Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4726

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
200.113.154/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2015:4003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

stichting FTF legt bossen aan om CO2 te compenseren en verkoopt de daarmee verworven credits. Staat telt deze credits mee in Kyoto-rapportage waardoor FTF deze credits niet of moeilijker kan verkopen. Vraag of de Staat FTF hiervoor schadeloos moet stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.113.154/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 390218/HA ZA 11-910

arrest van 1 juli 2014

inzake

FACE THE FUTURE B.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: FTF,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministeries van Infrastructuur en Milieu, en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. W.T. Braams te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 5 september 2012, hersteld bij exploot van 25 september 2012, heeft FTF hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juni 2012, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft FTF zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord zijn bestreden. De Staat heeft onder aanvoering van één grief voorwaardelijk incidenteel geappelleerd. FTF heeft het voorwaardelijk incidenteel appel bestreden bij memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Het gaat in deze zaak, mede gelet op de in zoverre in appel onbestreden gebleven feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.13 van haar eindvonnis heeft vastgesteld, en op grond van hetgeen overigens over en weer onbestreden is gesteld, om het volgende.

1.2

In 1990 is opgericht de Stichting Face (ontleend aan ‘Forests Absorbing Carbon dioxide Emission’). Het doel van de Stichting Face was het tot stand brengen en beschermen van bossen, waar ook ter wereld, teneinde de uitstoot van kooldioxide (CO2) in de atmosfeer onder maatschappelijk aanvaardbare condities te compenseren. Stichting Face werd opgericht door N.V. Samenwerkende elektriciteitsproductiebedrijven (hierna: SEP), een vennootschap waarvan de aandelen in handen waren van de Nederlandse elektriciteitsproductiebedrijven. SEP wenste door middel van Stichting Face de door haar veroorzaakte uitstoot van kooldioxide te compenseren. De aandelen van de elektriciteitsproductiebedrijven, verenigd in SEP, waren destijds in handen van Nederlandse (decentrale) overheden.

1.3

SEP is vanaf de oprichting van Stichting Face tot 7 februari 2001 vertegenwoordigd geweest in het bestuur van de stichting. Vanaf de oprichting van Stichting Face tot oktober 2009 hebben ook vertegenwoordigers van de Staat deel uitgemaakt van het bestuur van Stichting Face.

1.4

Stichting Face heeft in de periode 1992-2002 1.339 hectare bos in Nederland laten aanplanten (hierna: de Face-bossen), teneinde daarmee in de atmosfeer voorkomende CO2 vast te leggen. Stichting Face sloot daartoe contracten met grondeigenaren, op grond waarvan Stichting Face de eigenaren een bijdrage in de kosten van bosaanleg betaalde en Stichting Face alle rechten ten aanzien van de CO2-vastlegging in de gerealiseerde bossen toekwamen.

1.5

De kosten van de bosbouwprojecten van Stichting face werden tot 2001 gedragen door SEP, doordat SEP jaarlijks 20 miljoen gulden aan Stichting Face ter beschikking stelde. Deze kosten voor SEP werden met goedkeuring van de overheid uit een opslag op de elektriciteitsprijs betaald. Daarnaast konden de eigenaren van de grond waarop de bossen werden ontwikkeld, een beroep doen op van overheidswege verstrekte subsidies.

1.6

Vanaf 1998 (standpunt FTF) dan wel 2001 (standpunt Staat) tot 2007 heeft Stichting Face haar activiteiten mede gefinancierd door de verkoop van CO2-credits in de vorm van zogenoemde Verified Emission Reductions (‘VER’s’). Dit werkt aldus. Voor elke ton CO2 die in de Face-bossen is opgenomen, kan telkens één CO2-credit worden aangevraagd bij een (erkende) certificerende instantie. Het hof begrijpt dat door de certificerende instantie in beginsel per jaar wordt beoordeeld hoeveel ton CO2 in dat jaar door het bos is opgenomen. Indien een CO2-credit wordt uitgegeven wordt deze gehouden in een depot bij een externe bewaarder, zoals – in het geval van Stichting Face – Triodos Climate Clearing House. Bij verkoop van een CO2-credit wordt deze afgeschreven van het tegoed van de verkoper bij de bewaarder en bijgeschreven bij het tegoed van de koper. In 2008 heeft Stichting Face voor de laatste maal een certificering verkregen voor de CO2-opname in de op haar initiatief aangelegde bossen in de periode tot en met 31 december 2007.

