Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:485

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
2200276210
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt de verdachte vrij van -kort gezegd - ontucht, mishandeling en bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2014, afl. 2, p. 78

Uitspraak

Rolnummer: 22-002762-10

Parketnummer: 09-900275-09

Datum uitspraak: 28 februari 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 mei 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] (Uganda) op [geboortedag] 1975,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 14 oktober 2011 en 14 februari 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 1 en 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het onder 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard, maar dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 4 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij als weergegeven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie

is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 22 maart 2009 te 's-Gravenhage (telkens) ontucht heeft gepleegd met haar minderjarig kind, [naam minderjarig kind 1], geboren op [geboortedag] 2004, bestaande die ontucht hierin dat zij (meermalen):

- [ minderjarig kind 1] tongzoenen heeft gegeven en/of

- [ minderjarig kind 1] heeft gelikt (onder andere) in/rond de schaamstreek en/of

- [ minderjarig kind 1] haar (onder andere) in/rond de schaamstreek heeft laten likken;

2 primair:

zij op of omstreeks 15 februari 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om aan een persoon genaamd [minderjarig kind 2] (geboren [geboortedag] 2008), te weten haar, verdachtes, kind opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (keuken)mes meermalen in de nek heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair:

zij op of omstreeks 15 februari 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk mishandelend haar kind, althans een persoon, te weten [minderjarig kind 2] (geboren [geboortedag]

2008), in de nek en/of de hals heeft geslagen en/of gekrabd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3 primair:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 22 maart 2009 te

's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [minderjarig kind 1] (geboren [geboortedag] 2004), te weten haar, verdachtes, kind (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen):

- [ minderjarig kind 1] met een stok en/of slipper en/of schoen en/of een (keuken)mes op het lichaam en/of het gezicht heeft geslagen en/of

- [ minderjarig kind 1] met kracht heeft geduwd waardoor hij (met zijn hoofd) op de (granieten) vloer en/of tegen een muur viel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 subsidiair:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 22 maart 2009 te 's-Gravenhage (telkens) opzettelijk mishandelend haar kind, althans een persoon, te weten [minderjarig kind 1] (geboren [geboortedag] 2004) (meermalen):

- met een stok en/of slipper en/of schoen en/of een (keuken)mes op het lichaam en/of het gezicht heeft geslagen en/of

- met kracht heeft geduwd waardoor hij (met zijn hoofd) op de (granieten) vloer en/of tegen een muur viel, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4 primair:

zij op of omstreeks 27 oktober 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijfom aan een persoon genaamd [aangever 1], te weten haar, verdachtes, echtgenoot opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, terwijl zij op korte afstand stond, met een mes een stekende beweging in de richting van de buik van die [aangever 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4 subsidiair:

zij op of omstreeks 27 oktober 2008 te 's-Gravenhage [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (terwijl zij op korte afstand stond) met een mes een stekende beweging in de richting van het lichaam van die [aangever 1] gemaakt.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard op grond van:

- een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn;

- de onzorgvuldige wijze waarop de voortgang van de procedure in hoger beroep door het openbaar ministerie ter hand is genomen;

- de inactieve houding bij het toezicht op het verloop van het deskundigenonderzoek dat op verzoek van het openbaar ministerie is verricht;

- het feit dat er bij de totstandkoming van de verklaring van [minderjarig kind 1], waar de bewijsconstructies van de feiten 1 en 3 op steunen, vormen zijn verzuimd die tot het oordeel hadden moeten leiden dat verdere vervolging voor deze feiten niet opportuun was, zodat sprake is van schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

Het hof overweegt omtrent de redelijke termijn van berechting als volgt.

Een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden leidt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

In de onderhavige zaak zijn inmiddels bijna 4 jaren verstreken sinds het instellen van het hoger beroep.

Er is derhalve naar het oordeel van het hof sprake van een - bepaald onwenselijke – zeer forse overschrijding van de redelijke termijn. Gezien het hiervoor overwogene leidt deze constatering echter niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van hetgeen de raadsman voorts heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie oordeelt het hof als volgt.

In het gestelde optreden, dan wel nalaten van het openbaar ministerie ziet het hof onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak tekort is gedaan.

