Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:62

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-01-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
BK-12-00825, BK-12-00826 en BK-12-00852
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2704, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Navordering. Vergrijpboeten. Nieuw feit. Aftrekposten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/850
V-N 2014/30.5 met annotatie van Redactie
FutD 2014-1053
NTFR 2014/2368 met annotatie van mr. V.M. Maat
NTFR 2014/1899 met annotatie van mr. V.M. Maat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team belastingrecht

Meervoudige kamer

Nummers BK-12/00825, 12/00826 en 12/00852

Uitspraak d.d. 7 januari 2014

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Haaglanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur en van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 oktober 2012, nummers AWB 11/8941, 11/8942 en 11/8943 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor elk van de jaren 2006 en 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (de navorderingsaanslagen) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 33.646 en € 35.601. Bij in de desbetreffende biljetten vervatte beschikkingen is heffingsrente in rekening gebracht en zijn vergrijpboeten opgelegd. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.352 (de aanslag). Bij in het desbetreffende biljet vervatte beschikking is heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar van 12 oktober 2011 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen, de beschikkingen en de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het tegen de navorderingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen gerichte beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar alsmede de beschikkingen inzake heffingsrente en de boetes vernietigd en gelast dat de Inspecteur het griffierecht van € 41 aan belanghebbende vergoedt.

De rechtbank heeft bij separate uitspraak het beroep tegen de aanslag en de daarbij genomen beschikking ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank betreffende de navorderingsaanslagen en beschikkingen voor de jaren 2006 en 2007 in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank betreffende de aanslag en beschikking voor het jaar 2008 in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115. Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 oktober 2013, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hogerberoepzaken met de nummers BK-12/00827, 12/00848, 12/00849 en 12/00851, die betrekking hebben op [Y], de echtgenote van belanghebbende. Al hetgeen in een zaak is aangevoerd en overgelegd, geldt als aangevoerd en overgelegd in de andere zaken. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is in 1996 gehuwd met [Y] (hierna: de echtgenote). Tot het gezin behoren drie kinderen, te weten een dochter, [A], geboortedatum [dag en maand] 2001, en een zoon, [B], geboortedatum [dag en maand] 2003, en een tweede dochter, [C], geboortedatum [dag en maand] 2005.

3.2. Voor het belastingjaar 2004 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 32.499 vóór persoonsgebonden aftrek. De primitieve aanslag is met dagtekening 28 november 2006 geautomatiseerd vastgesteld conform de ingediende aangifte.

3.3. Voor het belastingjaar 2005 heeft belanghebbende op 31 maart 2006 aangifte gedaan. In het kader van de regeling van die aangifte heeft de Inspecteur op 2 november 2007 aan belanghebbende verzocht informatie te verstrekken over de aangifte. Op 8 januari 2008 heeft de Inspecteur een herhaald verzoek om informatie aan belanghebbende gedaan. In een telefoongesprek op 18 februari 2008 tussen de Inspecteur en belanghebbende verzocht eerstgenoemde om nadere informatie onder meer over betaalde hypotheekrente en het eigenwoningforfait, studiekosten en giften. Bij brief van 25 maart 2008 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is van de aangifte voor dat jaar af te wijken. De Inspecteur heeft bij brief van 11 april 2008 zijn verzoek om informatie betreffende voornoemde aftrekposten herhaald. Deze vragen zijn niet beantwoord. Evenmin zijn betalingsbewijzen of andere bescheiden waaruit blijkt dat de door belanghebbende in aftrek gebrachte bedragen op hem of zijn echtgenote hebben gedrukt, overgelegd. Bij het vaststellen van de aanslag 2005, gedagtekend 28 mei 2008, is de Inspecteur van de aangifte afgeweken onder meer op de onderdelen de eigen woning, durfkapitaal, scholingsuitgaven en giften. De aanslag is nadien onherroepelijk komen vast te staan.

