Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:63

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-01-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
BK-12-00827, BK-12-00848, BK-12-00849 en BK-12-00851
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2706, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Navordering. Vergrijpboeten. Ontvankelijkheid beroep. Nieuw feit. Aftrekposten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/851
V-N 2014/30.18.6
FutD 2014-1053
NTFR 2014/2368 met annotatie van mr. V.M. Maat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

Meervoudige kamer

Nummers BK-12/00827, 12/00848, 12/00849 en 12/00851

Uitspraak d.d. 7 januari 2014

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Haaglanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur en van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 oktober 2012, nummers AWB 11/8931, 11/8937, 11/8938 en 11/8939 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor elk van de jaren 2005, 2006 en 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (de navorderingsaanslagen) opgelegd. Tegelijkertijd met het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur beschikkingen genomen waarbij heffingsrente in rekening is gebracht en voor het jaar 2006 een vergrijpboete is opgelegd. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.668 (de aanslag). Tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur een beschikking genomen ter zake van heffingsrente.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar van 12 oktober 2011 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen, de beschikkingen en de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.4. De rechtbank heeft geoordeeld als volgt:

Ter zake van het jaar 2005

“De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.”

Ter zake van het jaar 2006 en 2007

“De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag 2006 en de beschikking heffingsrente 2006 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag 2007 en de beschikking heffingsrente 2007 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2007 en de beschikking heffingsrente 2007;

- vernietigt de navorderingsaanslag 2007 en de beschikking heffingsrente 2007;

- verklaart dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.”

Ter zake van het jaar 2008

“De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.”

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is ter zake van de uitspraak van de rechtbank inzake de navorderingsaanslag 2007, en belanghebbende is ter zake van de uitspraken van de rechtbank inzake de navorderingsaanslagen 2005 en 2006, alsmede de aanslag 2008 in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier van belanghebbende drie maal een griffierecht geheven van € 115. Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 oktober 2013, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hogerberoepzaken met de nummers BK-12/00825, 12/00826 en 12/00852, die betrekking hebben op [Y], de echtgenoot van belanghebbende. Al hetgeen in een zaak is aangevoerd en overgelegd, geldt als aangevoerd en overgelegd in de andere zaken. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, uit van de navolgende door de rechtbank vastgestelde feiten, waarbij voor “verweerder” dient te worden gelezen: de Inspecteur en voor “eiser”, dient te worden gelezen: belanghebbende:

Ter zake van het jaar 2005

1.

Verweerder heeft bij brief van 6 mei 2011 uitspraak gedaan op het bezwaar van eiseres tegen de aanslag IB/PVV voor 2005. In de uitspraak op bezwaar is onder meer het volgende vermeld:

“Op 4 mei 2011 heeft uw echtgenoot om 7.45 uur gebeld met de mededeling dat hij afzag van het horen omdat hij van mening is dat het gesprek geen toegevoegde waarde heeft want uw echtgenoot gaat toch wel in beroep. Met name de hoge boete daar is hij het niet mee eens en daarvoor wil hij in beroep gaan. “

2.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 november 2011, ontvangen op de rechtbank op 23 november 2011, beroep ingesteld.

Ter zake van het jaar 2006 en 2007

1.

Eiseres heeft voor de jaren 2006 en 2007 aangifte IB/PVV gedaan naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 16.304 en € 15.908. De primitieve aanslagen zijn door verweerder, zonder vragen te stellen over de aangiften, dienovereenkomstig vastgesteld. De aanslag voor 2006 is opgelegd met dagtekening 26 januari 2008, die voor 2007 met dagtekening 28 november 2008.

2.

Vervolgens heeft verweerder in zijn brieven van 4 juni 2009 aan eiser vragen over de aangiften 2006 en 2007 gesteld, onder meer over de daarin vermelde eigenwoningaftrek, scholingsuitgaven en giften. Eiser heeft, ook na door verweerder verleend uitstel, deze brieven niet beantwoord.

3.

