Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:555

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
18-03-2014
Zaaknummer
22-003249-12.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het als bestuurder van een auto veroorzaken van gevaar en hinder op de weg.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis. Daarnaast wordt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden ontzegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003249-12

Parketnummer: 09-216347-11

Datum uitspraak: 19 februari 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

enkelvoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juli 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats op [geboortejaar] 1992,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 5 februari 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2011 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee op de hierna te noemen weg(en) als volgt heeft gehandeld:

-hij op de Nederlandlaan heeft gereden met een snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur althans met een hogere snelheid dan de aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur althans met een gezien de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid aldaar veel te hoge snelheid en/of vervolgens

-hij op de Nederlandlaan geen gevolg heeft gegeven aan een stopteken welke werd gegeven met een aan de voorzijde van een politievoertuig aangebracht transparant "stop politie" en/of vervolgens

-hij, op de (fietsbrug) Overwest heeft gereden met een gezien de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid aldaar veel te hoge snelheid tengevolge waarvan een of meerdere fietser(s) het voetpad opre(e)d(en) teneinde een aanrijding met verdachte te voorkomen en/of vervolgens

-hij op de Voorweg tegen het verkeer in de Abdissenbos is opgereden tengevolge waarvan een fietser het voertuig van verdachte net kon ontwijken en/of vervolgens aldaar met een gezien de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid aldaar veel te hoge snelheid heeft gereden en/of vervolgens

-hij op de Abdissenbos met die veel te hoge snelheid over aldaar gelegen veiligheidsdrempels heen heeft gereden; door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 augustus 2011 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee op de hierna te noemen weg(en) als volgt heeft gehandeld:

-hij op de Nederlandlaan heeft gereden met een snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur

-hij op de Nederlandlaan geen gevolg heeft gegeven aan een stopteken welke werd gegeven met een aan de voorzijde van een politievoertuig aangebracht transparant "stop politie" en vervolgens

-hij, op de (fietsbrug) Overwest heeft gereden met een gezien de verkeerssituatie en verkeersveiligheid aldaar veel te hoge snelheid ten gevolge waarvan een of meerdere fietser(s) het voetpad opreden teneinde een aanrijding met verdachte te voorkomen en vervolgens

-hij op de Voorweg tegen het verkeer in de Abdissenbos is opgereden ten gevolge waarvan een fietser het voertuig van verdachte net kon ontwijken en vervolgens aldaar met een gezien de verkeerssituatie en verkeersveiligheid aldaar veel te hoge snelheid heeft gereden en vervolgens

-hij op de Abdissenbos met die veel te hoge snelheid over aldaar gelegen veiligheidsdrempels heen heeft gereden; door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de verklaring van de getuige [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar is om aan het bewijs te kunnen meewerken. Nu de ter plaatse aanwezige verbalisanten de verdachte niet als bestuurder hebben zien instappen en rijden en de getuige [getuige 2] onder ede heeft bevestigd dat de verdachte niet de bestuurder van de auto was, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof beoordeelt het bewijs en het verweer als volgt.

Uit het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting moet worden afgeleid dat de verbalisanten die voor discotheek Amphion in Zoetermeer om even na 06.00 uur een aantal personen in de betreffende auto hebben zien stappen en de verbalisanten die de auto vervolgens achtervolgd hebben, geen eigen waarnemingen hebben gedaan ten aanzien van de identiteit van de bestuurder. De getuige [getuige 1] heeft zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris met stelligheid verklaard dat de verdachte, die hij kent, als bestuurder heeft zien instappen en wegrijden. Hij heeft toen de politie gebeld om dat te melden en is met een collega de betreffende auto een stuk achterna gereden totdat hij zag dat een politiewagen dat ook deed.

Twijfel aan de juistheid van de verklaring van de getuige [getuige 1] zou volgens de verdediging gelegen moeten zijn in de omstandigheid dat hij onjuist heeft verklaard over het alcoholgebruik door de verdachte. De getuige zou in de veronderstelling hebben verkeerd dat de verdachte te veel had gedronken om nog te mogen rijden, terwijl bij een later gehouden ademanalyse bleek dat dat niet het geval was, een onjuiste waarneming dus.

Het hof ziet dit anders. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer 2011174807-5) heeft de getuige [getuige 1] telefonisch aan de politie meegedeeld dat hij de verdachte in Amphion alcohol had zien nuttigen. In zijn even later als getuige afgelegde verklaring heeft de getuige aangegeven dat de verdachte diverse alcoholische dranken had gedronken. Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige verklaard dat de verdachte in Amphion alcoholische dranken had gedronken maar dat niet vastgesteld kon worden wat en hoeveel. De verdachte maakte volgens de getuige [getuige 1] de indruk aangeschoten te zijn. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in Amphion 4 glazen Sambuca op had, sterke drank. Uit een om ongeveer 07.15 uur gehouden ademanalyse bleek bij de verdachte een gehalte van 85 µg/l te kunnen worden vastgesteld. De door de getuige meegedeelde waarneming van alcoholgebruik door de verdachte is dus juist geweest. Over de mate van gebruik heeft de getuige niets anders gezegd dan dat hij de indruk had dat de verdachte aangeschoten was. Een en ander levert naar het oordeel van het hof geen grond op om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de getuige over een andere waarneming, namelijk dat de verdachte de bestuurder was.

