Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4700

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
200.120.421/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:336, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Weigering uitkering brandschade. Beroep op verzwijging opzegging vorige verzekering, art. 251 (oud) WvK; open slotvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.120.421/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 408289 /HA ZA 11-2765

Arrest d.d. 2 september 2014

in de zaak van

[appellante] .

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante,

hierna te noemen [appellante] ,

advocaat: mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk,

tegen

1. de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te ‘s Gravenhage,

advocaat: mr. H.J. Arnold te ‘s Gravenhage,

hierna te noemen: Aegon,

2. [geïntimeerde 2] ,

handelend onder de naam [geïntimeerde 2] Financieel Adviesbureau,

wonende te [woonplaats 2] .

advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers te Rotterdam.

hierna te noemen: [geïntimeerde 2] ,

geïntimeerden.

Het verdere geding

Het hof verwijst naar het arrest van 12 februari 2013 waarbij een comparitie van partijen werd gelast. Deze comparitie heeft op 30 mei 2013 plaatsgehad. Een minnelijke regeling werd niet getroffen. Vervolgens heeft [appellante] tegen het vonnis van 10 oktober 2012 van de rechtbank ‘s Gravenhage grieven aangevoerd (met producties) en daarbij haar eis gewijzigd. Aegon en [geïntimeerde 2] hebben vervolgens bij afzonderlijke memorie van antwoord de grieven van [appellante] bestreden. Vervolgens hebben partijen stukken overlegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

a. RVS Schadeverzekering N.V. (hierna: RVS) heeft naar aanleiding van een schadeclaim van [appellante] van 31 oktober 1999 een onderzoek laten instellen door Areto B.V. (hierna: Areto). Vervolgens heeft RVS bij brief van 6 juni 2001 aan [appellante] meegedeeld de schadeclaim niet te honoreren en de wegens het onderzoek door Areto gemaakte kosten van [appellante] te zullen terugvorderen. In deze brief heeft RVS zich onder meer beroepen op artikel 16 sub b van de polisvoorwaarden, inhoudende dat aan de verzekering geen rechten kunnen worden ontleend indien verzekerde in geval van schade tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven.

b. Bij brief van 8 juni 2001 heeft RVS aan [appellante] meegedeeld de toen lopende aansprakelijkheidsverzekering particulieren, inboedelverzekering en woonhuisverzekering te beëindigen per uiterlijk 6 augustus 2001.

c. [appellante] heeft via [geïntimeerde 2] , handelend als zelfstandig assurantiepersoon, per 6 augustus 2001 bij Aegon een opstal-, inboedel en aansprakelijkheidsverzekering afgesloten, nadat Aegon in afwachting van een in te vullen aanvraagformulier, voorlopig dekking had verleend.

d. De verzekeringsovereenkomsten kwamen door middel van Bouwfonds Verzekeringen tot stand. Deze trad destijds op als gevolmachtigde van Aegon. Nadien is ABN AMRO Hypothekengroep B.V., handelend onder de naam Florius, als gevolmachtigde voor Aegon opgetreden.

e. Het — door onder meer [appellante] ondertekende — aanvraagformulier van Aegon bevatte onder het kopje “Overige mededelingen” onder andere de volgende vraag: “zijn er feiten te melden omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden van u of van een andere belanghebbende bij een van deze verzekeringen, die in de laatste 8 jaren zijn voorgevallen, of andere feiten ten aanzien van zowel het te verzekeren risico als de belanghebbenden bij een van deze verzekeringen, die voor het beoordelen van de aanvraag van belang kunnen zijn? Zo ja, gaarne hier toelichten.”

f. De voor deze vraag op het aanvraagformulier bestemde ruimte is open gelaten.

g. Op 16 april 2010 is in een naast de woning van [appellante] staand houten chalet, dat [appellante] (mede) in eigendom toebehoorde. brand uitgebroken. Het chalet en de inboedel van het chalet zijn door de brand verloren gegaan. Aegon heeft vervolgens I-Tek B.V. (hierna: I-Tek) opdracht gegeven een onderzoek naar de toedracht van de brand in te stellen. I-Tek heeft op 6 juli 2010 rapport uitgebracht.