Verweerder heeft daarop in zijn brieven van 28 mei 2010 de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen aangekondigd. De correcties betreffen de eigenwoningaftrek, de scholingsuitgaven en de giften. Daarbij heeft verweerder boetes aangekondigd van 50% omdat, naar verweerder stelt, sprake is van voorwaardelijk opzet. Bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen (dagtekening 7 juni 2011) heeft verweerder de eerder vastgestelde belastbare inkomens uit werk en woning als volgt gecorrigeerd:

Aangegeven belastbaar inkomen box 1 2006

16.304

Bij: minder aftrek eigen woning

1.239

Bij: geen scholingsuitgaven

600

Bij: geen giften

576

Vastgesteld bij navorderingsaanslag

18.719

Aangegeven belastbaar inkomen box 1 2007

15.908

Bij: minder aftrek eigen woning

6.440

Bij: geen scholingsuitgaven

0

Bij: geen giften

860

Vastgesteld bij navorderingsaanslag

23.208

Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen heeft verweerder vergrijpboetes opgelegd van 25% van de nagevorderde belasting.

4.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar voor 2006 de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. De bezwaren tegen de navorderingsaanslag 2007 en de beschikking heffingsrente 2007 zijn door verweerder ongegrond verklaard.

5.

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft op 17 april 2012 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen de aan de echtgenoot opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2004 (nr. BK-11/00349, LJN: BX0027) en daarbij onder meer het volgende vastgesteld:

3.3.

Voor het belastingjaar 2004 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 32.499 vóór persoonsgebonden aftrek (hierna: PGA). Als PGA werd een bedrag van € 8.137 vermeld en een verzamelinkomen van € 24.362. De primitieve aanslag is met dagtekening 28 november 2006 geautomatiseerd vastgesteld conform de ingediende aangifte.

3.4.

Voor het daaropvolgende belastingjaar, 2005, heeft belanghebbende op 31 maart 2006 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.702. In het kader van de regeling van die aangifte heeft de Inspecteur in een telefoongesprek op 18 februari 2008 aan belanghebbende verzocht om nadere informatie onder meer over betaalde hypotheekrente, het eigenwoningforfait, studiekosten en giften. Bij brief van 25 maart 2008 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is van de aangifte voor dat jaar af te wijken. De Inspecteur heeft bij brief van 11 april 2008 zijn verzoek om informatie betreffende voornoemde aftrekposten herhaald. Deze vragen zijn niet beantwoord. Evenmin zijn betalingsbewijzen of andere bescheiden waaruit blijkt dat de door belanghebbende in aftrek gebrachte bedragen op hem of zijn echtgenote hebben gedrukt, overgelegd. Bij het vaststellen van de aanslag, gedagtekend 28 mei 2008, is de Inspecteur van de aangifte afgeweken onder meer op de onderdelen de eigen woning, durfkapitaal, scholingsuitgaven en giften.

Ter zake van het jaar 2008

1.

Eiseres heeft op 31 maart 2009 aangifte IB/PVV voor het jaar 2008 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.843. Verweerder heeft bij brief van 17 november 2010 vragen gesteld over de aangifte. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder op 23 december 2010 een brief en op 15 februari 2011 stukken van eiseres ontvangen.

2.

Verweerder heeft in zijn brief van 16 mei 2011 correcties op de aangifte aangekondigd en met dagtekening 4 juni 2011 de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.668. Dit bedrag is als volgt berekend:

Aangegeven belastbaar inkomen box 1

15.843

Bij: minder aftrek eigen woning

7.040

Bij: geen ziektekosten

1.785

Vastgesteld bij navorderingsaanslag

24.668

3.

Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

In alle zaken

3.2.

Voorts is in hoger beroep op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.3.

Bij brief van 11 maart 2011 heeft de Inspecteur – voor zover thans van belang – ter zake van de aanslagregeling van belanghebbende het volgende aan de echtgenoot van belanghebbende geschreven (het hof vermeldt de nummers van de bladzijden):

“(…) blz. 1

Op 27 januari 2011 is voor het laatst met u gesproken en op die datum is schriftelijk aan u bevestigd dat akkoord wordt gegaan met het verlenen van uitstel tot 15 februari 2011 voor het aanleveren van alle bescheiden. Helaas heeft u niet overeenkomstig de met u gemaakte afspraak alle gevraagde gegevens overgelegd. Een toelichting voor het ontbrekende heb ik niet aangetroffen. Verder in deze brief geef ik een overzicht van de ontbrekende informatie en de daarbij behorende gevolgen voor de diverse aangiften.

Het niet of niet volledig verstrekken van gevraagde informatie over de (diverse) aangifte(n) inkomstenbelasting heeft tot gevolg dat ik -zoals eerder aan u kenbaar gemaakt- van plan ben navorderingsaanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2006 en 2007 met vergrijpboete aan u en uw echtgenote op te leggen. Tevens ben ik voornemens correcties aan te brengen in de aangiften inkomstenbelasting 2008 van u en uw echtgenote, Aan het eind van deze brief stel ik u nog eenmaal in de gelegenheid om te reageren op deze brief en de nog ontbrekende informatie te verstrekken.

