Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:621

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-03-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
2200260112
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zelfdoding van vrouw die overgoten werd met zwavelzuur aan dader toegerekend

Het hof heeft de verdachte, die op 16 augustus 2011 zijn vriendin in Zoetermeer heeft overgoten met zwavelzuur, schuldig bevonden aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en aan zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend. Het hof heeft de man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaren en TBS. De zelfdoding van het slachtoffer heeft het hof aan de verdachte toegerekend. Zij leed door de zeer zware verminking ondragelijk en uitzichtloos.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/110 met annotatie van mr. W.J. Morra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002601-12

Parketnummer: 09-758800-11

Datum uitspraak: 4 maart 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 mei 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats],

op [geboortedag] 1972,

[detentie adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 21 december 2012 en 11 januari 2013, 14 maart 2013, 10 september 2013, 30 januari 2014 en 18 februari 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het (toenmalige) onder 1 primair (poging moord), 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest. Aan de verdachte is tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is toegewezen tot het bedrag van € 262.915,70, vermeerderd met wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 16 augustus 2011 en/of op of omstreeks 12 februari 2013 (datum van overlijden) te Zoetermeer opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) zwavelzuur, althans een brandende en/of bijtende stof in het gezicht en/of op het hoofd en/of op het lichaam van die [het slachtoffer] te gooien/spuiten (terwijl de handen van die [het slachtoffer] op haar rug waren geboeid), ten gevolgde waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden;

subsidiair


hij op of omstreeks 16 augustus 2011 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

[het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) zwavelzuur, althans een brandende en/of bijtende stof in het gezicht en/of op het hoofd en/of op het lichaam van die [het slachtoffer] te gooien/spuiten (terwijl de handen van die [het slachtoffer] op haar rug waren geboeid), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 16 augustus 2011 te Zoetermeer aan een persoon (te weten [het slachtoffer]), zijnde de partner/levensgezel van verdachte, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (verbranding van het lichaamsoppervlak waarbij het gelaat, de ogen, de hals, de borst, de benen, althans het lichaam, is/zijn aangedaan), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk zwavelzuur, althans een brandende en/of bijtende stof in het gezicht en/of op het hoofd en/of op het lichaam van die [het slachtoffer] te gooien/spuiten (terwijl de handen van die [het slachtoffer] op haar rug waren geboeid), ten gevolge waarvan die [het slachtoffer] op of omstreeks 12 februari 2013 is overleden;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks de periode van 15 augustus 2011 en/of 16 augustus 2011 te Zoetermeer opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen althans eenmaal op 15 augustus 2011

- een doek om de ogen van die [het slachtoffer] gebonden terwijl zij op bed lag en/of

- de handen van die [het slachtoffer] op de rug geboeid en/of gedaan alsof hij, verdachte, geen sleutel had om de handboeien los te maken en/of

- die [het slachtoffer] verboden naar beneden te gaan en/of

op 16 augustus 2011

- die [het slachtoffer] op het bed gegooid/geduwd en/of

- de handen van die [het slachtoffer] op de rug geboeid en/of

- een doek op/voor de mond van die [het slachtoffer] gehouden terwijl hij, verdachte, op de schouders en/of op het lichaam van die [het slachtoffer] zat (terwijl die [het slachtoffer] vastgebonden op het bed lag) en/of

- die [het slachtoffer] (terug) op het bed geduwd toen zij op wilde staan/weg wilde lopen en/of

- de haren van die [het slachtoffer] afgeschoren en/of

- ducktape aan die [het slachtoffer] laten zien en/of

- een flesje met zwavelzuur laten zien en die [het slachtoffer] gedwongen het waarschuwingsetiket te lezen en/of

en aldus voor die [het slachtoffer] een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan die [het slachtoffer] zich niet kon onttrekken;

3.


hij op of omstreeks 16 augustus 2011 te Zoetermeer opzettelijk mishandelend een persoon, te weten

[het slachtoffer], zijnde de partner/levensgezel van verdachte, de hoofdharen heeft afgeschoren, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Inleiding

Op de verdachte rust de verdenking dat hij – kort en zakelijk weergegeven - op 15 en 16 augustus 2011 [het slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door haar met haar handen op de rug te boeien en te beletten dat zij de kamer waarin zij zich bevond, zou verlaten. De verdachte wordt voorts verweten dat hij op 16 augustus 2011 het slachtoffer heeft mishandeld door haar hoofdharen af te scheren en vervolgens met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, dan wel zwaar heeft mishandeld met de dood tot gevolg, door uit een flesje een aanzienlijke hoeveelheid geconcentreerd zwavelzuur over haar bovenlichaam en hoofd heen te gieten, ten gevolge waarvan het slachtoffer zeer ernstig verminkt is geraakt en uiteindelijk op 11 februari 2013 zich van het leven heeft beroofd.

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd dat het besluit van het slachtoffer om een einde aan haar leven te maken redelijkerwijs aan de verdachte kan en moet worden toegerekend, zodat sprake is van moord of doodslag dan wel zware mishandeling met voorbedachten rade de dood ten gevolge hebbend.