De verdediging heeft erop gewezen dat het de verdediging vreemd voorkomt dat de getuige [getuige 1] en zijn collega na het wegrijden van de betreffende auto meteen de achtervolging hebben ingezet en dat dat niet in het proces-verbaal van verbalisanten is opgenomen. Het hof stelt vast dat dit laatste juist is. Kennelijk hebben de verbalisanten geen reden gezien om dat te vermelden, als zij overigens al hebben waargenomen of geïnterpreteerd dat het rijden van de getuige achter de betreffende auto over enkele honderden meters (waarna de getuige de auto uit het oog verloren was, zo heeft de getuige verklaard) een bedoelde achtervolging was en niet een toevallig daar rijdende auto. Naar het oordeel van het hof is het niet vermelden van de achtervolging door de getuige niet van enige betekenis.

Een ander punt van twijfel is volgens de verdediging gelegen in de omstandigheid dat de getuige [getuige 2] blijkens zijn verklaring een van de inzittenden van de auto was, terwijl de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat deze er in het geheel niet bij was. Naar het oordeel van het hof doet de verdediging hiermee geen recht aan de verklaring van de getuige. Deze heeft, bijna 2 jaar na het betreffende voorval, verklaard dat [getuige 2] er niet bij was, althans voor zover hij zich dat kan herinneren. Het hof ziet hierin geen grond om aan de verklaring van de getuige [getuige 1] over de verdachte als bestuurder te twijfelen.

Tenslotte heeft de verdediging erop gewezen dat de verbalisanten bekend waren met de verdachte en meerdere personen in de auto hebben zien instappen, maar daarbij de verdachte niet herkend hebben. Het hof begrijpt deze stelling aldus dat, als de verdachte als bestuurder zou zijn ingestapt, de verbalisanten dat positief hadden moeten waarnemen en dat, nu dit laatste niet het geval is, dat een aanwijzing oplevert dat de verdachte juist niet de bestuurder was.

Het hof volgt deze benadering niet. De betreffende verbalisanten hebben gerelateerd (proces-verbaalnummer 2011174807-2) dat zij op de locatie Engelandlaan te Zoetermeer stonden vanwaar zij zich hadden op de Amsterdamstraat, waaraan de discotheek Amphion lag. De auto stond voor de discotheek. Hieruit kan naar het oordeel van het hof niet geconcludeerd worden dat de verbalisanten dus gezien moeten hebben wie er als bestuurder instapte. Er is kennelijk sprake van enige afstand en niet is vastgesteld hoe groot deze afstand was. Ook blijkt uit het dossier niet of de bestuurdersplaats van de auto direct in het zicht van de verbalisanten was of dat deze bijvoorbeeld aan de, vanuit de positie van de verbalisanten, andere kant van de auto was. Tenslotte was het op dat moment nog vóór zonsopkomst en blijkt uit het dossier niets over de aanwezigheid en intensiteit van de verlichting op de plek waar de auto stond. Naar het oordeel van het hof kunnen derhalve geen gevolgtrekkingen worden verbonden aan de omstandigheid dat de verbalisanten de verdachte niet hebben herkend als de persoon die op de bestuurdersplaats instapte.

Resteert de vaststelling dat de stelling van de verdachte dat hij niet de bestuurder was wordt, in een anderhalf jaar na het gebeurde afgelegde verklaring, bevestigd door een van zijn vrienden (zijn “neefje”), de getuige [getuige 2], maar wordt bestreden door de “onafhankelijke” getuige [getuige 1] die meteen na het voorval over zijn bevindingen heeft verklaard. Het hof hecht meer waarde aan de getuige [getuige 1]. Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van diens verklaring te twijfelen. Daarbij komt dat de verklaring van de verdachte enkele uren na zijn aanhouding dat hij zich niet kan herinneren wie nog meer bij hem in de auto zaten grote twijfels oproept evenals het gedrag van de verdachte toen hij door de politie werd aangesproken (de verdachte rende weg). Deze omstandigheden dragen eraan bij dat de verklaring van de verdachte dat een ander dan hij de auto heeft bestuurd, geen geloof verdient.

Onder verwijzing naar de in deze te hanteren bewijsmiddelen concludeert het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem is ten laste gelegd op de wijze als hieronder bewezen zal worden verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het als bestuurder van een auto veroorzaken van gevaar en hinder op de weg. Door aldus te handelen heeft hij op dat moment blijk gegeven van een gebrek aan verantwoordelijk-heidsbesef ten opzichte van zijn medeweggebruikers en heeft hij tevens de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur, alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 februari 2014.