Het hof verwerpt op grond van het vorenstaande het verweer van de raadsman.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof is –net als de advocaat-generaal en de raadsman- van oordeel dat het proces-verbaal van het op 10 maart 2009 afgenomen studioverhoor van [minderjarig kind 1] als bewijsmiddel dient te worden uitgesloten. Het hof baseert dit oordeel op de rapporten van professor W.A. Wagenaar en doctor R. Horselenberg. Beiden hebben in hun rapport uitvoerig gewezen op de gebreken die aan het verhoor kleven. Deze gebreken zijn zodanig ernstig dat dit proces-verbaal niet voor het bewijs gebruikt kan worden. Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof voorts van oordeel dat na uitsluiting van dit proces-verbaal als bewijsmiddel er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van feit 1 te kunnen komen. De verdachte dient dan ook –conform de vordering van de advocaat-generaal- van dit feit te worden vrijgesproken.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Ook van die feiten dient de verdachte derhalve te worden vrijgesproken.

Nadere motivering vrijspraak feiten 1, 2 en 3

Het hof zal thans nader ingaan op de vrijspraken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

Deskundige Horselenberg heeft in hoger beroep onderzoek gedaan naar het studioverhoor van [minderjarig kind 1] d.d. 11 maart 2009 waarbij [minderjarig kind 1] – destijds vijf jaar oud – zowel gesproken heeft over seksueel misbruik als over mishandelingen. Horselenberg is bij zijn onderzoek uitgegaan van twee mogelijke scenario’s. Het eerste scenario houdt in dat de verklaring van [minderjarig kind 1] klopt en dat de verdachte hem heeft misbruikt en mishandeld. Het tweede scenario houdt het tegenovergestelde in en luidt dat hij niet betrouwbaar en valide verklaard heeft over de verdachte.

Dat sprake zou zijn geweest van seksueel misbruik van [minderjarig kind 1] blijkt uitsluitend uit de verklaring van aangever {aangever 1], de vader van [minderjarig

kind 1]. Aangever was op dat moment met de verdachte verwikkeld in een conflictueuze echtscheidingsprocedure. [minderjarig kind 1] heeft tegen geen enkele andere getuige iets gezegd waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat hij seksueel misbruikt zou zijn. Evenmin zijn er naar het oordeel van het hof aanknopingspunten in het dossier te vinden die wijzen op seksueel misbruik. Getuige [getuige A], een van de onderwijzeressen van [minderjarig kind 1], heeft tegenover de rechter-commissaris zelfs expliciet verklaard dat [minderjarig kind 1] op school nooit seksueel ongepast gedrag heeft vertoond. Ook de verklaringen van getuige [getuige B], de andere onderwijzeres van [minderjarig kind 1] en getuige [getuige C], de directeur van de basisschool, geven geen enkele blijk van signalen van [minderjarig kind 1] met betrekking tot seksueel misbruik.

Getuige [getuige D] heeft verklaard dat [minderjarig kind 1] drie keer zijn tong in haar mond stopte toen hij haar een kus gaf. Ook heeft zij verklaard dat [minderjarig kind 1] haar rond oktober/november 2008 in haar gezicht likte als hij haar kuste. De getuige heeft voorts verklaard dat getuige [getuige E] verteld heeft dat [minderjarig kind 1] “het ook bij haar had gedaan”.

Wat getuige [getuige D] met “het” bedoelt is onduidelijk, nu getuige [getuige E] in het geheel niet verklaard heeft dat [minderjarig kind 1] haar in haar gezicht gelikt heeft. Zij heeft verklaard dat [minderjarig kind 1] bij het zoenen één keer zijn tong in haar mond heeft gestopt. Dit heeft plaatsgevonden in de week van 17 tot en met 26 oktober 2008. Later in die week wilde hij het nog een keer proberen, aldus getuige [getuige E], maar dat lukte niet omdat zij het niet wilde. Daarna is het niet meer gebeurd. Getuige [getuige E] is de moeder van aangever en getuige [getuige D] woonde op het moment dat zij haar verklaring aflegde als au pair bij aangever, zodat zij zich in een afhankelijkheidssituatie met betrekking tot aangever bevond.

Met de deskundige Horselenberg is het hof van oordeel dat het geven van een tongzoen door een kind geen signaal van seksueel misbruik is.

Daarnaast is het hof van oordeel dat met de verklaringen van deze getuigen uiterst behoedzaam dient te worden omgegaan, gelet op het feit dat aangever en de verdachte verwikkeld waren in een conflictueuze echtscheiding, gelet op de relatie tussen aangever en beide getuigen en het feit dat uitsluitend deze getuigen verklaard hebben dat [minderjarig kind 1] tongzoenen zou hebben gegeven.