Feit 1

Moord/doodslag dan wel poging daartoe

Met betrekking tot de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde moord/doodslag respectievelijk poging moord/doodslag gaat het allereerst om de vraag of de verdachte opzettelijk de dood van het slachtoffer heeft teweeggebracht.

Onvoorwaardelijk opzet

Het hof is van oordeel dat van onvoorwaardelijk opzet – in de zin van oogmerk - in deze zaak niet is gebleken, hetgeen ook het standpunt is van de advocaat-generaal zoals verwoord in haar requisitoir.

Voorwaardelijk opzet

Ten aanzien van de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet overweegt het hof dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer - aanwezig is indien de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden, heeft aanvaard.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten (I). Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is voorts niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden (II), maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen)(III). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 30 december 2012, LJN BX5396 en 25 maart 2003, LJN AE9049) (IV).

I. Aanmerkelijke kans

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2014 verklaard – voor zover hier van belang - dat hij op 16 augustus 2011 het slachtoffer handboeien heeft omgedaan, haar hoofdharen heeft afgeschoren en haar heeft willen verminken door - uit een half liter flesje - geconcentreerd zwavelzuur eerst over haar bovenlichaam en vervolgens over haar hoofd heen te gooien.

De vraag die in deze voorligt is of het overgieten van een persoon met zwavelzuur op de wijze zoals in deze zaak is geschied, op zichzelf genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood met zich brengt.

Het hof stelt allereerst vast dat de verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer – terwijl zij met haar handen achter haar rug geboeid was - meermalen met (sterk geconcentreerd) zwavelzuur heeft overgoten, over haar borst en over haar hoofd. Het slachtoffer heeft verklaard dat de verdachte eerst zwavelzuur over haar borst heeft gegoten. Daarna – terwijl zij wilde wegkomen - heeft hij de rest van de inhoud van het flesje gericht over haar gezicht gegooid, met het flesje schuddend in een beweging ‘te vergelijken met het kruiden van vlees’.

Het hof stelt op basis van deze verklaringen vast dat de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid sterk geconcentreerd zwavelzuur over borst, hoofd en gezicht van het slachtoffer heeft gegooid.

Uit het medische dossier van het slachtoffer volgt dat het percentage verbranding van haar lichaamsoppervlak is te stellen op 12,5 % waarbij hoofd, gezicht (waaronder de ogen) en hals het zwaarst zijn aangedaan.

In de brief van 18 augustus 2011 van D. Botter, forensisch arts KNMG, is te lezen dat er geen eenduidig antwoord is te geven op de vraag welk percentage door ‘verbranding’ aangedaan huidoppervlak een levensbedreigende situatie vormt. Verbranding van meer dan 30-40% van het huidoppervlak kan in de acute fase een levensbedreigende situatie vormen (o.a. afhankelijk van verbrandingsgraad, leeftijd en pre-existente gezondheidstoestand van het slachtoffer). In dit kader bezien vormt naar oordeel van Botter het in casu aangedane percentage van het lichaamsoppervlak waarschijnlijk geen levensbedreigende factor. Een kleiner percentage aangedaan lichaamsoppervlak kan echter evenzeer aanleiding vormen voor een potentieel dodelijk verloop indien zich complicaties voordoen, zoals bijvoorbeeld infecties. Daarnaast signaleert Botter dat bij blootstelling van het gelaat aan een etsende vloeistof een reëel risico bestaat van inhalatie of inslikken en uitbraken van deze vloeistof (aspiratie), waardoor ernstige afwijkingen in longen en luchtwegen kunnen optreden die levensbedreigend zouden kunnen verlopen. Het risico op aspiratie is groter bij angst, paniek, schermutselingen en andere situaties waarbij onverhoedse reacties optreden. Het zich voordoen van ernstige verwikkelingen is in belangrijke mate afhankelijk van snelle bereikbaarheid van adequate medische hulp.

Ter zitting in hoger beroep is D. Botter voornoemd gehoord welk verhoor in grote lijnen niet heeft geleid tot een ander standpunt van Botter dan als voormeld.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat, gelet op de aanzienlijke hoeveelheid geconcentreerd zwavelzuur die op het hoofd en in het gezicht van het slachtoffer is gegooid, op de weerloze – geboeide - positie waarin het slachtoffer daaraan voorafgaand was gebracht en op de omstandigheid dat zij gezien die benarde situatie panisch moet zijn geweest - en dat gegeven haar verklaring ook was - een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood als gevolg van het handelen van de verdachte mogelijk kan worden aangenomen.

Het hof merkt nog op dat geen vergelijkbare gevallen uit de rechtspraak bekend zijn waardoor een referentiekader in dit opzicht ontbreekt.

Het hof is evenwel van oordeel, zoals hieronder nader zal worden uiteengezet, dat wat er ook van zij een mogelijk aan te nemen aanmerkelijke kans op de dood – niet is komen vast te staan dat de verdachte bovenomschreven werking van vrijwel 100 procent geconcentreerd zwavelzuur op de borst en in het gelaat van het slachtoffer, zodanig heeft gekend of begrepen dat wetenschap aan zijn zijde van dit mogelijke gevolg kan worden aangenomen en evenmin dat hij (het risico op) een fataal gevolg welbewust heeft aanvaard.

