Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:620

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-03-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
2200194813
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3057, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van medeplegen van valsheid in geschrift.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman van de verdachte heeft daartoe, overeenkomstig het gestelde in de overgelegde pleitnotitie, – verkort en zakelijk weergegeven – betoogd dat een veroordeling van de verdachte in strijd is met het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nu het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachte noodzakelijk was om het publiek te informeren over de veiligheidssituatie van Schiphol-Oost en de verdachte en zijn medeverdachte hierbij binnen de grenzen van hun beroepsuitoefening zijn gebleven.

Het hof komt tot het oordeel dat de veroordeling van de verdachte in beginsel een inbreuk op het in artikel 10 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting oplevert.

Nu is gebleken dat de verdachte en de medeverdachte het maatschappelijk probleem dat zij kenbaar wilden maken ook zonder het vervalsen van de pas onder de aandacht van het publiek konden brengen, is niet voldaan aan de eis dat voor de verdachte geen minder vergaande methode bestond om zijn doel te bereiken dan het vervalsen van de KLM-personeelspas.

Vervolging en strafbaarheid van het bewezenverklaarde is, ofschoon aan te merken als inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting daarom desondanks geoorloofd in het licht van het tweede lid van artikel 10 van het EVRM. De veroordeling van de verdachte is derhalve niet in strijd met het recht op vrijheid van meningsuiting.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001948-13

Parketnummer: 15-840025-09

Datum uitspraak: 4 maart 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 29 april 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres: [adres] te [postcode] [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 februari 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 29 april 2010 ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.500,-, subsidiair 25 dagen hechtenis en ter zake van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot telkens een geldboete ter hoogte van € 80,-, subsidiair telkens 1 dag hechtenis. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen, zoals nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep is de verdachte door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 28 april 2011 ter zake van het onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen, zoals nader in het voorgenoemde arrest is omschreven.

Door de advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam is tegen het arrest cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 26 maart 2013 het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 april 2011 vernietigd voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te weten ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit, en de zaak verwezen naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Omvang van de zaak

Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 26 maart 2013 de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde.

Anders dan het hof ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesuggereerd, is na sluiting van het onderzoek gebleken dat het hof niet gehouden is de straf ten aanzien van het door het hof Amsterdam als feit 2 bewezenverklaarde vast te stellen. De door het hof Amsterdam voor dat feit opgelegde straf is derhalve reeds onherroepelijk geworden.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 12 december 2008 tot en met 04 januari 2009 te Zwolle en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam en/of Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een KLM-personeelspas - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk voornoemde pas gekopieerd en voorzien van (onder meer) andere persoonsgegevens en een foto van [verdachte], terwijl het origineel op naam was gesteld van [KLM medewerker] en/of was voorzien van een foto van die [KLM-medewerker], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 december 2008 tot en met 04 januari 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander een KLM-personeelspas – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk een KLM-pas gekopieerd en die kopie voorzien van andere persoonsgegevens en een foto van [verdachte], terwijl het origineel op naam was gesteld van [KLM-medewerker] en was voorzien van een foto van die [KLM-medewerker], zulks met oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman van de verdachte heeft daartoe, overeenkomstig het gestelde in de overgelegde pleitnotitie, – verkort en zakelijk weergegeven – betoogd dat een veroordeling van de verdachte in strijd is met het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nu het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachte noodzakelijk was om het publiek te informeren over de veiligheidssituatie van Schiphol-Oost en de verdachte en zijn medeverdachte hierbij binnen de grenzen van hun beroepsuitoefening zijn gebleven.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De onderhavige strafzaak vindt haar oorsprong in een tweetal uitzendingen van het programma [televisie programma] die de verdachte voor de televisiezender [televisiezender] heeft gemaakt en die op 28 december 2008 en 4 januari 2009 zijn uitgezonden.

