Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:687

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
200.104.685
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhaal ouderbijdrage LBIO. Na 10 jaar overgegaan tot incassering. Dwangbevel. Betekening. Verjaringstermijn van een dwangbevel als ander bij de wet als executoriale titel aangewezen stuk. Rechtsverwerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF Den Haag

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.104.685

Zaak-rolnummer Rechtbank : 381580 / HA ZA 11-1547

arrest van 11 februari 2014

inzake

[de man],

wonende te[woonplaats],

appellant,

advocaat: voorheen mr. F.I. Piternella te Dongen, thans mr.ing. P.M.A.C. van de Laak te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

tegen

LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

advocaat: A. Schippers te Den Haag.

1 Het geding

Bij exploot 16 maart 2012 is appellant in hoger beroep gekomen van het vonnis 18 januari 2012 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Op 22 mei 2012 heeft appellant een akte genomen.

Op 18 september 2012 heeft dit hof – in verband met het achterwege blijven van tijdige betaling van het griffierecht - een tussenarrest gewezen. Het hof heeft appellant in zijn hoger beroep ontvankelijk verklaard en de zaak verwezen naar de rol voor memorie van grieven.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft appellant drie grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven bestreden.

Partijen hebben hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. Door appellant wordt gevorderd dat het dit hof moge behagen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2012 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen c.q. het dwangbevel buiten effect te stellen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

4. Geïntimeerde vordert dat het dit hof moge behagen, uitvoerbaar bij voorraad, appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, dan wel dit af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen en appellant te veroordelen in de kosten van de procedure.

Grief 1

5. In zijn eerste grief stelt appellant dat het dwangbevel met betrekking tot ouderbijdragen van 18 februari 2003 is verjaard en dat dit bevel niet op de juiste wijze aan hem betekend is.

6. Geïntimeerde stelt dat het dwangbevel op juiste wijze aan appellant is betekend. Voorts stelt geïntimeerde dat het dwangbevel niet is verjaard. Het dwangbevel levert een executoriale titel op die eerst na 20 jaar verjaart.

7. Het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat het dwangbevel destijds op een correcte wijze aan appellant is betekend. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In zijn zeer summiere toelichting op de grief heeft appellant geen feiten gesteld die thans tot een ander oordeel kunnen leiden. Met betrekking tot de verjaring van het dwangbevel overweegt het hof als volgt. Uit artikel 430 lid 1 Rv volgt dat het hier bedoelde dwangbevel geldt als een ander bij de wet als executoriale titel aangewezen stuk. Nu het dwangbevel een executoriale titel oplevert, geldt een verjaringstermijn van twintig jaar. De eerste grief van appellant treft derhalve geen doel. Met het falen van deze eerste grief is uitgangpunt in hoger beroep dat het verzet tegen het dwangbevel te laat is ingesteld en de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant in zijn verzet niet kan worden ontvangen.

Grief 2

8. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeft met betrekking tot grief 2 nog slechts besproken te worden of appellant zich jegens geïntimeerde kan beroepen op rechtsverwerking. In de toelichting op zijn grief heeft appellant slechts gesteld: “Overigens heeft appellant in zijn conclusie van repliek ook een beroep gedaan op rechtsverwerking. Ook omtrent dit beroep op rechtsverwerking is niets overwogen.”. Het hof begrijpt uit de toelichting dat appellant van mening is dat de rechtbank het vonnis onvoldoende heeft gemotiveerd op dit punt.

9. Geïntimeerde stelt in punt 18 van zijn memorie van grieven dat appellant zijn beroep op rechtsverwerking niet heeft onderbouwd.

10. Het hof overweegt als volgt. Rechtsverwerking veronderstelt een houding of gedraging (handelen of nalaten) van een partij, die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het nadien inroepen van een krachtens een rechtsverhouding geldende regel, waaraan een partij een recht ontleent. Mede bezien de gemotiveerde betwisting door geïntimeerde dat er sprake is van rechtsverwerking is het hof van oordeel dat appellant niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Van appellant had mogen worden verwacht dat hij expliciet stelt en onderbouwt waarom er in zijn visie sprake is van rechtsverwerking. Een verwijzing naar hetgeen hij bij conclusie van repliek heeft gesteld is daartoe onvoldoende. In punt 14 van zijn conclusie van repliek in oppositie stelt appellant slechts dat na tien jaar het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat geïntimeerde niet meer zou terug komen op de ouderbijdrage. Geïntimeerde heeft de gronden aangevoerd waarom eerst na tien jaar is overgegaan tot incassering van het verschuldigde. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt zonder meer geen beroep op rechtsverwerking. Grief 2 treft geen doel.

Grief 3

11. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve niet te worden besproken.

Bewijsaanbod

12. Het hof passeert het door appellant in zijn memorie van grieven gedane bewijsaanbod, nu appellant niet aangeeft op welk van zijn stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en hij voorts niet duidelijk maakt welke middelen hij wenst aan te wenden voor dit bewijsaanbod.

Conclusie

13. Het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

Proceskosten

14. Gezien het feit dat appellant in het ongelijk wordt gesteld dient hij te worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof zal derhalve, naast bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover het betreft de proceskosten in eerste aanleg, appellant bij dit arrest veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 18 januari 2012 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen;

veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep, waarbij het hof de kosten tot aan deze uitspraak begroot op € 1.298,-, aldus nader gespecificeerd:

  • -

    vastrecht € 666, -

  • -

    kosten advocaat € 632,-;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Kamminga en Van Leuven en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2014 in aanwezigheid van de griffier.