II. Wetenschap

De verdachte had er - zo maakt het hof uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep op – wetenschap van, althans die wetenschap moet minst genomen bij hem worden verondersteld, dat geconcentreerd zwavelzuur zeer ernstige brandwonden veroorzaakt indien het in aanraking wordt gebracht met de huid. De verdachte heeft op het internet immers gezocht naar internetsites met informatie daarover en hij heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij het slachtoffer wilde verminken door het toebrengen van (ernstige) brandwonden. Niet blijkt evenwel dat de verdachte informatie ter beschikking had of heeft gekregen waaruit hij heeft moeten begrijpen dat door zijn handelen de kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden (mogelijk) aanmerkelijk was. De door de verdachte bezochte websites bieden naar inzicht van het hof die informatie niet noch informatie over een mogelijk dodelijk verloop van letsel naar aanleiding van ernstige (tweede- of derdegraads) brandwonden als gevolg van contact met geconcentreerd zwavelzuur. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de wetenschap omtrent een aanmerkelijke kans op de dood van ernstige brandwonden op of aan/in het hoofd/gezicht als gevolg van de inwerking van geconcentreerd zwavelzuur, geen feit van algemene bekendheid is.

III. Bewuste aanvaarding

Uitgaande van het ontbreken van wetenschap bij de verdachte van de mogelijk aanmerkelijke kans dat als gevolg van zijn handelen met het geconcentreerde zwavelzuur de dood van het slachtoffer zou intreden, is er ook geen sprake van dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

IV. Aard van de gedraging


De vraag is tenslotte of het - gegeven de vastgestelde feiten en omstandigheden - met geconcentreerd zwavelzuur overgieten van de borst en het hoofd en gezicht van het slachtoffer, een gedraging oplevert die naar zijn aard zozeer is gericht op het veroorzaken van een dodelijk gevolg, dat daaruit kan worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Anders dan in de gevallen waarin het voor ieder normaal denkend mens evident is dat de gedraging acuut levensgevaarlijk is, is het hof van oordeel dat de gedraging van de verdachte in de onderhavige zaak daaronder niet is te brengen.

Het hof is – alles overwegende – van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte welbewust de (mogelijk) aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, zodat ook van voorwaardelijk opzet in zoverre geen sprake is.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof – anders dan het openbaar ministerie concludeert - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair (moord/doodslag)en subsidiair (poging moord/doodslag) ten laste is gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande behoeven de verweren van de verdediging met betrekking tot hetgeen waarvan de verdachte zal worden vrijgesproken, waaronder de betwisting van de deskundigheid van D. Botter, geen verdere bespreking.

Zware mishandeling met voorbedachte rade de dood ten gevolge hebbend

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 cumulatief/alternatief ten laste gelegde (zware mishandeling met voorbedachten rade de dood ten gevolge hebbend) heeft begaan.

Opzet

De verdachte heeft het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte (voor het eerst) openheid van zaken gegeven over het werkelijke motief om het slachtoffer te ‘bewerken’ met geconcentreerd zwavelzuur. In juni 2011 heeft het slachtoffer de verdachte naar zijn

zeggen – na een fikse ruzie – een week lang volstrekt genegeerd. De verdachte heeft hieronder geleden en hij heeft dit als zeer krenkend en pijnlijk ervaren. De verdachte heeft toen het besluit genomen dat hij het slachtoffer pijn wilde doen zoals zij hem pijn had gedaan en wel zodra zich een situatie zou voordoen waarbij zij hem weer zó zou krenken/emotioneel pijn zou doen. Omdat de verdachte naar zijn gevoelen het slachtoffer niet psychisch kon treffen, zoals zij hem, wilde hij haar fysiek laten lijden door haar met ernstige brandwonden te verminken.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering, of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2014 gaat het hof uit van het navolgende.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte op 20 juni 2011, bijna twee maanden voordat de ten laste gelegde feiten zich hebben voorgedaan, op het internet een aantal zoekslagen heeft gemaakt met de trefwoorden “zwavelzuur kopen”, “wat is gevaarlijker: zwavelzuur of zoutzuur?”, “eerstegraads en tweedegraads brandwonden” en dat hij op het internet een forumdiscussie heeft gevolgd over het gebruik en het verkrijgen van geconcentreerd zwavelzuur.