1.7

Het systeem op grond waarvan bosuitbreiding door middel van de verkoop van CO2-credits kon worden gefinancierd is door de Staat in nauw overleg met Stichting Face opgezet.

1.8

Stichting Face heeft op deze wijze CO2-credits verkocht aan organisaties die op vrijwillige basis een extra bijdrage willen leveren aan het tegengaan van klimaatverandering door hun CO2-uitstoot te compenseren. De certificering werd telkens verricht door SGS Climate Change Program (‘SGS’). Stichting Face heeft haar CO2-credits laten verifiëren volgens de Verified Carbon Standard (‘VCS’), volgens FTF de meest gebruikte en gangbare standaard. De hiervoor beschreven handel in CO2-credits vindt plaats op de zogenoemde vrijwillige markt, die niet van overheidswege is gereguleerd.

1.9

Eind jaren negentig kwam een eind aan de betrokkenheid van de overheid bij de elektriciteitsproductie. Vanaf 2001 is SEP niet meer betrokken bij de Stichting Face.

1.10

In 2009 is FTF opgericht. In oktober 2009 heeft FTF de activa en passiva van Stichting Face overgenomen en de activiteiten van Stichting Face voortgezet.

1.11

Op 9 mei 1992 is de United Nations Framework Convention on Climate Change (hierna: het Klimaatverdrag) gesloten. Op 11 december 1997 is het Klimaatverdrag aangevuld met het Kyoto-Protocol. Nederland is zowel partij bij het Klimaatverdrag als het Kyoto-Protocol. Op grond van het Kyoto-Protocol heeft Nederland zich verbonden om in de periode 2008-2012, ten opzichte van het referentiejaar 1990, een reductie in de uitstoot van broeikasgassen te bewerkstelligen van 6%. Het Kyoto-Protocol is op 16 februari 2005 in werking getreden.

1.12

In 2001 zijn in het kader van het Klimaatverdrag en het Kyoto-Protocol nadere afspraken gemaakt door middel van de Marrakech-Akkoorden.

1.13

Op grond van art. 3 lid 3 Kyoto Protocol is Nederland verplicht jaarlijks een rapport, het National Inventory Report (‘NIR’) uit te brengen over de in Nederland in totaal gerealiseerde emissiereductie, waarin ook de emissiereductie die als gevolg van particuliere initiatieven is gerealiseerd, moet worden meegeteld. In artikel 33 van de Annex bij Decision 13/CMP.1 van de Marrakech Akkoorden is evenwel bepaald dat een verdragspartij ervoor mag kiezen een deel van de bereikte emissiereductie niet mee te tellen, namelijk door het annuleren van Assigned Amount Units (‘AAU’s’), specifieke emissie-eenheden die elk één ton CO2-equivalent vertegenwoordigen.

1.14

De Staat heeft er niet voor gekozen de AAU’s die verband houden met de Face-bossen niet mee te tellen in zijn NIR-rapportage. Indien de Staat dit alsnog zou doen zou dit er niet meer toe kunnen leiden dat de CO2-credits verband houdende met de Face-bossen alsnog volgens de VCS-standaard zouden kunnen worden gecertificeerd, want daartoe is de termijn inmiddels verstreken.

1.15

In april 2010 is het NIR 2010 uitgebracht, waarin is gerapporteerd over de periode 1990 tot en met 2008. In het NIR 2010, waarin voor het eerst ook de emissiereductie is meegenomen die bereikt is door bosaanplant, zijn ook de Face-bossen integraal meegerekend.

