dat het bestuur graag alternatieven wil onderzoeken en erop terug wil komen in september 2010. Indien iemand tussentijds certificaten wil/moet aanbieden, dan zal er een regeling worden getroffen (vooruitbetaling tegen de huidige prijs) met de mededeling dat na de AvA een afrekening zal plaatsvinden, naar aanleiding van het besluit in de AvA. [...] De aanwezigen stemmen in met het verzoek om de waardering van de aandelen uit te stellen, om alternatieven te onderzoeken en hierop terug te komen in september 2010. [...]”.

1.16.

In de AvA d.d. 12 oktober 2010, waarbij alle certificaathouders aanwezig of vertegenwoordigd waren, is een voorstel tot herziening van de waarderingsmethodiek van de aandelen in BGI aanvaard. Daarbij is de waarderingsformule gehandhaafd, maar de beschouwingsperiode verlengd van 2 naar 4 jaren en wordt op de uitkomst in voorkomende gevallen een cap van 35% als maximale stijging of daling gehanteerd. Daarmee worden te grote schommelingen in de waarde van de aandelen per jaar voorkomen en de doelstelling van de participatieregeling door middel van certificaten - het duurzaam aantrekkelijk houden voor werknemers om certificaten aan te schaffen en te behouden - bevorderd. Hierbij dient bedacht te worden dat de nieuwe waarderingsmethodiek geldt voor zowel bestaande als potentiële “nieuwe” certificaathouders, en dat het SAP niet is toegestaan winst of verlies te maken op het uitgeven of innemen van certificaten (art. 02.2 van het Huishoudelijk Reglement).

1.17.

Door [appellante] is een bedrag van € 36.177,80 voor de aankoop van haar certificaten betaald, terwijl er aan haar voor de terugverkoop van die certificaten een bedrag is betaald van € 69.578,40. Daarnaast heeft [appellante] in 2009 en 2010 in totaal € 10.600,-- aan dividend ontvangen. Met haar participatie heeft zij aldus een winst (inclusief dividend) behaald van € 44.000,60 (geen rekening houdende met rentederving over het aanschafbedrag).

Geschil in eerste aanleg; oordeel rechtbank

2.1.

In eerste aanleg heeft [appellante] veroordeling gevorderd van Brink Groep, althans Brink Management & Advies, tot betaling aan [appellante] van (i) een bedrag van
€ 50.943,60, te vermeerderen met rente en (ii) buitengerechtelijke incassokosten, dit laatste ook te vermeerderen met wettelijke rente, en (iii) de proceskosten.

2.2.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

Hoger beroep

3.

In hoger beroep vordert [appellante] - samengevat - (i) vernietiging van het vonnis, (ii) het alsnog toewijzen van haar vorderingen in de eerste aanleg, (iii) terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het vonnis aan Brink heeft betaald, vermeerderd met rente, (iv) vergoeding van de schade die zij lijdt ten gevolge van de uitvoering van het vonnis, eveneens met rente, en (v) veroordeling van Brink in de proceskosten van beide instanties. De vorderingen in de memorie van grieven zijn een beknopte versie van de meer uitgebreide vorderingen in het appelexploot. Het hof leest in de memorie van grieven niet dat afstand is gedaan van de vorderingen zoals vermeld in het appelexploot.

4.

In geschil is de waarde van de certificaten van [appellante] bij het einde van de arbeidsovereenkomst, 1 september 2010. Op grond van art. 02.2 van het Huishoudelijk Reglement dienden die certificaten op dat moment door [appellante] aan SAP worden aangeboden. De waarde van die certificaten is gelijk aan de waarde van de (corresponderende) aandelen in BGI en wordt steeds vastgesteld in de AvA van die vennootschap.

5.

[appellante] stelt dat haar bij brief van 26 maart 2010 (zie r.o. 1.6) is toegezegd, althans dat zij aan die brief de verwachting mocht ontlenen, dat de waarde van haar certificaten zou worden vastgesteld op basis van de op 26 maart 2010 geldende formule van art. 8.6 van het Aandeelhoudersreglement, toegepast op de jaarcijfers 2009. Op 26 maart 2010 waren de voorlopige jaarcijfers 2009 bekend en was er reeds een AvA gepland voor 28 juni 2010, waarin de nieuwe waarde van de aandelen aan de hand van genoemde formule zou worden vastgesteld. Uit de memo van 8 maart 2010 (zie r.o. 1.14) blijkt ook dat het “zo goed als definitief vaststond” dat de aandelen op 28 juni 2010 aldus zouden worden gewaardeerd (memorie van grieven sub 8.2). De jaarcijfers 2009 waren buitengewoon goed en binnen de onderneming van Brink was dit een “hype”. [appellante] heeft vanwege de verwachte hoge waardering van het aandeel/certificaat gekozen voor een vertrekregeling waarbij het einde van de arbeidsovereenkomst na de AvA van 28 juni 2010 zou vallen. De waarde van de aandelen BGI is echter niet op 28 juni 2010 vastgesteld, maar later, op basis van een nieuwe formule. De waarde van het aandeel op basis van deze nieuwe formule is lager dan die berekend op basis van de “oude” formule, namelijk € 65,54 in plaats van € 113,70. [appellante] heeft door deze lagere waardering € 50.943,60 minder voor haar 1.060 certificaten ontvangen. Voor deze lagere opbrengst is Brink aansprakelijk en dient zij de door [appellante] geleden schade te vergoeden, aldus nog steeds [appellante].