3.4. Belanghebbende heeft voor de jaren 2006 en 2007 aangifte in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen gedaan naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 19.880 en € 26.007. De primitieve aanslagen zijn, zonder vragen te stellen naar aanleiding van de aangiften, met dagtekeningen 28 juni 2008 en 13 maart 2009 overeenkomstig de aangiften vastgesteld.

3.5. Aangezien in de aangiften 2004 en 2006 tot en met 2008 soortgelijke als voormelde aftrekposten waren opgenomen, heeft de Inspecteur besloten vragen te stellen over deze aangiften. Bij brieven van 4 juni 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat zijn aangifte over het jaar 2004 opnieuw beoordeeld wordt en vragen gesteld over de aangiften 2006 en 2007, onder meer over de daarin vermelde eigenwoningaftrek, scholingsuitgaven en giften. Belanghebbende heeft, ook na door de Inspecteur verleend uitstel, de brieven niet beantwoord. De Inspecteur heeft daarop in zijn brieven van 28 mei 2010 de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen aangekondigd. De correcties betreffen de eigenwoningaftrek, de scholingsuitgaven en de giften.

3.6. Belanghebbende heeft op 31 maart 2009 aangifte in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.204. De Inspecteur heeft bij brief van 17 november 2010 vragen gesteld over de aangifte. Naar aanleiding daarvan heeft hij op 23 december 2010 een brief en op 15 februari 2011 stukken van belanghebbende ontvangen.

3.7. Bij brief van 11 maart 2011 heeft de Inspecteur – voor zover thans van belang – het volgende aan belanghebbende geschreven (het hof vermeldt de nummers van de bladzijden):

“(…) blz. 1

Op 27 januari 2011 is voor het laatst met u gesproken en op die datum is schriftelijk aan u bevestigd dat akkoord wordt gegaan met het verlenen van uitstel tot 15 februari 2011 voor het aanleveren van alle bescheiden. Helaas heeft u niet overeenkomstig de met u gemaakte afspraak alle gevraagde gegevens overgelegd. Een toelichting voor het ontbrekende heb ik niet aangetroffen. Verder in deze brief geef ik een overzicht van de ontbrekende informatie en de daarbij behorende gevolgen voor de diverse aangiften.

Het niet of niet volledig verstrekken van gevraagde informatie over de (diverse) aangifte(n)

inkomstenbelasting heeft tot gevolg dat ik -zoals eerder aan u kenbaar gemaakt- van plan ben

navorderingsaanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2006 en 2007 met vergrijpboete aan u en uw echtgenote op te leggen. Tevens ben ik voornemens correcties aan te brengen in de aangiften

inkomstenbelasting 2008 van u en uw echtgenote, Aan het eind van deze brief stel ik u nog eenmaal in de gelegenheid om te reageren op deze brief en de nog ontbrekende informatie te verstrekken.

(…) blz. 2

1.

Eigenwoningforfait en eigenwoningrente

De woning aan de [a-straat 1] te [Q]

Tijdens het persoonlijk gesprek met u en mijn collega (…) op maandag 17 januari 2011 heeft u aangegeven dat u in het jaar 2006 (na de datum van uw verjaardag op [dag en maand]) in de zomervakantie bent verhuisd naar de [b-straat 1] te [Z].

Voor het eerst op 3 oktober 2006 staan er andere personen dan de leden van het gezin [X] en [Y] ingeschreven in de woning op het adres aan de [a-straat 1] te [Q].

De woning wordt klaarblijkelijk sedert die datum doorlopend verhuurd aan derden.

Er is dan vanaf 3 oktober 2006 geen sprake meer van een eigen woning (Box 1).

De (voormalige eigen-)woning dient daarom evenals de bijbehorende eigenwoningschuld fiscaal te worden overgeheveld naar Box 3: inkomen uit sparen en beleggen.

Gevolgen Box 1:

Aangifte 2006 van mw [Y]: minder eigenwoning forfait € 195 (3/12 x € 780)

Minder aftrek eigenwoningrente € 1.434 (3/12 x € 5.739)

Aangifte 2008 van mw [Y]: minder eigenwoning forfait € 847

(…)

blz. 3

4.