Nu uit de verklaringen van de onafhankelijke getuigen [getuige B], [getuige A] en [getuige F] blijkt dat [minderjarig kind 1] aan hen of aan kinderen op school nooit geprobeerd heeft een tongzoen te geven, betwijfelt het hof of het geven van tongzoenen, zoals door aangever en de getuigen [getuige D] en [getuige E] wordt gesteld, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Deskundige Horselenberg heeft in zijn rapport uitvoerig aandacht besteed aan de ‘disclosure’ van [minderjarig kind 1]. De deskundige wijst op een aantal kenmerkende aspecten in deze disclosure:

-de handelingen bij [minderjarig kind 1] worden steeds ernstiger;

-de gedetailleerdheid van de verklaringen van aangever Strijdhagen enerzijds en het feit dat hij pas in een tweede aangifte melding maakt van feiten die hem al bekend waren tijdens zijn eerste aangifte;

-het feit dat aangever met getuige [getuige G] op 6 februari 2009 over een disclosure van handelingen heeft gesproken die hij bij zijn aangifte dateerde op 15 februari 2009;

Horselenberg stelt vast dat er weinig overeenkomsten zijn tussen de verklaringen over wat er tijdens [minderjarig kind 1]s disclosure was verteld –uitgaande van de verklaringen van aangever- en de inhoud van zijn verklaring die tot stand gekomen is in het studioverhoor. Zijn conclusie is dat hij in zijn onderzoek meer aanwijzingen heeft gevonden voor het tweede scenario (inhoudende dat [minderjarig kind 1] niet betrouwbaar en valide heeft verklaard over de verdachte) dan voor het eerste scenario.

Het hof deelt de conclusies van deze deskundige. Het hof stelt voorts vast dat [minderjarig kind 1] uitsluitend tegenover de studioverhoorders en zijn vader heeft verklaard over het likken van en door de verdachte. Aan het studioverhoor kleven zodanige gebreken dat het hof in het kader van de bewijsvoering geen enkele waarde hecht aan de verklaring van [minderjarig kind 1] die in dat verhoor tot stand is gekomen.

De verschillende verklaringen die aangever heeft afgelegd over de wijze waarop [minderjarig kind 1] hem verteld zou hebben over seksueel misbruik door zijn moeder (de disclosure) roepen blijkens het rapport van Horselenberg voorts zoveel vragen op dat het hof ook hieraan geen waarde hecht.

Het hof komt op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep dan ook tot de conclusie dat naar alle waarschijnlijkheid in het geheel geen sprake is geweest van seksueel misbruik van [minderjarig kind 1], laat staan dat de verdachte zich daaraan schuldig zou hebben gemaakt.

Wat betreft de gestelde stelselmatige mishandeling van [minderjarig kind 1] door de verdachte constateert het hof dat de verklaringen van aangever en de getuigen [getuige H] en [getuige D] geen enkele steun vinden in andere bewijsmiddelen. De verklaring van getuige [getuige D] ziet het hof niet als een betrouwbaar en bruikbaar bewijsmiddel gelet op voornoemde afhankelijkheidsrelatie met aangever. Getuige [getuige H] is de moeder van aangever, zodat het hof bij de beoordeling van de waarde van die verklaring behoedzaam te werk is gegaan.

Onafhankelijke getuigen die [minderjarig kind 1] gedurende langere periodes dagelijks en/of van dichtbij hebben meegemaakt –de getuigen [getuige A], [getuige B] en [getuige I]- hebben verklaard nooit enig letsel bij hem te hebben gezien. Ook vertoonde [minderjarig kind 1] blijkens hun verklaringen geen gedrag dat zou kunnen wijzen op (stelselmatige) mishandeling door zijn moeder. Wanneer sprake zou zijn geweest van structurele mishandeling, zoals aangever en de getuige [getuige D] hebben betoogd, kan het niet anders dan dat deze onafhankelijke getuigen daar op enig moment sporen van gezien zouden moeten hebben of gedragsveranderingen bij [minderjarig kind 1] hadden moeten bemerken.

Het hof sluit dan ook niet uit dat de aangifte is ingegeven door de wijze waarop in de ogen van aangever de echtscheiding verliep. Het feit dat aangever tegen getuige [getuige A] verklaard heeft dat een schaafwond op de hand van [minderjarig kind 1] veroorzaakt was door de verdachte, terwijl [getuige A] zelf gezien had dat die schaafwond was veroorzaakt door een val op het schoolplein, sterkt het hof in dit oordeel.