6.

Het hof overweegt als volgt.

7.

Voor de uitleg van de brief van de advocaat van Brink d.d. 26 maart 2010 geldt het zogenaamde Haviltex-criterium (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635).

8.

Van belang is dat deze brief een reactie is op de brief van de toenmalige advocaat van [appellante] d.d. 16 maart 2010. In laatstgenoemde brief wordt de door [appellante] gewenste waardebepaling niet genoemd, maar wordt - in algemene termen - gesteld dat [appellante] er van uitgaat “dat per einddatum van haar dienstverband de afwikkeling van die aandelen op correcte en juiste wijze plaatsvindt en conform de daarvoor geldende regeling(en).” Dit uitgangspunt is in de brief d.d. 26 maart 2010 - eveneens in algemene termen - bevestigd: “De afwikkeling van de bij uw cliënte in bezit zijnde aandelen zal conform de daarvoor geldende regeling plaatsvinden.” De waardebepaling is in de correspondentie als zodanig niet genoemd.

9.

[appellante] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat in het kader van de onderhandelingen over de beëindiging van de met haar gesloten arbeidsovereenkomst in het geheel niet is gesproken over de waardebepaling van de aandelen en/of de - door [appellante] aan SAP aan te bieden - certificaten, en dat de vraag in de brief d.d. 16 maart 2010 over de behandeling van “de aandelen” (bedoeld zal zijn: de certificaten) is gesteld nadat al over haar ontslag als zodanig overeenstemming was bereikt. De vaststellingsovereenkomst vermeldt als gezegd ook niets over aandelen/certificaten. [appellante] heeft weliswaar gesteld dat het haar bedoeling was de einddatum van de arbeidsovereenkomst over de AvA van 28 juni 2010 “heen te tillen” met het oog op de waardebepaling, maar ze heeft niet weersproken dat ze die bedoeling niet met Brink heeft gedeeld. Sterker nog, [appellante] heeft ook niet weersproken dat de ontbinding “op termijn” - op haar eigen verzoek - is afgesproken om haar in staat te stellen vanuit een bestaand dienstverband te solliciteren.

10.

Van belang is voorts dat [appellante] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat zij volgens Brink al langere tijd niet goed functioneerde, geruime tijd aan een verbetertraject is gewerkt met een externe coach maar dat dit niet tot de gewenste verbetering heeft geleid.

11.

Daar komt bij dat de waardebepaling uiteindelijk de exclusieve bevoegdheid van de AvA van BGI is, en dus niet van de directie, raad van commissarissen of Brink. Deze organen kunnen niet worden vereenzelvigd. [appellante] mag er als directiesecretaresse - die zoals zij stelt alle directievergaderingen, aandeelhoudersvergaderingen en vergaderingen van de raad van commissarissen bijwoonde en van die vergaderingen de notulen maakte - mee bekend worden verondersteld dat er meer aandeelhouders van BGI zijn dan de (vennootschappen van de) personen vertegenwoordigd in de directie en de raad van commissarissen. Dit laatste blijkt ook uit het door haar overgelegde Aandeelhoudersreglement. Deze aandeelhouders kunnen anders oordelen dan de directie en/of raad van commissarissen van Brink en/of BGI voor ogen staat. Dat de betalingen van SAP via de bankrekening van Brink Groep liepen omdat - hetgeen onweersproken is – SAP niet over een eigen bankrekening beschikte, leidt niet tot een ander oordeel. Dit geldt ook voor het feit dat Brink er jegens [appellante] (financieel) voor instond dat de certificaten zouden worden behandeld “conform de daarvoor geldende regeling”.

12.