(…) blz. 2

1.

Eigenwoningforfait en eigenwoningrente

De woning aan de [a-straat 1] te [Q]

Tijdens het persoonlijk gesprek met u en mijn collega (…) op maandag 17 januari 2011 heeft u aangegeven dat u in het jaar 2006 (na de datum van uw verjaardag op [dag en maand]) in de zomervakantie bent verhuisd naar de [b-straat 1] te [Z].

Voor het eerst op 3 oktober 2006 staan er andere personen dan de leden van het gezin [Y] en [X] ingeschreven in de woning op het adres aan de [a-straat 1] te [Q].

De woning wordt klaarblijkelijk sedert die datum doorlopend verhuurd aan derden.

Er is dan vanaf 3 oktober 2006 geen sprake meer van een eigen woning (Box 1).

De (voormalige eigen-)woning dient daarom evenals de bijbehorende eigenwoningschuld fiscaal te worden overgeheveld naar Box 3: inkomen uit sparen en beleggen.

Gevolgen Box 1:

Aangifte 2006 van mw [X]: minder eigenwoning forfait € 195 (3/12 x € 780)

Minder aftrek eigenwoningrente € 1.434 (3/12 x € 5.739)

Aangifte 2008 van mw [X]: minder eigenwoning forfait € 847

(…)

blz. 3

4.

Eigenwoningrente

(…) blz. 4

Eigenwoningreserve 2006

(…) ultimo 2006 [is] met betrekking tot de woning aan de [a-straat 1] te [Q] een eigenwoningreserve ontstaan. Het bedrag van de eigenwoningreserve heb ik bepaald op € 15.600. Dit houdt in dat in van de totaal voor de nieuw aangekochte woning aangegane hypotheekschuld een bedrag van € 15.600 gerekend dient te worden tot de schulden in Box 3: inkomen uit sparen en beleggen.

Dit houdt in dat in de jaren vanaf 2007 een bedrag van € 15.600 niet tot de eigenwoningschuld van de nieuwe woning gerekend mag worden. Van de in een jaar in totaal betaalde hypotheekrente is de hypotheekrente over € 15.600 niet aftrekbaar als eigenwoningrente.

Het bedrag van de eigenwoningschuld stel ik vast op € 387.400. Dit bedrag is opgebouwd uit:

[bank] [111-111111] (Aflossingsvrij) met hoofdsom € 403.000

Af: de eigenwoningreserve € 15.600

De eigenwoningschuld bedraagt € 387.400

Alleen de over het bedrag van € 387.400 betaalde rente merk ik aan als (aftrekbare) eigenwoningrente. De eigenwoningrente (bij gelijkblijvend rentepercentage en restschuld) bedraagt dan per jaar € 12.782 (€ 387.400/€ 403.000 x jaarrente € 13.296).

Gevolgen:

Box 1:

Aangifte 2006 van dhr. [Y]:

Geen renteaftrek [bank] [222-222222] € 1.519

Minder renteaftrek [bank] [111-111111]

(€ 15.600/€ 403.000 x jaarrente € 13.296) € 514

€ 2.033

Aangifte 2007 van dhr. [Y]:

Geen renteaftrek [bank] [222-222222] € 1.630

Minder renteaftrek [bank] [111-111111]

(€ 15.600/€ 403.000 x jaarrente € 13.296) € 514

€ 2.144

Aangifte 2008 van dhr. [Y]:

Geen renteaftrek [bank] [222-222222] € 1.956

Verschil met aangeleverde informatie € 425

Minder renteaftrek [bank] [111-111111]

(€ 15.600/€ 403.000 x jaarrente € 13.296) € 514

€ 2.045

(…) blz. 5

5.

PGA: ziektekosten (2008)

In de aangiften inkomstenbelasting 2008 is een totaalbedrag aan ziektekosten ad € 4.996 aangegeven. Voor het niet aftrekbare bedrag, de zgn. drempel, is rekening gehouden met een totaalbedrag van € 2.161. Het in totaal in aftrek gebrachte bedrag is € 2.835. De aftrek is verdeeld tussen de partners. Helaas heeft u niet overeenkomstig de met u gemaakte afspraak de gevraagde informatie overgelegd. Een toelichting voor het ontbrekende heb ik niet aangetroffen. Nu u de gegevens aangaande de (blad 6) aftrekpost voor ziektekosten niet heeft verstrekt kan ik de in aftrek gebrachte bedragen niet accepteren.

