Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:943

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2014
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
200.130.415/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leidt artikel 8 EVRM tot een onderhoudsverplichting - gelijk aan artikel 1:395 BW - van een nieuwe partner die samenleeft met de verzorgende ouder en diens minderjarige kinderen? In casu niet.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/74
FJR 2015/11.16
JIN 2014/104 met annotatie van J.P.M. Bol
PFR-Updates.nl 2014-0068 met annotatie van C. Forder
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 19 maart 2014

Zaaknummer : 200.130.415/01

Rekestnummer rechtbank : F1 RK 12-1062 / F1 RK 12-3432

Zaaknummer rechtbank : 398585/410142

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.C. Houwing te Rotterdam,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 16 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 april 2013 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 12 september 2013 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 22 oktober 2013 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 23 juli 2013 een V-formulier van 22 juli 2013 met bijlagen;

- op 13 december 2013 een V-formulier van 10 december 2013 met bijlagen;

- op 3 januari 2014 een V-formulier van 2 januari 2014 met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 7 januari 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 17 januari 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is tussen partijen, gehuwd op [datum] te [gemeente], de echtscheiding uitgesproken. Voorts is, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de na te noemen minderjarige [minderjarige sub 2] bij de vader zal zijn. Tevens is bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 3] telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 415,50 per maand per kind. Het verzoek van de moeder tot een door de vader te betalen uitkering tot levensonderhoud is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1.

In geschil is de hoofdverblijfplaats van de hierna te noemen [minderjarige sub 2] en door de vader aan de moeder te betalen uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) alsmede de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie):

- [minderjarige sub 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige sub 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige sub 3], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.

De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vader ten behoeve van de minderjarige [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 3] maandelijks bij vooruitbetaling aan de moeder dient te voldoen een bedrag van € 6,- per kind, alsmede de motivering van de afwijzing van het verzoek van de moeder tot vaststelling van een door de vader aan haar te betalen bijdrage in haar levensonderhoud aan te passen in motivering op een wijze als gesteld onder punt 9 van het appelschrift.

3.

De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep tot aanpassing van de motivering van de afwijzing van het verzoek van de moeder tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud, althans dat verzoek af te wijzen. Tevens verzoekt de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader om de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor de minderjarige [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 3] te bepalen op € 6,- per kind per maand, af te wijzen.

4.

In incidenteel appel verzoekt de moeder, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking, voor zover ter beoordeling aan het hof voorgelegd, te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  1. te bepalen dat met ingang van de datum van de beschikking in hoger beroep de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige sub 2] bij de moeder zal zijn;

  2. de vader te veroordelen om met ingang van de datum van de beschikking in hoger beroep aan de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 415,50 per kind per maand te betalen ten behoeve van de drie minderjarige kinderen van partijen;

  3. te bepalen dat de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ingaat op 1 januari 2012.

4.

De vader verzet zich daartegen en verzoekt de verzoeken in incidenteel appel van de moeder, zoals vermeld onder de punten A tot en met C in het incidenteel appelschrift van moeder, af te wijzen.

Partneralimentatie

5.

Ter zitting heeft de moeder verklaard dat zij samenwoont met haar nieuwe partner en derhalve geen recht meer heeft op een door de vader te betalen partneralimentatie. Hierop is door de vader ter zitting gesteld dat zijn grief ter zake van de partneralimentatie en het in zijn petitum geformuleerde verzoek hieromtrent is achterhaald en kan worden ingetrokken. Gelet hierop behoeft de partneralimentatie geen verdere bespreking.

Hoofdverblijfplaats [minderjarige sub 2]

6.

De moeder verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige sub 2] bij de moeder te bepalen. De hoofdverblijfplaats is uitsluitend op grond van financiële en fiscale gronden bij de vader bepaald, aldus de moeder. De praktijk wijst echter uit dat dit tussen de minderjarigen tot ongelijkheid dreigt te leiden en niet in het belang van de minderjarigen is.