h. Aegon heeft bij brief van 7 juli 2010 aan [appellante] meegedeeld voor de brandschade van 16 april 2010 geen dekking te zullen verlenen. In deze brief heeft Aegon onder meer het volgende meegedeeld. “U heeft op het aanvraagformulier geen melding gemaakt van de opzegging door RVS in verband met een frauduleuze claim. U had redelijkerwijs kunnen weten dat dit gegeven voor ons van belang was om het aangeboden risico te kunnen beoordelen. Zeker gezien de korte periode tussen het royement van RVS en de nieuwe aanvraag bij onze gevolmachtigde. U wist door de opzegging van RVS immers dat een frauduleuze claim voor een verzekeraar aanleiding is om de verzekeringsovereenkomst te beëindigen. U had hier ook uit kunnen concluderen dat een verzekeringsovereenkomst met een frauderende klant voor een verzekeraar een onacceptabel risico is.
Polisdekking
Als u het aanvraagformulier naar waarheid had ingevuld had Florius uw aanvraag in 2001 niet geaccepteerd. In dat geval was de verzekering ook niet van kracht geweest ten tijde van de brand. Wij kunnen de brandschade van 16 april 2010 dan ook niet vergoeden “.

i. Bij brief van 15 juli 2010 is namens Aegon de polis “per ingangsdatum” beëindigd. Tevens heeft Aegon aanspraak gemaakt op terugbetaling van alle in de periode 2001 tot 2010 door haar uitgekeerde schadebedragen, alsmede op vergoeding van door Aegon gemaakte expertisekosten, ten bedrage van € 15.562,76 respectievelijk € 4.384,64, derhalve van € 19.947,40 in totaal.

2. In dit geding gaat het allereerst om de vraag of Aegon gehouden is dekking onder de polis te verlenen en de brandschade van € 59.835,17 te vergoeden. Aegon heeft deze vraag met een beroep op artikel 251 (oud) WvK ontkennend beantwoord.

3. Aegon heeft zich primair op het standpunt gesteld dat elke opzegging van een eerder afgesloten verzekering door een verzekeraar bij het aangaan van een nieuwe verzekeringsovereenkomst moet worden gemeld. Nu tussen partijen vast staat dat [appellante] op de hoogte was van de opzegging door RVS van de destijds lopende verzekeringsovereenkomsten, staat daarmee volgens Aegon ook vast dat [appellante] niet heeft voldaan aan haar verplichting tot het meedelen van feiten en omstandigheden waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze voor Aegon van belang waren voor het beoordelen van de aanvraag. [appellante] heeft dit betwist.

4. Het hof stelt het volgende vast. Op het aanvraagformulier komt geen vraag voor die rechtstreeks betrekking heeft op een opzegging in het verleden door een andere verzekeraar. Aan Aegon komt geen beroep op artikel 251 (oud) toe voor zover [appellante] geen feiten heeft gemeld waarnaar in het aanvraagformulier niet werd gevraagd. Dit wordt op zichzelf niet anders door de stelling van Aegon dat het algemeen bekend is dat een opzegging door een andere verzekeraar moet worden gemeld. Anders dan Aegon betoogt, heeft [appellante] dit ook niet als uitgangspunt geaccepteerd. De omstandigheid dat [appellante] in haar rechtsverhouding tot [geïntimeerde 2] het standpunt heeft ingenomen dat het op de weg van [geïntimeerde 2] lag om naar de redenen van opzegging te vragen indien de slotsom zou moeten luiden dat Aegon terecht dekking heeft afgewezen, leidt niet tot een andere conclusie. [appellante] heeft dit standpunt immers alleen ingenomen voor de situatie waarin als uitgangspunt zou hebben te gelden dat Aegon terecht uitkering heeft geweigerd.

5. Beslissend is derhalve of [appellante] heeft begrepen, althans heeft behoren te begrijpen, dat zij de door Aegon gestelde vraag — “zijn er feiten te melden omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden van u of van een andere belanghebbende bij een van deze verzekeringen, die in de laatste 8 jaren zijn voorgevallen, of andere feiten ten aanzien van zowel het te verzekeren risico als de belanghebbenden bij een van deze verzekeringen. die voor het beoordelen van de aanvraag van belang kunnen zijn” — in oktober 2001 niet open had mogen laten, maar bij die vraag melding had moeten maken van de redenen die RVS in juni 2001 hadden geleid tot de beëindiging van de destijds lopende verzekeringen en met name van de mededeling van RVS in de brief van 6 juni 2001, inhoudende dat [appellante] omtrent het schadegeval van 1999 tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven.