Gevolgen:

Aangifte 2008 van mw. [X]: minder aftrek ziektekosten € 1.785

Aangifte 2008 van dhr. [Y]: minder aftrek ziektekosten € 1.050

6.

PGA: studiekosten

In de aangiften inkomstenbelasting 2006 (van u beiden), 2007 (dhr) en 2008 (dhr) zijn bedragen in aftrek gebracht met betrekking tot studiekosten. Helaas heeft u niet overeenkomstig de met u gemaakte afspraak alle gevraagde informatie overgelegd. De betalingsbewijzen heeft u niet overgelegd. Een toelichting voor het ontbrekende heb ik niet aangetroffen. Nu u voor de beoordeling van de aftrek van studiekosten van belang zijnde gegevens niet volledig heeft verstrekt kan ik de in aftrek gebrachte bedragen niet accepteren.

Daarnaast bestaat er per jaar een substantieel verschil tussen de wel verstrekte informatie en de bedragen die aan studiekosten in aftrek worden gebracht. Ik heb van u geen verklaring voor deze verschillen aangetroffen.

PGA: studiekosten 2006 (…) 2008

Studiekosten volgens de aangiften:

Betaalde studiekosten volgens de aangifte van mw. [X] € 1.100

Betaalde studiekosten volgens de aangifte van dhr. [Y] € 10.050 (…) € 6.555

Totaal betaalde studiekosten volgens de aangiften € 11.150 (…) € 6.555

Bedrag drempels € 1.000 (…) € 500

Aftrek volgens de aangiften € 10.050 (…) € 6.055

Studiekosten volgens de verstrekte informatie: € 4.219 (…) € 3.483

Studiekosten volgens de verstrekte betalingsbewijzen: € 0 (…) € 0

Gevolgen:

Aangifte 2006 van mw. [X]: minder aftrek studiekosten € 600

Aangifte 2006 van dhr. [Y]: minder aftrek studiekosten € 9.550

Aangifte 2008 van mw. [X]: minder aftrek studiekosten € 5.708

Aangifte 2008 van dhr. [Y]: minder aftrek studiekosten € 6.054

7.

PGA: giften

In de aangiften inkomstenbelasting 2006 en 2007 van u beiden zijn bedragen in aftrek gebracht voor gedane giften. Helaas heeft u niet overeenkomstig de met u gemaakte afspraak de bij deze giftenaftrek gevraagde informatie overgelegd. Een overzicht van de gedane giften alsmede de betalingsbewijzen heeft u niet overgelegd. Een toelichting voor het ontbrekende heb ik niet aangetroffen. Nu u voor de beoordeling van (blad 7) de aftrek van giften van belang zijnde gegevens niet heeft verstrekt kan ik de in aftrek gebrachte bedragen niet accepteren.

PGA: giften 2006 2007

Gedane giften volgens de aangiften:

Gedane giften volgens de aangifte van mw. [X] € 750 € 1.500

Drempel € 174 € 631

In aftrek gebracht € 576 € 860

Betalingsbewijzen € 0 € 0

Gedane giften volgens de aangifte van dhr. [Y] € 2.500 € 1.500

Drempel € 316 € 558

In aftrek gebracht € 2.184 € 940

Gedane giften volgens de informatie € 0 € 0

Gedane giften volgens de verstrekte betalingsbewijzen € 0 € 0

Gevolgen:

Aangifte 2006 van mw. [X]: minder aftrek giften € 576

Aangifte 2006 van dhr. [Y]: minder aftrek giften € 2.184

Aangifte 2007 van mw. [X]: minder aftrek giften € 860

Aangifte 2007 van dhr. [Y]: minder aftrek giften € 940

3.4.

Bij brief van 14 maart 2011 heeft de Inspecteur aan belanghebbende, onder verwijzing naar voormelde brief van 11 maart 2011, medegedeeld dat hij voornemens is de navorderingsaanslagen en de aanslag conform voorgaand overzicht vast te stellen en dat hij voornemens is over de belastingbedragen ter zake van de navorderingsaanslagen een boete op te leggen.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil:

Ter zake van het jaar 2005

- of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in haar beroep is verklaard. Niet in geschil is dat het beroepschrift buiten de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde beroepstermijn is ingediend. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend.

