Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:878

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
18-03-2014
Zaaknummer
22-003001-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in een recreatiepark. Hij heeft, na te zijn aangesproken door het slachtoffer op voordringen in een rij wachtenden voor een attractie in het recreatiepark, samen met zijn mededader het slachtoffer geschopt en geslagen, waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen en zelfs enige tijd bewusteloos is geraakt.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003001-12

Parketnummer: 09-178686-10

Datum uitspraak: 21 januari 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 25 april 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1985,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 7 januari 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij], toegewezen tot een bedrag van € 165,82 en is aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij], opgelegd tot een bedrag van € 165,82, subsidiair 3 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 juni 2010 te Wassenaar met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het Attractiepark Duinrell, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [benadeelde partij], welk geweld bestond uit het (meermalen) slaan en/of schoppen tegen het hoofd en/of lichaam van die [benadeelde partij] en/of het (meermalen) (terwijl die [benadeelde partij] ten val was gekomen en/of op de grond lag) schoppen en/of slaan tegen het lichaam van die [benadeelde partij].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 juni 2010 te Wassenaar met een ander, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het Attractiepark Duinrell, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [benadeelde partij], welk geweld bestond uit het meermalen slaan en schoppen tegen het hoofd van die [benadeelde partij] en terwijl die [benadeelde partij] ten val was gekomen en op de grond lag schoppen en slaan tegen het lichaam van die [benadeelde partij].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in een recreatiepark. Hij heeft, na te zijn aangesproken door het slachtoffer op voordringen in een rij wachtenden voor een attractie in het recreatiepark, samen met zijn mededader het slachtoffer geschopt en geslagen, waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen en zelfs enige tijd bewusteloos is geraakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast dragen delicten als de onderhavige, gepleegd in de aanwezigheid van vele bezoekers, waaronder kinderen, een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen deze bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. De wijze waarop het slachtoffer de verdachte heeft aangesproken op zijn voordringen, is geen excuus voor het gedrag van de verdachte.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 december 2013, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor geweldsdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Ter terechtzitting heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan dat, indien het hof zou overwegen om aan de verdachte een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, de behandeling van de zaak aan te houden teneinde [benadeelde partij], [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] als getuigen te horen.

Naar het oordeel van het hof ontbreekt de noodzaak daartoe, nu de verdediging de getuigen kennelijk niet wenst te horen voor de waarheidsvinding ter zake van het ten laste gelegde feit, maar alleen voor het bepalen van de strafmaat. Door de raadsman is niet gesteld dat deze getuigen iets zouden kunnen verklaren wat relevant is voor het bepalen van de strafmaat. Het hof acht zich na de behandeling van de zaak in hoger beroep voldoende voorgelicht om tot een beslissing in de onderhavige strafzaak te komen. Het verzoek van de raadsman wordt dan ook afgewezen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.742,32.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot het gevorderde bedrag van € 1.742,32.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 165,82, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 165,82 aan materiële schade (ziektekosten) is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen.

Het hof zal ten aanzien het deel van de vordering dat ziet op de toegangskaarten Duinrell en Tikibad en de parkeerkosten tot een bedrag van € 204,50 afwijzen, nu deze kosten geen kosten zijn die als gevolg van het strafbare feit zijn ontstaan en derhalve niet voor toewijzing in aanmerking komen.

Voor de overige gevorderde kosten (gederfde inkomsten ad € 1400,- levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 165,82 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 165,82 (honderdvijfenzestig euro en tweeëntachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 204,50 (tweehonderdvier euro en vijftig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 165,82 (honderdvijfenzestig euro en tweeëntachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. H.M.A. de Groot en mr. M. Moussault, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 januari 2014.

Mr. H.M.A. de Groot is buiten staat dit arrest te ondertekenen.