Vast staat voorts dat de verdachte - zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - op 5 augustus 2011 bij een online bouwmarkt een bestelling heeft gedaan voor een halve liter “superontstopper” bevattende nagenoeg 100 procent geconcentreerd zwavelzuur en dat hij deze bestelling op het adres van zijn moeder heeft laten bezorgen. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer gebeld en gevraagd of ze maandag 15 en dinsdag 16 augustus 2011 vrij kon nemen. De verdachte is naar het slachtoffer toe gegaan en heeft het door hem aangeschafte zwavelzuur in een Albert Heijn tasje meegenomen. Het slachtoffer heeft op 15 augustus 2011, nadat de verdachte haar handen op haar rug had geboeid en haar alzo uren in de slaapkamer had laten liggen, de relatie terstond met de verdachte verbroken en hem de deur gewezen. ’s Nachts heeft de verdachte wederom de woning in kunnen komen. Vroeg in de ochtend van 16 augustus 2011 heeft hij het Albert Heijn tasje in de slaapkamer van het slachtoffer neergezet. Toen hij haar in het vervolg van die ochtend wederom en dit keer met geweld had geboeid, heeft zij hem uitgemaakt voor ‘loser’, hem verweten dat de seks slecht was en gedreigd dat hij haar dochtertje - voor wie de verdachte zichzelf als vader zag - nooit meer mocht zien. Met dit laatste kon zij de verdachte – volgens zijn zeggen - niet harder treffen. De verdachte is hierdoor in woede ontstoken. Hij heeft toen het klaargezette zwavelzuur gebruikt door een aanzienlijke hoeveelheid van de inhoud van dit flesje over de borst en daarna over het hoofd/gezicht van het slachtoffer heen te gooien.

Voornoemde handelingen van de verdachte kunnen naar het oordeel van het hof niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte op voorhand van plan is geweest om het slachtoffer – zodra zij hem weer zou krenken - zwaar te mishandelen en dat hij dit plan op 16 augustus 2011 nadat het slachtoffer hem wederom had gekrenkt en hem had gedreigd zijn ‘vaderschap’ te ontzeggen, heeft uitgevoerd. De verdachte heeft zodoende uitgevoerd waartoe hij bereid was en waarop hij zich ook had voorbereid. Het hof is op grond van deze gang van zaken van oordeel dat de verdachte met voorbedachten rade, na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld. Hij heeft de tijd gehad zich te beraden op het genomen besluit; de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Ook overigens is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de besluitvorming en uitvoering door de verdachte van zijn handelingen in plotselinge hevige drift heeft plaatsgevonden of dat er slechts sprake was van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering. Weliswaar is de verdachte naar zijn zeggen op 16 augustus 2011 in woede ontstoken, doch dat maakt het oordeel van het hof niet anders. Dit was juist het moment waarop de verdachte zich sinds juni 2011 had voorbereid: bij de eerst volgende krenking zou hij het slachtoffer fysiek met verminking treffen en zo heeft hij het uitgevoerd.

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte de zware mishandeling heeft aangedaan aan zijn partner/levensgezel en spreekt hem daarvan vrij. De verdachte onderhield gelijktijdig een affectieve relatie zowel met het slachtoffer als met de zus van het slachtoffer (met wie de verdachte een kind heeft) en het slachtoffer had op 15 augustus 2011 de relatie definitief had verbroken.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat voor het overige wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte onder 1 cumulatief/alternatief ten laste is gelegd.

De dood ten gevolge hebbend: het causale verband

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

In de rechtspraak wordt thans het criterium van de redelijke toerekening gehanteerd in die gevallen waarin niet aanstonds duidelijk is dat er causaal verband kan worden aangenomen. Het gaat bij de beoordeling van de vraag of er causaal verband is om de vraag of het overlijden van het slachtoffer nog redelijkerwijs als gevolg van het handelen van de dader aan hem kan worden toegerekend. Dat oordeel heeft een juridisch, normatief karakter: toerekening moet redelijk zijn op grond van concrete feiten en omstandigheden, bezien in het licht van maatschappelijke, deels ook historisch bepaalde opvattingen. In deze casus is bijzonder dat het slachtoffer een welbewuste beslissing heeft genomen haar leven te beëindigen. Het hof moet afwegen of die beslissing in redelijkheid als gevolg van zijn handelen aan de verdachte kan worden toegerekend.

Bij het oordeel omtrent die redelijkheid moeten de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

Vast staat dat het slachtoffer op 11 februari 2013 zichzelf heeft gedood. Haar zelfdoding was – zoals uit haar afscheidsbrief blijkt – ingegeven door de aanhoudende pijn en wanhoop die zij onderging na de verminking met zwavelzuur door de verdachte; zij heeft de achttien maanden die daarna volgden ondergaan als een marteling. Dat haar lijden – fysiek en psychisch – ondraaglijk en uitzichtloos was, wordt bevestigd door hetgeen de SCEN-arts in zijn schrijven van 3 september 2013 heeft gesteld en door hetgeen haar plastisch chirurg heeft geschreven in een brief gedateerd 14 augustus 2013. De chirurg geeft in zijn schrijven aan dat gelaatstransplantatie was overwogen en dat hij niet verwachtte dat zijn patiënte (hof: het slachtoffer) ooit een eindtoestand zou bereiken, in die zin dat geen correcties meer nodig zouden zijn. “Ik verwacht dat er nog tientallen, zo niet honderden operaties nodig zullen zijn en het eindresultaat zal naar mijn mening een ernstige deformiteit van het gelaat, rondom het oog, de neus en de bovenlip zijn”, aldus de chirurg. Dit heeft hij (blijkens de verklaring van getuige 1) ook aan zijn patiënte meegedeeld. De geestelijk verzorger van het Maasstad Ziekenhuis, [getuige 2], die tot het eind toe betrokken was bij het slachtoffer, heeft aangegeven dat naast de ondragelijke pijnen die het slachtoffer had door de wondverzorging en de operaties (ondanks maximale pijnstilling) ook het sociaal isolement en met name het verloren contact met en de zorg voor haar kinderen, veroorzaakt door de situatie waarin zij door haar verminking was geraakt, haar wanhopig maakte.