Ter zake van het jaar 2006 en 2007

- of de navorderingsaanslagen en de daarbij genomen beschikkingen heffingsrente terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de Inspecteur beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, en zo ja, of de navorderingsaanslagen naar het juiste bedrag zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur beantwoordt de vragen bevestigend. Aangezien de boetebeschikking 2006 bij beschikking van 8 juni 2011 is vernietigd, is de gelijktijdig met de navorderingsaanslag 2006 opgelegde vergrijpboete niet langer in geschil. Wel is in geschil of de gelijktijdig met de navorderingsaanslag 2007 opgelegde boete terecht is opgelegd.

Ter zake van het jaar 2008

- of de aanslag terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend.

4.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

Ter zake van het jaar 2005

Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkheid van het beroep. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Ter zake van het jaar 2006

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en die op bezwaar en – naar het Hof begrijpt – tot vermindering van de aanslag conform de ingediende aangifte. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Ter zake van het jaar 2007

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Ter zake van het jaar 2008

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en die op bezwaar en – naar het Hof begrijpt – tot vermindering van de aanslag conform de ingediende aangifte. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.1. De rechtbank heeft overwogen:

Ter zake van het jaar 2005

4.

Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een buiten de termijn ingediend beroepsschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim was.

6.

Eiseres neemt het standpunt in dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat in de uitspraak op bezwaar niet werd gewezen op de mogelijkheid van een beroepsprocedure bij de rechtbank. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder is het dan aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rechtsmiddelverwijzing in de uitspraak op bezwaar ontbrak. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. Uit het enkele feit dat in de door eiseres overgelegde uitspraak op bezwaar nietgaatjes ontbreken volgt niet dat bij deze uitspraak geen bijlagen waren gevoegd. Verweerder heeft aangevoerd, en de rechtbank acht aannemelijk, dat het geen standaard werkwijze is de bijlagen aan de uitspraak te hechten en dat de uitspraakdoende ambtenaar niet gewoon is de bijlagen vast te nieten. Ook uit het feit dat de beroepen van eiseres met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2008 wel tijdig zijn ingediend, kan niet worden afgeleid dat de rechtsmiddelverwijzing ontbrak. Nu eiseres de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen en, naar blijkt uit hetgeen in de uitspraak op bezwaar is vermeld, op de hoogte was van de mogelijkheid beroep in te stellen, acht de rechtbank het niet aannemelijk gemaakt dat de termijnoverschrijding kan worden verklaard door het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing.

7.

Ook overigens is geworden, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

8.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

9.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ter zake van het jaar 2006 en het jaar 2007

“Navorderingsaanslag 2007

7.

In beginsel mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Dit is echter anders indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. In dat geval is de inspecteur is echter tot een nader onderzoek gehouden (zie HR 11 april 2001, nr. 36.088, LJN: AB1005, BNB 2001/260).

9.

Uit de onder 5 geciteerde uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage leidt de rechtbank het volgende af. Verweerder heeft naar aanleiding van de aangifte IB/PVV2005 van de echtgenoot vragen gesteld over onder meer de eigenwoningaftrek, de scholingsuitgaven en de giften. Toen inlichtingen van de zijde van eiser uitbleven, heeft verweerder in zijn brief van 25 maart 2008 correcties aangekondigd en deze correcties bij aanslag met dagtekening 28 mei 2008 opgelegd.

10.

De correcties betreffen gezamenlijke inkomensbestanddelen van eiseres en de echtgenoot. Daarin heeft verweerder echter geen aanleiding gezien om over de aangifte 2007 vragen te stellen. De aanslag IB/PVV voor 2007 is conform de aangifte van eiseres vastgesteld (dagtekening 28 november 2008). Eerst in juni 2009 heeft verweerder vragen gesteld over de aangifte 2007. Toen deze vragen onbeantwoord bleven, heeft verweerder alsnog, door middel van een navorderingsaanslag, gecorrigeerd.

11.

Nu de navorderingsaanslag aftrekposten betreft die reeds voor het vaststellen van de primitieve aanslagen aan de orde waren gesteld, namelijk bij de aanslagregeling voor 2005 van de echtgenoot, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat verweerder daaraan in redelijkheid niet behoorde te twijfelen. Verweerder was ervan op de hoogte, althans behoorde dat te zijn, dat deze aftrekposten ter discussie stonden. Derhalve heeft verweerder door de aftrekposten niet nader te onderzoeken alvorens de primitieve aanslag op te leggen een ambtelijk verzuim begaan dat aan navordering in de weg staat (vgl. HR 4 oktober 2002, nr. 37.401, LJN: AE8368, BNB 2002/388).