1.16

Als gevolg van het feit dat de Staat de emissiereductie die gerealiseerd is door de Face-bossen, in zijn rapportage op grond van het Kyoto-Protocol heeft meegerekend, kon Stichting Face en kan FTF na 2007 de CO2-reductie niet langer volgens de VCS-standaard laten verifiëren. Die standaard stelt namelijk, teneinde dubbeltelling te voorkomen, als eis dat de gerealiseerde emissiereductie niet ook door andere partijen, zoals door de nationale overheid in het kader van de NIR-rapportage, wordt meegeteld.

1.17

FTF stelt zich op het standpunt dat zij schade lijdt doordat de Staat de CO2-credits die verband houden met de Face-bossen, in de NIR-rapportage meetelt en geen gebruik maakt van de door de Marrakech Akkoorden geboden mogelijkheid om AAU’s niet mee te tellen. Hierdoor kan FTF deze CO2-credits niet laten certificeren, hetgeen deze onverkoopbaar maakt. De Staat is volgens FTF gehouden deze schade aan FTF te vergoeden, aangezien de Staat in zoverre ongerechtvaardigd ten koste van FTF is verrijkt, jegens FTF onrechtmatig heeft gehandeld, in de rechtmatige uitoefening van zijn taak aan FTF onevenredige schade heeft toegebracht (schending égalité-beginsel), dan wel art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM heeft geschonden. Zij vordert in dit geding, kort gezegd, betaling van € 2.620.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008 en de kosten van het geding alsmede de nakosten. Het bedrag van € 2.620.000 is gebaseerd op de stelling dat FTF vanaf 2008 tot 2091 naar verwachting 436.737 CO2-credits had kunnen verkopen tegen een prijs van € 6 per CO2-credit.

1.18

De rechtbank heeft de vordering van FTF afgewezen. Zij overwoog daartoe, samengevat en verkort weergegeven, het volgende. Geen ongerechtvaardigde verrijking: de uit het Kyoto Protocol voortvloeiende verplichting voor de Staat om ook de Face-bossen mee te tellen in de NIR-rapportage, vormt de redelijke grond voor de eventuele verrijking van de Staat. De Staat is niet verplicht AAU’s te annuleren, te minder nu de Staat bij Stichting Face nooit de indruk heeft gewekt dat dat de Face-bossen niet zouden meetellen om de Kyoto-doelen te halen. Bovendien staat niet vast dat de Staat is verrijkt, omdat thans (datum vonnis, hof) niet kan worden vastgesteld welke broeikasreductie Nederland over de periode 2008-2012 zal realiseren en niet kan worden uitgesloten dat de reductie die het gevolg is van de Face-bossen niet nodig is om de vereiste reductie van 6% te bereiken. Geen onrechtmatige daad: van onrechtmatig handelen is geen sprake. De Staat had de bevoegdheid, niet de plicht AAU’s te annuleren. De Staat heeft bij FTF niet de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat FTF in niet-dubbel getelde CO2-certificaten zou kunnen blijven handelen. Het moest ook voor Stichting Face reeds vanaf 1994-1995 duidelijk zijn geweest dat de Staat alle bebossing zou meetellen bij de invulling van de Nederlandse CO2-doelstelling. Aan de Staat valt niet te verwijten dat zich in de vrije markt standaarden hebben ontwikkeld aan de hand waarvan certificaten voor emissiereducties alleen worden toegekend indien geen dubbeltelling plaatsvindt. Geen schending égalité-beginsel: de schade die FTF lijdt wordt niet veroorzaakt door de Staat, maar door de werking van de vrije markt. Bovendien is geen sprake van een buiten het normale bedrijfsrisico vallende, op een beperkte groep drukkend gevolg. FTF begeeft zich op een markt waar internationale regelgeving een belangrijke rol speelt en van haar mag verlangd worden dat zij haar risico’s spreidt, hetgeen zij kennelijk ook heeft gedaan. FTF heeft ook voldoende tijd gehad om te anticiperen op de gevolgen die de verplichting van de Staat om ook de Face-bossen mee te tellen zou hebben. Geen schending art. 1 EP: de beperking die FTF ervaart in de handel in CO2-credits, vloeit voort uit ontwikkelingen op de vrijwillige markt en met name uit het feit dat op die markt CO2-credits zonder dubbeltelling veruit het meest gewild zijn. Er is dus geen sprake van een inmenging van de zijde van de Staat. In het midden kan aldus blijven of de (toekomstige) CO2 eenheden die worden gerealiseerd door de Face-bossen kunnen worden aangemerkt als eigendom van FTF in de zin van art. 1 EP, aldus de rechtbank.