Het hof is van oordeel dat evident is dat deze concrete feiten en omstandigheden - het voortdurend voortgezet medisch ingrijpen zonder ‘eindtoestand’, de vreselijke pijnen die het slachtoffer leed, de blijvende en zelfs nog toenemende ernst van de verminkingen (waarbij medisch noodzakelijk ingrijpen de deformaties soms nog verergerde) en het psychisch lijden van het slachtoffer door al deze omstandigheden én door het isolement dat daardoor ontstond - niet alleen omdat zij in fysieke zin afhankelijk was van hulp en niet voor haar kinderen kon zorgen, maar ook omdat zij meer en meer in een volstrekt sociaal isolement raakte, - uiteindelijk hebben geleid tot haar beslissing zichzelf het leven te benemen.

Maatschappelijk wordt meer en meer aanvaard dat leven niet meer ten koste van al het andere, van iedere menswaardigheid, moet voortduren. De welbewuste beslissing van het slachtoffer kan naar oordeel van het hof niet anders worden gezien dan als een door haar situatie ingegeven en vanwege die situatie te begrijpen (‘zelfeuthanatisch’) handelen. Nu bovendien vastgesteld kan worden dat het geheel en al aan de verdachte te wijten is dat zij in die situatie is gekomen, is het naar het oordeel van het hof redelijk niet alleen het lijden maar ook het gevolg van dat lijden – de dood van het slachtoffer – aan de verdachte toe te rekenen.

Het hof overweegt daarbij nog dat er weliswaar anderhalf jaar is verstreken tussen de daad van de verdachte en de zelfdoding van het slachtoffer, maar ziet ook hierin geen belemmering om te komen tot het aannemen van een causaal verband. De aard van het toegebracht letsel maakte dat het lang duurde voordat kon worden vastgesteld of in hoeverre er nog herstel mogelijk was, of en in hoeverre de pijn verminderde en of en in hoeverre de verminkingen soms nog verergerden door noodzakelijk medisch ingrijpen. Het slachtoffer heeft pas gaandeweg kunnen beseffen – en beseft - hoe hopeloos, in de zin van ondragelijk, en uitzichtloos haar lijden en in alle opzichten haar toekomst was. Ook het tijdsverloop staat derhalve niet in de weg aan de redelijke toerekening van het gevolg (de dood van het slachtoffer) aan de verdachte.

Het hof is – met het openbaar ministerie – van oordeel dat de bewezenverklaarde zware mishandeling met voorbedachte rade de dood van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad, zodat het verweer dienaangaande van de raadsvrouw wordt verworpen.

Feit 2

Wederrechtelijke vrijheidsberoving

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2014 verklaard dat hij het slachtoffer op zowel 15 als 16 augustus 2011 handboeien heeft omgedaan, waarbij hij haar handen op de rug heeft geboeid en dat hij op 15 augustus 2011 een doek om haar hoofd heeft gebonden. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij door de verdachte is geboeid en dat hij haar op 15 augustus 2011 had gezegd dat hij geen sleutel meer had van de handboeien alsmede dat zij op 16 augustus 2011 door de verdachte terug op het bed werd geduwd toen zij weg wilde gaan. Het hof is van oordeel dat het voor het slachtoffer op beide dagen niet mogelijk is geweest om haar kamer en daarmee haar woning vrijelijk te verlaten en dat het opzet van de verdachte hierop gericht is geweest.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het slachtoffer op 15 en 16 augustus 2011 wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden.

Feit 3

Mishandeling

De verdachte heeft erkend dat hij op 16 augustus 2011 de hoofdharen van het slachtoffer heeft afgeschoren. Nu evenwel het slachtoffer heeft verklaard dat zij geen pijn heeft ondervonden en hieromtrent geen letsel bij haar is geconstateerd, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte op voornoemde wijze het slachtoffer heeft mishandeld, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het overige onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

subsidiair.
hij op 16 augustus 2011 te Zoetermeer aan een persoon (te weten [het slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (verbranding van het lichaamsoppervlak waarbij het gelaat, de ogen, de hals, en de borst, zijn aangedaan), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, zwavelzuur in het gezicht en op het hoofd en op het lichaam van die [het slachtoffer] te gooien terwijl de handen van die [het slachtoffer] op haar rug waren geboeid tengevolge waarvan die [het slachtoffer] op omstreeks 12 februari 2013 is overleden.