Eigenwoningrente

(…) blz. 4

Eigenwoningreserve 2006

(…) ultimo 2006 [is] met betrekking tot de woning aan de [a-straat 1] te [Q] een eigenwoningreserve ontstaan. Het bedrag van de eigenwoningreserve heb ik bepaald op € 15.600.

Dit houdt in dat in van de totaal voor de nieuw aangekochte woning aangegane hypotheekschuld een bedrag van € 15.600 gerekend dient te worden tot de schulden in Box 3: inkomen uit sparen en beleggen.

Dit houdt in dat in de jaren vanaf 2007 een bedrag van € 15.600 niet tot de eigenwoningschuld van de nieuwe woning gerekend mag worden. Van de in een jaar in totaal betaalde hypotheekrente is de hypotheekrente over € 15.600 niet aftrekbaar als eigenwoningrente.

Het bedrag van de eigenwoningschuld stel ik vast op € 387.400. Dit bedrag is opgebouwd uit:

[bank] [111-111111] (Aflossingsvrij) met hoofdsom € 403.000

Af: de eigenwoningreserve € 15.600

De eigenwoningschuld bedraagt € 387.400

Alleen de over het bedrag van € 387.400 betaalde rente merk ik aan als (aftrekbare) eigenwoningrente. De eigenwoningrente (bij gelijkblijvend rentepercentage en restschuld) bedraagt dan per jaar € 12.782 (€ 387.400/€ 403.000 x jaarrente € 13.296).

Gevolgen:

Box 1:

Aangifte 2006 van dhr. [X]:

Geen renteaftrek [bank] [222-222222] € 1.519

Minder renteaftrek [bank] [111-111111]

(€ 15.600/€ 403.000 x jaarrente € 13.296) € 514

€ 2.033

Aangifte 2007 van dhr. [X]:

Geen renteaftrek [bank] [222-222222] € 1.630

Minder renteaftrek [bank] [111-111111]

(€ 15.600/€ 403.000 x jaarrente € 13.296) € 514

€ 2.144

Aangifte 2008 van dhr. [X]:

Geen renteaftrek [bank] [222-222222] € 1.956

Verschil met aangeleverde informatie € 425

Minder renteaftrek [bank] [111-111111]

(€ 15.600/€ 403.000 x jaarrente € 13.296) € 514

€ 2.045

(…) blz. 5

5.

PGA: ziektekosten (2008)

In de aangiften inkomstenbelasting 2008 is een totaalbedrag aan ziektekosten ad € 4.996 aangegeven. Voor het niet aftrekbare bedrag, de zgn. drempel, is rekening gehouden met een totaalbedrag van € 2.161. Het in totaal in aftrek gebrachte bedrag is € 2.835. De aftrek is verdeeld tussen de partners. Helaas heeft u niet overeenkomstig de met u gemaakte afspraak de gevraagde informatie overgelegd. Een toelichting voor het ontbrekende heb ik niet aangetroffen. Nu u de gegevens aangaande de (blad 6) aftrekpost voor ziektekosten niet heeft verstrekt kan ik de in aftrek gebrachte bedragen niet accepteren.

Gevolgen:

Aangifte 2008 van mw. [Y]: minder aftrek ziektekosten € 1.785

Aangifte 2008 van dhr. [X]: minder aftrek ziektekosten € 1.050

6.

PGA: studiekosten

In de aangiften inkomstenbelasting 2006 (van u beiden), 2007 (dhr) en 2008 (dhr) zijn bedragen in aftrek gebracht met betrekking tot studiekosten. Helaas heeft u niet overeenkomstig de met u gemaakte afspraak alle gevraagde informatie overgelegd. De betalingsbewijzen heeft u niet overgelegd. Een toelichting voor het ontbrekende heb ik niet aangetroffen. Nu u voor de beoordeling van de aftrek van studiekosten van belang zijnde gegevens niet volledig heeft verstrekt kan ik de in aftrek gebrachte bedragen niet accepteren.