6. [appellante] heeft aangevoerd dat zij deze brief van RVS, die zij als leek moeilijk leesbaar vond, zo heeft begrepen en ook zo heeft mogen begrijpen dat RVS haar verweet onvoldoende aan het onderzoek te hebben meegewerkt. [appellante] betwist te hebben geweten of te hebben begrepen dat RVS de verzekeringsovereenkomsten had opgezegd omdat [appellante] van fraude werd verdacht. [appellante] heeft ook ontkend te hebben gefraudeerd. [appellante] wist dus ook niet en evenmin had zij kunnen weten dat zij door RVS van fraude werd verdacht. Van fraude is in de brieven van 6 juni 2001 en 8 juni 2001 ook geen sprake, zo voert [appellante] voorts aan. Dit betekent volgens [appellante] dat Aegon haar niet met succes kan verwijten haar mededelingsplicht jegens Aegon te hebben geschonden.

7. Het hof overweegt als volgt. Het gaat er niet zo zeer om of [appellante] het verwijt van RVS, dat [appellante] tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken omtrent het schadegeval heeft gegeven, heeft begrepen als een verdenking van fraude in een bepaalde betekenis, als wel of zij, gegeven de door Aegon gestelde vraag, in antwoord hierop melding had moeten maken van de redenen van opzegging door RVS, waaronder het verwijt dat [appellante] omtrent het schadegeval van 1999 tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven.

8. Vast staat dat [appellante] de brief heeft gelezen De tekst wijkt niet of althans niet in belangrijke wijze af van hetgeen als gangbaar taalgebruik heeft te gelden. De mededeling dat [appellante] volgens RVS tegen beter weten in de schadetoedracht opzettelijk onjuist heeft voorgesteld, is duidelijk. Zij had desnoods aan haar toenmalige rechtsbijstandverlener om uitleg kunnen vragen. Uit de door [appellante] in hoger beroep overgelegde brieven van deze rechtsbijstandverlener blijkt dat deze in ieder geval beschikte over de brieven van RVS van 6 juni 2001 en 8 juni 2001. Dat zij dit niet heeft gedaan, komt niet voor rekening van Aegon.

9. Nu de mededeling van RVS aan [appellante] , dat zij tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, niets anders inhoudt dan dat [appellante] als verzekerde volgens RVS de schadetoedracht opzettelijk onjuist heeft voorgesteld, had [appellante] deze vraag niet onbeantwoord mogen laten.

10. [appellante] lijkt ook niet te betwisten dat een opzegging onder voormelde omstandigheden vragen oproept en derhalve voor een opvolgende verzekeraar van belang kan zijn. Volgens [appellante] dienden bij [geïntimeerde 2] immers door het enkele gegeven dat RVS de verzekeringen had opgezegd “alle alarmbellen te gaan rinkelen”, hetgeen niet anders kan worden begrepen dan dat [geïntimeerde 2] zich volgens [appellante] nader bij haar had moeten informeren naar de redenen van opzegging. Het hof passeert dan ook de stelling van [appellante] dat zij de opzegging van RVS als “onzin” en daarmee als voor niemand relevant heeft mogen beschouwen.

11. Aan het vorenstaande doet, anders dan [appellante] betoogt, niet af dat bij het desbetreffende voorval de schade door een bezoeker van [appellante] , dus door een derde, was geleden. De melding door [appellante] betrof schade aan de auto van deze bezoeker die door een destijds drie-jarig zoontje van [appellante] zou zijn veroorzaakt. [appellante] werd derhalve voor de schade aansprakelijk gehouden en was in zoverre belanghebbende bij de schadeclaim.