1.19

In de memorie van grieven onder 10.2 stelt FTF dat de door haar geleden schade eventueel zou kunnen worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet. Het hof begrijpt dit aldus dat FTF niet haar eis heeft gewijzigd, maar het hof op de mogelijkheid heeft gewezen om partijen ambtshalve naar de schadestaatprocedure te verwijzen.

2.1

In grief 1 komt FTF op tegen de feiten die de rechtbank in haar vonnis van 6 juni 2012 heeft vastgesteld. Volgens FTF zijn de door de rechtbank vastgestelde feiten onvolledig, waarbij FTF wenst dat het hof bij het vaststellen van de feiten mede acht slaat op de in de memorie van grieven gestelde feiten.

2.2

Het hof heeft bij de recapitulatie van de feiten al rekening gehouden met hetgeen FTF omtrent de feiten naar voren heeft gebracht, voor zover FTF duidelijke, ook voor de Staat kenbare klachten tegen het rechtbankvonnis naar voren heeft gebracht en voor zover de Staat die stellingen niet heeft weersproken. Voor het overige faalt de grief omdat daaruit niet valt op te maken tegen welke overwegingen van de rechtbank de bezwaren gericht zijn en waarom.

2.3

Met grief 2 komt FTF op tegen rechtsoverweging 3.2 van het rechtbankvonnis, waarin de rechtbank de grondslagen van de vordering van FTF weergeeft. Voor zover de weergave van de rechtbank afwijkt van hetgeen FTF in de memorie van grieven aan haar vordering ten grondslag legt, dient het hof het gestelde in de memorie van grieven tot uitgangspunt te nemen, aldus FTF.

2.4

Deze grief faalt, aangezien noch het hof noch de Staat daaruit kunnen opmaken over welk oordeel van de rechtbank wordt geklaagd en waarom. Dit neemt niet weg dat het FTF toegestaan is de grondslag van haar vordering in hoger beroep aan te passen. Het hof zal dus recht doen op de grondslagen zoals FTF deze in hoger beroep heeft geformuleerd.

3.1

Met grief 3 komt FTF op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat niet ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van FTF. Daartoe voert FTF allereerst aan dat het Kyoto-Protocol, niet een wet maar een internationaal verdrag, niet een rechtvaardiging kan opleveren voor de verrijking van de Staat, en, voor zover dat al anders mocht zijn, dat het Kyoto-Protocol niet strekt tot een vermogensverschuiving waarbij de vruchten van particuliere initiatieven aan de verdragstaten toevallen. In de tweede plaats voert FTF aan dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de Staat een financieel voordeel geniet door de emissiereductie veroorzaakt door de Face-bossen mee te tellen. Dit voordeel zou zich op drie manieren kunnen manifesteren, te weten (i) besparingen bij de realisatie van bossen in Nederland, (ii) de Staat bereikt (eerder) zijn doelstelling en ontloopt daarmee boetes en sancties en (iii) de Staat hoeft minder emissierechten of CO2-credits uit de markt te kopen of, indien de Staat mede dank zij de Face-bossen een hogere reductie realiseert dan 6%, de Staat kan emissierechten verkopen.