12.

Uit het voorgaande volgt dat de navorderingsaanslag 2007 en de beschikking heffingsrente 2007 niet in stand kunnen blijven.

Navorderingsaanslag 2006

13.

Dit is anders voor de navorderingsaanslag 2006. De primitieve aanslag voor 2006 is op 26 januari 2008 opgelegd, derhalve voordat verweerder vragen stelde over de aangifte 2005 van de echtgenoot. De in de aangifte 2006 vermelde eigenwoningaftrek, studieuitgaven en giften behoefden op zichzelf redelijkerwijs geen twijfel op te roepen. Derhalve heeft verweerder geen ambtelijk verzuim begaan door de aanslag 2006 conform de aangifte vast te stellen.

14.

Nu ook overigens niet is gebleken dat sprake was van een feit dat verweerder redelijkerwijs bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslag 2007 [bedoeld is: 2006, Hof] over een nieuw feit beschikte dat navordering rechtvaardigt. Het standpunt van eiseres dat verweerder beschikte over gegevens uit andere bronnen, onder meer de gegevens die door banken worden verstrekt, leidt niet tot een ander oordeel omdat deze gegevens niet de gecorrigeerde aftrekposten betreffen.

15.

Overigens heeft eiseres geen gronden tegen de navorderingsaanslag 2006 en de beschikking heffingsrente 2006 aangevoerd.

Ter zake van het jaar 2008

4.

Eiseres heeft in beroep geen concrete grieven aangegeven tegen de correcties en ook geen bewijsmiddelen overlegd. De stukken van het geding, waaronder het verweerschrift, geven de rechtbank geen aanleiding om de door verweerder aangebrachte correcties op de aangifte, die alle aftrekposten betreffen waarvan de bewijslast bij eiseres rust, niet over te nemen.

5.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

6.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beoordeling van het hoger beroep

De navorderingsaanslag 2005

7.1. De Inspecteur heeft met de verklaring in de brief van 22 maart 2012 en de daarbij meegestuurde afschriften van de bladzijden 1 tot en met 3 van de uitspraak op het bezwaarschrift naar aanleiding van de opgelegde navorderingsaanslag 2005, voldoende aannemelijk gemaakt dat in de uitspraak tevens een rechtsmiddelverwijzing is opgenomen. Belanghebbende heeft in eerste aanleg noch in hoger beroep nieuwe feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Niet aannemelijk is geworden dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift niet in verzuim is geweest. Zulks brengt het Hof tot het oordeel dat de rechtbank met juistheid tot haar oordeel is gekomen.

De navorderingsaanslag 2006

7.2. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag 2006 over een nieuw feit beschikte dat navordering rechtvaardigt. Het Hof acht de zienswijze van de rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne. Belanghebbende heeft voorts, tegenover hetgeen de Inspecteur te berde heeft gebracht, onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die kunnen leiden tot het oordeel dat zij terecht en tot de door haar opgevoerde bedragen aanspraak kan maken op de door haar opgevoerde aftrekposten.

De navorderingsaanslag 2007

7.3. Op de gronden vermeld in de uitspraak van heden in de zaken met de nummers BK‑12/00825, 12/00826 en 12/00852 van de echtgenoot van belanghebbende – welke uitspraak hier als herhaald ingelast moet worden beschouwd – komt het Hof tot het oordeel dat de Inspecteur beschikt over een nieuw feit dat het opleggen van de navorderingsaanslag 2007 rechtvaardigt. Belanghebbende heeft tegenover hetgeen de Inspecteur te berde heeft gebracht onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die kunnen leiden tot het oordeel dat zij terecht en tot de door haar opgevoerde bedragen aanspraak kan maken op de door haar opgevoerde aftrekposten.