7.

De vader daarentegen stelt dat de huidige regeling goed functioneert en dat [minderjarige sub 2] dezelfde welvaart ontvangt als [minderjarige sub 3] en [minderjarige sub 1]. Het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige sub 2] bij de vader geeft de vader erkenning voor zijn gelijkwaardige rol in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen. Bovendien zorgt deze verdeling voor een financieel voordeel, aangezien de vader hierdoor evenals de moeder aanspraak kan maken op (fiscale) kind regelingen.

8.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van het verhandelde ter zitting alsmede de door partijen overgelegde stukken is het hof gebleken dat het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige sub 2] bij de vader met name is ingegeven door financiële en fiscale motieven. Het hof is van oordeel dat een fiscale constructie niet de basis kan vormen voor de bepaling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige sub 2] bij de vader. Nu het hof niet is gebleken van bijzondere gronden die aanleiding geven de kinderen van partijen niet gezamenlijk te laten opgroeien en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige sub 2] bij de vader te bepalen, waardoor de kinderen van partijen uit elkaar worden gehaald, is het hof van oordeel dat een gezamenlijke hoofdverblijfplaats bij ofwel de moeder ofwel de vader het meest in het belang van de minderjarigen is. Nu de vader niet heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van alle drie de minderjarigen bij hem te bepalen, zal het hof het verzoek van de moeder toewijzen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige sub 2] bij de moeder bepalen.

Kinderalimentatie

Behoefte

9.

De moeder stelt een behoefte van € 3.149,- per maand voor de drie minderjarigen tezamen. De moeder heeft hiertoe een behoefteoverzicht van de minderjarigen overgelegd en gesteld dat partijen ten tijde van het huwelijk ruim € 10.000,- per maand besteedden.

10.

De vader stelt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen € 6.152,- per maand bedroeg en de behoefte van de minderjarigen aan de hand van de behoeftetabellen kan worden vastgesteld op € 495,- per maand.

11.

Het hof overweegt als volgt. De door de vader gestelde behoefte komt overeen met de in de behoeftetabel van 2013 opgenomen behoefte passend bij een minimaal netto gezinsinkomen van € 5.000,- per maand. Teneinde een correctie toe te passen op de hoogte van de behoefte ligt het op de weg van de moeder aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kosten en dienen deze kosten door de moeder inzichtelijk te worden gemaakt door overlegging van een gespecificeerd en onderbouwd behoefteoverzicht. Hoewel de moeder de behoefte van de minderjarigen heeft gespecificeerd, heeft de moeder, naar het oordeel van het hof, nagelaten dit overzicht deugdelijk met bewijsstukken te onderbouwen alsmede te motiveren waarom sprake is van bijzondere kosten die leiden tot een behoefte van € 3.149,- per maand. Evenwel stelt het hof vast dat uit een door de vader in eerste aanleg overgelegd overzicht blijkt dat partijen ten tijde van het huwelijk een gemiddeld uitgavenpatroon hadden van € 11.370,- per maand. Hoewel dit bedrag wellicht het gemiddelde maandinkomen van partijen oversteeg, staat tussen partijen vast dat dit bedrag werd uitgegeven. Gelet op het hoge uitgavenpatroon ten tijde van het huwelijk ziet het hof derhalve alsnog aanleiding de behoefte te corrigeren, waarbij het hof een behoefte van € 750,- per maand per kind redelijk acht.

Onderhoudsplicht nieuwe partner

12.