Daarnaast bestaat er per jaar een substantieel verschil tussen de wel verstrekte informatie en de bedragen die aan studiekosten in aftrek worden gebracht. Ik heb van u geen verklaring voor deze verschillen aangetroffen.

PGA: studiekosten 2006 (…) 2008

Studiekosten volgens de aangiften:

Betaalde studiekosten volgens de aangifte van mw. [Y] € 1.100

Betaalde studiekosten volgens de aangifte van dhr. [X] € 10.050 (…) € 6.555

Totaal betaalde studiekosten volgens de aangiften € 11.150 (…) € 6.555

Bedrag drempels € 1.000 (…) € 500

Aftrek volgens de aangiften € 10.150 (…) € 6.055

Studiekosten volgens de verstrekte informatie: € 4.219 (…) € 3.483

Studiekosten volgens de verstrekte betalingsbewijzen: € 0 (…) € 0

Gevolgen:

Aangifte 2006 van mw. [Y]: minder aftrek studiekosten € 600

Aangifte 2006 van dhr. [X]: minder aftrek studiekosten € 9.550

Aangifte 2008 van mw. [Y]: minder aftrek studiekosten € 5.708

Aangifte 2008 van dhr. [X]: minder aftrek studiekosten € 6.054

7.

PGA: giften

In de aangiften inkomstenbelasting 2006 en 2007 van u beiden zijn bedragen in aftrek gebracht voor gedane giften. Helaas heeft u niet overeenkomstig de met u gemaakte afspraak de bij deze giftenaftrek gevraagde informatie overgelegd. Een overzicht van de gedane giften alsmede de betalingsbewijzen heeft u niet overgelegd. Een toelichting voor het ontbrekende heb ik niet aangetroffen. Nu u voor de beoordeling van (blad 7) de aftrek van giften van belang zijnde gegevens niet heeft verstrekt kan ik de in aftrek gebrachte bedragen niet accepteren.

PGA: giften 2006 2007

Gedane giften volgens de aangiften:

Gedane giften volgens de aangifte van mw. [Y] € 750 € 1.500

Drempel € 174 € 631

In aftrek gebracht € 576 € 860

Betalingsbewijzen € 0 € 0

Gedane giften volgens de aangifte van dhr. [X] € 2.500 € 1.500

Drempel € 316 € 558

In aftrek gebracht € 2.184 € 940

Gedane giften volgens de informatie € 0 € 0

Gedane giften volgens de verstrekte betalingsbewijzen € 0 € 0

Gevolgen:

Aangifte 2006 van mw. [Y]: minder aftrek giften € 576

Aangifte 2006 van dhr. [X]: minder aftrek giften € 2.184

Aangifte 2007 van mw. [Y]: minder aftrek giften € 860

Aangifte 2007 van dhr. [X]: minder aftrek giften € 940

3.8.

Bij brief van 14 maart 2011 heeft de Inspecteur aan belanghebbende, onder verwijzing naar voormelde brief van 11 maart 2011, medegedeeld dat hij voornemens is de navorderingsaanslagen en de aanslag conform voorgaand overzicht vast te stellen en dat hij voornemens is over de jaren 2006 en 2007 boetes op te leggen.

3.9.

Bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen, met dagtekening 7 juni 2011, heeft de Inspecteur de eerder vastgestelde belastbare inkomens uit werk en woning als volgt gecorrigeerd:

Vastgesteld bij primitieve aanslag 2006 € 19.880

Bij: minder aftrek eigen woning € 2.032

Bij: geen scholingsuitgaven € 9.550

Bij: geen giften € 2.184

Vastgesteld bij navorderingsaanslag 2006 € 33.646

Vastgesteld bij primitieve aanslag 2007 € 26.007

Bij: minder aftrek eigen woning € 2.947

Bij: geen scholingsuitgaven € 5.708

Bij: geen giften € 940

Vastgesteld bij navorderingsaanslag 2007 € 35.601

3.10.

Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur voor elk jaar een vergrijpboete opgelegd van 25 percent van de nagevorderde belasting.

3.11.

De Inspecteur heeft in zijn brief van 16 mei 2011 correcties op de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 aangekondigd en met dagtekening 4 juni 2011 de aanslag als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbaar inkomen box 1 € 31.204

Bij: minder aftrek eigen woning € 2.045

Bij: geen scholingsuitgaven € 1.049

Bij: geen giften € 6.054

Vastgesteld bij aanslag 2008 € 40.352

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil:

- wat betreft de navorderingsaanslagen: of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, en zo ja, of de navorderingsaanslagen naar het juiste bedrag zijn vastgesteld,

- of de boetes terecht zijn opgelegd, en

- wat betreft de aanslag: of deze terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld.

De Inspecteur beantwoordt voormelde vragen bevestigend, belanghebbende beantwoordt die vragen ontkennend.

4.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. De Inspecteur concludeert in de zaken ter zake van de navorderingsaanslagen tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van bevestiging van de uitspraken op bezwaar. In de zaak ter zake van de aanslag concludeert de Inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

5.2. Belanghebbende concludeert in de zaken ter zake van de navorderingsaanslagen tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. In de zaak ter zake van de aanslag concludeert belanghebbende tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en die op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

Oordeel van de rechtbank

6.1. De rechtbank heeft in de zaken aangaande de navorderingsaanslagen het volgende overwogen:

Nieuw feit

7.

In beginsel mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Dit is echter anders indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. In dat geval is de inspecteur tot een nader onderzoek gehouden (zie HR 11 april 2001, nr. 36.088, LJN: AB1005, BNB 2001/260).

8.

Uit de onder 5 geciteerde uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage (nr. BK-11/00349, LJN: BX0027; Hof) leidt de rechtbank het volgende af. Verweerder heeft naar aanleiding van de aangifte IB/PVV van eiser voor het jaar 2005 vragen gesteld over onder meer de eigenwoningaftrek, de scholingsuitgaven en de giften. Toen inlichtingen van de zijde van eiser uitbleven, heeft verweerder in zijn brief van 25 maart 2008 correcties aangekondigd en deze correcties bij aanslag met dagtekening 28 mei 2008 opgelegd.

9.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in deze correcties geen aanleiding heeft gezien om over de aangiften 2006 en 2007 vragen te stellen. De aanslagen IB/PVV voor 2006 en 2007 zijn conform de aangiften van eiser vastgesteld (dagtekeningen 28 juni 2008 en 13 maart 2009). Eerst in juni 2009 heeft verweerder vragen gesteld over de aangiften. Toen deze vragen onbeantwoord bleven, heeft verweerder alsnog, door middel van navorderingsaanslagen, gecorrigeerd en daarbij vergrijpboetes opgelegd.

10.

Nu de navorderingsaanslagen aftrekposten betreffen die reeds voor het vaststellen van de primitieve aanslagen aan de orde waren gesteld, namelijk bij de aanslagregeling voor 2005, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat verweerder daaraan in redelijkheid niet behoorde te twijfelen. Verweerder was ervan op de hoogte, althans behoorde dat te zijn, dat deze aftrekposten ter discussie stonden. Derhalve heeft verweerder door de aftrekposten niet nader te onderzoeken alvorens de primitieve aanslagen op te leggen een ambtelijk verzuim begaan dat aan navordering in de weg staat (vgl. HR 4 oktober 2002, nr. 37.401, LJN: AE8368, BNB 2002/388).

Slotsom

11.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslagen niet in stand kunnen blijven.

12.

Gegeven dit oordeel dienen eveneens de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente te worden vernietigd.

6.2.

De rechtbank heeft in de zaak aangaande de aanslag het volgende overwogen:

4.