Ook is van belang dat [appellante]/haar advocaat uit de (zoals gezegd: door haar uitgetypte) memo van 8 maart 2010 bekend was, althans moest zijn met de mogelijkheid dat de waardebepaling anders zou kunnen plaatsvinden dan in voorgaande jaren. Zo zij er al van uitging dat dit slechts zou gelden voor nieuwe aandeelhouders/certificaathouders, is dat onterecht. In de memo is de verwachting van de directie uitgesproken dat de door haar (nog te maken) voorstellen een oplossing moesten bieden voor een probleem dat “vooral nieuwe aandeelhouders/certificaathouders zou treffen”. Daarmee is niet gezegd dat die “oplossing” dus niet ook bestaande aandeelhouders/certificaathouders zou kunnen treffen. Daarnaast is ook de - onvoldoende gemotiveerd weersproken - redengeving voor wijziging van de waardebepaling van dien aard dat er rekening mee moet worden gehouden dat die wijziging mogelijk ook bestaande aandeelhouders/certificaathouders zou kunnen treffen. Dit geldt ook als juist is dat in een eerdere vergelijkbare situatie - betwist is dat daarvan sprake is - aandeelhouders zijn gecompenseerd.

13.

Gezien het voorgaande had het voor de hand geleden dat in de brief d.d. 16 maart 2010 concreet en duidelijk was gevraagd naar de [appellante] gewenste waardebepaling, in plaats van dat zou worden volstaan met een in algemene termen gestelde verwijzing naar “afwikkeling van die aandelen […] conform de daarvoor geldende regeling(en)”. Een toelichting op dit punt was op zijn plaats, maar is uitgebleven. [appellante] werd bijgestaan door een advocaat, de schrijver van genoemde brief, die bekend moet worden verondersteld met de – gestelde, maar zoals gezegd niet Brink gecommuniceerde - bedoeling van [appellante] om de gewenste waardebepaling bevestigd te zien, en de daarvoor geldende regelingen. Die bedoeling was eenvoudig en concreet te verwoorden, zeker voor een advocaat.

14.

Daar komt bij dat niet kan worden aangenomen dat [appellante] een zo sterke onderhandelingspositie had dat Brink zo ver zou gaan om - zonder dat zij daartoe bevoegd was - alsnog, na het bereiken van overeenstemming over haar ontslag als zodanig, namens SAP/de AvA van BGI aan [appellante] toe te zeggen dat ze zou worden afgerekend door SAP op basis van een waardebepaling die blijkens de memo van 8 maart 2010 reeds serieus ter discussie stond, dan wel de rekening daarvoor op zich te nemen.

15.

Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat [appellante] bij brief van 26 maart 2010 is toegezegd, althans dat zij aan die brief de verwachting mocht ontlenen, dat de waarde van haar certificaten zou worden vastgesteld op basis van de op 26 maart 2010 geldende formule van art. 8.6 van het Aandeelhoudersreglement, toegepast op de jaarcijfers 2009. Dat er op 26 maart 2010 al een AvA was vastgesteld om de waarde van de onderneming (en daarmee de aandelen) te bepalen en/of dat de goede resultaten binnen de onderneming van Brink een hype waren - indien juist; dit is betwist - is van onvoldoende gewicht om anders te oordelen.

16.

Het hof verwerpt de stelling van [appellante] dat de nieuwe waardebepaling is ingegeven om haar te benadelen. Die stelling is onvoldoende onderbouwd tegen de achtergrond van de onvoldoende betwiste stellingen dat de gewijzigde waardebepaling haar grond vond in de redengeving als in de memo van 8 maart 2010 vermeld, dat de AvA en SAP daarmee rechtsgeldig hebben ingestemd en dat alle aandeelhouders en certificaathouders dienovereenkomstig en op gelijke wijze zijn behandeld.

17.

Het hof ziet in de redelijkheid en billijkheid geen grond om anders te oordelen over de vorderingen van [appellante]. Voor zover [appellante] een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid doet is dat onvoldoende onderbouwd.

18.

Dat de nieuwe methodiek van waardebepaling op de ontslagdatum,
1 september 2010, nog niet gold, werpt geen relevant ander licht op de zaak, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat de toepassing van de oude methodiek op dat moment tot een hogere uitkering had geleid dan degene die [appellante] uiteindelijk heeft ontvangen. Daarbij is van belang dat bij afrekening per
1 september 2010 had moeten worden gerekend met de “laatstelijk vastgestelde waarde”, dat wil zeggen: op basis van (onder andere) de jaarcijfers 2008, welke waarde tot een veel lagere uitkering zou hebben geleid dan die [appellante] feitelijk heeft ontvangen.

19.

Het hof gaat voor het overige voorbij aan de bewijsaanbiedingen van [appellante] nu de door [appellante] gestelde feiten, zelfs indien bewezen, niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

20.

Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven falen, althans niet tot vernietiging van het vonnis kunnen leiden. Het vonnis zal daarom worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld. De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals dit is gevorderd.

Beslissing

Het hof:

– bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 11 april 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage;

– veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Brink tot op heden begroot op € 1.815,--,-- aan griffierecht en € 6.524,-- aan salaris advocaat;

– verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, M.H. van Coeverden en
M. Brink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2014 in aanwezigheid van de griffier.