Alvorens het hof overgaat tot het vaststellen het eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen ziet het hof aanleiding te beoordelen of van de nieuwe partner van de moeder gevergd kan worden dat hij bijdraagt in de kosten van de minderjarigen. Het hof ziet hier aanleiding toe nu de minderjarigen deel uitmaken van het gezin van de moeder en haar nieuwe partner en binnen deze gezinssituatie profiteren van de hoge mate van welstand die - zoals blijkt uit de stellingen van partijen - door de nieuwe partner wordt gecreëerd. Het feit dat de moeder en de nieuwe partner niet zijn gehuwd, doet hier niet aan af. Immers hoewel de nieuwe partner geen wettelijke onderhoudsverplichting heeft, kan, indien tussen de nieuwe partner en de minderjarigen een familierechtelijke betrekking als bedoeld in artikel 8 EVRM wordt aangenomen, mogelijkerwijs een onderhoudsverplichting van de nieuwe partner jegens de minderjarigen ontstaan, aangezien family life ook financiële verplichtingen zoals aanspraak op onderhoud meebrengt.

13.

Gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen ten aanzien van samenwonen, gezinnen en relaties is het hof van oordeel dat onderscheid tussen een formele stiefouder en een nieuwe partner die samenleeft met de verzorgende ouder en diens minderjarige kinderen - en in feite als stiefouder functioneert - mogelijk leidt tot ongelijkheid tussen beiden en daarmee strijd met artikel 8 EVRM kan opleveren. Immers gelijke gevallen dienen op gelijke wijze te worden toegepast, hetgeen kan leiden tot een doorbreking van het in de wet neergelegde stelsel.

14.

Het hof stelt vast dat de moeder samenwoont met een nieuwe partner en dat zij samen een huis hebben gehuurd met een maandelijkse huurlast van € 3.800,- per maand. De huurovereenkomst is voor langere tijd aangegaan waardoor kan worden aangenomen dat de moeder en de nieuwe partner de intentie hebben de samenleving voor langere tijd te continueren, hetgeen de duurzaamheid van de relatie kenmerkt. De ouders zijn een co-ouderschap overeengekomen waardoor de minderjarigen gedurende de helft van de tijd bij de vader en de andere helft van de tijd bij de moeder en haar nieuwe partner verblijven. Ook de minderjarige kinderen van de nieuwe partner verblijven met regelmaat bij de moeder en de nieuwe partner en vormen dan een samengesteld gezin.

15.

Door de vader wordt gesteld dat de nieuwe partner regelmatig bijdraagt in de kosten van de minderjarigen en dat de door de moeder gestelde hoge behoefte mede wordt bepaald door hetgeen de nieuwe partner bijdraagt. Zo heeft de nieuwe partner aan alle drie de kinderen een laptop cadeau gegeven. De vader stelt dat de minderjarigen aangeven een ‘rich life’ bij de moeder te hebben en een ‘poor life’ bij de vader. Bij de moeder kan financieel gezien alles in tegenstelling tot bij de vader. De moeder daarentegen stelt dat de nieuwe partner wel wat betaalt voor de minderjarigen, maar dat zij en haar partner de afspraak hebben dat ieder verantwoordelijk is voor de eigen kinderen. Het is vooral de familie van de moeder die bijdraagt in de kosten van de minderjarigen en niet de nieuwe partner. Het hof is van oordeel dat vorenstaande stellingen van de moeder ertoe leiden dat op dit moment niet kan worden aangenomen dat sprake is van family life tussen de nieuwe partner en de minderjarigen. Indien de samenleving langer voortduurt en meer tekenen van gezinsleven gaat vertonen kan dit anders worden.

Draagkracht

16.

Het hof zal thans het eigen aandeel van de ouders in de behoefte van de minderjarigen vaststellen. Het hof zal hiertoe eerst de draagkracht van de vader vaststellen. Onbestreden staat tussen partijen vast dat de vader met ingang van 11 september 2013 een nieuwe baan heeft waarbij hij minder verdient dan ten tijde van het huwelijk. Het inkomen van de vader bedraagt € 2.850,- per maand bruto. De vader stelt dat hij ten tijde van het huwelijk als zelfstandige werkte, maar dat hij als gevolg van de economische recessie geen opdrachten meer krijgt en derhalve in dienst is getreden bij het bedrijf van zijn vader. De vader werkt momenteel 85% en verricht werkzaamheden op een lager niveau dan voorheen. Als gevolg hiervan heeft de vader thans een lager inkomen.