Vergrijpboete

Ter zake van de aftrekpost in verband met de eigen woning

7.4. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat hem door een hypotheekadviseur, alsmede door de bank die hem een hypothecaire lening heeft verstrekt was verteld dat hij gedurende twee jaren de betaalde hypotheekrente ter zake van de oude en ter zake van de nieuwe woning in aftrek kan brengen. Het Hof heeft de Inspecteur voorgehouden dat het die verklaring geloofwaardig acht. De Inspecteur heeft vervolgens verklaard dat de boete over het bedrag dat betrekking heeft op de aftrekpost in verband met de eigen woning voor het jaar 2006 zijns inziens dient te vervallen. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

Ter zake van de aftrekpost giften

7.5. Naar het Hof begrijpt heeft belanghebbende gesteld dat tot de giftenaftrek is overgegaan op aanraden van een derde. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende is nagegaan of die informatie juist was noch dat zij zich in dit verband op adequate wijze heeft laten informeren of heeft geïnformeerd. Door zonder zelf enig onderzoek te doen naar eventuele voorwaarden voor aftrek, toch de aftrek in zijn aangifte op te voeren, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof opzettelijk onjuist aangifte gedaan. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich bewust was van het risico dat zij onjuist aangifte deed, welke onjuiste aangifte zou resulteren in de heffing van te weinig belasting en dat zij dat risico op de koop heeft toegenomen, ofwel heeft aanvaard. Gelet hierop is over de met betrekking tot deze aftrekpost nagevorderde belasting een vergrijpboete van 25 percent gerechtvaardigd. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een lagere boete.

Ter zake van de aftrekpost scholingsuitgaven

7.6. Belanghebbende heeft in eerste aanleg noch in hoger beroep, een begin van bewijs, schriftelijk noch anderszins, bijgebracht op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat zij uitgaven voor een studie dan wel opleiding heeft gedaan. Zij heeft evenmin een verklaring gegeven voor het feit dat zij geen zodanig bewijs kon leveren. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat dit bewijs nimmer voorhanden is geweest. Door niettemin voormelde aftrekposten in de aangifte op te nemen, heeft belanghebbende opzettelijk onjuist aangifte gedaan. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich bewust was van het risico dat zij onjuist aangifte deed, welke onjuiste aangifte zou resulteren in de heffing van te weinig belasting en dat zij dat risico op de koop heeft toegenomen, ofwel heeft aanvaard. Gelet hierop acht het Hof een vergrijpboete van 25 percent over de met betrekking tot deze aftrekpost nagevorderde belasting gerechtvaardigd. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een lagere boete.

Ter zake van het jaar 2008

7.7. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur terecht en op goede gronden de in rechtsoverweging 3.9 van de uitspraak van de rechtbank vermelde correcties op het inkomen van belanghebbende aangebracht. Belanghebbende op wie de bewijslast rust, heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die kunnen leiden tot het oordeel dat zij terecht en tot het door haar opgevoerde bedrag aanspraak maakt op de door haar opgevoerde aftrekposten.

Heffingsrente

7.8. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat de in rekening gebrachte heffingsrente ten onrechte dan wel tot een onjuist bedrag is berekend.

Conclusie

7.9. Op grond van het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat zowel het hoger beroep van belanghebbende als dat van de Inspecteur gegrond is. Beslist moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, omdat niet is gesteld dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel acht het Hof termen aanwezig de Staat te gelasten de door belanghebbende ter zake van het beroep en hoger beroep met betrekking tot het jaar 2006 betaalde griffierechten van in totaal € 156 te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ter zake van het jaar 2006 gegrond;

- verklaart de hoger beroepen van belanghebbende ter zake van de jaren 2005 en 2008 ongegrond;

- verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond;

- bevestigt de uitspraken van de rechtbank ten aanzien van de navorderingsaanslag 2005 en de aanslag 2008;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover betrekking hebbende op de navorderingsaanslag 2006, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boete;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover betrekking hebbende op de navorderingsaanslag 2007;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar ter zake van de navorderingsaanslag 2006, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boete;

- verklaart het beroep betreffende de navorderingsaanslag 2007 ongegrond;

- bevestigt de uitspraken van de rechtbank voor zover betrekking hebbend op de beschikkingen heffingsrente;

- bepaalt dat de Inspecteur de boetebeschikking 2006 vermindert met een bedrag ter grootte van 25 percent van de door belanghebbende verschuldigde belasting over een bedrag van € 1.239; en

- gelast dat de Inspecteur de ter zake van het beroep en hoger beroep met betrekking tot het jaar 2006 verschuldigde griffierechten ten bedrage van € 156 aan belanghebbende vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, Chr.Th.P.M. Zandhuis en P.C. van der Vegt in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M. Visser. De beslissing is op 7 januari 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.