In de uitzending van 28 december 2008 is vertoond dat de verdachte, onderzoeksjournalist van beroep, meewerkte aan het namaken van een KLM-personeelspas voorzien van een foto van zichzelf met behulp van een pasjesprinter aan de hand van een KLM-personeelspas van een KLM-medewerker.1 Door deze KLM-medewerker is verklaard dat hij op verzoek van een medewerker van de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte], zijn KLM-personeelspas voor één dag heeft afgestaan, opdat daarmee een vervalste pas kon worden gemaakt zoals hem toen is verteld.2 In dezelfde uitzending is vertoond dat de verdachte met behulp van een vervalste KLM-personeelspas door een andere medewerker van de verdachte op het terrein van Schiphol-Oost is gebracht, gelegen in de achterbak van een auto.3

Het hof stelt voorop dat het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het EVRM zich mede uitstrekt tot de vrijheid van nieuwsgaring, en dus tot het journalistieke onderzoek dat aan de uiteindelijke openbaarmaking van het te brengen nieuws ten grondslag ligt.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat de verdachte bij het plegen van het bewezenverklaarde feit het oogmerk had om langs journalistieke weg een maatschappelijk probleem publiekelijk aan de orde te stellen, alsmede dat het plegen van het bewezenverklaarde feit voldoende samenhangt met het onderbouwen en verifiëren van dit probleem. Derhalve zal het hof de strafvervolging en veroordeling van de verdachte aanmerken als een inbreuk op het in artikel 10 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting.

Aldus beschouwd dient het hof vervolgens te beoordelen of de inbreuk op het in artikel 10 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting, in het licht van het bepaalde in het tweede lid van artikel 10 van het EVRM, geoorloofd is. Op grond van het tweede lid van artikel 10 van het EVRM kan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting namelijk aan bepaalde beperkingen worden onderworpen, indien deze bij de wet zijn voorzien en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving ter bescherming van de in lid 2 genoemde belangen, waaronder het voorkomen van strafbare feiten en het beschermen van de rechten van anderen.

Bij de beantwoording van de vraag of door strafvervolging en veroordeling van de verdachte wegens een in het kader van een journalistiek onderzoek gepleegd strafbaar feit een noodzakelijke inbreuk wordt gemaakt op de journalistieke vrijheid van meningsuiting, moeten de plichten en verantwoordelijkheden van degene die met een beroep op zijn recht op vrijheid van meningsuiting het feit pleegde, worden meegewogen. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat journalisten – niettegenstaande de vitale rol die de pers in een democratische samenleving speelt - in beginsel niet op grond van de hun door artikel 10 van het EVRM gegeven bescherming worden ontslagen van hun verplichting de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen (EHRM 21 januari 1999, NJ 1999/713, Fressoz en Roire tegen Frankrijk). Het door artikel 10 van het EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting kan echter dwingen tot het maken van een uitzondering op dit uitgangspunt.

Derhalve zijn journalisten bij hun werkzaamheden ten behoeve van de nieuwsgaring, aangenomen dat overigens is voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zich op de bescherming van artikel 10 EVRM kunnen beroepen, slechts onder bijzondere omstandigheden ontslagen van hun plicht zich aan de strafwet te houden.

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit naar aanleiding van het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting dienen naar het oordeel van de Hoge Raad, zoals uiteengezet in zijn arrest in de onderhavige zaak, in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM een aantal vragen te worden onderzocht.

Vooropgesteld moet worden dat de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis dient te hebben gehandeld en betrouwbare en precieze informatie dient te hebben gegeven in overeenstemming met de journalistieke ethiek.

Het hof overweegt dat de vraag of de verdachte aan de bovengenoemde criteria heeft voldaan ter terechtzitting in hoger beroep niet langer wezenlijk ter discussie stond. Het hof is voorts ook ambtshalve van oordeel dat aan voornoemde criteria is voldaan. Het hof merkt daarbij op dat bij het samenstellen van de televisie-uitzendingen en het uitvoeren van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek weliswaar op bepaalde punten onvoldoende zorgvuldigheid is betracht, doch dat die onzorgvuldigheden van onvoldoende gewicht zijn om de verdachte een beroep op de bescherming van artikel 10 van het EVRM te ontzeggen.

Voorts dient bij de beoordeling van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit naar aanleiding van het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting in het bijzonder de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, te worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijk nadeel dat door het bewezenverklaarde is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid.

Het hof overweegt ten aanzien van voornoemde aandachtspunten als volgt.