12. Uit al het vorenstaande volgt dat Aegon zich heeft kunnen beroepen op het bepaalde in artikel 251 (oud) WvK indien als voldoende vaststaand moet worden aangenomen dat Aegon de verzekeringsovereenkomst niet met [appellante] zou zijn aangegaan wanneer [appellante] bedoelde vraag wel had beantwoord. [appellante] heeft dit betwist. Aegon heeft op dit punt aangevoerd dat zij een frauderende verzekeringnemer of frauderende verzekerde een onacceptabel risico acht, zodat zij in een dergelijk geval — zo begrijpt het hof de stellingen van Aegon — een aanvraag om verzekering niet pleegt te accepteren.

13. [appellante] heeft zich erop beroepen dat ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg namens Aegon het standpunt is ingenomen dat het lastig was om achteraf te zeggen of, indien Aegon over alle informatie had beschikt, wel of niet een verzekering zou zijn afgesloten. Volgens [appellante] had Aegon, gelet op de commerciële relatie tussen Bouwfonds Verzekeringen en [geïntimeerde 2] destijds in 2001, [appellante] “gewoon” geaccepteerd. Het hof volgt [appellante] hierin niet. Doordat aan Aegon informatie is onthouden, kan niet met zekerheid worden vastgesteld tot welke afweging Aegon, indien zij ten tijde van de indiening van het aanvraagformulier volledig geïnformeerd was geweest, zou zijn gekomen. Door toedoen van [appellante] is Aegon immers niet in staat geweest zich desgewenst nader te informeren. [appellante] betwist dit op zichzelf niet. Waar zij aanvoert dat het onzeker is of zij door Aegon zou zijn geaccepteerd. [appellante] betoogt weliswaar dat deze onzekerheid voor risico moet komen van [geïntimeerde 2] , maar dit standpunt, indien al terecht, kan in de rechtsverhouding tussen [appellante] en Aegon niet tot de conclusie leiden dat Aegon dit risico moet dragen. Het is bovendien aannemelijk dat Aegon, evenals een redelijk handelend verzekeraar, (mede in het licht van de opzegging door RVS van een aantal verzekeringen die [appellante] bij RVS had lopen) de verzekering zou hebben geweigerd. Niet is gebleken dat Aegon een van een redelijk handelend verzekeraar afwijkend acceptatiebeleid hanteerde.

14. [appellante] beroept zich er verder op dat zij geen opzet kan hebben gehad Aegon te misleiden aangezien [appellante] tot 2010 niet wist dat zij bij Aegon verzekerd was en derhalve ook geen kennis had van het acceptatiebeleid van Aegon. Het hof kan [appellante] niet in dit standpunt volgen. De gestelde omstandigheid dat [geïntimeerde 2] de verzekeraar heeft gekozen, kan niet meebrengen dat [appellante] niet verantwoordelijk is voor de beantwoording van de vragenlijst waaronder zij in oktober 2001 haar handtekening heeft geplaatst.

15. Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat Aegon kan worden gevolgd in haar standpunt dat zij zich heeft kunnen beroepen op artikel 251 (oud) WvK zodat zij geen dekking behoeft te verlenen voor het schadegeval van 16 april 2010 en ook voor de in de periode 2001-2010 door [appellante] ingediende schadeclaims geen dekking heeft bestaan. Het hof komt aan het subsidiaire standpunt van Aegon derhalve niet toe.

16. Aegon heeft naast terugbetaling van de door haar uitgekeerde schadebedragen ook vergoeding gevorderd van gemaakte expertisekosten. Aegon heeft aan dit onderdeel van haar vordering nader de stelling ter grondslag gelegd dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld door relevante feiten te verzwijgen als gevolg waarvan een overeenkomst is aangegaan die niet zou zijn aangegaan indien de onrechtmatige daad niet had plaatsgehad.

17. In eerste aanleg is de vordering van Aegon tot terugbetaling van de door haar uitgekeerde schadebedragen, voor zover gebaseerd op onverschuldigde betaling, alsmede haar vordering tot vergoeding van de expertisekosten, ad €4.384,64 in totaal, vermeerderd met wettelijke rente, toegewezen. [appellante] stelt terecht dat de rechtbank tijdens de comparitie van partijen had aangegeven dat zowel Aegon als [appellante] in de gelegenheid zou worden gesteld naar aanleiding van de wijziging van de grondslag door Aegon een schriftelijke toelichting te geven, indien de rechtbank aan de reconventionele vordering van Aegon zou komen. Het hof moet ervan uitgaan dat deze gelegenheid noch aan [appellante] , noch aan Aegon is gegeven. Nu [appellante] evenwel in hoger beroep op dit punt niet nader is ingegaan en evenmin hiertegen een specifieke grief heeft gericht, komt het hof ook op dit punt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank.