2.

hij op 15 augustus 2011 en op 16 augustus 2011 te Zoetermeer opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft verdachte met dat opzet op 15 augustus 2011

- een doek om de ogen van die [het slachtoffer] gebonden terwijl zij op bed lag en

- de handen van die [het slachtoffer] op de rug geboeid en gedaan alsof hij, verdachte, geen sleutel had om de handboeien los te maken en

op 16 augustus 2011

- die [het slachtoffer] op het bed gegooid/geduwd en

- de handen van die [het slachtoffer] op de rug geboeid en

- een doek voor de mond van die [het slachtoffer] gehouden terwijl hij, verdachte, op de schouders of op het lichaam van die [het slachtoffer] zat (terwijl die [het slachtoffer] vastgebonden op het bed lag) en

- die [het slachtoffer] (terug) op het bed geduwd toen zij op wilde staan/weg wilde lopen en

- de haren van die [het slachtoffer] afgeschoren en

- ducktape aan die [het slachtoffer] laten zien en

- een flesje met zwavelzuur laten zien en die [het slachtoffer] gedwongen het waarschuwingsetiket te lezen en

aldus voor die [het slachtoffer] een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan die [het slachtoffer] zich niet kon onttrekken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hieronder vermelde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Bewijsmiddelen

[-]

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

Zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair (moord), 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof stelt voorop dat de maximaal op te leggen straf voor een zware mishandeling met voorbedachte raad terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, een gevangenisstraf van vijftien jaren bedraagt. Heeft de verdachte nog één of meer andere misdrijven gepleegd die gevoegd worden berecht, dan is de maximaal op te leggen gevangenisstraf 20 jaren.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in het huis van het slachtoffer op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en zware mishandeling met voorbedachten rade van zijn ex-vriendin, [het slachtoffer], hetgeen uiteindelijk tot haar dood heeft geleid. Hij heeft het slachtoffer eerst vastgebonden met handboeien zodat zij haar woning niet kon verlaten. Daarna heeft hij haar hoofdhaar afgeschoren teneinde een nog bedreigender situatie te creëren. Hierna heeft de verdachte op zeer wrede wijze het slachtoffer zwaar mishandeld aan het hoofd en in het gelaat en op het bovenlichaam. Hij heeft in dat verband ruim te voren gezocht naar een van de gevaarlijkste middelen om iemand te kunnen verminken, te weten zwavelzuur. Vervolgens heeft hij uit een half liter flesje een aanzienlijke hoeveelheid bijna honderd procent geconcentreerd zwavelzuur over het hoofd, gezicht en bovenlichaam van het slachtoffer gegooid. Het slachtoffer heeft hierdoor (zeer) ernstige brandwonden opgelopen en is zeer zwaar verminkt geraakt. Als gevolg hiervan leed zij ondraaglijke pijnen, kon zij nauwelijks slapen en had zij ernstige nachtmerries, moest zij talloze operaties ondergaan, naar verwachting haar leven lang en zonder dat een eindresultaat zou worden bereikt. Voorts verloor zij haar baan – waar zij goed functioneerde en zeer werd gewaardeerd - alsmede het vooruitzicht ooit weer te kunnen werken, raakte zij sociaal volstrekt geïsoleerd en kon zij niet meer moeder zijn voor haar twee jonge kinderen. Haar situatie had haar er reeds toe gebracht om euthanasie te verzoeken. Uiteindelijk is zij ertoe gekomen zichzelf van het leven te beroven door een overdosis aan pillen in te nemen.

Het is aan de verdachte te wijten dat het slachtoffer op enig moment, als gevolg van het uitzichtloze en ondraaglijke lijden dat door de uiterst ernstige verminkingen die de verdachte haar moedwillig heeft toegebracht waren ontstaan, geen andere uitweg zag dan zelfmoord te plegen, wetende dat zij haar twee nog jonge kinderen daarmee zou achterlaten.

De verdachte heeft – zo beschouwd – haar kostbaarste bezit, het leven, van haar afgenomen. Daarmee is ook aan de nabestaanden een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Niet alleen is hen een naaste – en de kinderen, hun moeder - ontnomen, ook moeten zij leven met de wetenschap dat het einde van het slachtoffer eenzaam en gruwelijk was. Het slachtoffer was een jonge moeder en zelfstandige vrouw, die in de bloei van haar leven was en twee jonge kinderen had aan wie zij was verknocht. In de kring van familie, waarbij het hof vooral denkt aan de twee kinderen, en van vrienden en collega's laat de dood van het slachtoffer een grote leegte achter. Daarnaast brengen misdrijven als deze gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg en wordt door dergelijke feiten de rechtsorde ernstig geschokt.

Op het handelen van de verdachte kan niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf die tot aan het maximum reikt nu zeer ernstige verminkingen het slachtoffer zijn aangedaan en de gevolgen daarvan zulks rechtvaardigen. Het hof komt niet tot een andere straf dan door de rechtbank opgelegd hoewel het hof tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie concludeert van het onder feit 1 ten laste gelegde en de verdachte ter zake feit 2 is vrijgesproken. Het hof weegt de aantasting van het leven van het slachtoffer – een aantasting in alle opzichten, uiteindelijk leidende tot de dood - op vergelijkbare wijze als de rechtbank in haar vonnis, nog ten tijde van het leven van het slachtoffer, heeft gedaan.