Ernst van de inbreuk op de rechtsorde

De verdachte en de medeverdachte hebben, in het kader van een journalistiek onderzoek, tezamen en in vereniging een KLM-personeelspas vervalst. Het in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde vervalsen van een geschrift – waaronder in juridische zin mede een dergelijke pas kan worden begrepen - betreft een misdrijf en is op zichzelf beschouwd een ernstig strafbaar feit. Het hof is dan ook van oordeel dat, gelet op het belang van het geschonden voorschrift (toegespitst op het bewezenverklaarde feit: de bescherming van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van een geschrift dat dient tot bewijs dat degene die zich daarvan bedient bepaalde toegangsrechten heeft), de onderhavige overtreding op zichzelf genomen een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

Maatschappelijk belang

De verdachte heeft tijdens de televisie-uitzending van 28 december 2008 verklaard dat hem op grond van tips en reacties en eigen waarnemingen bekend was dat de beveiliging van het bedrijventerrein Schiphol-Oost tekortschoot en dat hij het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd met het journalistieke doel om deze misstand aan het publiek kenbaar te maken, te meer nu Schiphol-Oost een bedrijventerrein betreft waar onder meer privé-vliegtuigen vertrekken, passagiers- en vrachtvliegtuigen worden onderhouden en waar bovendien het regeringsvliegtuig is gestald. Het tekortschieten van de beveiliging van Schiphol-Oost zou derhalve – zakelijk weergegeven - grote maatschappelijke risico’s met zich brengen.4 Gelet op het voorgaande is het hof met de verdediging van oordeel dat het aan de orde gestelde vraagstuk van maatschappelijk belang is.

Daadwerkelijk nadeel dat door het bewezenverklaarde is ontstaan

Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat door het bewezenverklaarde feit daadwerkelijk nadeel is ontstaan, anders dan dat het door artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsbelang in het onderhavige geval is geschonden.

Mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid

Ter beantwoording van de vraag of de openbaarmaking van de beveiligingsproblematiek daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid, is in de eerste plaats van belang welk doel de verdachte en zijn medeverdachte voor ogen hadden op het moment dat zij de KLM-personeelspas vervalsten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt op grond van de daaraan in de televisie-uitzending van 28 december 2008 gewijde passage vast dat de verdachte heeft beoogd ‘een heel eenvoudige manier om binnen de hekken te komen’5 door met behulp van een simpele pasjesprinter een pas op naam van [persoon X] valselijk op te maken, teneinde het tekortschieten van de beveiliging van het bedrijventerrein Schiphol-Oost, in het bijzonder van de daar ondergebrachte vliegtuigen, waaronder het regeringsvliegtuig, te openbaren.

Voorts stelt het hof op basis van de televisie-uitzending van 28 december 2008 vast dat de verdachte door meermalen te observeren bij de hoofdingang had waargenomen dat bij de toegangspoort van het bedrijventerrein Schiphol-Oost de mensen die daar werkten met hun eigen voertuigen het terrein op mochten, er geen controle van voertuigen plaatsvond en dat de controle van toegangspassen minimaal was. De verdachte heeft waargenomen dat bij de poort

geen paslezers aanwezig waren en dat de passen slechts vluchtig door de beveiligers werden bekeken, in de pashouder bleven zitten, niet op echtheid werden gecontroleerd en dat er geen sprake was van enige fysieke controle. Ook werden motorrijders door de poort gelaten zonder dat zij hun helm af dienden te zetten. De verdachte heeft voorts waargenomen dat bij de toegangspoort geen kofferbakcontrole werd uitgevoerd en heeft dit ook zelf ondervonden: hij heeft in de kofferbak van – zoals later is gebleken uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep in tegenstelling tot wat tijdens voornoemde uitzending is te zien,- een KLM-medewerker die over een onvervalste toegangspas beschikte, het bedrijventerrein betreden en hij kwam aldaar geen bewaking tegen in de buurt van het regeringsvliegtuig. Daarnaast beschikte de verdachte over opnames van (het interieur van) het kennelijk onbewaakte regeringsvliegtuig met neergelaten vliegtuigtrap die de verdachte van een tipgever had ontvangen.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden dat hij ook zonder het vervalsen van de onderhavige KLM-personeelspas met zijn pasfoto erop heeft kunnen aantonen dat sprake was van het tekortschieten van de beveiliging bij de hoofdingang van het bedrijventerrein van Schiphol-Oost en op het bedrijventerrein rondom de hangar waar het regeringsvliegtuig was gestald. Er bestond derhalve een minder vergaande methode om het door hem beoogde doel te bereiken.