Eiser heeft in beroep geen concrete grieven aangegeven tegen de correcties en ook geen bewijsmiddelen overlegd. De stukken van het geding, waaronder het verweerschrift, geven de rechtbank geen aanleiding om de door verweerder aangebrachte correcties op de aangifte, die alle aftrekposten betreffen waarvan de bewijslast bij eiser rust, niet over te nemen.

5.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

De navorderingsaanslagen 2006 en 2007

7.1. Blijkens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld, maar dit neemt niet weg dat de inspecteur, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen, is gehouden daarnaar onderzoek te doen. De Inspecteur behoeft de aangifte niet aan nader onderzoek te onderwerpen indien voor de mogelijke onjuistheid van enig daarin opgenomen gegeven ook een andere, niet onwaarschijnlijke verklaring mogelijk is (zie onder meer HR 13 november 2009, nr. 08/04594, LJN BK3080, BNB 2010/25 en HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, LJN BL7165, BNB 2010/155).

7.2. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof verklaard dat er op 28 mei 2008 op basis van de bij hem voorhanden zijnde kennis betreffende de aangelegenheden van belanghebbende geen reden was de aanslagregeling van de primitieve aanslagen voor de jaren 2006 en 2007 aan te houden of af te wijken van de aangiften. Weliswaar had belanghebbende niet gereageerd op de verzoeken om nadere informatie betreffende de aftrekposten voor het jaar 2005, maar het was bepaald niet onwaarschijnlijk dat belanghebbende betreffende de aftrekposten voor de jaren 2006 en 2007 wel beschikte over bewijsmiddelen die de juistheid van de bedragen die belanghebbende in die jaren in aftrek heeft gebracht konden staven, aldus de Inspecteur. Voorts heeft de Inspecteur gesteld dat er ook overigens geen aanleiding was te twijfelen aan de aangiften van belanghebbende over de jaren 2006 en 2007. Wat betreft de in aftrek gebrachte hypotheekrente, geldt dat uit de gegevens die belanghebbende aan de Inspecteur stuurde bij brief van 21 april 2004 (het jaartal is foutief vermeld, het moet zijn 2008, Hof) blijkt dat sprake was van hypotheken ten behoeve van een reeds bestaande woning aan de [a-straat] te [Q] en voorts ten behoeve van een woning in aanbouw. In die overgangssituatie is het niet vreemd dat de hypotheekrente van meerdere woningen op het inkomen in mindering wordt gebracht. Er was derhalve geen reden om aan de juistheid van de aangiften over die jaren te twijfelen, aldus de Inspecteur.

7.3. Gelet op vorenvermelde aannemelijke verklaringen van de Inspecteur komt het Hof tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat de Inspecteur niet met een normale zorgvuldigheid kennis heeft genomen van belanghebbendes aangiften over de jaren 2006 en 2007. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat de Inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslagen over die jaren een ambtelijk verzuim heeft begaan. Dat, zoals later is gebleken, belanghebbende niet beschikte over de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen en de na de aanslagregeling ter kennis van de Inspecteur gekomen feiten betreffende de woningen waarop de hypotheekrente volgens belanghebbende betrekking heeft, vormen nieuwe feiten die navordering rechtvaardigen. Belanghebbende heeft tegenover hetgeen de Inspecteur te berde heeft gebracht onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die kunnen leiden tot het oordeel dat hij terecht en tot de door hem opgevoerde bedragen aanspraak kan maken op de door hem opgevoerde aftrekposten.

7.4. Gelet op het vorenoverwogene moet de conclusie zijn dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is.

Vergrijpboete

Ter zake van de aftrekpost in verband met de eigen woning

7.5. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat hem door een hypotheekadviseur, alsmede door de bank die hem een hypothecaire lening heeft verstrekt was verteld dat hij gedurende twee jaren de betaalde hypotheekrente ter zake van de oude en ter zake van de nieuwe woning in aftrek kan brengen. Het Hof heeft de Inspecteur voorgehouden dat het die verklaring geloofwaardig acht. De Inspecteur heeft vervolgens verklaard dat de boetes over de bedragen die betrekking hebben op de aftrekpost in verband met de eigen woning voor de jaren 2006 en 2007 zijns inziens dienen te vervallen. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