Ter zitting in hoger beroep is net als bij de rechtbank gebleken dat de spijtbetuigingen van de verdachte voor een belangrijk deel zijn ingegeven door de gevolgen die zijn handelen voor hemzelf hebben gehad en zullen hebben. Daarnaast is oninvoelbaar dat de verdachte – die zichzelf voor de kinderen van het slachtoffer zag als een vader – bij zijn voornemen het slachtoffer zwaar te verminken en de uitvoering daarvan, zich geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen daarvan voor de kinderen.

Tenslotte merkt het hof nog op dat de verdachte aan het slachtoffer de reden van zijn daad steeds heeft onthouden; dat is ook het geval geweest ter zitting van de rechtbank alwaar het slachtoffer in haar zwaar verminkte gedaante is verschenen. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte pas openheid van zaken gegeven; het slachtoffer heeft dat evenwel niet meer kunnen meemaken.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 januari 2014, waaruit blijkt dat hij reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder tweemaal voor mishandeling.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de Pro Justitia rapportage d.d. 30 oktober 2011 van psychiater dr. B.A. Blansjaar alsmede de rapportage d.d. 14 maart 2012 van psycholoog drs. M.H. Keppel. Beide rapporteurs concluderen dat er bij de verdachte sprake is van gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis en dat de stoornis aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde. Voorts adviseren beide rapporteurs de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Voorts is een Pro Justitia rapport, gedateerd 3 juli 2013, uitgebracht door F.R. Kruisdijk, psychiater, en A.H. Bouwman, onder supervisie van R.J.A. van Helvoirt, beiden psycholoog en allen verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum. De rapporteurs concluderen dat er bij de verdachte sprake is van gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, narcistische en antisociale trekken. Tevens was er sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van alcoholafhankelijkheid. Een persoonlijkheidsstoornis kenmerkt zich door de aanwezigheid van kenmerkende patronen in sociaal, intrapsychisch functioneren, relationeel en interpersoonlijk gedrag gedurende jaren vanaf de vroege volwassenheid tot op heden. Gezien het persisterende karakter van de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte was deze stoornis, in combinatie met de inmiddels in remissie zijnde stoornis in de vorm van alcoholafhankelijkheid, aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De rapporteurs zijn voorts van mening dat de door de verdachte gepleegde handelingen - indien bewezen - uit de bij verdachte aanwezige persoonlijkheidsproblematiek kan worden verklaard en zij adviseren de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Voorts wordt geconcludeerd dat indien de verdachte niet op een adequate wijze zal worden behandeld, er op middellange termijn wederom een scheefgroei kan ontstaan met groeiende ongelijkheid in een nieuwe partnerrelatie die verdachtes onderliggende frustratie-intolerantie voedt en een voedingsbodem kan vormen voor soortgelijke gedragingen als het ten laste gelegde. De rapporteurs schatten het recidiverisico hoog op (middel)lange termijn als verdachtes bovenbeschreven psychopathologie onbehandeld blijft. Alleen al een exploratie van de gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling bij de verdachte zal naar verwachting een langdurig klinisch traject inhouden.

Gezien het gebrekkige inzicht dat de verdachte ten tijde van het onderzoek toonde, lijkt een ter beschikkingstelling met voorwaarden, indien de strafmaat dit al zou toelaten, niet afdoende om het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau te verminderen. Tevens bestaat daarbij het risico dat de verdachte alleen maar een schijnaanpassing laat zien, waarbij zijn bepalende onderliggende psychopathologie onbehandeld blijft.

Gelet op het voorgaande adviseren de rapporteurs tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Het hof onderschrijft de bevindingen, de overwegingen en de conclusies van de rapporteurs en legt deze ten grondslag aan het hierna overwogene.

Het hof stelt op basis van het rapport van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, vast dat de verdachte ten tijde van het begaan van de thans bewezen verklaarde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, en acht de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar.

De door de verdachte gepleegde feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts vereist naar het oordeel van het hof de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling. Het hof overweegt daartoe dat de kans op herhaling van de thans bewezen verklaarde feiten reëel is, gelet op de doorwerking van de bij de verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis in de bewezen verklaarde feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat oplegging aan de verdachte van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de hierna te noemen duur, alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege passend en geboden is.

Voorts ziet het hof geen termen aanwezig te bepalen, zoals verzocht door de verdediging, dat de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege – nadat de verdachte een derde van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten – reeds zal worden uitgevoerd.

Vordering tot schadevergoeding van de erfgenamen van het slachtoffer

In eerste aanleg heeft het slachtoffer – middels haar advocaat mr. L.A.M.G. Wellen - zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 267.380,39.

In hoger beroep is een bedrag gevorderd van € 251.823,-.