18. Het hiervoor overwogene betekent dat de voorwaarde is vervuld waaronder [appellante] haar vordering jegens [geïntimeerde 2] heeft ingesteld. Daarbij gaat het om de vraag of [appellante] zich terecht op het standpunt stelt dat [geïntimeerde 2] in strijd heeft gehandeld met zijn zorgplicht en op die grond moet opkomen voor schade die voor [appellante] is ontstaan doordat Aegon geen dekking verleent voor de brandschade van 16 april 2010 en doordat [appellante] de door Aegon betaalde bedragen wegens eerdere schaden alsmede door Aegon betaalde expertisekosten moet terugbetalen. [appellante] heeft aan voormeld standpunt de stelling ten grondslag gelegd dat, indien aan Aegon een beroep op artikel 251 (oud) WvK toekomt, reeds daaruit volgt dat [geïntimeerde 2] jegens [appellante] in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tekortgeschoten is.

19. Het hof stelt voorop dat van [geïntimeerde 2] alleen dan te vergen was dat hij nadere vragen aan [appellante] had gesteld over de redenen van opzeggingen door RVS indien voor [geïntimeerde 2] reden bestond om [appellante] te waarschuwen voor de gevolgen van een onvolledige of onjuiste beantwoording van de vragenlijst van Aegon. Om tot die conclusie te kunnen komen is in ieder geval vereist dat [geïntimeerde 2] de redenen van RVS voor de opzegging kende of heeft behoren te kennen.

20. Beslissend is in de rechtsverhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde 2] derhalve of [appellante] in 2001 aan [geïntimeerde 2] de brieven van RVS van 6 juni 2001 en 8 juni 2001 heeft getoond, dan wel of [geïntimeerde 2] op andere wijze kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de inhoud van deze brieven. [geïntimeerde 2] heeft dit betwist. [appellante] heeft zich beroepen op een brief van Bavam, de aansprakeljkheidsverzekeraar van [geïntimeerde 2] , van 28 september 2011, doch — anders dan [appellante] stelt — is in deze brief geen bevestiging te lezen van het door [appellante] gestelde feit dat [geïntimeerde 2] ten tijde van het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst met Aegon in 2001 op de hoogte was van de opzegging door RVS en met name van de door RVS genoemde redenen van opzegging. In de brief van 28 september 2011 is immers alleen vermeld dat [appellante] volgens de aansprakelijkheidsverzekeraar aan [geïntimeerde 2] melding heeft gemaakt van een schade die volgens [appellante] bij RVS zou lopen, doch wat voor soort schade het betrof, zou volgens Bavam niet aan [geïntimeerde 2] zijn duidelijk gemaakt.

21. [appellante] heeft zich in hoger beroep, onder overlegging van brieven van haar toenmalige rechtsbijstandverzekeraar SRK van 9 augustus 2011, 10 augustus 2001 en 27 september 2001, op het standpunt gesteld dat vaststaat dat [geïntimeerde 2] volledig betrokken is geweest bij de “RVS-kwestie en de berichtgevingen dienaangaande tussen [appellante] en SRK”.

22. [geïntimeerde 2] heeft daartegen aangevoerd dat [appellante] jegens hem alleen melding heeft gemaakt van haar wens de bij RVS lopende verzekeringen bij een andere verzekeraar onder te brengen. Omtrent een beëindiging wist [geïntimeerde 2] , zo voert hij aan, niet meer dan dat de verzekeringen bij RVS volgens [appellante] op 6 augustus 2001 zouden eindigen. Ten aanzien van voormelde door [appellante] in hoger beroep overgelegde brieven heeft [geïntimeerde 2] het volgende aangevoerd. Het betreft brieven die niet zijn ondertekend. Niet blijkt dat de brieven van RVS van 6 juni 2011 en 8 juni 2001 destijds daadwerkelijk aan [geïntimeerde 2] zijn toegezonden. [geïntimeerde 2] betwist voorts de brieven van 9 augustus 2001, 10 augustus 2001 en 27 september 2001 destijds te hebben ontvangen.