3.2

Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof het volgende voorop. Het systeem op grond waarvan in de vrijwillige markt CO2-credits kunnen worden gecertificeerd en verhandeld, zoals hiervoor weergegeven, begrijpt het hof als volgt. Er zijn partijen op de markt, zoals consumenten en bedrijven, die er, bijvoorbeeld ter compensatie van de eigen vervuilende activiteiten, om hen moverende redenen (imagoverbetering, algemeen belang) geld voor over hebben dat andere partijen, in Nederland of elders, een emissiereductie realiseren. Deze partijen vinden elkaar op een markt, waarop gehandeld wordt in ‘credits’ die gecertificeerd zijn door een erkende instantie en die geadministreerd worden via een vorm van girale tegoeden, ‘gehouden’ door een bewaarder (zie hierboven onder 1.6). Hoewel de aldus verhandelde CO2-credits geen voor zelfstandige overdracht vatbare vermogensrechten zijn, is het naar het oordeel van het hof wel zo dat CO2-uitstoot reducerende activiteiten kennelijk onder omstandigheden activiteiten zijn die geld kunnen opleveren en waarvoor een markt bestaat, een markt die kennelijk in nauw overleg met de Staat is opgezet. Dit betekent dat de activiteiten die Stichting Face heeft ondernomen door de aanleg van de Face-bossen in beginsel op geld waardeerbaar zijn en voorwerp kunnen zijn van een actie uit ongerechtvaardigde verrijking, indien FTF die activiteiten niet of niet meer (geheel) te gelde kan maken en tevens aan de overige vereisten van art. 6:212 BW is voldaan. Dit oordeel impliceert dat de eventuele onmogelijkheid voor FTF om de uit de Face-bossen voortvloeiende emissiereductie te gelde te maken, schade kan zijn als bedoeld in art. 6:212 lid 1 BW. Voorts is hierbij van belang dat van verrijking in de zin van art. 6:212 lid 1 BW ook sprake kan zijn indien de Staat kosten bespaart.

3.3

Ten aanzien van het eerste onderdeel van de grief is het hof, anders dan FTF, van oordeel dat een verdragsbepaling als art. 3 lid 3 Kyoto-Protocol in beginsel een rechtvaardiging kan opleveren voor de gestelde verrijking van de Staat. Het hof verwerpt het betoog van FTF dat alleen een rechtshandeling of een wet een zodanige rechtvaardiging kan opleveren. De vraag is echter of de bewuste verdragsbepaling de strekking heeft de gestelde verrijking te rechtvaardigen. Volgens FTF is dat niet het geval. De Staat heeft hierover opgemerkt dat aan FTF kan worden toegegeven dat art. 3 lid 3 Kyoto-Protocol niet leidt tot enige verschuiving van welk vermogen dan ook. Het is het hof echter niet duidelijk of de Staat hiermee de stelling van FTF over de strekking van art. 3 lid 3 Kyoto-Protocol wil erkennen of betwisten, en in het laatste geval op grond van welke argumenten. Het hof zal de Staat in de gelegenheid stellen zijn standpunt hieromtrent te verduidelijken. FTF zal hierop vervolgens kunnen reageren. Indien de Staat de bewuste stelling van FTF niet erkent worden partijen verzocht nader in te gaan op de strekking van art. 3 lid 3 Kyoto-Protocol, aangezien dit aspect van het geschil tot nu toe onderbelicht is gebleven.