Het hof overweegt dat nu de benadeelde partij is overleden nadat zij zich op de voet van het eerste lid van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces heeft gevoegd, de reeds ingediende vordering tot de nalatenschap van de erfgenamen van de benadeelde partij behoort en van rechtswege op grond van het tweede lid van artikel 421, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voortduurt in hoger beroep. Voorts staat de omstandigheid dat een benadeelde partij ten tijde van de op diens vordering te nemen beslissing is overleden aan toewijzing van de vordering niet in de weg, ook niet indien zij strekt tot vergoeding van immateriële schade door de benadeelde partij zelf geleden ECLI:NL:HR:2010:BL9105). Voor wat het laatste betreft verwerpt het hof het andersluidende standpunt hierover van de verdediging.

Tot de erfgenamen van het slachtoffer behoren in ieder geval haar twee nog minderjarige kinderen: [dochter van het slachtoffer], geboren op [geboortedag] 2008 en [zoon van het slachtoffer], geboren op [geboortedag] 2001.

De Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft middels schriftelijke verklaring d.d. 29 januari 2014 mr. L.A.M.G. Wellen mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van (rechts)handelingen betrekking hebbende op de onderhavige strafzaak, in het belang van de minderjarigen.

Ter zitting in hoger beroep heeft mr. Wellen in voornoemde hoedanigheid de vordering van de benadeelde partij verminderd, in die zin dat zij thans – als nader in de schriftelijke schadestaat omschreven en ter zitting ter zake van de posten 4 en 10 mondeling gecorrigeerd – heeft gevorderd een bedrag van, afgerond, € 251.823,00 te weten:

Materiële schade

1.Reiskosten € 1.465,30

4.Eigen bijdrage pruik € 232,00

5.Eigen bijdrage GGZ € 200,00

6.Ziekenhuisdaggeldvergoeding € 4.420,00

9.Zorghotel verblijf € 11.400,00

10.Zorghotel televisiehuur € 112,00

11.Kleding € 150,00

12.Herstel slaapkamer € 322,66

13.Bed/dekbed/matras/beddengoed € 3.484,78

14.Bed/matras dochtertje € 642,96

15.Vervanging sloten € 130,00

16.Verlies verdienvermogen € 78.339,00

17.Verlies zelfredzaamheid 18 mnd € 324,00

Immateriële schade

18.Smartengeld € 150.000,00

Buitengerechtelijke kosten

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het gevorderde bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte uitsluitend deels betwist voor wat betreft schadepost 16. In dit verband is de verdediging van mening dat voor de berekening van de hoogte van het verlies verdienvermogen van het slachtoffer slechts de periode waarin zij nog in leven was voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet hierop heeft de verdediging verzocht ten aanzien van deze schadepost toe te wijzen tot bedrag van € 4.618,80.

Materiële schade en buitengerechtelijke kosten

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij de vordering voldoende onderbouwd tot een bedrag van

€ 27.502,50 aan materiële schade alsmede aan buitengerechtelijke kosten ad € 600,- . Dit bedrag omvat alle voornoemde posten met uitzondering van het bedrag zoals gevorderd onder schadepost 16, waar dit het onbestreden bedrag van € 4.618,80 te boven gaat.

Deze schade van in totaal € 28.102,50 is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 cumulatief/alternatief bewezen verklaarde feit. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 mei 2012 (zijnde de datum dat alle schadeposten als betaald worden beschouwd) tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige van de materiële schade tot het bedrag van € 73.720,20 (78.339,00 – 4.618,80) levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Het hof is van oordeel dat naar maatstaven van billijkheid de gevorderde immateriële schade voor toewijzing vatbaar is, temeer nu de omvang daarvan door of namens de verdachte niet is betwist. De schade is het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 cumulatief/alternatief bewezen verklaarde.

De vordering zal derhalve worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 150.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de erfgenamen van [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 178.102,50 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 cumulatief/alternatief bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de erfgenamen van het slachtoffer [het slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 282 en 303 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair (moord/doodslag)en subsidiair (poging moord/doodslag) alsmede het onder 3 (mishandeling) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 cumulatief/alternatief (zware mishandeling met voorbedachten rade, de dood ten gevolge hebbend) en 2 (meermalen wederrechtelijke vrijheidsberoving) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 cumulatief/alternatief en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wijlen [het slachtoffer] ter zake van het onder 1 cumulatief/alternatief bewezen verklaarde tot het bedrag van € 178.102,50 (honderd achtenzeventigduizend eenhonderdentwee euro en vijftig cent) bestaande uit € 28.102,50 (achtentwintigduizend eenhonderdentwee euro en vijftig cent) materiële schade en € 150.000,00 (honderdvijftigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer], een bedrag te betalen van € 178.102,50 (honderd achtenzeventigduizend eenhonderdentwee euro en vijftig cent) bestaande uit € 28.102,50 (achtentwintigduizend eenhonderdentwee euro en vijftig cent) materiële schade en € 150.000,00 (honderdvijftigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, mr. A.J.M. Kaptein en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 maart 2014.