23. Op dit punt stelt het hof het volgende vast. De brief van 9 augustus 2001 bevestigt de toezending aan [geïntimeerde 2] door RSK van een afschrift van een brief aan [appellante] . Onduidelijk is gebleven welke brief daarmee aan [geïntimeerde 2] zou zijn toegezonden. Met de brief van RSK van 10 augustus 2001 kan gedoeld zijn op de aan [appellante] gerichte brief van dezelfde datum. In deze brief wordt wel melding gemaakt van de brieven van RVS van 6 juni 2001, 8 juni 2001 en van 15 juni 2001, maar uit de brief van RSK blijkt niet dat de desbetreffende brieven van RVS ook aan [geïntimeerde 2] zijn doorgezonden. Ditzelfde geldt voor de brief van RSK van 27 september 2001. Het hof komt derhalve aan bewijslevering door [appellante] ten aanzien van de door haar gestelde authenticiteit van voormelde brieven, niet toe.

24. Ten aanzien van de stelling van [appellante] dat zij [geïntimeerde 2] op de hoogte heeft gebracht van “de RVS-kwestie”. dat [geïntimeerde 2] wetenschap had van de opzegging door RVS en/of de reden daarvan, en dat [appellante] er “absoluut van overtuigd is” dat [geïntimeerde 2] ook in 2001 kennis had van de inhoud en strekking van deze brieven. overweegt het hof als volgt. Nu op [appellante] ter zake de stelplicht rust, heeft zij niet kunnen volstaan met deze enkele stelling. [appellante] heeft immers niet toegelicht op welke wijze en wanneer zij [geïntimeerde 2] op de hoogte heeft gesteld en over welke feiten zij [geïntimeerde 2] zou hebben geïnformeerd en evenmin heeft [appellante] toegelicht op welke feiten en omstandigheden zij haar overtuiging baseert dat [geïntimeerde 2] wetenschap had van de redenen van opzegging door RVS. Ook de — door [geïntimeerde 2] betwiste — stelling van [appellante] ter gelegenheid van de comparitie van partijen, dat aan [geïntimeerde 2] een map met polissen is meegenomen en dat in deze map ook de brieven van RVS zaten, is onvoldoende onderbouwd. Nu het hof op grond van de stellingen van [appellante] niet tot de conclusie kan komen dat [geïntimeerde 2] op grond van de hem beschikbare informatie [appellante] had behoren te waarschuwen voor een onvolledige of onjuiste beantwoord van het aanvraagformulier, is de vordering jegens [geïntimeerde 2] niet toewijsbaar.

25. Het hof gaat aan het bewijsaanbod van [appellante] voorbij. Nu [appellante] geen concrete, zich voor bewijslevering lenende feiten en omstandigheden heeft gesteld en de overige te bewijzen aangeboden stellingen niet tot een ander oordeel kunnen leiden, is voor bewijslevering door [appellante] geen plaats.

26. De grieven III tot en met VII en de grieven IX en X falen, terwijl de grieven 1, II en VIII niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het vonnis van 10 oktober 2012 zal derhalve worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten in hoger beroep, zowel jegens Aegon als jegens [geïntimeerde 2] , nu zij bij afzonderlijke memorie de grieven van [appellante] hebben bestreden. Zoals door [geïntimeerde 2] gevorderd zal [appellante] tevens worden veroordeeld tot betaling van de nakosten van € 131, indien geen betekening plaatsvindt en van € 205, indien wel betekening plaatsvindt.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank s Gravenhage van 10 oktober 2012;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van Aegon tot aan deze uitspraak op € 1.862,= vast recht en op € 3.262,= salaris advocaat;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde 2] tot aan deze uitspraak op € 683,= vast recht en op € 3.262,= salaris advocaat, vermeerderd met de nakosten van € 131,= indien geen betekening plaatsvindt en met € 205,= indien wel betekening plaatsvindt;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E. J. van Sandick, R.F. Groos en P. Kuipers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.