3.4

Naar aanleiding van het tweede onderdeel van de grief overweegt het hof als volgt. De Staat heeft als verweer tegen de gestelde verrijking onder meer aangevoerd dat de Staat niet verplicht is om emissierechten in de markt te kopen, dat het hoogstens zo kan zijn dat de Staat zijn reductiedoelstelling van 6% niet haalt en dat de Staat de vereiste CO2-reductie ook kan bewerkstelligen door het instellen van autoloze zondagen. Deze verweren acht het hof vooralsnog niet concludent. Dat de Staat niet verplicht is emissierechten te kopen, sluit niet uit dat de Staat kosten bespaart omdat hij, doordat hij de emissiereducties als gevolg van de Face-bossen kan meetellen, minder emissierechten op de officiële markt aankoopt dan hij zou hebben gekocht indien hij de emissiereducties uit de Face-bossen niet had kunnen meetellen. Ook de stelling van de Staat dat het hoogstens zo kan zijn dat de Staat de reductiedoelstelling niet haalt, sluit niet uit dat de Staat kosten bespaart. De vraag is immers niet wat er gebeurt als de Staat die reductiedoelstelling niet haalt, maar of het aannemelijk is dat de Staat liever die reductiedoelstelling niet haalt (en dus zijn verplichtingen onder het Kyoto-Protocol schendt) dan emissierechten bijkoopt. Hetzelfde geldt voor de stelling van de Staat dat emissiereductie ook kan worden gerealiseerd door het invoeren van wettelijke maatregelen die de Staat in beginsel niets kosten, zoals een autoloze zondag. Ook hier gaat het er niet om dat het invoeren van dergelijke maatregelen in theorie mogelijk is, maar of aannemelijk is dat de Staat voor dergelijke maatregelen kiest in plaats van emissierechten bij te kopen.

3.5

Het hof constateert voorts dat FTF ook heeft aangevoerd dat de Staat, indien hij mede dankzij de Face-bossen een hogere reductie realiseert, emissierechten zal kunnen verkopen. De Staat heeft voor zover het hof kan nagaan niet op deze stelling gereageerd.

3.6

De Staat heeft zich voorts verweerd met de stelling dat het mogelijk is voor FTF om de Face-bossen te laten certificeren volgens een andere standaard, die niet de eis stelt dat geen dubbeltelling mag plaatsvinden, en dat FTF vervolgens de aldus gecertificeerde emissiereducties had kunnen verkopen. Het hof is op grond van hetgeen partijen over en weer hierover met verwijzing naar diverse producties hebben aangevoerd, vooralsnog van oordeel dat weliswaar aannemelijk is dat de VCS-standaard de in de markt meest gebruikte en geaccepteerde standaard is, maar dat uit hetgeen FTF heeft aangevoerd niet zonder meer volgt dat certificering volgens bijvoorbeeld de CarbonFix-standaard, die dubbeltelling niet uitsluit, in het geheel geen opbrengsten had kunnen genereren. De Staat heeft in dit verband terecht aangevoerd dat de omstandigheid, dat FTF zich richt op grote internationale klanten die geen dubbeltellingen accepteren, niet wegneemt dat van FTF verlangd mag worden dat zij haar schade beperkt door zich op een ander marktsegment te richten, indien de door de Face-bossen gerealiseerde emissiereducties langs die weg wel te gelde kunnen worden gemaakt. FTF wordt verzocht zich hierover nader uit te laten, waarbij zij desgewenst inzichtelijk zal kunnen maken wat het verschil is tussen de opbrengsten die zij met gebruikmaking van de VCS-standaard had kunnen realiseren, en de opbrengsten die zij met gebruikmaking van de CarbonFix-standaard (of een daarmee vergelijkbare standaard) had kunnen realiseren. Aangezien het hof niet uitsluit dat het noodzakelijk zal zijn een deskundigenbericht op dit punt in te winnen, verzoekt het hof partijen voorstellen te doen over de vraagstelling alsmede over de personen of instellingen die voor een benoeming als deskundige in aanmerking zouden komen, en daarover zo mogelijk een eenparig voorstel te doen.