17.

Het hof overweegt als volgt. Hoewel de moeder stelt dat de vader in staat moet worden geacht een hoger inkomen te verwerven, wordt voornoemd inkomen door de moeder niet gemotiveerd betwist. Gelet op de zorgtaken die door de vader worden vervuld, acht het hof het redelijk dat de vader 85% werkt. Hoewel het hof er vanuit gaat dat de vader zich aantoonbaar zal inspannen om zijn inkomen te verhogen tot het oude niveau is het een feit dat de vader op dit moment een lager inkomen heeft. Het hof zal hier derhalve vanuit gaan. Uitgaande van een bruto jaarloon van de vader € 36.936,- leidt dit - met inachtneming van de toepasselijke heffingskortingen - tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.200,- per maand.

18.

In afwijking van de hantering van een forfaitair bedrag voor de woonlast zal het hof uitgaan van de feitelijke huurlast van de vader, te weten € 1.048,- per maand. Het hof ziet aanleiding hiertoe nu in het debat tussen partijen ook door de moeder wordt uit gegaan van de feitelijke huurlast en niet van een forfaitair bedrag. De moeder stelt weliswaar dat zij de huur te hoog vindt, doch bepleit niet het hanteren van een forfaitair bedrag. Het hof acht het in dit specifieke geval redelijk uit te gaan van de door de vader gestelde huur van € 1.048,- per maand, nu hij deze - voor zijn inkomen relatief hoge – huurlast heeft in het belang van de minderjarigen. De ouders zijn een zorgregeling overeengekomen, waarbij beide ouders ieder voor de helft de zorgtaken uitvoert. In dit kader acht het hof het in het belang van de minderjarigen dat de vader in dezelfde (dure) buurt en daardoor in elkaars nabijheid woont als de moeder, ook al leidt dit ertoe dat de vader hierdoor geconfronteerd wordt met hogere woonlasten.

19.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het draagkrachtloos inkomen van de vader € 1.908,- (€ 1.048,- + € 860,-) per maand bedraagt. De draagkrachtruimte van de vader bedraagt € 292,- (€ 2.200,- -/- € 1.908,-) per maand. Rekening houdend met een draagkrachtpercentage van 70 becijfert het hof de draagkracht van de vader op € 204,- per maand. Gelet op de kosten die gemoeid zijn met de zorg van de kinderen stelt het hof vast dat de vader eigenlijk geen draagkracht heeft om enig bedrag aan kinderalimentatie te betalen. De vader heeft echter aangeboden € 12,- per maand te betalen. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

20.

Gelet op het vorenstaande behoeft de draagkracht van de moeder geen verdere bespreking.

Ingangsdatum

21.

De moeder heeft verzocht de door de vader te betalen kinderalimentatie in te laten gaan met ingang van 1 januari 2012. De vader heeft hier gemotiveerd verweer tegen gevoerd. Het hof overweegt als volgt. De rechter heeft een ruime mate van vrijheid de ingangsdatum van een kinderalimentatiebijdrage te bepalen. Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de door de vader te betalen bijdrage eerder in te laten gaan dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Immers tot deze datum bestonden tussen partijen afspraken die ten tijde van de voorlopige voorzieningenprocedure zijn gemaakt. Het hof bepaalt de ingangsdatum van de kinderalimentatie op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, aldus 3 juli 2013. Hoewel de vader pas per september 2013 een lager inkomen geniet, zal het hof zal op grond van praktische overwegingen en met inachtneming van het onder 19 overwogene niet voor twee maanden een knip maken in de draagkrachtberekening en derhalve de kinderalimentatie vaststellen op € 12,- per maand met ingang van 3 juli 2013.

22.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en zal beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige sub 2] bij de moeder zal zijn;

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 3 juli 2013 op € 4,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Breederveld, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2014.