Zoals hiervoor in overweging is genomen, zijn journalisten bij hun werkzaamheden ten behoeve van de nieuwsgaring slechts onder bijzondere omstandigheden ontslagen van hun plicht zich aan de strafwet te houden. Die bijzondere omstandigheden doen zich naar het oordeel van het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde gelet op het bovenstaande niet voor.

Het betoog van de verdediging dat de vervalsing van de KLM-personeelspas moet worden bezien in het geheel van alle handelingen die de verdachte ter uitvoering van zijn journalistieke onderzoek heeft verricht, kan, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel leiden. Het hof heeft immers de strafbaarheid van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit te beoordelen. Bij die beoordeling gaat het in het onderhavige geval om de vraag of er bij het nastreven van het journalistieke doel voor het bewezenverklaarde handelen een minder ingrijpend alternatief bestond. Die vraag beantwoordt het hof bevestigend.

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de veroordeling van de verdachte in beginsel een inbreuk op het in artikel 10 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting oplevert.

Nu is gebleken dat de verdachte en de medeverdachte het maatschappelijk probleem dat zij kenbaar wilden maken ook zonder het vervalsen van de pas onder de aandacht van het publiek konden brengen, is niet voldaan aan de eis dat voor de verdachte geen minder vergaande methode bestond om zijn doel te bereiken dan het vervalsen van de KLM-personeelspas.

Vervolging en strafbaarheid van het bewezenverklaarde is, ofschoon aan te merken als inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting daarom desondanks geoorloofd in het licht van het tweede lid van artikel 10 van het EVRM. De veroordeling van de verdachte is derhalve niet in strijd met het recht op vrijheid van meningsuiting.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat het feit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,-, waarvan € 500,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze samen met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, door een KLM-personeelspas te vervalsen. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in dergelijke passen, waarmee toegang kan worden verkregen tot beveiligde terreinen, zoals in dit geval het bedrijventerrein Schiphol-Oost.

De verdachte heeft in zijn streven als onderzoeksjournalist een maatschappelijk probleem aan de kaak te stellen de weegschaal naar de verkeerde kant doen uitslaan door de strafwet die voor iedereen geldt, te overtreden. De verdachte beschikte – zoals hiervoor is vastgesteld - ook over alternatieve en minder vergaande mogelijkheden om de in zijn visie gebrekkige beveiliging van Schiphol-Oost en in het bijzonder het regeringsvliegtuig aan de kaak te stellen.

Het hof onderkent het belang van onderzoeksjournalistiek in een democratische samenleving. Gelet op die achtergrond waartegen het bewezenverklaarde feit zich heeft afgespeeld, en het gegeven dat op dat terrein ten tijde van het feit nog geen sprake was van heel scherp getrokken grenzen van het strafrechtelijk toelaatbare, alsmede op de vaststelling van het hof dat concreet nadeel in dit specifieke geval ontbreekt, is het hof, ofschoon sprake is van een in beginsel ernstig strafbaar feit, in afwijking van de vordering van de advocaat-generaal van oordeel dat, - alles overwegende - een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een legitimatiebewijs van de KLM, een pashouder en een key koord, onttrokken dienen te worden aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit – in onderlinge samenhang bezien - daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36b, 36c, 47, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een legitimatiebewijs van de KLM,

  • -

    een pashouder en

  • -

    een key koord.

Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. J. van der Vegte.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 maart 2014.

Mrs. C.J. van der Wilt en J. van der Vegte zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL278C/08-096137/36) d.d. 23 februari 2009, betreft: Procesverbaal uitkijken televisie-uitzending [televisie programma] van 28 december 2008, p. 23-24.

2 Proces-verbaal van verhoor [KLM-medewerker] d.d. 22 april 2009, p. 112.

3 Proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL278C/08-096137/36) d.d. 23 februari 2009, betreft: Procesverbaal uitkijken televisie-uitzending [televisie programma] van 28 december 2008, p. 27.

4 Proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL278C/08-096137/36) d.d. 23 februari 2009, betreft: Procesverbaal uitkijken televisie-uitzending [televisie programma] van 28 december 2008, p. 19.

5 Proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer PL278C/08-096137/36) d.d. 23 februari 2009, betreft: Procesverbaal uitkijken televisie-uitzending [televisie programma] van 28 december 2008, p. 23.