3.7

De Staat heeft er een beroep op gedaan dat Stichting Face is begonnen met de verkoop op de vrijwillige markt van CO2-credits afkomstig van bosprojecten in Nederland, op een moment dat de verplichting voor de Staat om dergelijke emissiereducties mee te tellen in de rapportage onder het Kyoto-protocol een duidelijk gegeven was. Het hof is voorshands van oordeel dat, voor zover de Face-bossen zijn gerealiseerd op een tijdstip dat voor FTF duidelijk was of moest zijn (i) dat de Staat verplicht was de daarmee gerealiseerde emissiereducties mee te tellen, en (ii) dat dit laatste zou betekenen dat FTF haar CO2-credits niet (meer) kon laten certificeren door de door haar gewenste instantie, van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake kan zijn, althans dat het niet redelijk is dat de Staat de als gevolg daarvan door FTF geleden schade vergoedt. Het is voor het hof echter niet duidelijk op welk moment het bedoelde tijdstip, met name het tijdstip aangeduid onder (ii), moet worden gesitueerd. Partijen zullen zich hierover nader bij akte kunnen uitlaten. In dit verband wenst het hof tevens van FTF te vernemen wat zij bedoelt als zij stelt (memorie van grieven onder 8.14) dat “(d)e investeringsbeslissing (totstandkoming van het verdienmodel)” genomen is in “1992, althans 1998” en waarop zij deze stellingen baseert, ook bezien tegen de achtergrond dat tussen partijen vaststaat dat de Face-bossen in de periode 1992-2002 zijn gerealiseerd.

3.8

De Staat heeft er op gewezen dat de Face-bossen mede met behulp van door de Staat verstrekte subsidies zijn gerealiseerd, dat het initiatief tot het oprichten van Stichting Face is genomen en gefinancierd door overheidsbedrijven (de aandeelhouders van SEP), die op hun beurt de financiële middelen daartoe verkregen door een (door de Staat goedgekeurde) opslag op het aan de Nederlandse bevolking in rekening gebrachte elektriciteitstarief. Het hof begrijpt het betoog van de Staat zo dat hij van mening is dat deze overheidsbetrokkenheid maakt dat het niet ongerechtvaardigd is indien de Staat verrijkt blijkt te zijn ten koste van FTF, althans dat het niet redelijk is dat de Staat de door FTF geleden schade vergoedt. Alvorens over dit punt te beslissen wenst het hof van partijen een zoveel mogelijk gespecificeerd overzicht te verkrijgen van de financiële en mogelijk andere inspanningen die de Staat, FTF en mogelijk derden hebben verricht om de Face-bossen te realiseren, vergezeld van een beschouwing over de vraag wat dit naar hun mening voor de toepassing van art. 6:212 BW betekent.

3.9

Tot slot vraagt het hof partijen om zich uit te laten over de vraag of Nederland al dan niet de op grond van het Kyoto-Protocol verplichte broeikasreductie over de periode 2008-2012 heeft bereikt, op welke wijze dit al dan niet is geschied alsmede in hoeverre daarbij de CO2-reductie die is gerealiseerd door de Face-bossen is meegeteld.

3.10

Aangezien de informatie die het hof van partijen hoopt te ontvangen mogelijk ook van belang is voor de beoordeling van de overige grondslagen van de vordering van FTF, zal het hof over die andere grondslagen thans geen uitspraak doen.

3.11

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen, als eerste FTF, in de gelegenheid te stellen te reageren op hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.3 tot en met 3.9. Aangezien het niet onwaarschijnlijk is dat FTF behoefte zal voelen om te reageren op de akte van de Staat, en het bovendien niet uitgesloten is dat het hof naar aanleiding van de aktewisseling nadere vragen aan partijen zal willen stellen, acht het hof het, mede ter bespoediging van de procedure, wenselijk dat partijen na deze aktewisseling de zaak bij pleidooi toelichten. Het hof gaat er dus van uit dat partijen te zijner tijd pleidooi zullen vragen.

Beslissing

Het hof:

- verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2014 voor uitlating door partijen als bedoeld onder 3.3. tot en met 3.9, voor het eerst aan de zijde van FTF;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, A.V. van den Berg en J.C.N.B. Kaal en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014, in aanwezigheid van de griffier.