Bij [minderjarig kind 2] – de op [geboortedag] 2008 geboren tweede zoon van de verdachte en aangever – zijn op 14 feburari 2009 striemen in de nek aangetroffen. De arts die de krassen bekeken heeft, omschrijft ze als volgt: “striemen in nek links en rechts, 10 cm en breed 0,4 cm, rode omgeving”. Uit het dossier blijkt niet hoe deze krassen in de nek van [minderjarig kind 2] zijn ontstaan. Het hof is van oordeel dat uit het enkele feit dat bij [minderjarig kind 2] krassen in de nek zijn aangetroffen, niet geconcludeerd kan worden dat die krassen het gevolg zijn van een mishandeling. Voorts is er geen enkel bewijs voor de stelling dat de verdachte deze krassen al dan niet opzettelijk heeft veroorzaakt.

Ook wat betreft de feiten 2 en 3 komt het hof tot de conclusie dat mishandeling van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] naar alle waarschijnlijkheid niet heeft plaatsgevonden, laat staan dat de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt.

Nadere motivering vrijspraak feit 4

Wat betreft de vrijspraak van feit 4 overweegt het hof als volgt.

De eerste aangifte in de onderhavige zaak dateert van 26 februari 2009. Aangever [aangever 1] maakt dan vooral melding van mishandelingen en seksueel misbruik waarvan zijn kinderen in zijn ogen het slachtoffer zijn geworden. Terloops maakt hij in die aangifte melding van een bedreiging door de verdachte waar hij vier maanden eerder het slachtoffer van zou zijn geweest. Pas een week later doet hij tegen de verdachte daadwerkelijk aangifte van bedreiging . Het hof is van oordeel dat hier sprake is van een opmerkelijk tijdsverloop tussen de datum waarop het voorval zou hebben plaatsgevonden en de datum waarop aangifte wordt gedaan. Een bevredigende verklaring voor dit tijdsverloop heeft aangever naar het oordeel van het hof niet gegeven. Dit klemt te meer nu aangever in zijn slachtofferverklaring heeft aangegeven dat de gevolgen van dit gebeuren voor hem enorm zijn geweest, en dat zijn gevoel van veiligheid ernstig was aangetast.

Wat vaststaat is dat op 27 oktober 2008 tussen aangever en de verdachte een woordenwisseling heeft plaatsgevonden die betrekking had op het naar school brengen van [minderjarig kind 1]. Deze woordenwisseling vond plaats toen de verdachte bezig was brood te smeren dan wel fruit te snijden. Aangever heeft verklaard dat de verdachte –blijkbaar tijdens die woordenwisseling- ineens gezegd zou hebben: “Ben je er bewust van dat ik een mes in mijn handen heb”. Vervolgens zou zij stekende bewegingen hebben gemaakt in de richting van de buik van aangever. Getuige [getuige D] was getuige van de woordenwisseling. Zij heeft in de onderhavige zaak verschillende verklaringen afgelegd. Het valt het hof op dat ze in haar eerste verklaring, afgelegd op 3 maart 2009, met geen woord rept over het vermeende steekincident, ook niet wanneer haar aan het eind van dat verhoor gevraagd wordt of zij nog iets te verklaren heeft. Pas een week later, nadat aangever aangifte heeft gedaan, legt zij hierover een verklaring af. Wat in die verklaring opvalt is dat zij de verdachte niet heeft horen zeggen: “Ben je er bewust van dat ik een mes in mijn handen heb”. Hetgeen de verdachte volgens haar wel gezegd heeft, strookt niet met hetgeen aangever verklaard heeft. Tenslotte blijkt uit haar verklaring niet dat ze daadwerkelijk heeft gezien dat de verdachte een steekbeweging in de richting van aangever heeft gemaakt. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat er naar alle waarschijnlijkheid niet meer is voorgevallen dan een woordenwisseling waarbij de verdachte een mes in haar hand had. Voor de conclusie dat de verdachte tijdens deze woordenwisseling aangever bedreigd heeft zoals ten laste is gelegd, is wellicht wettig bewijs aanwezig, maar het hof is van oordeel dat geen sprake is van overtuigend bewijs.

Resumerend is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vordering tot schadevergoeding benadeelde partij

[aangever 1]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 1] (gemachtigde mr. R.A. Korver) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 500,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [aangever 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. G. Knobbout en mr. H.J.M. Smid-Verhage, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 februari 2014.