Ter zake van de aftrekpost giften

7.6. Naar het Hof begrijpt heeft belanghebbende gesteld dat tot de giftenaftrek is overgegaan op aanraden van een derde. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende is nagegaan of die informatie juist was noch dat hij zich in dit verband op adequate wijze heeft laten informeren of heeft geïnformeerd. Door zonder zelf enig onderzoek te doen naar eventuele voorwaarden voor aftrek, toch de aftrek in zijn aangifte op te voeren, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof opzettelijk onjuist aangifte gedaan. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich bewust was van het risico dat hij onjuist aangifte deed, welke onjuiste aangifte zou resulteren in de heffing van te weinig belasting en dat hij dat risico op de koop heeft toegenomen, ofwel heeft aanvaard. Gelet hierop is over de met betrekking tot deze aftrekposten nagevorderde belasting een vergrijpboete van 25 percent gerechtvaardigd. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een lagere boete.

Ter zake van de aftrekpost scholingsuitgaven

7.7. Belanghebbende heeft in eerste aanleg noch in hoger beroep, een begin van bewijs, schriftelijk noch anderszins, bijgebracht op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat hij uitgaven voor een studie dan wel opleiding heeft gedaan. Hij heeft evenmin een verklaring gegeven voor het feit dat hij geen zodanig bewijs kon leveren. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat dit bewijs nimmer voorhanden is geweest. Door niettemin voormelde aftrekposten in zijn aangifte op te nemen, heeft belanghebbende opzettelijk onjuist aangifte gedaan. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich bewust was van het risico dat hij onjuist aangifte deed, welke onjuiste aangifte zou resulteren in de heffing van te weinig belasting en dat hij dat risico op de koop heeft toegenomen, ofwel heeft aanvaard. Gelet hierop acht het Hof een vergrijpboete van 25 percent over de met betrekking tot deze aftrekposten nagevorderde belasting gerechtvaardigd. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een lagere boete.

De aanslag 2008

7.8. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur terecht en op goede gronden de in rechtsoverweging 3.9 van de uitspraak van de rechtbank vermelde correcties op het inkomen van belanghebbende aangebracht. Belanghebbende op wie de bewijslast rust, heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die kunnen leiden tot het oordeel dat hij terecht en tot het door hem opgevoerde bedrag met recht aanspraak maakt op de door hem opgevoerde aftrekposten.

Heffingsrente

7.9. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat de in rekening gebrachte heffingsrente ten onrechte dan wel tot een onjuist bedrag is berekend.

Conclusie

7.10. Op grond van het vorenoverwogene is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond. Beslist moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof acht evenmin termen aanwezig de Staat te gelasten het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

- verklaart de hoger beroepen van de Inspecteur gegrond;

- vernietigt de uitspraken van de rechtbank voor zover betrekking hebbende op de navorderingsaanslagen 2006 en 2007, de beschikkingen inzake heffingsrente en de boetebeschikkingen betreffende die jaren;

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die betreft de aanslag en beschikking inzake heffingsrente voor het jaar 2008;

- verklaart het beroep, voor zover betreffende de uitspraken op bezwaar ter zake van de navorderingsaanslagen 2006 en 2007 en de beschikkingen inzake heffingsrente betreffende die jaren ongegrond;

- verklaart het beroep, voor zover betreffende de boetebeschikkingen, gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de boetebeschikkingen;

- bepaalt dat de Inspecteur de boetebeschikking 2006 vermindert met een bedrag ter grootte van 25 percent van de door belanghebbende verschuldigde belasting over een bedrag van € 2.032; en

- bepaalt dat de Inspecteur de boetebeschikking 2007 vermindert met een bedrag ter grootte van 25 percent van de door belanghebbende verschuldigde belasting over een bedrag van € 2.947.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, Chr.Th.P.M. Zandhuis en P.C. van der Vegt in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M. Visser. De beslissing is op 7 januari 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.